De mens is belichaamde theorie over muziek  

From The Art and Popular Culture Encyclopedia

Jump to: navigation, search

Related e

Wikipedia
Wiktionary
Shop


Featured:

Kunstformen der Natur (1904) by Ernst Haeckel
Enlarge
Kunstformen der Natur (1904) by Ernst Haeckel

De mens is belichaamde theorie over muziek” (2020) is a text by Jan-Willem Geerinck. It is an essay-review van Waarom Chopin de regen niet wilde horen by Marlies De Munck

“Als een geestelijke zijn roeping verliest, verliest hij zijn geloof, als een filosoof zijn roeping verliest, herdefinieert hij zijn onderzoeksveld.” —Ernest Gellner

Met Waarom Chopin de regen niet wilde horen (2017) schreef professor Marlies De Munck een even kort als gedachtenprikkelend boekje over muziekfilosofie.

De studie onderzoekt de betekenis van muziek. In De Muncks eigen woorden:

“De kern van het probleem kan samengevat worden in de volgende paradox: muziek is betekenisvol, maar ze betekent niets anders dan zichzelf. Ze is meer dan een loutere opeenvolging van trillingsfrequenties (daarin onderscheidt ze zich van gewoon ‘geluid’), maar tegelijk bestaat ze uit niets anders dan frequenties. Ze imiteert niet, refereert niet en representeert niet, en toch staat een muziekstuk niet op hetzelfde niveau als een rol behangpapier.”

Op dat moment zijn in haar boek de revue al gepasseerd: muziek als wiskunde bij de Oude Grieken; muziek als neptaal bij de renaissance Camerata; de kinderlijke affectenleer van Mattheson die een woordenboekachtige een-op-een verhouding veronderstelt tussen muziek en betekenis; muziek als taal van het hart bij Rousseau; muziek als bemiddelaar met ons hogere zelf bij E. T. A. Hoffmann en Schopenhauer en de absolute muziek die niks betekent en nergens naar verwijst bij Stravinsky.

Deze theorieën worden ingegeven door een monisme dat soms een beetje lachwekkend aandoet. Dat euvel is uiteraard niet op het conto van De Munck te schrijven maar op het conto van de theorieën die ze behandelt. Die focussen ofwel eenzijdig op de zender, ofwel op de boodschap, ofwel op de ontvanger. Ze lijken voorbij te gaan aan het feit dat de ontvanger van muziek een mens is, de boodschap (muziek) alleen door mensen gemaakt wordt en de ontvanger ervan ook een mens is.

Bovendien is muziek net zomin gewoon geluid, als schilderijen gewoon verf, literatuur gewoon letters of gastronomie gewoon planten of dieren. De mens en zijn omgeving zijn constitutief en ze kunnen niet los van elkaar gezien worden. Muziek bestaat niet in een vacuüm. Het laat zich niet ontkoppelen, noch van de mens, noch van de taal.

Groot is onze opluchting dan ook als we op pagina 47 professor De Muncks verlangen lezen om muziek terug in haar “eigen habitat te plaatsen”. Het is een demarche die wij alleen maar kunnen toejuichen. Dat zij daar naar onze mening niet ver genoeg in gaat kan haar opnieuw niet ten kwade geduid worden omdat zij dan een ander boekje zou geschreven hebben.

Wat hieronder volgt zijn enkele bescheiden aantekeningen voor een kladversie van zo’n boekje, verslag van een leestocht.

Laten we terugkeren naar de prozaïsche rol behangpapier. En laten we de betekenis van een rol behangpapier achterhalen door in de voetstappen van Wittgenstein te treden en te stellen dat “betekenis gebruik is.” Laten we dus stellen dat de betekenis van een rol behangpapier zijn gebruik is. En dát gebruik is namelijk muren decoreren.

Ik stel voor dat we de betekenis van muziek op dezelfde manier analyseren: door haar gebruik. Haar gebruik door wie? Ook hier geeft professor De Munck de voorzet. Door “de liefhebber, de feestganger, de componist, de danser, de muzikant of de schrijver” . Zij illustreert met deze summiere opsomming de complexe relatie die de mens met muziek heeft.

Ik trek naar de bibliotheek en ontleen The World in Six Songs (2008) van de Amerikaanse academicus Daniel J. Levitin. Zijn boek gaat uit van de premisse dat er zes verschillende liedjes zijn of beter gezegd, zes manieren waarop we muziek gebruiken. We gebruiken muziek voor vriendschap, vreugde, troost, religie, kennis en liefde. Ik lees Six Songs en het valt me tegen. De enige verdienste van het boek is dat het de discussie loskoppelt van de Westerse kunstmuziektraditie die wij met de term ‘klassiek muziek’ aanduiden. Ik kan alleen maar toejuichen dat op die manier de studie van muziek een universeler karakter krijgt. Los daarvan trekken twee zinnen mijn aandacht.

De eerste:

“Muziek is … een efficiënt geheugen- informatieoverdrachtsysteem. We houden er niet van omdat we het mooi vinden, we vinden het mooi omdat die prehistorische mensen die er goed gebruik van maakten, zij waren die het meeste kans maakten om lang te leven en zich voortplanten.”

De volgende zin parafraseer ik. Levitin citeert de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett die beweert dat we baby’s niet schattig vinden omdat ze schattig zijn maar omdat mensen die baby’s schattig vinden door de evolutie bevoordeeld werden.

In beide scenario’s is er sprake van evolutionair nut. Ik begin na te denken over het evolutionair nut van muziek. Ik stuit al gauw op een opmerking van de vaak geciteerde Amerikaanse denker Steven Pinker. Hij stelt onomwonden dat muziek nutteloos is, dat het dus geen betekenis heeft en dat “wat biologische oorzaak en gevolg betreft, muziek nutteloos is.

Op dat moment zie ik me genoodzaakt terug te keren naar de bibliotheek en niet veel later ligt The Singing Neanderthals (2005) op mijn bureau. Dat boek bevalt me al een heel pak beter. Zo is het tweede hoofdstuk getiteld “More than cheesecake” en biedt het een expliciet antwoord op de haast blasfemisch aandoende opmerking van Pinker die stelt dat muziek nutteloos zou zijn, zonder functie, een onbelangrijk nevenproduct van de evolutie.

Volgens Mithen is het ontstaan van taal en muziek hand in hand gegaan, ondanks het feit dat taal en muziek verschillende centra in het brein beslaan. Hij steunt daarbij op onderzoek van de Engelse psychosociolinguïste Alison Wray naar idiomatisch taalgebruik en ontwikkelt een theorie die hij de ‘HMMMMM’-theorie noemt. Volgens die theorie heeft taal zich Holistisch, Manipulatief, Multi-Modaal, Muzikaal, en Mimetisch ontwikkeld. Bovendien refereert hmmmmm-en naar hummen, het neuriën dat men terugvindt in werkliederen, oorlogsliederen en rouwliederen. Wat er kip-en-ei-gewijs het eerste was, het gezang, het muzikale element of het betekeniselement, laat hij in het midden.

Tijdens het lezen begin ik te denken over iets wat me al veel langer bezighoudt. Dat het evolutionair denken in de hedendaagse filosofie slechts zijdelings aan bod komt. Ik zoek verder. Ik stuit vervolgens op Philosophical Darwinism (1993) van historicus en filosoof Peter Munz (1921-2006), een van de enige twee filosofen die zowel onder Popper als Wittgenstein studeerde. Alweer krijgt de bibliotheek bezoek van me. Alweer belandt een nieuw boek op mijn bureau. Dit boek was het hoogtepunt van deze muziekfilosofische queeste.

Philosophical Darwinism gaat uiteraard niet over muziek an sich, zelfs niet over cultuur, waar muziek deel van uitmaakt. Het gaat over epistemologie en over de evolutie van de kennisleer. Het gaat over bewustzijn en het feit dat bewustzijn een product van de evolutie is. Het uitgangspunt is er een van belichaamd denken, wat me al langer boeit. Net zoals bij Mithen is de aanpak holistisch. Er is tijd noch plaats dit hele boek te bespreken, ik beperk mij tot de twee meest belangwekkende citaten.

Ten eerste:

“Dat elk organisme een belichaamde theorie over zijn omgeving is, moet letterlijk genomen worden. Organismes zijn theorieën. Vermits de theorieën niet in woorden zijn uitgedrukt maar in anatomische structuren en geprogrammeerde reflexen, zeggen we dat de theorie belichaamd is.”

Ten tweede:

“Een zwaluw is een theorie over lucht; een vis een theorie over water.”

Wat zegt dat nu over muziek en haar betekenis?

De volgende gedachte dringt zich werktuiglijk aan me op.

“De mens is een belichaamde theorie over muziek.”

De betekenis en het nut van muziek moet op zijn minst ook op het vlak van de evolutie gezocht worden. Daar niet kijken zou dwalen zijn. Want de relatie tussen mens en muziek is even uniek als de relatie tussen taal en mens. Zoals zo vaak, leidt de ene gedachte tot de andere en komen eerder gelezen teksten onder invloed van nieuwe inzichten opnieuw tot leven. Zo lees ik even later bij de pas overleden Engelse filosoof Roger Scruton dat muziek wel eens zou kunnen verklaard worden aan de hand van de invloed van natuurlijke selectie op de menselijke geest. Ofwel, zegt hij, is ons muzikaal vermogen een nevenproduct van de evolutie, ofwel is het een evolutie op zichzelf.

Ik volg zijn gedachtegang ten volle.

Jammer genoeg wuift Scruton zijn eigen gedachte vervolgens snel weg. Want, gaat hij verder, toch blijft dat nietszeggend want alle filosofische vragen blijven. Het zegt ons niets over wat muziek is, noch over wat haar betekenis is.

Onnodig te zeggen dat ik het daar niet mee eens ben. Want betekenis, vind ik, betekenis is gebruik. En Wittgenstein? Hoe sluit dit aan bij Wittgenstein? Wittgenstein, die me de sleutel gaf om betekenis vanuit gebruik te verklaren? Kunnen we met Wittgenstein de cirkel sluiten? Van gebruik naar nut?

Helaas.

Wittgenstein liet optekenen dat het Darwinisme amper van filosofisch belang is. Dat “de theorie van Darwin […] met filosofie niet meer te maken [heeft] dan welke andere hypothese van de natuurwetenschap dan ook." Maar ook dat kwam ik via het onovertroffen boek Philosophical Darwinism aan de weet.

Ik laat dit schrijven een week liggen. Het is ochtend. Ik fiets naar mijn werk. Dat zijn twintig minuten waar allerlei flarden van liedjes en willekeurige gedachten in ijltempo mijn hoofd vullen. Plots denk ik, “als een geestelijke zijn roeping verliest, verliest hij zijn geloof, als een filosoof zijn roeping verliest, herdefinieert hij zijn onderzoeksveld.”

Die gedachte – ik diep het ’s avonds op – is van de geestige Tsjechisch-Britse filosoof Ernest Gellner (1925-1995).

Pas de volgende dag besef ik waarom ze zich van mij meester maakte. Ik zie een patroon. Waarom eindigen zoveel van mijn filosofische onderzoekingen buiten de filosofie? Hoe belandde ik in deze leestocht van de muziekfilosofie bij de antropologie of de sociologie? Zegt dat iets over de filosofie of zegt dat iets over mezelf?

Als ik de tekst nog een week later opnieuw open, besluit ik het dictum van Gellner als opschrift te gebruiken. De vraag op welke limiet ik nu precies gebotst ben, besluit ik voorlopig onbeantwoord te laten.

Footnotes

  • "A cleric who loses his faith abandons his calling; a philosopher who loses his redefines his subject".-- Words and Things (1959) van Ernest Gellner
  • P.42, Waarom Chopin de regen niet wilde horen (2017) van Marlies De Munck
  • “Voor een grote klasse van gevallen – niet voor alle – waarin het woord “betekenis” gebruikt wordt, kunnen we dit als volgt definiëren: de betekenis van een woord is zijn gebruik in de taal.” -- Ludwig Wittgenstein, Filosofische onderzoekingen (Meppel: Boom, 1976), (§ 43, p.53)
  • P.47, Waarom Chopin de regen niet wilde horen (2017) van Marlies De Munck
  • "Music is ... an efficient memory and information transmission system. We don't like because it is beautiful, we find it beautiful because those early humans who made good use of it were those who were most likely to be successful at living and reproduction.", vertaling J.-W. Geerinck
  • "In other words, as the philosopher Daniel Dennett points out, we don't think babies are cute because they are intrinsically or objectively cute (whatever that would mean). Rather, the process of evolution favored those people and their offspring who found babies cute, and in turn this characteristic became widely distributed in the population."--p.19, vertaling J.-W. Geerinck, mijn nadruk
  • "As far as biological cause and effect are concerned, music is useless. It shows no signs of design for attaining a goal such as long life, grandchildren, or the accurate perception and prediction of the world."
  • "I suspect that music is auditory cheesecake, an exquisite confection crafted to tickle the sensitive spots of at least six of our mental faculties. A standard piece tickles them all at once, but we can see the ingredients in various kinds of not-quite-music that leave one or more of them out."-- How the Mind Works (1997) by Steven Pinker
  • Tijdens mijn master in de filosofie (2014-18), is het darwinisme slechts een keer aan bod gekomen, bij de colleges van professor Myin.
  • Over de mogelijkheid van een belichaamde metafysica, Geerinck, 2015
  • "The statement that every organism is an embodied theory about its environment must be taken literally." ... "Organisms are theories. Since the theories are not expressed in words but in anatomical structure and programmed reflexes, we say that the theory is embodied."--Philosophical Darwinism (1993) by Peter Munz, p.154 en --p.155, mijn vertaling
  • "A swallow is a theory about air; a fish is a theory about water.”, mijn vertaling
  • "Music and Cognitive Science" (2014) is een tekst van Roger Scruton, die in een aangepaste versie in het tweede hoofdstuk van zijn boek Music as an Art (2018) opgenomen werd
  • Vertaling Victor Gijsbers. In het Engels leest dit zo: "The Darwinian theory has no more to do with philosophy than has any other hypothesis of natural science."--Tractatus Logico-Philosophicus (1921) by Ludwig Wittgenstein
  • "A cleric who loses his faith abandons his calling; a philosopher who loses his redefines his subject".-- Words and Things (1959) van Ernest Gellner

Follow up

Rond 27/1/20 becommentarieerde professor Marlies De Munck mijn paper. Een weerslag.


MDM: "Jouw schrijven zegt ons niets over waarom het ene stuk ons beroert en het andere ons compleet koud laat."

JWG: "dat is anekdotiek".

Maar ik was niet volledig. Dat is niet alleen anekdotiek, maar ook statistiek.

Het is anekdotisch waarom ik van een bepaald schilderij hou, maar ik kan wel statistisch nagaan welke schilderijen door heel veel mensen gesmaakt worden.

Ten tweede zei ze: "Je gaat van gebruik naar nut, met andere woorden, je begaat de naturalistic fallacy."

JWG "Zoals ik zei, ik ben een persoon van de het-is-wat-het-is overtuiging."

En als iets is wat het is dan zeg je: "inderdaad zo is!" Of je zegt: "Natuurlijk, zo is het!". Zelfs de Grieken zeggen φυσικά!

Ook hier is betekenis gebruik.

En ik bedenk me na ons gesprek dat de realiteit ("is") toch te verkiezen is boven het wenselijke ("ought")?

Of ik druk me verkeerd uit. We moeten toch niet a priori het wenselijke verkiezen boven het zijnde? Welke wenselijkheid moeten we dan kiezen?

Ik heb daar dan een hele week over opgezocht en gelezen.

Ik kwam uit bij Emotion in Aesthetics (1995), page 181, Warren A. Shibles.

"G. E. Moore calls this the naturalistic fallacy. This is a mistake. On a naturalistic theory of ethics such as that of John Dewey, if ethical terms are to make any sense or have any relevance, they must be defined in terms of naturalistic terms."

Dat boek heeft het ook expliciet of Hanslick en zijn "Die Musik ist ein Spiel, aber keine Spielerei", ik heb het besteld.

Ik kwam uit bij "G. E. Moore and Intrinsic Goodness" (1928) van Mettrick, die Moore bekritiseert omwille van "I know it when I see it" definitie van het goede. Hij bekritiseert onder andere Moores gedachtenexperiment met twee werelden: een heel mooie en een heel heel lelijke. En zegt hij, los van de menselijke waarnemer ("quite apart from any possible contemplation by human beings") is het niet moeilijk om te bedenken dat men de voorkeur geeft aan de mooie wereld. Maar zo een notie is betekenisloos, ik kan het niet genoeg zeggen, there is no view from nowhere. Mettrick schuift hier trouwens Westermarcks The Origin and Development of the Moral Ideas naar voren, een werk dat de mens centraal stelt.

Ik kwam uit bij "The Naturalistic Fallacy" (1939) van W. K. Frankena die de denkfout van Moore herdefinieert als de definitiedenkfout.

Ik kwam uit bij John Searle die een van zijn vroege essays aan het is/ought probleem weidde, “How to derive 'ought' from 'is'” (1964).

"The inclination to accept a rigid distinction between 'is' and 'ought', between descriptive and evaluative, rests on a certain picture of the way words relate to the world ... which fails to give us any coherent account of such notions as commitment, responsibility, and obligation." (p52 and 54)

Zijn stuk bouwt deels verder op "How to Do Things with Words" (1955/1962) van J. L. Austin

Maar het finale antwoord kwam van Daniel Dennett.

Die laat, terwijl hij helemaal naar het bekende is/ought probleem van Hume teruggrijpt, in Darwin's Dangerous Idea (1995) optekenen:

"From what can "ought" be derived? The most compelling answer is this: ethics must be somehow based on an appreciation of human nature — on a sense of what a human being is or might be, and on what a human being might want to have or want to be. If that is naturalism, then naturalism is no fallacy."

Ik vertaal:

"Waaruit zou "ought" dan moeten afgeleid worden? Het meest urgente antwoord is dit: ethiek moet op de een of andere manier gebaseerd zijn op een waardering van de menselijke natuur - op een gevoel van wat een mens is of zou kunnen zijn, en op wat een mens zou kunnen willen te hebben of willen zijn. Als dat naturalisme is, dan is naturalisme geen misvatting."

Het citaat vond ik in een werk van Sam Harris, The Moral Landscape, in een werk over ethiek dus.

Maar het geldt, mijns inziens, niet alleen voor de ethiek, maar ook voor de esthetiek. Als wat we mooi vinden niks zegt over wat we zijn of willen zijn, zou dat niet raar zijn? Als ons gebruik niet zegt over het nut?

Ik pleit ook hier voor een meer holistische aanpak.


Met grote groet!

J.-W. Geerinck

Antwerpen, 6/2/20

See also

User:Jahsonic/Weggegooide stukken uit Betekenis is gebruik: het geval muziek




Unless indicated otherwise, the text in this article is either based on Wikipedia article "De mens is belichaamde theorie over muziek" or another language Wikipedia page thereof used under the terms of the GNU Free Documentation License; or on original research by Jahsonic and friends. See Art and Popular Culture's copyright notice.

Personal tools