Nederland's geestesmerk  

From The Art and Popular Culture Encyclopedia

Jump to: navigation, search

"in the nineteenth century, 'bourgeois' became the most pejorative term of all, particularly in the mouths of socialists and artists, and later even of fascists."

Original Dutch:

"Zo werd in de negentiende eeuw [de term] ‘Bourgeois’ en het correspondeerende ‘burgerlijk’ de ergste smaad van alle, bij monde van socialisten en kunstenaars [...] en thans ook het fascisme."

Related e

Google
Wikipedia
Wiktionary
Wiki Commons
Wikiquote
Wikisource
YouTube
Shop


Featured:
Train wreck at Montparnasse (October 22, 1895) by Studio Lévy and Sons.
Enlarge
Train wreck at Montparnasse (October 22, 1895) by Studio Lévy and Sons.

"Nederland's geestesmerk" (1935) is a text by Johan Huizinga, collected in translation in Dutch Civilisation in the Seventeenth Century as "The Spirit of the Netherlands".

Full text in original Dutch[1]

Nederland's geestesmerk* Voorrede tot de eerste uitgave Twee uitnoodigingen, in het afgeloopen voorjaar bijna terzelfder tijd ontvangen, om iets te zeggen over Nederlandsche volkseenheid, getuigden mij, dat de behoefte aan zulk een eenheid levendig is. Met vreugde voldeed ik er aan, eerst door een inleiding op de Studentenconferentie over volkseenheid te Zeist op 9 Mei 1934, en thans in dit artikel, dat in hoofdlijnen het toen gesprokene volgt, uitgebreid met een en ander wat het onderwerp in wijder verband raakt.

Vrij wat van het hier betoogde heb ik, tot vreemden over Nederland sprekende, al eerder geuit. Tot landgenooten sprekende, kan ik veel als algemeen bekend weglaten, en veel wat kritische beoordeeling van onze eigen zaak beteekent toevoegen.

Om misverstand te voorkomen zij gezegd, dat het begrip van een Nederlandsche natie hier steeds gebruikt wordt in den zin van het volk zooals het door den staat omsloten wordt. Onze verhouding tot de stamverwanten buiten Nederland blijft onaangeroerd.

Het woord in den titel is niet gebruikelijk. Zoekende naar de juiste aanduiding van het onderwerp, heb ik het, meen ik, gesmeed. Het drukt de overtuiging uit, dat het op den geest aankomt, en dat deze, ondanks alle verscheidenheid en verdeeldheid één stempel draagt. Laat het tevens uitdrukken, dat de hoedanigheid van een volksaard ten slotte met geen woorden te omschrijven is, dat men het merk moet proeven op de tong.


Juni 1934

Oorspronkelijk verschenen in het Gedenkboek van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, ter gelegenheid van haar 150-jarig bestaan (1784-1934). Tekst gezet naar de tweede uitgave. A.W. Sijthoff's Uitg.-Mij. N.V., Leiden 1935. Voorrede tot de tweede uitgave De herziening van dit geschrift heeft zich in het algemeen bepaald tot eenige verduidelijking en toevoeging, met name daar waar de kritiek mij bewees, dat mijn woorden tot misverstand aanleiding gaven. Op een hoofdpunt evenwel heb ik een ver strekkende verandering en uitbreiding aangebracht, namelijk daar waar het de praktisch-politieke conclusie betreft, waartoe mijn betoog mij voerde.

[p. 280] Uit de voorrede moet ik iets herroepen. Het woord geestesmerk is niet, zooals daar gemeend wordt, van mijn vinding. Een lezer vestigde er welwillend mijn aandacht op, dat het reeds in 1875 is gebruikt door Dr A. Kuyper, wat mij van de noodzaak tot rechtvaardiging van den term geheel ontslaat.


Mei 1935

I. De wording van onze nationaliteit In den tijd, dat ik in Haarlem woonde, zou ik, door de Zijlstraat komend, nooit nalaten even op te kijken naar het bescheiden huis, welks gevelsteen het opschrift droeg: ‘Int soet Nederlant’, en ter weerszijden op een zandsteenen band: ‘Ick blyf getrou’, ‘Ick wyck nyet af’. Ik weet niet, welke omstandigheden den onbekenden burger van kort na 1600 die zinspreuk voor zijn huis deden kiezen. Het moet voorzeker een zuivere en diepe liefde tot zijn land zijn geweest. Het opschrift dunkt mij als document voor de qualiteit van ons nationaal gevoel in de 17e eeuw even belangrijk als een gedicht van Vondel of een schilderij van Frans Hals of Jan van Goyen. Men kan er, als in deze, zijn eigen Nederlandsch sentiment in terugvinden. Men kan het opnemen als een thema voor de symphonie van eigen land en volk.

Een nationaal gevoel, dat zich niet spiegelen kan in de roerloosheid van het verleden, mist den grondslag van zijn wezen. Het leven van een natie is historie, zooals het leven van den enkelen mensch historie is. Op ieder oogenblik, dat men het leeft, heeft het zijn vorm en zijn beteekenis, zijn zin en zijn richting, uit dat deel wat voorbij is. Wie zich afgesneden denkt van de herinnering aan zijn herkomst, groei en lotgeval, staat redeloos voor het leven. Elk welbewust volks- en staatsbesef eischt kennis en rekenschap van de historie.

Voor den Nederlander moet het bijzonder duidelijk zijn, dat zijn natie een historisch product is. Haar wording als zelfstandige eenheid in de Europeesche volkengemeenschap speelt zich af in een jong verleden, van vier of hoogstens vijf eeuwen. De meeste zusternaties zijn ouder dan wij. Portugeezen, Denen en Polen konden reeds als naties gelden (voorzoover de term op de middeleeuwsche verhoudingen past), toen zelfs de verzamelnaam Nederlanden nog niet in gebruik was. Maar er was toch, zal men zeggen, in de dertiende eeuw reeds een Dietsche taalgemeenschap, die Vlaanderen en Brabant met Holland, Zeeland en Utrecht verbond, en ze zoowel van het Nederduitsche als van het

[p. 281] Hoogduitsche gebied onderscheidde. Ongetwijfeld was er een proces van differentieering ten opzichte van het Duitsche Rijk en van integreering onderling gaande. Het betrof niet alleen de taal, maar ook de politieke ontwikkeling en de beschaving, hier te allen tijde aan een aanhoudenden Franschen invloed onderhevig. De Franschen plachten reeds zeker onderscheid te maken tusschen Thiois, dat zijn de bewoners der ‘Dietsche’ gewesten, en Allemands. In dit alles echter lag een noodwendigheid van uiteindelijke losraking der Nederlanden uit het Duitsche Rijk evenmin opgesloten als die van een politieke conglomeratie onderling van al de gewesten, Waalsche en Vlaamsche, Neder-Frankische, Saksische en Friesche, die eenmaal te zamen den naam Nederlanden zouden dragen.

In dat proces van afzondering en samenvoeging verbinden zich, gelijk in elk historisch proces, factoren van algemeenen aard met incidenteele gebeurtenissen. Wie het oog vooral op de eerste richt, en aan de geografische en ethnische voorwaarden een determineerende beteekenis voor de geheele ontwikkeling zou willen toekennen, moge wel bedenken, dat die factoren geheel verschillend zijn voor het Zuiden en voor het Noorden, en binnen het Noorden weer geheel verschillend voor den zeekant en voor den heikant. Wij wijzen zoo gaarne op het water, dat ons heeft opgevoed (let wel, het binnenwater minstens evenzeer als de zee!), opgevoed tot eigen hulp in kleinen kring, tot dijkers en heemraden, kortom tot Verdedigers. Maar is het niet altijd nog iets van den ouden hollandocentrischen zuurdeesem, die daarin spreekt? Een Nederland, enkel op die basis ontstaan, zou met Holland, Zeeland en het Friesche Noorden hoogstens nog de Betuwe hebben omvat. De hydrografische factor kan nooit strekken ter verklaring van den aanvankelijken samengroei van al de Nederlanden, Zuid en Noord te zamen, tot een zekere eenheid. De gelijksoortigheid en samenhang van Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, onderling en met de Noordelijke gebieden, heeft in den waterstaat niet haar grond.

Men loopt bij het zoeken naar zulke algemeene verklaringsgronden licht gevaar, zich in ijdele bespiegeling te verliezen. De slotsom van alle afweging der beteekenis van de zoogenaamde grondfactoren blijft steeds deze: noch de losmaking van de Nederlandsche gewesten uit het Duitsche Rijk (voor Vlaanderen en Artois: uit het leenverband met Frankrijk), noch de aaneensluiting van al de Nederlanden in één staatsverband, noch de spoedige scheuring in tweeën: het vrije Noorden en het Spaansche Zuiden, zijn in algemeene factoren van welken

[p. 282] aard ook gegeven. De feitelijke en nauwkeurig waarneembare oorzaak van dat alles blijft de politiek en het lotgeval van het Bourgondisch-Oostenrijksche huis, van den eersten Philips, in het eind der veertiende, tot Karel V en Philips II in de zestiende eeuw.

Al kan men op nog zooveel goede gronden betoogen, dat reeds omstreeks 1500 Vlamingen anders waren dan Hollanders, zoo verschillend als Quentyn Metsys van Lucas van Leiden is, het groote feit, dat tusschen 1578 en 1632 de Nederlanden scheurden langs een breuklijn, die een scherf van Vlaanderen en een helft van Brabant afsloeg, met nog een grillig fragment in het land van Overmaze, is het werk geweest van Parma, Maurits en Frederik Hendrik. Van hen alleen? Van hen, zooals hun persoonlijkheid dreef als een blaadje of takje op den eeuwigen en onpeilbaren stroom van het alzijdig gebeuren.


Nu het groote feit, waarop het hier aankomt: eerst in het kader van dien nooit vermoeden, als door een reeks van wonderen ontloken en behouden staat der Vereemgde Provinciën heeft het Nederlandsche volk zijn vorm en zijn aard bevestigd, zijn reden en recht van bestaan beproefd. Dit proces van volksvorming kreeg echter geenszins terstond zijn beslag. Zoolang een deel der Republiek als wingewesten werd bestuurd, kon er van algemeene nationale eenheid nauwelijks sprake zijn. Ja, het zou nog bijna de heele negentiende eeuw duren, eer het katholieke volksdeel eindelijk den weg vond tot een hartelijk en volmondig belijden van den Nederlandschen staatswil en het Nederlandsche volksbesef. Ook afgescheiden van het oude contrast tusschen Generaliteitslanden en Zeven Provinciën, dat zoo lang bleef nawerken, is het Nederlandsche volk nooit (gelukkig, mag men zeggen) tot dien staat van gelijkgestemdheid geraakt, waarin alle weerstanden van de peripherie tegen het centrum zouden zijn opgeheven. Hoe kan het anders in een organisme, dat zoo sterk als dat van onzen staat op een tegenstelling van centraal overwicht en gewestelijke zelfstandigheid is opgebouwd? Wij komen hier weer op hetgeen ik reeds eerder het hollandocentrisme heb genoemd. Ik wil er nog het volgende van zeggen.

De overmacht van Holland is in onze geschiedenis onvermijdelijk, heilzaam, ja reddend geweest. Zonder Holland geen Nederland. Men kan er al de politieke beeldspraak van hart en hoofd of maag en ledematen, waarmee reeds de oude Romein zijn ontevreden stadgenooten op den Heiligen berg bezwoer, op toepassen. In den tijd van onze Republiek hebben de overige provinciën zich in het staatsleven veelal met

[p. 283] de rol van heilzaam tegenwicht, in het volksleven met die van aandachtige toeschouwers moeten vergenoegen. Zoo is het niet meer. De moderne bewerktuiging van een klein land veroorlooft een mate van staatkundige en nationale gelijkwaardigheid, die oude tegenstellingen en minderwaardigheden doet verdwijnen. De uitmiddelpuntigheid van den Groninger, den Limburger, den Zeeuw, is niet grooter meer dan de natuurlijke gesteldheid van Nederland als bewoond gebied meebrengt, en geen beletsel meer voor een volledig deelen in het nationale leven. Indien de volkseenheid enkel van sociaal-geografische voorwaarden afhing, behoefde er aan ons nationaal geluk weinig te ontbreken.


Het was een zonderling gewrocht, die oude, kleine, roemrijke en dierbare Republiek der Vereenigde Provinciën, die ons als natie heeft grootgebracht. Een reeks van wisselvalligheden had, na den dood van Willem van Oranje, tot de bevestiging van ons zelfstandig volksbestaan geleid. De omstandigheden, waaronder de rebelleerende provinciën tusschen de jaren 1584 en 1587 onvoorziens tot een republiek zijn gestold, beteekenden eigenlijk een reeks van échecs. De vergeefsche aanbiedingen van de souvereiniteit aan Frankrijk en aan Engeland, de val van Antwerpen en daarmee het verlies van het Zuiden, de deerlijke mislukking van Leicester's bewind, het schijnt alles op zichzelf meer geschikt, een volk tot ondergang dan tot staatkundige vrijheid te leiden. Vrijheid was van meet af aan de inzet, zelfstandigheid in geenen deele. Ons zelfstandig staatsbestaan is uit nood geboren.

Zoo wonderbaarlijk als het ontstaan van dien staat, zoo vreemd was zijn aard en zoo verbijsterend zijn wasdom. In de eeuw, waarin bijna overal het absolutisme troef is, waarin de regeeringen, waar zij kunnen, de oude middeleeuwsche vrijheden opruimen, om er een straf regeeringsstelsel van bovenaf voor in de plaats te stellen, leverde de Nederlandsche staat het bewijs, dat ook op dien verouderden grondslag van particuliere vrijheid en zelfstandigheid der onderdeelen nog te bouwen viel. Uit een oogpunt van modern staatsrecht kon de Unie van Utrecht een samenstel van gebreken heeten. De eisch van eenparigheid van stemmen op alle belangrijke punten, de onvolmaakte onderwerping der meerderheid aan de minderheid, het ontbreken van een dwingend gezag, de dubbelzinnige positie van den stadhouder, de afwezigheid van een praktisch doorgevoerd algemeen financiestelsel en van een opperste gerechtshof, het schijnen evenzoovele kwalen om een

[p. 284] politiek gestel te ondermijnen. Zij hèbben het ondermijnd, zou Slingelandt in de achttiende eeuw getuigen. De vraag is geoorloofd, hoe paradoxaal zij klinken moge, of niet juist de gebreken der Unie tevoren den staat bij herhaling hadden gered.

Hoe dit zij, de geschiedenis der Republiek in de zeventiende eeuw had bewezen, dat op dien ouden grondslag van stedelijke en gewestelijke zelfstandigheid niet alleen te bouwen viel, maar dat de woning, die er op verrees, in menig opzicht beter en veiliger was uitgevallen dan de trotsche getimmerten van absolute vorstenmacht. In de vrije Nederlanden trok zich, voor den tijd van ongeveer een eeuw, als 't ware alles samen, wat in het Europa der zeventiende hooge beschaving beteekende. Den materieelen voedingsbodem leverde de geweldige economische expansie. Het peil der algemeene welvaart was, met alle andere landen vergeleken, hoog. Hoog was eveneens de bloei van wetenschap en kunst, - en gelijk het zijn moet: de eerste sterk internationaal, de laatste zóó nationaal, dat zij voor alle volgende tijden de eigenlijkste expressie van onzen volksaard gebleven is. De vrijheid was hier grooter dan elders; zoo was, hoe weinig zij van harte kwam, de verdraagzaamheid. Het verkeer was veiliger en sneller, de gewelddadigheid geringer, de zorg voor de misdeelden doeltreffender, de publieke geest verlichter1. En in het zuiver staatkundige had onze Republiek het voorrecht, dat haar in- en uitwendige politiek, krachtens het levensbelang van volk en staat, er een moest zijn van welvaart en van vrede, in een tijd, toen rondom dynastieke heerschzucht den oorlog roekeloos opriep.

Al deze voordeelen en qualiteiten van Nederland waren noch in de verdienste der individuen, noch in de voortreffelijkheid van het staatkundig stelsel en beleid, noch uitsluitend in een samentreffen van omstandigheden gegrond. Wie de oorzaak in één term wilde begrijpen, zou, ook al ware zijn maatstaf zuiver rationeel, er geen beter woord voor vinden dan dat van een goddelijken zegen. De geschiedenis moge anderen volken soms trots en glorie op hun herkomst leeren, voor ons luidt haar les, als men haar goed verstaat, enkel tot ootmoed.

1 Men kan niet genoeg herhalen, hoe belangrijk in dit opzicht het feit is, dat reeds sedert het begin der zeventiende eeuw de magistraat hier te lande, ten spijt van het volksgeloof, geen heksenprocessen meer toeliet. [p. 285] II. De Nederlandsche volksaard Het beeld van het Nederlandsche volksbestaan in den bloeitijd heeft, zooals de opsomming van zijn eigenaardigheden daarjuist gegeven reeds ten duidelijkste vertoont, tot grondtrek, dat het onheroïsch is. Het mist de wildheid en de felheid, die wij plegen te verbinden aan het beeld van het Spanje van Cervantes tot Calderón, het Frankrijk van de mousquetaires, het Engeland der Cavaliers en der Ironsides beide. Hoe kan het anders? Een staat, opgebouwd uit welvarende burgerijen van matig groote steden en uit tamelijk tevreden boerengemeenten, is geen kweekbodem voor hetgeen men het heroïsche noemt. Zelfs de daden van onze zeevaarders en volkplanters overzee beantwoorden, als men ze in het bijzonder beziet, ternauwernood aan de gangbare voorstelling van een constant heroïsme.

Tenzij men zich eerst even bezint op het zuiver gehalte en den zuiveren klank van dien daalder van het heroïsche, waarmee een hedendaagsch geslacht in den zak loopt te rammelen. Onze tijd is bijzonder geneigd tot het gedachteloos gebruik van gangbare termen, die dienen om zich en zijn groep te verheffen en den tegenstander te smaden. Het is nu eenmaal niet anders: de groepssentimenten hechten zich te allen tijde aan leuzen en woorden, en het zijn zelden de overtuigingen als zoodanig, meestal de leuzen, welke de groepsbewegingen activeeren.

In elke maatschappij raken bepaalde termen en namen geladen met gevoelens van afkeer of verheerlijking. Deze gevoelens gaan weliswaar uit van bepaalde overtuigingen van politieken, godsdienstigen of cultureelen aard, maar in het brein van de velen, die de uitdrukking dier overtuiging als leus aanvaarden, zonder de beteekenis te verstaan, overstemt het affekt dat aan den term verbonden is te eenenmale het logisch gehalte ervan. Is eenmaal zulk een woord gebrandmerkt of geridderd, dan hecht zich daaraan de haat of de vereering van een gansche klasse, ver buiten de oorspronkelijke sfeer van gelding en beteekenis. Dan wordt zulk een woord zondebok of sjibboleth, beladen met al de zonden eener eeuw, of heilig teeken, waaraan men zijn medestanders herkent. Zoo klonk eenmaal in de dagen der Conventie het onschuldige woord Federalisme als een verfoeiing van scheurmakerij en landverraad. Zoo zou de negentiende eeuw tal van termen beurtelings verheffen en tot smaadrede stempelen. ‘Bourgeois’ en het correspondeerende ‘burgerlijk’ werd de ergste smaad van alle. Bij monde van socialisten en kunstenaars beide werd de ‘bourgeois’ de zondebok, en

[p. 286] is het gebleven, totdat thans ook het fascisme het begrip in den krans van zijn execraties heeft opgenomen. - O onsterfelijk tusschenzinnetje van Jules Renard: ‘le bourgeois c'est celui qui n'a pas mes idées’! - Hoe duivelsch ging het woord ‘kapitalistisch’ klinken! Zoo weerzinwekkend, dat zelfs nu nog de velen, die ernstig overtuigd zijn, dat persoonlijke en erfelijke eigendom de grondslag is geweest van alle hoogere cultuur, en dat het niet binnen menschenmacht ligt, het heerschende productiestelsel opzettelijk door een beter te vervangen, den naam kapitalisten niet gaarne op zich zelf zouden toepassen. Hoe klonk in het liberale Nederland van driekwart eeuw geleden het woord ‘orthodox’! De vrijzinnige vaderlander van gemiddelde geborneerdheid zag immers daarachter louter kwezelaars en huichelaars. Hoe klinkt thans voor socialisten, fascisten en Nederlandsche rechtsche partijen het woord ‘liberalisme’! De afschuw van een heel geslacht heeft zich aan het woord gehecht.

De jongste strooming in het ‘verwerdt Europa’, die van het extreem nationalisme, heeft nu als blankste parel in zijn kroon het ‘heroïsme’ gesteld. Het is een parel uit de fabriek. Want wie waarde hecht aan de echte, diepe beteekenis van een woord, weet wel, dat heldendom evenals heiligheid geen programpunt kan zijn, dat het bereikt kan worden op het vergeten ziekbed en in het stoffige kantoor evengoed als op het slagveld of in het vliegtuig. Ik weet wel, er zit in dien hevigen drang naar het heroïsche, die het geslacht van dezen tijd drijft, een edele aspiratie, die van het zelfvergeten in de daad en van het doen instroomen van alle machten der poëzie in het werkelijke gemeenschapsleven. Maar men kan niet streven naar het heroïsche. De naam held is de prijs, dien de levenden geven aan den gevallene, die zelfvan geen heldendom wist. Toewijding en plichtsvervulling moet als lof voor onze daden genoeg zijn. Bij het hedendaagsche heroïsme evenwel, zooals politieke machten het aanprijzen, ligt de prikkel in hoogmoed en barbarie. Het is de intoxicatie der gedresseerde scharen.

Dit valsche heroïsme is van de moreele kwalen, waarmee onze tijd geplaagd is, wellicht de ergste, en van alle gedachteloos misbruikte termen de gevaarlijkste.

Hoe nuttig zou het zijn, als men van tijd tot tijd eens al de politieke en cultureele termen, die gangbaar zijn, op een rij kon zetten voor een groote schoonmaak. Om sommige als kapot of versleten in het aschvat te werpen, andere grondig te reinigen van het stof en vuil, dat er aan kleeft. Zoodat men bij voorbeeld liberaal, in zijn oorspronkelijke be-

[p. 287] teekenis hersteld en los van alle gevoelsnuances, die een eeuw van partijconflict er aan gehecht heeft, weer kon gebruiken in den zin van ‘dat wat een vrij man waardig is’. Zou men niet burgerlijk, ontdaan van al de negatieve associaties, waarmede nijd en hoogmoed (want die zijn het tenslotte) het woord beladen hebben, weer eenvoudig kunnen opvatten als ‘al wat tot het stedelijk leven behoort’? Men zou zich dan daarbij misschien kunnen herinneren, dat de Babylonische, de Grieksche, de Romeinsche, de Westersch-christelijke cultuur en nog eenige andere meer in steden zijn gegroeid en door steden gedragen. Onder het licht van zulk een afwassching der termen zij het volgende gelezen.

III. Burgerlijk karakter van het Nederlandsche volk De eenheid van het Nederlandsche volk is bovenal gelegen in zijn burgerlijk karakter. Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër. Onze nationale cultuur is burgerlijk in elken zin, dien men aan het woord hechten wil. De burgerlijke levensopvatting heeft zich meegedeeld aan alle groepen of klassen, die ons volk telt, landelijke en stedelijke, bezittende en niet-bezittende. Onze gansche geschiedenis weerspiegelt die burgerlijke aspiraties. Om burgervrijheid hielden onze voorouders het verzet tegen Spanje vol. In burgerzeden wortelden de politieke eigenschappen der Republiek, die ik hierboven opsomde. Uit een burgerlijke sfeer sproten onze weinig militaire geest, de overwegende handelsgeest. De burgelijke samenleving verklaart de geringe oproerigheid der volksklassen, en in het algemeen die effenheid van het nationale leven, die maar licht rimpelde onder den wind der groote geestesberoeringen. Men ziet het: ik laat aan den term een deel van zijn negatieven klank. In burgerlijkheid wortelen ook onze hinderlijkste nationale gebreken: de vrijdom der baldadigheid, het gemis aan publieke wellevendheid en de vaak beklaagde krenterigheid.

De burgerlijke levenshouding brengt ook teweeg die lange inzinking van ons volksbestaan in de achttiende eeuw en de loome, langzame ontwaking in de negentiende.

Het is een eigenaardig feit, dat wij Nederlanders voor onze geheele achttiende eeuw vaak niet veel meer over hebben dan een smalenden glimlach. Haar levenstoon schijnt ons prozaïsch. Haar taal verveelt ons. Haar gevoelens lijken ons òf deftig en duf, òf gemoedelijk huisbakken, òf klein opgewonden en mal sentimenteel. De patriottentwisten zien

[p. 288] wij in de sfeer der komedie. Wat wij onzen vaderen vooral niet vergeven is hun tevredenheid en zelfvoldaanheid. Wij willen hen geen vaderen noemen, hoogstens ooms. Wij ruiken van hun eeuw alleen meer de tabak en het poeder der pruiken.

In die geringschatting onzer achttiende eeuw ligt een goed stuk kortzichtigheid van onzen kant. Die eeuw was bij ons ten slotte geen andere dan die, welke in de landen rondom groote dingen voortbracht. Wie onze achttiende eeuw wil verstaan, moet de waarde van een hoog gemiddelde kunnen erkennen, moet kunnen afzien van het zoeken naar treffende en gemakkelijk vatbare grootheid, om het gehalte van den tijd een weinig achter de menschen en de woorden te kunnen ontdekken. Die eeuw heeft gekend een eenvoud van geest en een zuiverheid van idealen, die wij haar mogen benijden.

Maar voor wien in ‘burgerlijk’ de veroordeeling bij voorbaat ligt opgesloten, laat hem de achttiende eeuw blijven verguizen, want burgerlijk was zij ongetwijfeld. Burgerlijk waren echter ook Rembrandt, Vondel, Jan de Witt en zelfs Spinoza.

IV. De krachten tot volkseenheid In dit overwegen van één bepaalde sociale houding in onze nationale cultuur ligt de mogelijkheid van een groote mate van volkseenheid opgesloten. Er is een homogene grondslag. De tegenstellingen tusschen de verschillende volksgroepen zijn geringer dan in de meeste andere landen van Europa. Het landelijk gedeelte der Nederlandsche bevolking heeft door de dichte bewoning, de kleine afstanden, het gemakkelijk verkeer en het algemeene volksonderwijs eigenlijk sinds lang burgerlijke zeden aangenomen. Het contrast stad en land is in Nederland een factor van ondergeschikte beteekenis.

De betrekkelijke homogeneïteit kan echter in het nationale leven eerst een kracht ten goede worden, wanneer zij zich in actieve nationale deugden manifesteert. Zijn er zulke? - Ik geloof van ja. Laat ons trachten, ze te omschrijven.

Op gevaar af van mijn heroïsch-gezinde landgenooten nog meer te vertoornen dan ik waarschijnlijk al heb gedaan, wil ik daarbij uitgaan van een nationale deugd, waarvoor wij ons in den regel een weinig plegen te schamen, omdat zij zoo alledaagsch en nuchter klinkt, namelijk de veelgeroemde Hollandsche zindelijkheid. De taal weerspiegelt het gewicht dat wij daaraan hechten. Wat een woorden er voor!

[p. 289] Zindelijk, proper, frisch, net, helder, zuiver... het een klinkt al ‘burgerlijker’ dan het ander. Voorts nog: rein, reeds lang goed-Nederlandsch, maar tegenwoordig in de taal der reclame verhaspeld naar Duitsch spraakgebruik. En eindelijk nog schoon. Welke andere taal gebruikt het grondwoord van het aesthetisch bewustzijn zoowel voor een schoon boordje als voor een maanlandschap! De vereering der zindelijkheid moet ons toch wel diep in het bloed zitten. Waarop wijst die sterke behoefte aan nuanceering van het begrip der uiterlijke zuiverheid?

Indien het eens een correlaat was van een geestelijke behoefte, van een behoefte aan inwendige zuiverheid, in het logische, het ethische en het aesthetische. Zouden wij ons inderdaad als nationale eigenschap mogen toekennen een sterke behoefte aan de eenvoudige, onopgesmukte waarheid, aan eerlijkheid en betrouwbaarheid, aan orde en harmonie, kortom aan geestelijke zuiverheid? Het ware te wenschen, mits dan ook die aspiratie in de eerste plaats het eigen persoonlijke doen en denken van iedereen betrof. Hypocrisie en farizeïsme belagen hier individu en gemeenschap! Het aardrijkskundeboekje uit mijn schooltijd voegde reeds aan den lof der Hollandsche zindelijkheid tusschen haakjes toe: ‘meer op huis en kleeren dan op eigen lichaam’. Moest dat ook opgaan omgezet in het geestelijke, dan ware het beter ons in het slijk te wentelen!

Onbeschroomder dan den prijs van eigen nationale eerlijkheid kan men het wagen, het Nederlandsche volk dien toe te kennen van een hooge mate van ontzag voor het recht en de meening van anderen. Het is onze geschiedenis en onze positie als kleine staat te midden van groote, die ons die deugd heeft geleerd. Zij grenst evenwel aan een ondeugd. Want ontzag voor het recht en de meening van anderen leidt licht tot ontzag voor diens vermeende recht, ja van zijn onrecht. Indien ten onzent een hooge standaard van publieke eerlijkheid vèrgaande corruptie onmogelijk maakt, het valt niet te ontkennen, dat de Nederlander, alweer in zekere burgerlijke gemoedelijkheid, een lichten graad van knoeierij of bevoorrechting van vriendjes zonder protest verdraagt.

Met dat al is in de genoemde, toch wel onmiskenbare, nationale eigenschap een kostbare factor van volkseenheid gegeven.

Hoe staat het nu met een deugd, die wij ons met eenige verzekerdheid mogen toekennen, omdat zij la qualité d'un défaut is, namelijk onze, vergelijkenderwijs gesproken, geringe vatbaarheid voor illusie en rhetoriek? - Zij moge ons in den weg staan, waar het de werken der

[p. 290] fantazie en der vervoering betreft, als politieke eigenschap is dat gemis ongetwijfeld onder de positieve en heilzame factoren te rekenen. Helaas wordt de werking van dien factor door andere, als vasthoudendheid aan eenmaal opgevatte meening, esprit de clocher en dergelijke, ten deele opgeheven. Bovendien ligt zulk een geringe vatbaarheid voor het holle woord vlak bij gemis aan weerklank voor het geestdriftige woord en de bezieling, en leidt gemakkelijk tot politieke onverschilligheid en afzijdigheid. Trachten wij de feiten te doen spreken.

Het Nederlandsche volk is in den loop van zijn bestaan voor sterke uitingen van politiek extremisme onvatbaar gebleken. Het tumult, dat aan de De Witt'en het leven kostte, kan als zoodanig niet gelden. Het was een uitbarsting van oorlogspaniek, door plichtverzuim der overheid op zijn beloop gelaten. Het anarchisme van de daad bracht het hier te lande niet verder dan dat de jonge bohême uit de jaren negentig wel eens dreigend van ‘sardineblikkies’ sprak. Het na-oorlogsch communisme gedijde hier tot nu toe slechts matig. Over den voortgang van het rechtsche extremisme laat zich nog niets voorspellen. Het zal ongetwijfeld nog toenemen. Het is mode, zooals het omstreeks 1900 voor jongelieden mode was, sociaal-democraat te zijn. Velen omhelzen het fascisme ongetwijfeld bij vergissing, meenende dat zijn zegepraal hun in waarheid conservatieve instincten zou bevredigen.

De moderne middelen van suggestieve reclame en mechanische organiseering maken elk extremisme gevaarlijker en onberekenbaarder dan vroegere perioden ze gekend hebben. Wat echter onze toekomst ook zijn moge, een extremistisch régime in Nederland zou, gegeven de Nederlandsche volksaard, naar alle waarschijnlijkheid een gematigd extremisme te zien geven. Het gevaar van communisme of fascisme voor Nederland schijnt vooral hierin gelegen, dat zelfs een korte proeve van hun heerschappij beide stelsels waarschijnlijk zou noodzaken, ons land zoodanig te verduitschen, dat zij daarmee de basis van onze onafhankelijkheid in korten tijd zouden kunnen vernietigen.

De geestelijke bodem, waarop de politieke illusie en rhetoriek het weligst tieren, is die van het politieke minderwaardigheidsgevoel. Zulk een gevoel kan zijn grond hebben in een geschiedenis van eeuwen. Verdrukking, achterafzetting, verlies van oude grootheid, onvolmaakte nationale ontplooiing zijn meestal de oorzaken. Een geëxaspereerd nationalisme is bijna altijd het gevolg, irredentismen en revanchelust zijn de uitingsvormen. Het is niet onze verdienste, maar een goedgunstig lot, dat wij voor de oorzaken en voor de gevolgen bespaard bleven.

[p. 291] Hoe verachtelijk het ook voor ieder, die zich vurig en moedig voelt, moge klinken, als natie en staat zijn wij nu eenmaal in zekeren zin satisfait, en het is onze nationale plicht het te blijven. Het te kunnen blijven zal van den moed en het vuur van den enkele en van ons allen nog genoeg vergen.

Zijn wij vrij van politieke minderwaardigheidsgevoelens, ook het nationale overwaardigheidsgevoel is bij ons betrekkelijk zwak ontwikkeld. Onder de deugden, die wij ons mogen toekennen, behoort buiten kijf een relatief geringe neiging tot nationale zelfverheerlijking en zelfverheffing. Vergeleken met vele andere volken zingen wij minder luid onzen eigen lof. De naïeve klanken van Helmers en de zijnen zijn immers lang weggestorven, en een uitgesproken stoffen op eigen nationale voortreffelijkheid doet ons belachelijk aan. Een welbewust volk heeft kritiek op de eigen gebreken, en het ontbreekt ons daaraan niet, zoo weinig zelfs, dat het gevaar om te vervallen in het tegengestelde kwaad van nationale zelfverguizing niet altijd vermeden wordt. Met dat al blijft soberheid en bescheidenheid van het nationale zelfgevoel ongetwijfeld een volksdeugd van zuiver kaliber. Zij staat in het nauwste verband met een zeer belangrijke eigenschap, die wij alweer niet aan eigen verdienste maar aan onze positie te danken hebben, namelijk ons openstaan voor de erkenning van de waarde van het vreemde. Wij hebben al de vensters van ons huis openstaan, en laten er den zeewind en den landwind vrij door blazen. Aanrakingen van eeuwen her hebben ons met Franschen, Engelschen en Duitschen geest vertrouwd gemaakt. Als er één ding is, waarop Nederland zich boven andere landen zou mogen verheffen, dan is het het feit, dat geen ander volk zoo gelijkmatig den stroom van drie verschillende cultuurkringen weet te verwerken, en zoo nauwkeurig den geest van alle drie weet te verstaan, als het ons gegeven is. Het is een kostbare weelde, die wij ons kunnen veroorloven, dat begrip voor, die erkenning van het vreemde. Wij zijn er toe genoodzaakt, doordat wij in hun midden wonen, en wij kunnen het ons veroorloven, omdat wij van geen vreemde iets anders verlangen dan vrij verkeer en de beste vruchten van zijn geest.

Die mogelijkheid tot gelijkmatige verwerking van verschillende vreemde culturen berust bovenal op ons bezit van een eigen taal. Zij moge ons belemmeren in het doordringen met ons woord tot de wereld, zij houdt ons onpartijdig, zij geeft ons een eigen spiegel, om het vreemde in op te vangen. Zoolang wij de eigen denkwijze, het eigen begrippenstelsel handhaven, waarvan onze taal de vorm en uitdrukking

[p. 292] is, en daarin het vreemde opnemen en verwerken, behoeven wij geest en taal voor geen invloed van elders angstvallig te sluiten. Een overmatig purisme is een zonde tegen de cultuur. Want de moderne beschaving wordt in haar terminologie steeds meer internationaal, en het is een zegen voor een taal, wanneer zij in staat is, de tallooze formaties van Latijnschen en Griekschen oorsprong, waarin de voortschrijdende bewerktuiging der samenleving zich nog altijd nieuw uitdrukt, zonder schade voor haar eigen bouw op te nemen. Houd het Nederlandsch zoo, dat het goed Nederlandsch en tevens zoo internationaal mogelijk is.

Wat voor de taal geldt, geldt voor het maatschappelijk leven en voor den geest. Wij kùnnen het vreemde niet weren, en wij willen het niet weren. De auto's en de films zijn ons welkom, en ook de ideeën, getoetst aan ons besef van waarde. De internationale interpenetratie der volken gaat, ondanks de ijlende koortsen, die het lichaam der wereld schokken, haar gang. Laat haar op dezen onzen bodem vrij doorwerken, en houd uw Nederlandsche hoofd koel.

Ziedaar een aantal trekken opgesomd, die men als deugden van ons volk zou mogen betitelen. Zij lagen bijna alle op een niveau, dat velen misschien te laag, te effen schijnt, en ik moet vreezen, als vriend, die u uw deugden toonde, u nog veel boozer te hebben gemaakt, dan gij het pleegt te worden op den vriend, die u uw feilen toont. Nu rest de vraag: wat zijn, als ze hier goed werden onderkend, die deugden waard voor een actieve volkseenheid, die wij allen wenschen?

Die waarde kan bestaan in macht tot afweer en in kracht van aandrift. Afweer van euvelen, die het recht beleid van den staat en het gezonde volksbestaan bedreigen, aandrift tot de daden, die onze volksgemeenschap te doen kunnen staan.

V. Crisis der cultuur1 De gevaarlijke crisis, waarin, naar heden ten dage wel iedereen toestemt, de geheele beschaving, Westersche en Oostersche, verkeert, brengt mede, dat vooral van afwerende krachten sprake moet zijn. In hoeverre kunnen eigenschappen als de geschetste ons volk sterk maken om weerstand te bieden aan strekkingen, die de cultuur met afbraak en ondergang bedreigen?

Het beklemmende gevoel van te leven in een wereld hollende naar

1 Wat hier in enkele bladzijden wordt aangeroerd, hoop ik eerlang in een zelfstandig geschrift nader uiteen te zetten. [p. 293] haar verderf heeft Europa sedert het einde der Middeleeuwen niet meer in de hevigheid gekend, waarmee het onzen tijd bezwaart. Eertijds stond voor allen die verwachting van ondergang geschikt in het systeem der heilsleer, als het onvermijdelijk wereldeinde, dat het Oordeel zou inleiden. Tegenwoordig daarentegen zijn allen, die het onheil zien, ook de dragers eener ongeschokte dogmatisch-christelijke belijdenis, bezield van een meer of minder stellige overtuiging, dat de menschheid zelf den dreigenden ondergang der beschaving zou kunnen keeren en behoort te keeren. Het collectieve verantwoordelijkheidsgevoel is veel sterker dan voorheen. Er mag geen berusting in een naderend einde zijn. En er blijft hoop.

Want de wereld is niet alleen veel slechter, maar ook een weinig beter geworden dan zij vroeger was. Het wàs niet àlles illusie, wat ons tot na de wending der eeuw den waan ingaf van voortdurende vooruitgang en volmaking. De krachten tot heeling zijn niet verloren. Haat en humbug vullen de wereld, maar wij kennen ze, en kunnen ze bestrijden, als booze ziekten.

Wilt ge een treffend voorbeeld van aperte daling der cultuur sedert de achttiende eeuw? Toen in 1778 Frankrijk deel nam aan den oorlog van Amerika tegen Engeland, gaf de Fransche regeering aan haar scheepscommandanten de instructie, dat zij, in geval zij kruisende den Engelschen kapitein James Cook ontmoetten, hem met alle eer en onderscheiding moesten behandelen en zijn ontdekkingsreizen bevorderen1. In 1810 kon Sir Humphry Davy met zijn leerling Faraday, op uitnoodiging van Fransche geleerde genootschappen, midden in den oorlog een reis door Frankrijk maken, overal met onderscheiding ontvangen2. In 1917 daarentegen zat Albert Schweitzer, de man, die de honderden geneest, en de tienduizenden sterkt door het bewijs, dat een mensch waarlijk christelijk kan leven, in een Fransch interneeringskamp, en de andere oorlogvoerenden deden niet beter.

En dat terwijl toch op allerlei gebied de menschelijkheid sinds 1800 ontegenzeglijk was vooruitgegaan, getuige de verzachting van het strafrecht, de behandeling van krankzinnigen, de aanvaarding van sociale plichten jegens de maatschappelijk zwakken. Hoe dan te verklaren, dat terzelfdertijd de maatschappelijke en persoonlijke zeden zachter, en de politieke zeden zeer veel harder geworden zijn? Het antwoord ligt

1 Jules Isaac in Le Livre VII no. 16, déc. 1933, p. 2. 2 Aldous Huxley in L'avenir de l'esprit européen, Entretiens, ed. Inst. internat. de coopération intellectuelle, 1934, p. 282. [p. 294] daar, waar de oorzaken liggen van driekwart van het euvel der verbijsterende cultuurcrisis, die wij beleven: in het doorwerken van de mechanisch-technische organisatie van het gemeenschapsleven in het algemeen, en van de nationaal-politische geleding der wereld in het bijzonder. Machten, die het menschelijk vernuft heeft opgebouwd, maar die het niet meer beheerscht, onderwerpen de menschheid aan dien afschuwelijken dwang van stelselmatige wreedheid en waanzin, die zij zelf niet wil, maar niet meer kan verhoeden. Prometheus ligt opnieuw gekluisterd aan de rots, en de adelaar, die dagelijks zijn flanken verscheurt, komt op de vleugelen van technocratie en overorganisatie.

De middelen en de werktuigen zijn ons te machtig geworden. Als een dol geworden molen maalt de wereld voedingsmiddelen, die men in zee moet werpen, omdat ze geen afzet vinden, en oorlogstuig, dat grage koopers vindt. Het woord is slaaf geworden van geld of van macht, en krijscht over de wereld, wat hebzucht en heerschzucht gebieden.

Alle samenleving berust op maatschappelijke organisatie. De menschelijke gemeenschap moet ter verzekering van haar heil vormen van samenleving scheppen, functies verdeelen, verbanden van onderschikking aan gezag vaststellen, kortom zich organiseeren. In de meer oorspronkelijke phasen van beschaving geschiedt dit alles onbewust, althans zoo dat de daden, die tot zoodanige instellingen leiden, zich aan onze waarneming onttrekken. Naarmate de beschaving voortschrijdt evenwel wordt de functie zelf van maatschappelijke organisatie meer en meer een bewuste kunst en een opzettelijk toegepast middel, in het klein en in het groot. In de moderne samenleving nu is de techniek der maatschappelijke organisatie, door drukpers en verkeer, door algemeene volksontwikkeling, zoo zeer gevorderd, dat de organisatie zich niet meer voltrekt in geleidelijke aansluiting bij veranderde behoeften en omstandigheden, maar een macht op zich zelf is geworden. De organisatie als zoodanig heerscht en onderwerpt. Elke organisatie, tot zekere perfectie gekomen en in gang gehouden door haar eigen mechanisme heeft de neiging, haar doel in haar eigen bestaan en functie te verplaatsen. Zij wordt door de volmaaktheid van haar middelen overorganisatie.

Al wat naar gelding streeft, organiseert zich. Het is een klein kunstje. Met een dosis energie, eenige sluwheid in het speculeeren op de menschelijke zwakheden en een grooten mond kan men elk bijgeloof, elke beuzeling, elke kwakzalverij en elke ondeugd organiseeren,

[p. 295] zoodat ze een plaats krijgen in het adresboek, net gironummer en hoofdbestuur en uniform. In de mechanische organisatie wordt het menschelijk subject of genivelleerd, beter gemassificeerd, als ik een nieuw woord mag wagen, of zonder aanzien des persoons omhooggestuwd op een plaats van duizelingwekkende machtsbevoegdheid, die de ware held zou weigeren in te nemen. Joseph de Maistre merkte het al op in de mannen van het Schrikbewind. ‘Ces hommes excessivement médiocres exercèrent le plus affreux despotisme... Plus on examine les personnages en apparence les plus actifs de la révolution, plus on trouve en eux quelque chose de passif et de mécanique.’1

Organisatie beteekent macht, en macht in zichzelf, niet geheiligd door een volwaardig doel, is een kwaad. Zij kan slechts heilzaam worden, indien zij gedragen wordt door persoonlijke zedelijke verantwoordelijkheid, en haar doel heeft buiten en boven den machtswil en het belang der dragers van die macht. Hierbij maakt het geen onderscheid, of het de macht van één of van millioenen is.

Maatschappelijke organisatie blijft steeds onmisbaar, maar tegelijk is de technisch volmaakte organisatie van menschen altijd in zekeren zin doodend. Zij kluistert den mensch in een mechanisme, en ontslaat hem van een deel van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Elke organisatie beteekent stolling van vrijen geest, fixeering van een geestelijk gemiddelde. Zij brengt een zekere rigiditeit der gedachte teweeg, die belemmerend kan gaan werken op een harmonische samenleving.

De funeste gevolgen van deze twee groote en nauw samenhangende verschijnselen: de heerschappij van het in zichzelf ziellooze technisch vermogen en de doorwerking van het sociaal instinct in mechanische overorganisatie, zijn daarom zoo angstwekkend, omdat met die verandering van het maatschappelijk leven, in steeds versneld tempo en verhoogde intensiteit, een bedenkelijke verzwakking van de tegenwerkende krachten is gepaard gegaan. Die krachten zijn oordeel en zedelijkheid, dit laatste niet te verstaan in den engeren zin van een geformuleerde moraal, maar als alle streven naar een gerechtigheid, die erkend wordt in hooger doel dan het zelfzuchtige, onverschillig, of het de zelfzucht is van één of van millioenen. Het is een van de vreemdste afdwalingen van den nieuweren tijd, te meenen, dat kwaad goed wordt, doordat velen het in gemeenschap willen.


De verzwakking van het oordeel schijnt alweer in volstrekte tegen-

1 Considérations sur la France, 1796. [p. 296] strijdigheid tot de ontzagwekkende winst in kennis en begrip, die de tijd sedert 1800 heeft opgeleverd en voortgaat op te leveren. Die winst is extensief, door het steeds uitgebreider volksonderwijs en de volledige intrede van de vrouw in het intellectueele leven, en intensief, door de steeds voortgaande verdieping en verfijning van alle wetenschappen. Niettemin moet men al zeer optimistisch zijn, om te durven getuigen, dat de menschheid als geheel beschouwd wijzer zou zijn geworden. Het is in zekeren zin alweer de schuld van gemechaniseerde organisatie. De gemiddelde man met weinig tijd krijgt zijn noties aanhoudend en op velerlei wijzen aangepraat, en praat ze na. Indien men kon vergelijken, wat in het geestelijke leven van den enkele, in een minder ontwikkelde beschavingsperiode dan de onze, de rol is geweest van eigen nadenken, eigen keuze, eigen uitdrukking, dan is het zeer de vraag, of onze tijd met zijn veelzijdige en steeds overvoede belangstelling den prijs zou behalen. Het is niet, zooals de stormloopers tegen het intellect meenen, de kennis, die schaadt, maar de intellectueele digestie, die hopeloos in de war is, alweer niet uitsluitend door de schuld van hen, die het geestelijk voedsel hebben op te disschen, maar ook door de omstandigheden die teweegbrengen, dat het te haastig en te heet verzwolgen wordt.

De werkelijke belangstelling van het groote publiek is niet meer bij de werken des geestes, althans in veel mindere mate dan bij voorbeeld in de achttiende eeuw, toen het publiek veel kleiner, maar zijn gerichtheid veel intellectueeler was. De ernst der massa's wordt tegenwoordig in toenemende mate besteed aan dingen, die een onvooringenomen cultuurwetenschap slechts als lagere spelvormen (er zijn ook zeer hooge) zou kunnen qualificeeren. Er heerscht in de huidige wereld een georganiseerd puerilisme van mateloozen omvang. Ik onthoud mij er van, al de gemeenschapsfuncties op te sommen, die daaronder gerekend kunnen worden. De oude cultuurinstincten, die de dansen der natuurvolken en de optochten van gilden en broederschappen bepaalden, hebben nieuwe vormen aangenomen. Die instincten worden opgevangen in de moderne zucht tot associatie en organisatie. De machtsgroep maakt ze zich ten nutte, en organiseert er zijn benden mee. Voor de gewijde feesten van weleer krijgt men in de plaats de grootscheepsche politieke betoogingen, waarin een gedrilde massa zich verlustigt, en waaraan een volk zich vergaapt. Het kan soms schijnen, alsof de hedendaagsche menschheid geen hooger gemeenschappelijke cultuurfunctie meer kent, dan met blijden of toornigen blik in

[p. 297] den pas te loopen. Juist in die publieke organisatie van het puerilisme tot een ernstig doel zit het kwaad, want het maakt spel tot valsch spel. De proef op de som, die de verzwakking van het oordeel bewijst, is te vinden in den buitengewonen ijver, waarmee tegenwoordig elke partij beroep doet op de onvolwassenen, om haar gelederen te versterken en zich de toekomst te verzekeren. Er is immers niet veel psychologische kennis noodig, om te weten, hoe gemakkelijk de suggestie op het nog ongevormd intellect het zelfstandig oordeel, zoo niet voor goed, dan toch voor langen tijd kan uitschakelen. Men spant de instincten in het gareel, om van het oordeel geen last te hebben. Op mechaniseerende organisatie komt het bij de verschijnselen van onze cultuurcrisis telkens weer neer.


Veel ernstiger evenwel dan de verzwakking van het oordeel in de hedendaagsche samenleving is het verval van de moraal. Hier doet zich aanvankelijk diezelfde schijnbare tegenstrijdigheid gelden, die wij zooeven opmerkten. Er zijn redenen genoeg, om het algemeene peil der publieke en private moraliteit in de zoogenaamd beschaafde landen niet lager te stellen dan in een willekeurig vroeger tijdperk. Weliswaar zeggen statistieken omtrent criminaliteit, prostitutie en drankmisbruik in dezen betrekkelijk weinig. Niet op de zedelijke tekortkomingen of vergrijpen, die de politie achterhaalt, komt het aan, maar op den geest. Elke exacte methode ter bepaling van het zedelijk gehalte van een tijd moet noodwendig te kort schieten. Zal men dan afgaan op hetgeen een tijdperk van zichzelf getuigt? Het zullen altijd weer òf de aanklachten zijn van de boetpredikers, de satiristen en moralisten en het litteraire realisme, òf de illusies van deugdpralerij en menschenmin, zooals ze klonken in de achttiende eeuw. De eerste mogen er iets dichter bij zijn dan de laatste, tijdsverschillen naar deze uitingen af te wegen valt er voor ons niet.

Eén ding is echter zeker. De maatstaven van zedelijkheid en recht, die de openbare meening aanlegt aan de gebeurtenissen van den dag, zijn buitengewoon onvoldoende geworden. Over de gansche wereld schijnt een soort stompzinnige sympathie voor de misdaad te heerschen. Het verschijnsel staat ongetwijfeld in zeker verband met het valsche heroïsme, waarvan hierboven sprake was. De oorsprongen ervan liggen voor een goed deel in de romantiek, als reactie tegen conventioneele deugdvereering van een voorafgaand tijdperk. Het is bevorderd door de woordvoerders van een philosophisch immoralisme. De bios-

[p. 298] coop geeft het tegenwoordig dagelijks voedsel. Er zijn tal van onschuldige vormen. De vogues van zeeroovers en apaches (chimères van erotisch gehalte, waarin een alledaagsch bestaan zich verlustigt) zullen weinig onheil stichten. Bedenkelijker wordt het reeds, wanneer het dagblad, in hoofdjes boven boevenstukken, van ‘gentleman-inbrekers’ of van ‘bijna sympathiek van driestheid’ meent te moeten spreken. Het is niet zoo erg bedoeld, maar het is niet zeer opvoedkundig, want men spreekt tot de geestelijk weerlooze massa. Een veel ernstiger symptoom is het volgende, dat iedereen dagelijks zal kunnen opmerken. Onrecht en wreedheid worden door tallooze, overigens weldenkende menschen geduld, aanvaard en goedgepraat met een gemakkelijkheid, die slechts in gedachtenloosheid haar verontschuldiging vindt. Toen in 1924 Lenin gestorven was, en de barbaarsche vertooning van zijn lijk begon, waren aanstonds velen in Europa, die volstrekt niet overhelden tot het communisme, bereid, dezen man, die, wat ook de waarde van zijn ideaal en de kracht van zijn wil mogen zijn geweest, mee schuldig stond aan een der vreeselijkste gruwelen der geschiedenis, op-te nemen in het pantheon der groote helden-statenvormers. Het is, kan men zeggen, reeds een spraakgebruik geworden, Lenin in één adem met Napoleon te noemen1.

Dit alles evenwel valt, als men wil, nog eenigermate onder de categorie van litteraire mode zonder blijvende beteekenis. Heel anders staat het met de officieele en door dwang opgelegde verheffing van den staat boven alle zedelijkheid en gerechtigheid die het credo vormt van het hedendaagsche populaire despotisme. Machiavelli en Hobbes leerden, dat de staat immoreel was; zij voegden er, als ik het wel heb, niet aan toe, dat dit behoorde en goed was. De geldende staatsleer, toen en later, verzette zich tegen de aanvaarding van hunne meeningen, al kon zij daarmee niet het werkelijke statenverkeer tot een graad van oprechte zedelijkheid verheffen.

Tegenwoordig is dit anders. Wanneer in een groot en geestelijk hoog ontwikkeld rijk de regeering, bij officieele gelegenheden en bij monde van haar ministers, openlijk verklaart, dat enkel de bittere noodzakelijkheid van zijn machtstreven de handelingen van den staat beheerscht en moet beheerschen, en van gerechtigheid spreekt als illusie en fantazie, - wanneer zij aan het volksonderwijs opzettelijke geschiedvervalsching voorschrijft, - wanneer haar staatsrechtleeraars

1 Een artikel in L'Illustration van 4 Augustus 1934 verheerlijkt op gevoelvollen toon de vorstenmoordenaars van Sarajevo. [p. 299] leeren, dat in de verhouding der staten de tegenstelling vriend-vijand die van waar-onwaar primeert, dan is dit alles de volledigebelijdenis van een de staat den staat een wolf, dat veel noodlottiger moet werken dan ooit de verzuchting homo homini lupus heeft gedaan. Immers dit laatste bleef een ernstige bejammering: zoo is, of schijnt het, helaas! maar het eerste luidt: zoo moet het zijn, en zoo willen wij het maken! Wat er, als allen het aanvaarden, anders overblijft dan algeheele wederzijdsche uitroeiing, is niet te zien1.

1 De overtuiging van de principieele immoraliteit van den staat is in Duitschland diep en algemeen doorgedrongen. Een der beste Duitsche historici van heden, Gerhard Ritter, behandelt in een overigens diep en ruim gedacht stuk Die Ausprägung deutscher und westeuropäischer Geistesart im konfessionnellen Zeitalter, Historische Zeitschrift 149, 1934, S. 240-252, de these, dat de staat onafhankelijk is van de moraal, als een onbetwistbare waarheid. De leer, ‘dass alles politische Machtstreben sich zu rechtfertigen habe vor dem göttlichen Weltregiment, dass es seine unverrückbare Schranke finde an der Idee der absoluten Gerechtigkeit, des Ewigen, von Gott gesetzten Rechts, und dass die Völkergesellschaft Europas über alle Gegensätze nationaler Interessen hinweg doch eine Gemeinschaft christlicher Gesinnung bilden müsse’, geldt hem als een middeleeuwsche gedachte, waarvan de sporen in de Engelsche politiek tot heden niet geheel uitgestorven zijn. S. 252, vgl. 243, 246. 248. VI. Taak van ons volk De lange uitweiding over de gevaren, welke de beschaving in het algemeen bedreigen, was in dit betoog over Nederlandsche volkseenheid op haar plaats, om te doen uitkomen, in welk een wereld wij ons geplaatst vinden, en hoe hooge eischen de taak, ons zelf te blijven en het geheel te dienen, stelt.

Zijn de grondslagen tot volkseenheid krachtig genoeg, om ons in zoo zwaren strijd als het heden een staat en een volk oplegt te doen handhaven datgene wat het zelfstandig volksbestaan rechtvaardigt? Het antwoord moet zijn: er zal daartoe meer krachtsinspanning, meer bereidheid tot opoffering van beperkt belang noodig zijn, dan er in ons tegenwoordig staatsbestel voor de publieke zaak vruchtbaar wordt. In dit besef der noodzaak van hooger en vrijer activiteit ligt, geloof ik, het beste deel van de bewegingen, die onder verschillende leuzen van nationalen klank zoovele jongeren bezielen. Het moet anders gaan.

Wij leven onder het zware dek van een volstrekt verouderd partijstelsel, dat door den misgreep van het evenredig kiesrecht is gefossiliseerd. Feitelijk werkt dit partijstelsel reeds lang niet meer, de steeds weer blijkende onmogelijkheid van parlementaire kabinetten bewijst het. Indien onze groote groepeeringen der volksvertegenwoordiging

[p. 300] ooit den naam van politieke partijen hebben verdiend, dan hebben zij de aanspraak daarop toch reeds lang verloren. Dit geldt met name van de confessioneele partijen. Het was in de Nederlandsche geschiedenis der negentiende eeuw volkomen gegrond en noodzakelijk, dat zich een protestantsche en een katholieke partij op godsdienstige basis vormden, om het volksdeel, dat zij vertegenwoordigden, op die plaats in het volks- en staatsleven te brengen, waarop het recht had. Van het oogenblik af, dat dit bereikt was, voorzoover politieke doeleinden bereikbaar zijn, werd de religieuze qualificatie dier partijen haarzelf een schade en voor de gezonde ontwikkeling der Nederlandsche politiek een belemmering. Een christelijke staatspartij is enkel op haar plaats in de verdrukking. Christendom en heerschappij verdragen elkaar nu eenmaal niet. Daarmee zij niet gezegd, dat een christelijke overtuiging der meerderheid in den staat niet van het uiterste belang zou zijn. Ik zou ten volle de conclusie willen aanvaarden, waarmee (naar het krantenverslag) in het voorjaar van 1934 Emil Brunner een lezing te Utrecht besloot: ‘Reëel politiek denkt in onzen tegenwoordigen tijd slechts hij, die uitgaat van de praemisse, dat het lot van Europa thans afhankelijk is van waarden als kerk en geloof’. Om zulk een overtuiging vruchtbaar te maken voor ons staatsleven zou evenwel iets anders noodig zijn dan de rammelende bouw van ons partijstelsel.

In den ambtenarenstaat wordt elke politieke partij, ondanks onverkort behoud der theorie van haar zuivere en hooge idealen, noodzakelijkerwijs tevens belangengemeenschap. Een partijenstaat zonder eenig spoor van een spoils-system is nauwelijks denkbaar. Dit bevoordeelen van partijgenooten kan, zoo niet gerechtvaardigd, dan toch als politiek systeem bij wijlen praktisch worden, indien een min of meer geregelde schommeling tusschen twee groote partijen in regeering en oppositie dan deze dan gene groep aan de macht brengt. Het wordt een absurditeit en een abdicatie van elke werkelijke staatkunde, wanneer een stilzwijgend accoord van vele partijen er een zaak van pariteit van maakt, waaraan het belang des lands en het recht der verdienstelijken wordt opgeofferd. Termen als ‘een roomsche’ of ‘een liberale vacature’, die iedereen gebruikt, maar die men liever in het openbaar niet schrijft, behoorden in ons staatsleven onbekend te zijn. Eenmaal op den weg van paritatieve verdeeling der ambten, raakt de staat in het moeras eener onherzienbare partij-indeeling hoe langer hoe meer vast.

De wijsheid, die ons het evenredig kiesrecht schonk, had zich blindgestaard op een versleten patroon van louter staatsrechtelijke figuren,

[p. 301] zonder achtergrond van historie, sociologie of eenvoudige menschenkennis. Zij ging uit van de naïeve veronderstelling, dat het aangesloten zijn bij een zoogenaamde partij werkelijk den politischen wil van alle staatsburgers uitdrukte. Zij vergat, dat het meerderheidsbeginsel op zijn best een onvermijdelijk expediënt is, waaraan men, wil het goed functioneeren, ‘speling’ moet laten. Zij wist niets van het inhaerente kwaad der organisatie, die menschelijk streven ontmant. Zij zag niets van het heilzame en onvermijdelijke van het element ‘strijd’ in alle menschelijk streven. Het was de doode mechaniseering van het staatkundig leven. Het verplaatste de strijd-instincten naar terreinen, waar zij veel gevaarlijker zouden blijken dan in een gezonden politieken kamp om concrete en zichtbare doeleinden.

Maar het evenredig kiesrecht, zal men zeggen, liet toch de mogelijkheid van nieuwe, spontane partijgroepeering. - Wij weten allen, wat ervan terechtgekomen is. Wanneer men de massa uitnoodigt, zich te groepeeren naar ideeën en inzichten, dan is het resultaat, dat zij zich groepeert naar belangen, of belangetjes, of leusjes.

Het is merkwaardig: de corporatieve staat, die door het modern despotisme ter vervanging van den partijenstaat in uitzicht wordt gesteld, ligt feitelijk ook reeds in de consequentie van het evenredig kiesrecht opgesloten. Hij beteekent de mechaniseering van het staatsleven tot het uiterste: elk economisch belang georganiseerd en verzelfstandigd. Overorganisatie zonder weerga, met als waarschijnlijke uitkomst den politieken dood der echte volksgemeenschap.

Een staatkunde, die haar oogmerk al te zeer richt op de weegbare grootheden van het sociaal-economische leven, loopt gevaar, aan de werkelijke grondslagen der politeia, aan de politieke instincten, voorbij te gaan. Let wel, politieke instincten, dus intellectueele, geen instincten in het algemeen, zooals die van hoogmoed en toorn, waarop de hedendaagsche staatskunst zoo gaarne speculeert.

Gemeenschappen groepeeren zich tot partijen noch uitsluitend naar hun belangen, noch uitsluitend naar het gezichtspunt eener geformuleerde, hetzij in geloof of rede gebaseerde overtuiging. Het politieke standpunt is te allen tijde in hooge mate een zaak van temperament en van traditie. Temperament niet in den zin van physiologischen en psychologischen aanleg, maar genomen als een composite houding, die bepaald wordt door de totale strekking van het persoonlijke geestesleven, zooals ervaring en wereldbeschouwing dat hebben gericht. De graad van activiteit of passiviteit geeft daarbij den doorslag. Men zou de ver-

[p. 302] schillen van zoodanige politieke geesteshouding aldus kunnen omschrijven. De één zucht: zoo moest het zijn! De ander meent: zoo kan het worden! De derde belooft: zoo zullen wij het maken! Dat zijn nog instinctieve houdingen. Werden zij alle drie voldoende gepreciseerd door metaphysisch inzicht, gerechtigheidsbesef en rede, dan zouden zij luiden: zoo moet het zijn, zoo moest het worden, en ten slotte: zoo willen wij trachten het te maken. Dat wil zeggen, dat in plaats van de passieve berusting in het onvolmaakte het besef van het volstrekt behooren van het betere wordt gesteld, en in plaats van het zich de volmaking te vermeten de ootmoed van het pogen. In hun instinctieve gedaante beantwoorden deze drie houdingen vrijwel aan de hoofdindeeling van het politieke temperament: het behoudende, het vooruitstrevende en het radicale.

Op zichzelf beschouwd behoeven deze houdingen volstrekt niet juist op het politieke streven betrekking te hebben. Het zijn algemeene levenshoudingen. Zij beheerschten de samenleving lang voor er van een algemeene politieke belangstelling sprake kon zijn. Men vergeet wel eens, dat de veronderstelling van een politiek gezichtspunt bij het groote publiek eerst voor een zeer recent verleden gewettigd is. Daartoe was noodig, dat een talrijk deel der staatsburgers zich bij de leiding van den staat eenigermate actiefbetrokken voelde. Deze voorwaarde geraakte eerst in den loop der achttiende eeuw in vervulling. Kort na elkander krijgen in het begin der negentiende eeuw de drie politieke houdingen hun namen. Eigenlijk zijn al die namen in Engeland opgekomen. Liberal stond tevoren, in den Latijnschen zin, tegenover mechanic, eveneens in den Latijnschen zin, dus als de geestelijke qualiteit van den ontwikkelde en beschaafde tegenover die van den handwerksman. Bij Burke en Gibbon ziet men ‘liberal opinions’ als het ware kenteren van een cultuurbegrip tot een politiek begrip. In laatstgenoemden zin dringt het reeds omstreeks 1800 in Frankrijk door, niet, zooals Balzac meende, door Madame de Staël uitgevonden ter kenschetsing van Alexander I, maar reeds gebezigd in de dagen van het Consulaat. Partijnaam wordt het het eerst in Spanje, waar liberales tegenover serviles stond. Vandaar dat Southey en Scott het woord, niet zonder sneer, nog veelal in den Spaanschen vorm gebruiken. In het Engelsche politieke spraakgebruik, waarin het allengs Whigs verdrong, kreeg het woord zijn Europeesche beteekenis. Radicals komt eveneens kort na 1800 in Engeland op, voor de gevarieerde gezindheid, die na een korte periode van gewelddadige woelingen in de dubbele bedding der parle-

[p. 303] mentaire reformbeweging en van het zoogenaamde philosophisch radicalisme uitmondde. Conservateur was in de dagen vóór en na de Fransche Revolutie in gebruik met de oude waarde van een eeretitel. Men was ‘juge conservateur’, ‘grand conservateur’ van een orde, ‘Sénat conservateur’ heette het hoogste orgaan van het wetgevend lichaam. Chateaubriand spreekt van ‘esprit conservateur’, maar de partijen die het behoud beleden, noemden zich in Frankrijk nog tot in de Derde Republiek met andere namen. Het Engelsche Conservative werd in de Times van 1 Januari 1830 door J. Wilson Croker voorgesteld ter vervanging van het misleidende en versleten Tory, en vond, ofschoon het eigenlijk onjuist gevormd was, terstond ingang.

In den loop der negentiende eeuw nu geraakten al de drie termen beladen met den affectieven klank, waarvan hier reeds eerder gesproken werd. Behalve in Engeland, dat nooit de benijdenswaardige continuïteit van zijn staatsleven en de waarde der traditie verloochende, gingen op den duur de behoudende groepen zich overal min of meer schamen voor den term conservatief, die naar bekrompenheid en achterlijkheid klonk, en rangschikten zich liever onder meer specifieke partijbenamingen, zooals bij ons het vage ‘christelijk-historisch’. Deze vrees om ouderwetsch te schijnen (bewijs van burgerlijkheid in den slechten zin) heeft in ons land de ontwikkeling van het politieke leven zeer tot schade gestrekt. Het ware te wenschen geweest, dat een groep van politiek geschoolden den moed hadde bezeten, zich conservatief te blijven noemen, conservatief in den waardigen zin van het goede te willen behouden en de traditie niet roekeloos te willen prijsgeven voor de mode van den dag. Zulk een beginsel van krachtige handhaving van beproefde grondslagen van staat en maatschappij had volstrekt niet stilstand behoeven te beduiden. Het zou in jongere tijden geschikt zijn bevonden, tal van nu hulpeloos dwalende politieke gezindheden op te vangen en tot gezonde staatskracht om te zetten.

De zwakheid van het begrip ‘liberalisme’ was, ondanks de sterke ascendentie dier richting in bijna alle landen, van aanvang af gelegen in de onloochenbare verwantschap, die het met het, nog volstrekt niet overwonnen, rationalisme der achttiende eeuw en met de herinne[ring der] Revolutie verbond. Bovendien leed het begrip liberalisme aan [een] gebrek aan suggestieve kracht. Potentieel en veranderlijk als de liberale gezindheid was, overal verschillend al naar de aanwezige toestanden en steeds gericht op het naast bereikbare, miste het begrip een gesloten vorm. Het vond geen steun in lapidaire beeldvoorstellingen als troon

[p. 304] en altaar. Het liberalisme had geen metaphysica en geen symbolen, tenzij het ze juist aan de Revolutie wilde ontleenen, waarmee de tegenstanders van rechts het maar al te gaarne vereenzelvigden. Het had geen mythe, gelijk de revolutionairen zelve die bezaten. Riep het Vrijheid, dan klonk het van rechts Orde en van links Gelijkheid terug. Het liberalisme bleef sterk, zoolang het dreef op den stroom van de tijdsgedachte, die in de begrippen Vooruitgang en Ontwikkeling het geheim der eeuwen meende te hebben gevonden.

Tot na den wereldoorlog kende men alleen revolutionairen van links. De term radicalen, die eigenlijk het permanente staatkundig doel nog beter uitdrukt, was op den achtergrond geraakt, gemonopoliseerd door bepaalde links-vooruitstrevende groepen. Als politiek temperament, als geestelijke habitus, is het revolutionarisme van links van dat van rechts slechts in bijzonderheden te scheiden. De revolutionair, hetzij hij zichzelf misdeeld voelt of niet, is de mensch, die de onvolmaaktheid dezer wereld niet kan dragen, in wien een toomelooze begeerte leeft naar geheel nieuwe dingen, die hem doet zeggen: het moet tot elken prijs volstrekt anders worden, en wel terstond. Zijn streven is de omslag in het aardsche van het heils- en verlossingsstreven, dat zijn ware object heeft over den dood heen. De treffendste benaming voor den revolutionair blijft altijd het oude Latijnsche rerum novarum cupidus. Economische onbevredigdheid, laat staan klassetegenstelling, is volstrekt niet een essentieele voorwaarde om revolutionair te zijn. In de aspiratie naar het nieuwe is de formuleering der eischen of behoeften secundair. Ketter en revolutionair zijn verwisselbare termen. De zwak-gewortelden in het maatschappelijk leven zijn voor de revolutionaire houding steeds het meest vatbaar geweest. Het is dan ook logisch, dat elke revolutie het gezinsverband tracht te verzwakken.

Eenmaal georganiseerd in een politieke partij, vindt natuurlijk een revolutionaire beweging haar aanhangers niet uitsluitend onder de dragers van het revolutionaire temperament. De massa, die zich aansluit, doet dit, evenals bij andere groepen, uit de verschillendste motieven: gevestigde overtuiging, traditie, behoefte aan gemeenschappelijken strijd, hoop op verbetering enz.. Hier evengoed als elders moet in de verstijvende organisatie de spanning verzwakken en het ideaal verschuiven.

Een staat zal, schijnt het mij, gezonder zijn, naarmate het politieke leven zich zuiverder voltrekt in de eenvoudige drieledigheid van het fundamenteele temperamentsverschil, dat het politieke streven be-

[p. 305] paalt naar de richtsnoeren behoud, hervorming en omverwerping. Hierbij ligt het voor de hand, dat de beide eerste houdingen, voorzoover noodig, samengaan tegen de derde. Immers de strekkingen van behoud en hervorming hebben grondslagen gemeen, die in het extremisme ontbreken. Behoud en hervorming beide zijn gebaseerd in een begrip van geleidelijke ontwikkeling, waarin het behoud meer het element van erfelijkheid, en de hervorming dat der verandering accentueert. Beide wenschen een zekere evenwichtsverhouding tusschen orde en vrijheid, alweer met tegengestelde overhelling naar elk van die twee beginselen. Omverwerping daarentegen, van welke zijde zij ook komt, beteekent voor den staat katastrophe, afbreking van het levensproces. Een staat, die in zijn eigen organisme een erkende plaats inruimt aan de voorbereiding der katastrophe, handelt als een levend wezen, dat de kiemen van zijn verderf vrijwillig in zijn weefsel opneemt. Het toelaten van revolutionaire partijen in het stelsel der regeering zelve is in de hoogste mate irrationeel.

Het is waar, de staat ontkomt niet aan het irrationeele. Even irrationeel als de despotie is immers het meerderheidsbeginsel, dat het beste inzicht toekent aan de grootste menigte. Het is een volstrekte noodoplossing, het te baat nemen van een mechanisch krachtenbeginsel uit de physieke wereld, omdat het vertrouwen in de ingegeven zege van wijsheid, waarheid en gerechtigheid verloren moest gaan. De antidemocratische stroomingen van het heden hebben dan ook hun trouw aan het meerderheidsbeginsel opgezegd. Maar al ruimden zij alle parlementen ter wereld op, zij zouden toch het meerderheidsbeginsel ten slotte steeds terugvinden in de bestuurscolleges, raden of bureau's, waarmee ook het despotisme zich omringen moet.


Toen ik in het voorjaar van 1934 de inzichten in dit geschrift ontwikkeld voor een conferentie over volkseenheid het eerst formuleerde, meende ik met een hoopvol akkoord over de mogelijkheid van toenadering en versmelting onzer politieke partijen te mogen besluiten. Niet gewoon of bedoelend mij op het gebied der praktische politiek te begeven, heb ik zelf aan dat slotakkoord geen overgroote beteekenis gehecht. Afgaande op enkele zwakke teekenen hield ik zulk een harmonie mijn landgenooten meer als wensch en bereikbaar ideaal dan als stellige verwachting voor oogen. De belangstelling, die mijn beschouwingen gevonden hebben, noodzaakt mij, thans bij de herziening de praktisch-politieke conclusie wat scherper in het oog te vatten.

[p. 306] Een jaar meer van Nederland's staatkundig leven heeft mij van de vage hoop, destijds uitgesproken, geheel teruggebracht. Over de deugdelijkheid en de toekomst van het Nederlandsche partijstelsel denk ik geringer dan ooit. Van toenadering en verbinding der onderling in hoofdzaak gelijkgezinde groepen zie ik geen spoor meer. Bij de welwillende ontvangst, die mijn geschrift vond, klonk als kritische noot vooral de tegenwerping, waarmee verschillende bladen van bepaalde politieke kleur de voortreffelijkheid en onmisbaarheid van ons partijwezen tegen mijn geringschatting in bescherming namen.

Er blijft mij niet anders over dan mijn gebrek aan waardeering voor de praktijk van ons partijen-régime thans uitdrukkelijker te belijden. Meer dan ooit ben ik overtuigd, niet te veel te hebben gezegd, toen ik bijna tien jaar geleden terloops schreef, dat ‘de Nederlandsche Maagd, in haar onschuld, uit het ei van het evenredig kiesrecht het kuiken der parlementaire oligarchie heeft gebroed’1. - Van een werkelijk parlementaire praktijk is sinds lang geen sprake meer. De volkswil kan zich evenmin spontaan vormen als uitspreken of doorzetten. Nieuwe aggregatie van meening en streven naar nieuwe omstandigheden en behoeften wordt door het gefixeerde stelsel van volstrekt verouderde partijen belemmerd. Het evenredig kiesrecht met zijn onzinnige consequentie van den kiesdwang versteent ons politieke leven. Het dient onverwijld en algeheel te worden afgeschaft, in de erkenning, dat het de onnoozelste vergissing is geweest, die een doctrinaire staatstheorie ooit heeft kunnen begaan.

Natuurlijk zullen er partijen blijven en zich opnieuw vormen. In elke gemeenschap, die niet door volstrekten dwang geregeerd wordt, zal verschil van inzicht en groepeering naar zoodanig verschil steeds de bewegende kracht eener gezonde samenleving blijven. Een Nederlandsche volkseenheid in het bijzonder kan men zich niet anders denken dan als een eenheid in verscheidenheid. Samenwerking ondanks verschil van opvatting eischt hooger bewerktuigde menschen dan eendracht op zichzelf.

Het staatkundig geheim, dat in de leer van het evenredig kiesrecht vergeten was, ligt hierin, dat de staat, hoewel hij steeds door partijtegenstelling wordt bewogen, zich moet gedragen, alsof hij van partijen niets wist. De staat als zoodanig kent geen partijen. In den algemeen erkenden regel, dat de kroon boven de partijen staat, was de grondslag voor een gezonde werking van het parlementaire stelsel sinds lang ge-

1 De Gids 1926, I p. 249 [Verz. Werken VIII]. [p. 307] geven. De aanwezigheid van een oppositie tegenover een regeringsmeerderheid deed aan dit beginsel niet te kort. Het vertrouwen, dat de kroon in de uitvoerders van haar wil, de ministers, haar dienaren, kon stellen, vond zijn natuurlijke grens en de wijzer, die het hachelijke punt aanwees, in de kritiek van het volk, bij monde der oppositie. Gezag, parlementarisme en democratie konden tot zoover in een drieledige harmonie samengaan. Dat onder dit systeem zekere volksdeelen òf van directen invloed verstoken bleven, òf zich moesten aansluiten bij een groep, welker meening zij niet ten volle konden deelen, was niet, gelijk een ultra-rationeele staatsleer meende, louter onbillijkheid en een nadeel, maar integendeel een zeer wezenlijk voordeel. De beperktheid van doorwerking van iedere groepsmeening of ieder groepsbelang bevorderde het algemeen nationale, niet al te exact geformuleerde karakter van de politiek. De beweeglijkheid van het organisme, het vermogen tot aanpassing aan de nooden van het oogenblik, de voorwaarden tot voortdurend contact met de overheerschende stemmingen van het volk, zijn juist in het Vereenigd Koninkrijk, waar men het stelsel zijn ouden, gegroeiden, schijnbaar onvolmaakten vorm liet, het best bewaard gebleven.

Het verval van parlementarisme en democratie, in de weinige landen waar deze Engelsche vormen genoeg wortel schoten om een bruikbaar, zoo ook gewijzigd, instrument op te leveren, begon van het oogenblik, dat men meende, die instellingen door wetgeving te kunnen volmaken. Volledige democratie eischte, dat iedere domheid en ieder belang gelijk recht op erkenning en bevordering had. Men veronderstelde, dat uit de som van die strevens, die den naam politiek reeds uit hun aard niet meer verdienden, wel een degelijk staatsbestuur zou voortspruiten. Men vergat, dat politiek en regeering juist dingen zijn, die zich binnen de lijnen van een geometrische figuur niet laten beschrijven. Politiek kan niet anders dan voortdurend afwijkende meeningen veronachtzamen en bijzondere belangen schaden. De onhandige actie tegen de kleine partijen heeft nog onlangs bewezen, dat het evenredig kiesrecht zijn eigen kinderen moet verslinden, zichzelf ad absurdum leidt.

Ons vaderland, met zijn neiging tot sectarisme op elk gebied, was haast voorbeschikt om aan de ondoordachte wijsheid van het kunstmatig geperfectioneerde democratische parlementarisme ten prooi te vallen. Het resultaat wordt alleen duidelijk zichtbaar, wanneer men zich op eenigen afstand plaatst. Wij zijn zoo gewend aan het bestaan

[p. 308] van al de organisaties, die zich ten onzent politieke partijen noemen, dat zij ons even permanent en vanzelfsprekend voorkomen als gemeentebesturen of rechtbanken, en het gewoonlijk niet tot ons doordringt, hoe volslagen ondoeltreffend en onwaar dit partijenapparaat is. De christelijk-historische partij, die den toeloop heeft van al wat conservatief of gematigd liberaal denkt, de antirevolutionaire partij, die het zuiver theocratisch standpunt, dat haar kracht is, toch eigenlijk voortdurend moet verloochenen, om praktische politiek te kunnen voeren, de katholieke partij, die steeds op barsten staat door de spanningen, die haar samenhang bedreigen, de steeds slinkende liberale groepen, die volstrekt niet meer in staat zijn, het in wezen liberaal gezinde volksdeel te trekken of te vereenigen, de sociaal-democratische arbeiderspartij, die voortgaat, schoon in werkelijkheid reeds lang louter progressief geworden, haar aanhang te werven met de propagandamiddelen der revolutie, geen van alle verdient ook maar eenigszins meer den naam van een waarlijk politieke groepeering. De gecompliceerde en kritieke verhoudingen van het hedendaagsche staats- en maatschappijleven dwingen hen, en zullen hen in toenemende mate dwingen, om alle aan de staatstaak samen te werken. Een min of meer regelmatige alterneering van compacte, gelijkgezinde meerderheden is niet meer mogelijk. Waarlijk samenwerken evenwel kunnen de zoogenaamde partijen in hun veelheid niet. Wat zij inderdaad doen is niet veel meer dan het uit hun midden door aanwijzing van hun besturen leveren van personen, die min of meer geschikt zijn om de zware verantwoordelijkheid en den inspannenden arbeid van de regeeringsposten te dragen. Eenmaal met die taak belast, zien deze personen zich gedwongen, samen naar hun beste vermogen de regeering te voeren, zonder dat daarbij hun partijstandpunt meer veel ter zake doet, of hun partij zelve meespreekt. Echte partijpolitiek valt eigenlijk alleen meer te voeren door het paaien van zekere kiezerswenschen met beuzelachtige maatregelen, niet in hoofdzaken. Om kort te gaan, het partijstelsel, zooals ons vaderland het bezit, toont dagelijks zijn overbodigheid en ondoeltreffendheid. Het werkt hoogstens nog in zekere schadelijke vormen door voortrekking van partijgenooten, al heeft het hyperabsurde pariteitsbeginsel hiervan de ergste euvelen gekeerd. Wilde men werkelijk de gelijkgezindheden, die zich tot praktisch politiek richtsnoer leenen, met de ruimheid en buigzaamheid, die elke ware staatkunde eischt, organiseeren, dan zou een eenvoudige indeeling naar politiek temperament een heel wat gezonder staatsleven beloven.

[p. 309] Het doel van ieder politiek stelsel is goed staatsbestuur. Indien ons staatsbestuur, moeilijker dan ooit te voren, nog altijd de toets van ernst, ijver en bekwaamheid verdraagt, dan is het niet door, maar ondanks ons kies- en partijstelsel. Omdat de wal het schip keert. Omdat een regeering, voor haar taak geplaatst, zich gelijk gezegd van partijstandpunten niet al te veel meer aantrekken kàn, daarvan eigenlijk los komt te staan. En ook omdat de qualiteit der beschikbare persoonlijke krachten nog altijd hoog kan worden genoemd.

Bij een voortduring van ons huidige partijen-régime zou zich naar alle waarschijnlijkheid het verschijnsel voordoen, dat sommige andere staten reeds lang te zien hebben gegeven, namelijk dat bij een ondoeltreffend politiek stelsel het gehalte der praktische politici in toenemende mate daalt, eerst in de volksvertegenwoordiging, vervolgens ook in de regeering zelf, met het gevolg, dat krachtige figuren zich van allen partijdwang moeten losmaken en zich er boven stellen.

In de eerste redactie van dit geschrift waagde ik mij aan een bespiegeling over de verschillende wijzen, waarop een eind zou kunnen komen aan onze tegenwoordige partij-indeeling. De hoopvolle conclusie van een toenadering en versmelting heb ik, gelijk reeds gezegd, laten varen. Wat blijft over? Oplossing in den corporatieven staat? Indien deze ons te wachten staat, zal hij ons van boven af worden opgelegd, buiten de oude partijgroepeering om, als quasi-volmaakt economisch en sociaal organisme, dat naar alle waarschijnlijkheid spoedig zou blijken, als politisch schepsel slechts een robot of homunculus te zijn. - Uitsterving bij gebrek aan kiezers? Niet zoolang deze immers als schapen naar de stembus worden gedreven door hun goed afgerichte partijbesturen. - Abdicatie dan, in het inzicht van hun overbodigheid? Een moderne organisatie abdiceert niet, maar rammelt door, tot zij bezwijkt.

Rest derhalve de katastrophe (Gejuich in de verte). De nationalistische partijen, met hun wassenden invloed, staan gereed om het werk te voltrekken en al de oude staatspartijen met pak en zak naar huis te jagen. Zal het zoover komen? En zoo ja, zullen zij ons reden geven, er hun dankbaar voor te zijn? Wij weten het niet. Wij zijn al te onzeker, of zij bekwaam zouden blijken, op de puinhoopen van het parlementaire Nederland een beter gebouw op te trekken. De resultaten elders geven niet genoeg hoop.

En toch, op de eene of de andere wijze zullen de partijen van thans voor een politieke organisatie van grooter kracht en vruchtbaarheid

[p. 310] plaats moeten maken. Hun voortbestaan tot in lengte van dagen is nauwelijks meer te denken, en niet meer te wenschen.

Wil men aan het stelsel van democratische volksvertegenwoordiging nog een kans geven, dan zal het moeten zijn door afschaffing van het te kwader ure aanvaarde evenredig kiesrecht, dat ons politieke leven heeft gedood. Men zal het Nederlandsche volk in zijn geheel moeten uitnoodigen, om tabula rasa te maken van het schema der tallooze ‘partijen’. Het spreekt vanzelf, dat de oude partij-organisaties zich niet aanstonds gewonnen zouden geven. Zij zouden zich gedragen, alsof zij nog leefden: candidaten willen stellen, verkiezingscampagne willen voeren. Het eenvoudige en noodzakelijke middel om dit te beletten is in het Engelsche staatsrecht van ouds gegeven. Het is de keuze bij eenvoudige meerderheid, zonder compensatie door herstemming. De uitvinding der herstemmingen is het duidelijkste bewijs, dat men het Engelsche stelsel, dat men navolgde, hier in zijn levende werking nooit heeft begrepen. Juist hier ligt de oorzaak, dat het parlementarisme in Engeland zooveel beter en elastischer heeft gewerkt dan bij ons. Alleen door keuze bij eenvoudige meerderheid kan de uitspraak van den volkswil over enge en nuttelooze partij tegenstellingen heen gaan. Onbillijkheid jegens de kleinere groepen? - Politiek zal, als oplegging van wil en doorzetting van daden, altijd onbillijk moeten zijn. De volmaakte gerechtigheid, die gelijk zou staan met de opperste barmhartigheid, heeft in het leven van den tot handelen verplichten staat geen plaats. Enkel de aanvaarding van deze onbillijkheid jegens minderheden en verslagenen zou het politieke leven van zijn kwalen genezen, en het herstellen tot wat het op zijn best kan zijn: een strijd, maar een edele strijd, met den inzet van persoonlijkheid en overtuiging.

Onverwijlde afschaffing van het evenredig kiesrecht zou zonder twijfel een waagstuk zijn. Maar de tijd vraagt moedige daden en groote beslissingen. Door dit waagstuk nu zou men tevens de legale overrompeling van den staat door het veldwinnende nationalisme voorkomen. Men zou het als 't ware tegemoet voeren: ziet hier, gij hebt uw kans. Als partij of beweging, met half of heel gecopieerd program en gedresseerde scharen, wenschen wij u niet; ons Nederlandsch gevoel komt er tegen in opstand. Maar is de bezieling, die wij u niet ontzeggen, sterk en zuiver genoeg, toont u thans in staat, om als een spontane volksmeerderheid de mannen, in wie gij vertrouwen stelt, aan het roer van ons zwalkend scheepje te plaatsen. De storm zal er niet door bedaren.

Zoodra het kiesstelsel ons niet langer dwingt, verstijfde en verou-

[p. 311] derde partijen in plaats van levende menschen met moed en meeningen te kiezen, zullen zich vanzelf weer de eenvoudige en beweeglijke meerderheidsverhoudingen samenvoegen, waarbij een parlementair regeeringsstelsel in vernieuwde gedaante en met versterkt regeeringsgezag ook nu nog schijnt te kunnen leven. De mogelijkheid van spontane groepeering naar algemeene overtuiging en politiek temperament, in het vertrouwen op bepaalde menschen, van wie men kracht en beleid verwacht, zou aan het inzichzelf gezonde streven naar daadwerkelijker staatskracht en grondige verandering en zuivering, dat zich nu alleen kan realiseeren door den toestel van het fascisme, veel van de gevaren ontnemen, die aan dit laatste ontegenzeggelijk verbonden zijn.

De gevaren van de fascistische of zich noemend nationaal-socialistische bewegingen schijnen in den grond vooral hierin gelegen, dat zij uit een gerechtvaardigd verzet tegen een te ver doorgevoerd politiek rationalisme in het andere uiterste van een bodemloos politiek irrationalisme vervallen. De oudheid sprak van Scylla en Charybdis, en Luther vergeleek den mensch met een dronken boer: tilt men hem aan de eene zijde op het paard, dan valt hij aan de andere er weer af. Onze tijd schijnt dikwijls bij uitstek geschikt, oude wijsheid als deze te bevestigen.


Is er, bij alle verschil van overtuiging, traditie en temperament, genoeg, wat alle Nederlanders van goeden wille van hun staat begeeren? - Aan den eisch van orde ontkomt niemand: het is het beginsel van den kosmos. Voor velen evenwel schijnt er een keus te liggen tusschen de begrippen van gezag en vrijheid. De kreet om vrijheid, die eens zoo hartstochtelijk door de wereld schalde, is rondom verstomd. Het streven van den tijd gaat uit naar onderwerping aan leiding, zelfs aan dwang. Men spreekt van vrijheid als een versleten leus. Velen zouden ons oude geestelijk erfdeel van ontzag voor afwijkende meening maar al te gereedelijk willen prijsgeven.

Denkt over de vrijheid niet lichtvaardig. De meeste staten van Europa hebben hun vorming te danken aan een beginsel van heerschappij. Er zijn er maar enkele, die aan een strijd om vrijheid hun bestaan en hun wezen danken. Een ervan is Nederland. Vrijheid, hoe eng ook verstaan, is de gist van onze natie geweest. Laat Nederland met het kostbaar erfgoed van vrijheid voorzichtig zijn.

Een wonderlijk lotsbestel heeft ons volk, gescheiden van den oorspronkelijken stam, tot een edel deel van West-Europa gemaakt. Over

[p. 312] Delfzijl en Vaals loopt de grens tusschen West- en Middel-Europa. In onze westelijkheid ligt onze kracht en de reden van ons bestaan. Wij hooren aan den Atlantischen kant. Ons zwaartepunt ligt op en over zee. Ons gezelschap is dat der Westelijke volken, van het groote volk in de eerste plaats, dat de moderne staatsorde schiep, en nog de vrijheid handhaaft.

Gezag, ja, mits verstaan zooals verleden jaar Paul Scholten het begrip omschreef in zijn voordrachten over Beginselen van Samenleving, gezag niet gebaseerd op enkel macht, maar gefundeerd in de onderwerping van dat gezag zelve aan de hoogste wet en beperkt door rechtsregels, die in deze laatste hun diepsten grond hebben.

Leiding, gaarne, mits leider beteekene gids, wegwijzer, en niet heerscher. Wij willen niet geleid worden als Breughel's blinden, of als een beer aan een ketting. Ons leiding zoeken zij de overgave aan een wijsheid, die het allerhoogste zoekt. Die wijsheid heeft haar oogmerk buiten de grenzen van volks- en staatsbelang. Zoo heeft de stuurman het oog verder gericht dan den boegspriet van het schip.

Hoeden, wegwijzen, zorgen, besturen, het is de oude groep van beelden, waaronder reeds Augustinus de ware staatstaak zag tegenover de beginselen van macht en heerschappij, die uit den booze zijn. Een staatkundig denken, dat de geboden der gerechtigheid en de grenzen van menschenmacht kent, zal altijd weer terugkomen op die oude beelden van den stuurman, die, van zijn geringe kracht bewust, het roer houdt in den storm, of van de weerlooze kudde, die den hoeder behoeft. De dichter gaf het in den mond van hem, zonder wiens werk er geen Nederlandsche staat en geen Nederlandsche natie zou zijn:


Uw harder sal niet slapen,

Al sijt gij nu verstroyt.



Unless indicated otherwise, the text in this article is either based on Wikipedia article "Nederland's geestesmerk" or another language Wikipedia page thereof used under the terms of the GNU Free Documentation License; or on original research by Jahsonic and friends. See Art and Popular Culture's copyright notice.

Personal tools