De leer van den H. Thomas van Aquino over het recht  

From The Art and Popular Culture Encyclopedia

Jump to: navigation, search

Related e

Wikipedia
Wiktionary
Shop


Featured:

Kunstformen der Natur (1904) by Ernst Haeckel
Enlarge
Kunstformen der Natur (1904) by Ernst Haeckel

De leer van den H. Thomas van Aquino over het recht by Willem Hubert Nolens


1 W. H. NOLENS DE LEER VAN DEN H. THOMAS VAN AQUINO OVER HET RECHT F 349 . گر کلف ورود DE LEER VAN DEN H. THOMAS VAN AQUINO OVER HET RECHT. Stoomdruk van J. VAN BOEKHOVEN , Utrecht. DE LEER VAN DEN II.THOMAS VAN AQUINO OVER HET RECHT PROEFSCHRIFT TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN Doctor in de Staatswetenschap AAN DE RIJKS- UNIVERSITEIT TE UTRECHT NA MACHTIGING VAN DEN RECTOR-MAGNIFICUS Dr. J. A. O. OUDEMANS Hoogleeraar in de Faculteit der Wis- en Natuurkunde VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER UNIVERSITEIT TEGEN DE BEDENKINGEN VAN DE FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID TE VERDEDIGEN op Woensdag den 12den Februari 1890 , des namiddags ten 24 ure DOOR WILLEM HUBERT NOLENS geboren te Venloo UTRECHT J. L. BEIJERS 1890. 1 AAN MIJNE OUDERS ) Het is mij aangenaam van de gelegenheid , welke dit proefschrift mij aanbiedt, gebruik te kunnen maken om tot U, Hooggeleerde Heeren , wier onderwijs ik heb mogen genieten , in het openbaar een woord van dank te richten. Een woord van dank in de eerste plaats voor Uwe lessen , uitmuntende door zaakrijken inhoud en heldere voordracht, zonder schijnvertoon . Maar in de tweede ptaats , doch niet het minst , een woord van dank voor Uw voorbeeld van weten schappe lijken ernst en onvermoeide werkzaamheid. Die dank strekke zich uit tot de nagedachtenis van mijn ontslapen leermeester Mr. J. A. FRUIN ; en tot U, Mr. B. J. LINTELO baron DE GEER VAN JUTFAAS, die thans den katheder voor de parlementaire tribune verlaten hebt. Doch inzonderheid spreek ik mijne erkentelijkheid uit jegens U , mijn hooggeschatte Promotor Mr. J. DE LOUTER. Uwe welwillende tegemoetkoming in de regeling mijner studie in de staatswetenschappen , Uwe meer dan gewone belangstelling en hooggewaardeerde voorlichting bij het samenstellen van mijn proefschrift, het zelfs vriend schappelijk onthaal te Uwen huize , zullen steeds bij mij eene dankbare herinnering levendig houden . ROLDUC , Febr. 1890. W. H. N. INHO U D. Bladz. Inleiding 1-14 HOOFDSTUK I. Recht en Einddoel. . 19 . Groot gewicht der theorie van het doel voor de rechtsleer. Getui genis van Cicero , Ihering , Domat, H. Thomas 15 . Teleologische wereldbeschouwing in tegenstelling met de mecha nische. Volgens de eerste bestaan er eindoorzaken ook in de niet-redelijke natuur , en is er een finis operis voor de geheele schepping Volgens den H. Th. handelen alle wezens met een doel ; de rede lijke echter op andere wijze als de niet -redelijke. Toch is het doelmatig handelen bijzonder eigen aan het redelijk wezen 20 Ieder wezen handelt niet alleen met een doel maar ook om een goed . 24 Het doel van een wezen valt samen met zijn goed . 25 Zoo kunnen de handelingen van uit een deontologisch en van uit een eudaimonologisch oogpunt beschouwd worden . Voor den mensch is het doel , het goede = het geluk 26 Doelmatigheid in de schepping. Ordo finalis 27 A Dat doel is de Schepper zelf. Op welke wijze ? In de geschapen wezens is eene dubbele volmaaktheid te onderscheiden : die van het wezen en die der handelingen . 31 Verschil van handelingen en dus ook van de wijze van be reiking van het doel , vooral naarmate de wezens zijn redelijk of niet-redelijk . 32 29 Bladz. 35 37 38 39 Doelmatige samenhang der geheele schepping:. a. alle schepselen hebben den Schepper tot doel : de verkon diging Zijner heerlijkheid . b. daarbij heeft ieder een bijzonder doel , het mindere bestaat voor het meerdere , alles voor den mensch ; C. eindelijk heeft deze een hoogste einddoel : den Schepper ; en dit einddoel bestaat in het kennen en beminnen van Dezen . De doelmatigheid is meer in ' t bijzonder eene eigenschap van de menschelijke handelingen. Waarom ? . Welk is het finis operantis in het algemeen ? Bij alle menschen hetzelfde Welk is het finis operis ? Dit valt samen met zijn hoogste geluk en met zijne hoogste volmaking . Het bestaat in die handelingen die hem van nature eigen zijn . Derhalve in die van verstand en wil. Vooral in die van het verstand . De Schepper zelf is het voorwerp dier handelingen . Dit doel wordt in dit leven niet bereikt. Waarom ? Welk is dan het doel van den mensch in dit leven ? voor zoover mogelijk de bespiegelende kennis van God. b. het handelen ter bereiking van het einddoel. Aardsche goederen dienen daartoe slechts als middelen ; hun gebruik moet derhalve redelijk zijn in zich en ten opzichte van het doel . Noodzakelijkheid der teleologie voor de zedenleer, dus ook voor de rechtsleer . 40 41 43 a. 44 . 46 HOOFDSTUK II. Zedelijkheid en Recht. Goed en kwaad in subjectieven en objectieven zin Bonum et malum dicuntur secundum ordinem ad finem . Dubbele volmaaktheid : van het wezen , en van de handelingen . 48 Bladz. Zedelijk goed en kwaad. Zedelijkheid. Deze bestaat ook buiten alle positieve wetgeving in de natuur der handeling. Want de objectieve grond der zedelijkheid is de verhouding der handeling tot God als einddoel . . 50 Welk is het criterium van deze verhouding ? Het naaste , de naaste regel is de menschelijke rede ; Het laatste , de laatste regel' is de Goddelijke Rede. * 53 Wat men door wereldorde te verstaan heeft. Natuurlijke en zedelijke orde 55 De zedelijke omvat de handelingen der menschen in den geheelen omvang zijner natuur . 56 De mensch is niet alleen individu , maar ook gemeenschapswezen . De handelingen en verhoudingen , die een noodzakelijk vereischte zijn voor de instandhouding van die gemeenschap vormen de rechtsorde. 57 Voor den H. Th. is het recht een deel der zedelijkheid in alge meenen zin 58 Twee hoofdbeteekenissen van het woord recht . 58 De H, Th. rangschikt alle menschelijke handelingen onder deugden. 60 Twee soorten van deugden , wijl twee beginselen van handelen : intellectueele en zedelijke. De zedelijke worden onderscheiden in deugden circa passiones en circa operationes. Deze laatste vallen alle onder de rechtvaardigheid in meest uitgebreiden zin : 61 De rechtvaardigheid in engeren zin . Verschil met naastenliefde. Definitie van Ulpianus. Soorten : Commutativa distributiva legalis. 63 Het recht in zijne eerste beteekenis : voorwerp van de rechtvaardigheid . Verklaring 71 Weerlegging der tegenwerpingen van F. J. Stahl . Gesch. der Rechtsphil. blz. 59–61. de H. Th. verwart niet de subjectieve deugd van recht vaardigheid met de objectieve orde van het recht. b. hij beschouwt voor de deugd van rechtvaardigheid de meening van den handelenden persoon niet als onverschillig. 77 Vis coactiva van het recht. In welken zin 80 a. HOOFDSTUK III. Recht als Wet. Bladz. 85 86 De menschelijke rede is de naaste maatstaf der zedelijkheid , maar niet, zooals Kant leert , de bron van verplichting Deze is de wet Zedelijke poodzakelijkheid en zedelijke verplichting. Zedelijke ver plichting in het algemeen ; rechtsplicht in het bijzonder . Wet in het algemeen en in eigenlijken zin Definitie : ordinatio rationis ad bonum commune – ab eo qui curam communitatis habet promulgata . Verdeeling der wetten . 86 . 87 88 91 EERSTE AFDEELING. De Eeuwige Wet. Wat er bij den H. Th. door verstaan wordt. Verklaring. Omvang. Zij is de grondslag van alle andere wetten 93 Niet alleen in de christelijke wijsbegeerte (vooral Augustinus) maar ook in de heidensche (b. v. Cicero ) bekleedt deze wet de eereplaats. 99 De H. Th. verwisselt de eeuwige wet niet met het scheppingsplan ; Deze wet , zooals de H. Th. ze verklaart , vermindert niet de vrijheid der goddelijke raadsbesluiten . . 100 TWEEDE AFDEELING. De Natuurwet. . Bladz. De eeuwige wet als actus immanens verbindt niet onmiddellijk maar middellijk door de natuurwet. 102 De invloed des Scheppers op de geschapen wezens is van hun kant deelneming 102 Wat ze is in uitgebreiden, wat in engeren zin : de natuurlijke zedenwet. 103 Reeds bij de heidensche schrijvers. Haar bestaan . 104 Haar omvang met betrekking tot het recht in strikten zin 108 Verschillende soorten van voorschriften : a. de principia prima het hoogste van deze. b. De principia secundaria . de conclusiones remotae 109 Algemeenheid en onveranderlijkheid . Sanctie 113 Verhouding tot het stellige recht 118 Dit natuurrecht niet te verwarren met dat van H. de Groot enz. 119 Heeft ze a. de noodige bepaaldheid , b. de noodige vis coactiva, om recht genoemd te kunnen worden ? . . 120 Zij is de grondslag van het positieve recht 126 c. DERDE AFDEELING. De Stellige Wet. Noodzakelijkheid der stellige wet..... 128 Ze gaat uit van het gezag. Noodzakelijkheid van dit gezag . 130 Ze heeft haren grondslag formeel of materieel in het natuurrecht. 131 Daarom moet ze aan zekere eischen voldoen . 132 a. . . Bladz. Ze moet rechtvaardig zijn : ex fine , ex auctore , ex forma . 137 Verklaring van de eischen van Isidorus. (Etymol. lib. V. c. 21.) . 139 De rechtvaardige wet verplicht in geweten 141 Heeft de wet verbindende kracht, als ze is contra bonum humanum , 142 b. contra bonum divinum ? 143 Uit het beginsel dat het doel der wet is het algemeene welzijn volgt : 144 1. dat de wet zich uitstrekt over meer personen, langer tijd enz. 144 2. dat ze niet alle goede handelingen gebiedt , noch alle slechte verbiedt, 145 3 . dat niet allen op dezelfde wijze aan haar onderworpen zijn . 146 4. dat de noodzakelijkheid er buiten valt , 147 5 . dat ze verandert in eene zelfde gemeenschap en verschillend is in verschillende gemeenschappen , 150 6. welke de grenzen dezer veranderlijkheid zijn , . 153 7. het recht van dispensatie 154 Het gewoonterecht . . 155 Besluit 159 Stellingen. (Staatswetenschappen .) Stellingen. ( Rechtswetenschappen .) INLEIDING. Rudolph von Ihering , hoogleeraar te Göttingen , maakt in zijn veelgeprezen werk : «Der Zweck im Recht) tweede Deel, tweede uitgave blz. 161, de volgende op merking: « In der gegenwärtigen zweiten Auflage mache ich zum Texte einen Nachtrag , den ich der Besprechung meines Werkes im Literarischen Handweiser , zunächst für das katholische Deutschland , Münster , Jahrg. 23 , Nr. 2 , durch W. Hohoff , Kaplan in Haeffe , verdanke. Derselbe weist mir durch Citate aus Thomas ab Aquino nach , dass dieser grosse Geist das realistisch praktische und gesellschaftliche Moment des Sittlichen ebenso wie das, historische bereits vollkommen richtig erkannt hatte. Den Vorwurf der Cnkenntniss , den er für mich daran knüpft, kann ich nicht von mir ablehnen , aber mit ungleich schwererem Gewicht als mich trifft er die modernen Philosophen und protestantischen Theologen , die es versäumt haben , sich die grossartigen Gedanken dieses Mannes zu Nutze zu machen. Staunend frage ich mich , wie war es möglich , dass solche Wahr heiten , nachdem sie einmal ausgesprochen waren , bei unserer protestantischen Wissenschaft so gänzlich in Vergessenheit gerathen konnten ? Welche Irrwege hätte 2 sie sich ersparen können , wenn sie dieselben beherzigt hätte ! Ich meinerseits hätte vielleicht mein ganzes Buch nicht geschrieben , wenn ich sie gekannt hätte , denn die Grundgedanken , um die es mir zu thun war , finden sich schon bei jenem gewaltigen Denker in vollendeter Klarheit und praegnantester Fassung ausgesprochen ) enz. Schooner getuigenis , van meer onverdachte en meer bevoegde zijde, zal moeielijk gegeven kunnen worden over de ethische leer van den H, Thomas van Aquino , waarvan de beginselen in dit proefschrift behandeld worden . Indien dan ook de inleiding eener dissertatie de keuze van het onderwerp moest motiveeren , zou dit citaat daartoe voldoende zijn , zelfs voor wie , met of zonder schuld , onbekend zijn met de werken van dit middel eeuwsch genie. Licht is het te verklaren , dat het aantal van dezen groot is ; ook onder hen , die zich met de edele taak der rechtsstudie onledig houden. Want niet allen kennen de woorden van Hugo Grotius , waardoor hij dat deel der Summa Theologica , waarin de H. Thomas handelt over recht en wet , ter studie aanbeveelt. ) Al zijn dan de werken van den H. Thomas over het algemeen in den loop der eeuwen ook door vele niet katholieke schrijvers geraadpleegd en met waardeering besproken , 2) toch was het, wat diens leer over staat ' ) Ad Benjamin Maurerium . epist. 54. 2 ) Vgl. N. Thoemes. „ Divi Thomae Aquinatis opera et praecepta quid valeant ad res ecclesiasticas , politicas , sociales.” Berolini 1875. blz. 1—3, waar deze verschillende schrijvers noemt. 3 en recht betreft, mogelijk , dat een Rob. von Mohl in zijne « Geschichte und Literatur der Staatswissenschaften , ) derde Deel blz. 374, het voor den staatsman van den nieuwe ren tijd voor tijdverlies en nuttelooze bezwaring van het geheugen hield , zich met die leer van den H. Th. bezig te houden. Anderen spreken weliswaar ook met be trekking tot deze leer over hem , maar met eene onjuist heid en onvolledigheid , die het vermoeden doen rijzen , dat zij niet direct met de werken van Th. bekend ge weest zijn. ' ) Hoe geheel anders klinkt het oordeel van Ihering ! Ook in ons land wordt van niet minder onverdachte en niet minder bevoegde zijde meer en meer de aandacht gevestigd op den vorst der scholastiek . Ik behoef slechts te wijzen op hetgeen Prof. van der Vlugt in zijn doorwrocht artikel : « In den strijd om het recht » 2) op eene zoowel van bekendheid met, als onpar tijdig oordeel over den samenhang van Thomas' leer getuigende wijze , over dezen zegt. Men gunne mij het genoegen eenige plaatsen aan te halen . « Welk eene verrassing , ) zegt de Hoogleeraar , (voor wie dezen man slechts kenden uit onwelwillende over levering , hem eindelijk eens te ontmoeten in zijn werk ! Neen , waarlijk , geen duisterling was-die denker , die , nu ja , het denken zijne grenzen trok , maar ook daar binnen het eenen eerbied toonde , als het te voren 1 ) Vgl. Dr. J. J. Baumann. „ Die Staatslehre des h . Thomas von Aquino” blz . VII — X , waar deze eenige voorbeelden daarvan aanhaalt. 2 ) In „ de Gids” September 1889. Het artikel is voortgezet in de beide volgende afleveringen . 4 schaars genoot. Geen sophist , die arbeider, wiensi dorst naar wetenschap , al werd zij dan niet opgehemeld door hem zelven , nog spreekt tot elk die lezen kan , uit een reuzenwerk , zoo hecht , als de middelen zijns tijds het maar vergunden . Geen stumper , die stylist , die nooit , het is waar , door bloemen van rhetorica des lezers aandacht aftrok van de zaak , maar wiens beknoptheid streven naar scherpte , wiens tot eentonig heid gelijkmatige tred gewetensvolle ernst , wiens een voud , kortom , zelfverloochening was. ) Na verklaard te hebben hoe het Thomas' levenstaak was , christelijk geloof met peripatetische wijsheid samen te binden in den vorm van strenge redeneering, waartoe hij de bouwstoffen wilde verwerven door begrippen te zuiveren , te omlijnen, te onderscheiden, gaat hij voort : « De bouwstoffen , dus zorgvuldig behouwen en gerei nigd , werden voorts door sluitredenen verbonden en gevoegd tot een stevig en grootsch geheel. Hier was het vooral , dat Thomas eene vaardigheid , een meesterschap ten toon spreidde , die zelden of nooit hun wederga hebben gevonden . Niet velen hebben , als hij, zich er op verstaan , een nieuwe stelling vast te schakelen aan eene reeds gewonnen waarheid met de hulp eener gansche keten van bewijsvoeringen , slingerend vaak , maar nooit gebroken, en , door alle wendingen heen , steeds voortgezet , gericht met het verlangde doel in het oog. Geene gelijkenis zoo ver wijderd , dat zij hem ontging ; geen aanknoopingspunt zoo teer, of hij deed er winst mede. Wat eens gereed, verworven was, stond voortaan helder en volledig den bouw heer voor den geest. Zelden vloekt een nieuw opgetrokken 5 betoog tegen den stijl, waarin het oude was volbouwd, het geheel ontworpen ; met onuitputtelijke vindings kracht wordt telkens eene ongedachte verbinding tot stand gebracht, een verrassende tegenhanger geplaatst naast een vroeger uitgewerkt denkbeeld. En uit dien arbeid , kalm en zeker , rijst dan ten slotte dat indrukwekkend overzicht van Godes plan en handelen met Zijne schep ping , dat welhaast eenen Dante zou bezielen , om het te vereeuwigen ook voor die geslachten , die eens den naam van Thomas mochten hebben verleerd . ) ( blz. 389). Wat nu in het bijzonder het deel der leer van den h. Th. betreft, dat in dit proefschrift besproken wordt , getuigt het feit , dat een hoogleeraar in de Staats wetenschappen , mijn hooggeachte promotor , dit onder werp aan een zijner studenten ter behandeling voorstelt , niet voldoende aan den eenen kant van prijzenswaardige onbevooroordeeldheid , maar van den anderen kant even zeer van de kracht , waarmee het licht der dertiende eeuw de aandacht trekt ? Bij eene waardeering van zoo onverdachte zijde, kan het mijn voornemen niet zijn aan te toonen , wat de h. Thomas alle eeuwen door , voor de katholieke wetenschap geweest is ; hoe onophoudelijk commentaar op commentaar over zijne werken geschreven werd , hoe hij door alle univer siteiten geprezen en aanbevolen , door alle kloosterorden beoefend en vereerd werd ; welk gezag hij steeds genoten heeft en nog geniet in de algemeene kerkvergaderingen , met welke dringende woorden de pausen « wier woorden men kan in den wind slaan , maar doodzwijgen nooit ,» 1 ) 1) Vgl. „ de Gids” September 1889 blz. 387. 6 zijne leer trachtten in eere te houden en te verbreiden ; hoe ook de thans regeerende Paus de werken van den H. Th. met de , ook als het een wetenschappelijk doel geldt, den Pausen eigene onbekrompenheid, op nieuw doet uitgeven , en hoe welverdiend de titels zijn waarmee de h. Th. in die katholieke wetenschap wordt aangeduid als de vorst der scholastiek , de engelachtige leeraar, de adelaar onder de godgeleerden , enz. '). Toch meen ik althans eenige 2) bijzonderheden omtrent het leven en de werken van den h. Th. , alsmede de laatste beweging , van het hoofd der Kath. kerk , be treffende de beoefening van de leer van den h . Th. , uitgegaan , niet onvermeld te mogen laten , wijl daaruit blijkt van welke beteekenis de h. Th . is , voor wie zich of als verdediger of als bestrijder van de katholieke wijsbegeerte opwerpt. Thomas van Aquino werd in het jaar 1225 , uit een grafelijk geslacht op den burcht Rocca - Secca in de nabijheid van Monte - Cassino geboren. Op vijfjarigen leeftijd , werd de jonge graaf opgenomen onder de kloosterleerlingen van de Benedictijnen van Monte - Cassino. Hier voltooide hij zijne opvoeding , en verbleef toen zes jaren aan de universiteit van Napels , waar hij, te midden van een algemeen zedenbederf, niet alleen glansrijke studiën maakte , maar ook een vlekkeloos leven leidde. Na den tegenstand zijner familie over wonnen en zelfs aan het laag geweld zijner broeders 1 ) Vgl. N. Thoemes. blz . 4 en vv. 2 ) Wie hier alleszins belangrijke bijzonderheden over lezen wil , neme het werk ter hand van J. V. de Groot. 0. P. „ Het leven van den H. Thomas van Aquino. " Utrecht. Wed. J. R. van Rossum. 1882. 7 weerstaan te hebben trad hij in de orde der Domini canen. Albertus de Groote , wiens leerling bij te Keulen werd , voorspelde van hem , na een openbaar dispuut , in ' t bijzijn zijner medeleerlingen , die hem wegens zijne stilzwijgendheid « den sprakeloozen os » noemden : « Nos vocamus istum bovem mutum ; sed ipse adhuc talem dabit in doctrina mugitum , quod in toto mundo sonabit. » 1) «Meer dan 600 jaren zijn voorbijgegaan , ) zegt prof . van der Vlugt , « sinds , in de kracht des levens, voor goed die mond zich sloot. Doch de profetie , die hem zulk een machtig geluid voorspelde , werd als weinige vervuld. ) In 1245 vergezelde hij zijnen leermeester naar Parijs om daar zijne theologische studiën te voltooien. Naar Keulen teruggekeerd , aanvaardt hij daar in 1248 het leeraarsambt. Vervolgens treedt hij, met verschil lende tusschenpoozen , op als leeraar aan de universiteiten van Parijs en Napels. Dikwijls worden hem ter belooning zijner veelzijdige verdiensten kerkelijke waardigheden aangeboden , steeds wijst hij ze echter van de hand . In het jaar 1274 roept hem Gregorius X uit Napels naar de kerkvergadering te Lyon , maar onderweg stierf hij, in het Cistercienser klooster te Fossa Nuova , den 7den Maart 1274. In het 49ste jaar werd aan dit voor de wetenschap zoo vruchtbare leven een einde gemaakt. In 1323 werd hij door Paus Johannes XXII onder het getal der heiligen opgenomen , en Pius V proclameerde hem in 1567 tot den vijfden leeraar der kerk. ? ) De Tocco . Vita Sti . Thomae III . 13. aangehaald bij de Groot. blz. 80. 8 De lange lijst van werken ons door den H. Th . nage laten kunnen we in de volgende groepen verdeelen : 1. Commentaren op de werken van Aristoteles , de 4 libri Sententiarum van Petrus Lombardus , en op de H. Schrift. 2. Opuscula , waaronder het boek : de Regimine principis. 3. Quaestiones disputatae en quodlibetales. 4. Summa contra Gentiles, 5. Summa theologica. Het is hier de plaats niet , om ieder werk afzonderlijk te bespreken , noch te onderzoeken in hoever het voor de staatsleer zoo gewichtige werk « de regimine principis ) en de commentaren op Aristoteles , vooral op diens libri Ethicorum en Politicorum , van de hand van Thomas zelven zijn , en in hoever die commentaren op Aristoteles geacht kunnen worden de meeningen van Thomas uit te drukken daar wij zijne leer over het recht hoofdza kelijk vinden in de beide Summa's , en de enkele andere plaatsen , die we mochten aanhalen , onbetwist zijn. 1) ) Hoe talrijk de uitgaven van enkele deelen , vooral der Summa Theo logica , mogen zijn , men vindt slechts weinige volledige uitgaven van de werken van Thomas . De eerste verscheen in 1570, op last van Pius V. Eene tweede zag het licht te Venetie, in 1593. Verder verscheen er eene te Antwerpen in 1612 , en eene te Parijs, uitgegeven door de Societas bibliopolarum. Die in 1745 te Venetie onder leiding van Joannes Fr. Maria de Rubeis begonnen werd , is niet voltooid. In den laatsten tijd werd er eene te Parma (1852) en eene te Parijs gedrukt. Leo XIII belastte op den 18den Jan. 1880 met eene nieuwe uitgave naar de beste handschriften de kardinalen Antonius de Luca , Joannes Simeoni en Thomas Zigliara. Hij zelf stelde 300,000 frs. voor de on kosten beschikbaar. Van deze uitgave , die de Editio Leonina genoemd wordt, zijn thans vier zware foliodeelen verschenen. 9 Over deze beide Summa's echter een enkel woord : De Summa contra Gentiles , 2 ) in tegenstelling met ! de Summa theologica ook wel de Summa philosophica genoemd , is een handboek geschreven tegen de onge loovigen van Thomas' eeuw , vooral tegen de Arabische en Joodsche wijsgeeren. De heilige werkte er aan van 1261-1264. Het is verdeeld in vier boeken en ieder boek in capita. In de negen eerste hoofdstukken bespreekt hij de verhouding van geloof en rede , om dan verder de vragen te be antwoorden : Wat leert de rede en wat het geloof over God in zichzelven , over God in zijne werken , en over het doel van Gods werken. De Summa theologica , het meesterstuk van den H. Thomas , « dat zich als een reusachtige dom voor onze verbaasde blikken verheft en de rijkste verscheidenheid van Thomas' geniale wetenschap in de bewonderens waardigste eenheid te aanschouwen geeft , ) 2) is eene wetenschappelijke verhandeling over de geheele katho lieke geloofsleer. Zij heeft ten doel , de hindernissen, die zich voor de nieuwelingen bij de studie van den christe lijken godsdienst voordoen , namelijk den overvloed van nuttelooze vraagstukken , het gemis aan eene vaste methode en de verveling van gedurige herhalingen uit den weg te ruimen 3 ). De H. Thomas begon met dit werk in het jaar 1265 , 2 ) Vgl. De Groot. Leven van den H. Th. blz . 211 . 2 ) Vgl . de Groot. blz . 275. 3 ) S. Th . Prologus. 10 ! i. en heeft er tot aan zijn dood aan voortgearbeid , zonder het te hebben kunnen voltooien . Het is samengesteld uit drie hoofddeelen , waarvan het tweede in twee afdeelingen gesplitst is . Ieder deel bestaat uit vragen , en iedere vraag uit een of meer artikels. Het artikel begint met eenige gronden voor de oplos sing der vraag, in anderen zin dan de H. Th. geven zal . ( Videtur quod etc.) Daarna volgen een of meer gronden voor de tegenovergestelde beantwoording der vraag , ( Sed contra etc. ) zoodat men kan zeggen , dat de H. Th. eerst het voor en tegen in ' t kort aangeeft. Vervolgens wordt het eigenlijke antwoord op de vraag gegeven , en dit vormt het corpus van het artikel. ( Respondeo dicen dum etc. ) Het geheel eindigt met de weerlegging der , thans tegenwerpingen geworden , vooropgestelde gronden tegen het antwoord . ( Ad primum etc.) Aan deze drie hoofddeelen wordt toegevoegd een aanhangsel van 99 vragen door den Gorcumschen Domi nicaan Henricus , vice -kanselier der Keulsche universiteit , uit Thomas' commentaar op het vierde boek der Sententiae van Petrus Lombardus , samengesteld . Dit werk « zoo breed gedacht, maar ook zoo fijn en met geduld bewerkt » ' ) is het meesterstuk der zooge naamde scholastiek , eene methode in de behandeling der wetenschap , daarin bestaande , dat ze de wijsheid der kerkvaders uit tallooze werken verzamelt , deze naar eene strenge logische volgorde rangschikt, en de godde lijke wetenschap met de menschelijke, tusschen welke , 1 ) „ de Gids " Sept. 1889. blz. 397 . 11 als hebbende beide de eene zelfde waarheid ten voor werp , geen strijd bestaan kan , vereenigt. Dat later , door toedoen der bastaardscholastieken , het zuiver goud der thomistische methode in onedel lood verkeerd is , mag men niet wijten aan hare toe passing , maar aan het misbruik , een kwaad , waaraan iedere goede zaak , door onwil ofdwaling, kan blootstaan . Om zich hiervan te overtuigen , geen beter middel dan de Summa zelve ter hand te nemen . ') Zonder twijfel is het een der schoonste paarlen aan de zoo rijke kroon van verdiensten , die Leo XIII zich ook op het gebied der wetenschap verworven heeft, dat hij der wereld , strijdende den zoo moeielijken strijd des twijfels, te midden van de menigvuldige wijsgeerige stelsels , die elkander of tegelijkertijd tegenspreken of na verloop van korten tijd vervangen , met al de kracht waar over hij in zijne hooge positie beschikken kan , ter studie heeft aanbevolen de werken van een man , die eeuwen " 9 ) 9 1 ) Voor de wijze van aanhaling uit de Summa theologica zij het volgende opgemerkt: I. beteekent dat de aangehaalde plaats te vinden is in het eerste deel. I. II. eerste af deeling van het tweede deel . II. II. beteekent dat de aangehaalde plaats te vinden is in de tweede afdeeling van het tweede deel. III. beteekent dat de aangehaalde plaats te vinden is in het derde deel. Supplem . , aanhangsel van het derde deel . q. geeft met het cijfer het nummer der vraag aan van het deel. van het artikel der vraag aan. ad 1. beteekent: in het antwoord op de eerste bedenking van dat artikel. ad 2. etc. » tweede Volgt achter het aangehaalde artikel nog eene c , dan beteekent dit , dat het bedoelde in het corpus (zie blz. 10.) van dat artikel te vinden is . a. 7 ) enz. 12 1 lang aan wie hem kenden , andersdenkenden zoowel als gelijkgezinden, eerbied en bewondering heeft afgedwongen. In zijne Encyclica « Aeterni Patris ) van den 4 Aug. 1879 , prijst Leo XIII de beoefening der wijsbegeerte in het algemeen op verschillende gronden aan ; door het voorbeeld der HH. Vaders en der kerkleeraren toont hij, wat de menschelijke rede , bijgestaan door de openbaring, tot stand brengen kan. Daarna spreekt hij van de manier , waarop de scholastieken den rijken oogst van wijsheid in de werken der HH. Vaders verspreid , hebben verzameld , en ten dienste en ten gerieve der nakomelingschap als op ééne plaats geborgen . Hij prijst hunne methode en zegt verder : « Jam vero inter scholas ticos Doctores , omnium princeps et magister, longe eminet Thomas Aquinas : qui , uti Cajetanus animadvertit , veteres doctores sacros , quia summe veneratus est , ideo intellectum omnium quodammodo sortitus est. Illorum doctrinas, velut dispersa cujusdam corporis membra , in unum Thomas collegit et coagmentavit, miro ordine digessit , et magnis incrementis ita adauxit , ut catholicae Ecclesiae singulare praesidium et decus jure meritoque habeatur. » Terecht, zegt Leo , is hij dan altijd door de verschil lende kloosterorden , door de hoogescholen , door de pausen en conciliën geëerd en beoefend , tot dat hij in de laatste tijden meer verwaarloosd werd. Om dit verzuim te herstellen , spoort hij alle bisschop pen aan ter verspreiding der leer van den doctor angelicus: « Wij dan) zegt hij, « terwijl wij verklaren , dat men met blijdschap en erkentelijkheid moet aanvaar den al wat wijselijk gezegd , al wat nuttig, door wien 13 ! ook , ontdekt en uitgedacht is , vermanen U , Eerwaardige Broeders, allerdringendst om tot handhaving en luister van het katholiek geloof , tot welzijn der maatschappij, tot vooruitgang aller wetenschappen , de gulden wijsheid van den H. Thomas te herstellen en haar zoo wijd mogelijk te verbreiden. ) Tevens waarschuwt hij echter tegen het misbruik der scholastiek : « De wijsheid van den heiligen Thomas zeggen wij: want zoo de scholastieke leeraren eenig punt met overdreven scherpzinnigheid hebben nagevorscht , of minder nauwkeurig hebben ge leeraard , zoo bij hen iets gevonden wordt , dat met de uitgemaakte leerstellingen van lateren tijd minder overeenstemt , kortom , dat op eenige wijze niet aan neembaar is , dit beoogen wij geenszins aan onze eeuw ter navolging voor te stellen . ) Sinds laat de Paus geene gelegenheid voorbijgaan , geen middelen onbeproefd om de verspreiding der leer van den H. Th . te bevorderen. Zoo richtte hij eene academie op , wier leden zich ten doel stellen de wer ken van Thomas te verklaren en met die der oudere en nieuwere wijsgeeren te vergelijken ; zoo ook belastte hij drie kardinalen met eene volledige en kostbare uit gave van de werken des heiligen , met de commentaren zt van Thomas de Vio Cardin. Caj. en van Franciscus zetijd 0. de . Sylv. Ferrar. :) Eene vermelding der stukken , die van Leo XIII in 1 ) Thomas de Vio , Kardinaal Cajetanus schreef de commentaren op de Summa Theologica ; de commentator der Summa contra Gentiles is Franciscus Silvester van Ferrara . Evenals de H. Thomas behooren beide geleerden tot de orde der Predikheeren of Dominicanen. 14 korten tijd hieromtrent zijn uitgegaan , moge hier eene plaats vinden : 4 Aug. 1879. Epistola Encyclica « Aeterni Patris) ad universos episcopos catholici Orbis de colenda S. Thomae philosophia. 15 Oct. 1879. Littera ad Cardinalem de Luca de Academia S. Thomae in Urbe erigenda Angelicique operibus edendis. 18 Jan. 1880. Motu proprio editionis operum S. Thomae exequendae praescribitur ratio. 7 Maart. 1880. Oratio ad catholicos scientiarum cul tores de necessario studio philosophiae S. Thomae. 4. Aug. 1880. Litterae apostolicae in forma brevis de Sancto Thoma studiorum patrono. 21 Nov. 1880. Epistola ad Cardinales Pecci et Zigliara de romana S. Thomae Academia. 25 Dec. 1830. Epistola ad Archiepiscopum Mechlinien sem de cathedra S. Thomae Aquinatis Lovanii erigenda. De leer van den H. Thomas over het recht , hare plaats in , en haren samenhang met de zedenleer in algemeenen zin , zoo getrouw en eenvoudig mogelijk voor te stellen : ziedaar het doel , dat ik bij de samenstelling van dit proefschrift heb trachten te bereiken. Of en in hoeverre ik daarin geslaagd ben , blijve overgelaten aan het oordeel van bevoegde lezers. Overtuigd dat een zoo belangrijk onderwerp op eene meer waardige wijze zou behandeld kunnen zijn , meen ik echter aanspraak te mogen maken op de toegevend heid , waarmede geschriften als het mijne, plegen ont vangen te worden . 1 EERSTE HOOFDSTUK. Recht en Einddoel. Vooral in die onderdeelen der wijsbegeerte, die zooals de wijsbegeerte van het recht , de handelingen der men schen tot voorwerp hebben , is de leer van het einddoel van het hoogste gewicht. Die handelingen toch zijn niets anders dan de middelen om dat einddoel te bereiken . Van daar dan ook dat allen die het bestaan van een einddoel aannemen , die leeren dat al wat bestaat , handelt 1 ) met een doel en dat de verschillende doel einden der wezens onderling in verband staan en alle betrekking hebben op een einddoel, aan de leer van dit einddoel een overwegenden invloed toekennen met betrekking tot de rechtsleer. Zoo zegt Cicero over de wijsbegeerte in ' t algemeen : 1 ) Handelen , agere , wordt hier in den ruimsten zin gebruikt n.l .: het in werking zijn van een vermogen , zoowel van een actief ver mogen , d. w. z. een vermogen , dat in werking gesteld wordt door het wezen zelf als van een passief vermogen d. w.2. een vermogen , dat in werking gesteld wordt door eene oorzaak buiten het wezen. ,, Dicitur aliquid naturale dupliciter , uno modo , quia est a natura sicut a principio activo , alio modo, secundum principium passivum , quia scilicet est innata inclinatio ad recipiendam actionem a principio extrinseco .” (S. Th. I. 11. q. 6 a . 5 ad 2.) 16 « Fine in philosophia constituto , constituta sunt omnia. Nam ceteris in rebus sive praetermissum , sive ignoratum sit quidpiam , non plus incommodi est , quam quanti quaeque earum est , in quibus neglectum est aliquid . Summum autem bonum si ignoratur , vivendi rationem ignorari necesse est. Ex quo tantus error consequitur , ut quem in portum se recipiant, scire non possint. Cognitis autem rerum finibus , cum intelligatur quid sit et bonorum extremum et malorum , inventa vitae via est conformatioque omnium officiorum . ) (De finibus V. 6. ) Voor de leer van het recht in ' t bijzonder , voor zoo ver dit door ' s menschen toedoen tot stand komt , wijst Ihering op de hooge beteekenis van het doel in de volgende woorden : « Der Grundgedanke des gegenwaertigen Werkes (nl. van zijn veelgeprezen werk : Der Zweck im Recht.) besteht darin das es keinen Rechtssatz gibt , der nicht einem Zwecke, i . e. einem praktischen Motiv seinen Ursprung verdankt. ) " ) Hetzelfde denkbeeld vinden we ook op duidelijke wijze uitgedrukt door Domat , een beroemd rechtsgeleerde van de 17de eeuw , aangehaald door Lucien Brun in zijne « Introduction à l'étude du droit .), blz. 47.: « On ne peut prendre une voie plus simple et plus sûre pour décou vrir les premiers principes des lois , qu'en supposant deux premières vérités , qui ne sont que de simples définitions: l'une , que les lois de l'homme ne sont autre chose que les règles de sa conduite , et l'autre , que cette conduite n'est autre chose que les démarches de l'homme vers sa fin . Pour découvrir donc les premiers ) T. a. p . 1. blz. 8 . 17 fondements des lois de l'homme, il faut connaître quelle est sa fin , parce que sa destination à cette fin sera la première règle de la voie et des démarches qui les conduisent, et par conséquent sa première loi et le fondement de toutes les autres. ) Dątzelfde leerde in de 13de eeuw de H. Thomas op onovertroffen wijze : «Primum autem principium in ope rativis , quorum est ratio practica , est finis ultimus. » 1 ) De geheele eudaimonistische en ethische leer van den H. Th. berust op de theorie van het doel. In de Summa contra Gentes 1. III . cap. 1-25 ontwikkelt hij die the orie in ' t algemeen , en komt dan in de volgende hoofd stukken tot het 64ste , meer in 't bijzonder neer op het einddoel van den mensch , terwijl in de Summatheolo- , gica ( I. II. q 1-5) deze leer bij hem de grondslag is van de ethica , de zedenleer in ruimen zin , en derhalve ook van de rechtsleer , welke , zooals we zien zullen , volgens hem daarvan een deel is. En te recht. De wet immers regelt ' s menschen han delingen: « Lex quaedam regula est , et mensura actuum) , ze zet aan tot handelen , ( secundum quam in 1 ) S. Th. I. II. q. 90. a 2. c. Uit de Summa Theologica citeer ik volgens de uitgave van de drukkerij van den Italiaanschen Senaat : Divi Thomae Aquinatis Summa Theologica. Romae. Ex typographia Senatus. 1886. Uit de Summa contra Gentiles volgens eene Turijnsche editie ( Augusta Taurinorum Petri Marietti . 1886. ) Uit de Quaestiones disputatae volgens eene uitgave van de consociatio sancti Pauli 1883. De Sum. Theol. geef ik aan met : S Th.; de Sum. contra Gentiles met S. c . G.; de quaestiones disputatae met Q. D. Bij de aanhalingen uit andere werken van den H. Th . wordt tevens de uitgave vermeld. 2 18 a ducitur aliquis ad agendum , vel ab agendo retrahitur ) ze verplicht tot handelen : « dicitur enim lex a ligando , quia obligat ad agendum .) ) Nu is er echter geene handeling zonder doel : « Das Zweckgesetz lautet : Kein Wollen , oder was dasselbe ist , keine Handlung ohne Zweck , ) 2 ) of zooals de H. Th. zegt : « Omnia quae sunt in aliquo genere , derivantur a principio illius generis ; sed finis est principium in operabilibus ab homine , ut patet per Philos. ( Phys. lib . II) ; ergo homini convenit omnia agere propter finem . ) 3) Handelt derhalve de mensch om een bepaald doel te bereiken , en is de wet het richtsnoer voor de hande lingen ter bereiking van dat doel , dan is het duidelijk , dat aan de behandeling der rechtsleer , de leer van het doel moet voorafgaan. Wij zullen derhalve in dit hoofdstuk bespreken de leer van den H. Th. over het doelmatig handelen , over het doel en vooral het einddoel in ' t algemeen , en over dat der menschen in ' t bijzonder , voor zoover het op de rechtsleer betrekking heeft. « Omne agens agit propter finem. Omne agens in agendo intendit aliquem finem ) 4 ) , ziedaar het duidelijke antwoord van den H. Th. op de zoo gewichtige vraag of er in de handelingen sprake kan zijn van doelmatig- ! heid , of er behalve van causae causales d. w. z. ' t verband 1 ) S. Th . I. II . Q. 90. a . 1. c . 2 ) Ihering. t. a . p. blz . 5 . 3 ) S. Th. I. II . q. 1. a . 1 . 4 ) S. c. G. I. III c . 2. Vgl . S. Th . I. II . q. 1. a . 2 . 19 chiedt zonder mechani then 2 ) terale promotor democriken hilsen be broakke & Jove de forman che hat bent, mida noin the general dintre ach thaanthaane eie hulthermachere tusschen werkende oorzaak en haar effect , ook sprake kan zijn van causae finales d. w. z . ' t verband tusschen doel en middel. Deze oorzaak der handelingen wordt eindoorzaak ge noemd , wijl ze niet alleen oorzaak is maar tevens doel. Het doel waarnaar het handelende wezen streeft, is tevens oorzaak der handeling , namelijk in de voorstel ling van het handelende wezen of van hem , die een ander wezen doet handelen. « Finis non est causa nisi secundum quod movet efficientem ad agendum , non enim est primum in esse sed in intentione solum. ) ? ) De wereldbeschouwing , die van dit beginsel uitgaat, noemt men de teleologischę of organische, in tegenstel ling met de mechanische , die in de handelingen der redelooze wezens alleen een verband van oorzaak en gevolg aanneemt. NB. In navolging van Aristoteles ( Phys. 1. 11. c . 8.) onderscheidt de H. Th. vier soorten van oorzaken : de causa finalis , de causa formalis , de causa efficiens , de causa materialis . Deze vier staan in eene vaste verhouding tot elkaar : de eind oorzaak is een vereischte voor de handelende oorzaak , deze voor de formeele, voor deze de materieele. (S. Th. I. q. 5. a. 1. ad l ; 4 c ; q . 85. a . 3 ad 4 ; I II. q. 1. a. 2. c) De causa finalis of eindoorzaak is het doel der handeling voor zoover dit het handelend wezen tot de handeling brengt. Dat doel wordt genoemd het finis operis , wanneer de handeling ( of het product der handeling) uit haren aard zelven er toe strekt; } finis operantis , ( S. Th. II II . q. 141. a 6. ad . 1. ) indien het redelijk handelend wozen zich voorstelt dat doel door de hande ling te bereiken . Ihering noemt het finis operis „ den allgemeinen ” , het finis operantis „ den individuellen Zweck oder Motiv.” ( D 11. blz . 132. ) 1 ) De Pot. q. 5. a. 1. Vgl. Opusc. 31. De principiis naturae . ( Tiferni Tiberini, 1886. ) 20 Dat de mensch in zijne handelingen als redelijk wezen een doel nastreeft, zal niet licht ontkend worden ; wat echter ten allen tijde door zekere scholen ontkend werd , is dat het wezen ook der niet- redelijke dingen met geheel zijn aanleg , dat hunne vermogens met hunne ontwikkeling naar geëvenredigde uitkomsten neigen , in welker bereiking de natuurlijke volmaking of het einde dier wezens gelegen is ; en verder dat aan de geheele schepping en aan den mensch als hoogste vertegen woordiger dier schepping op aarde in ' t bijzonder , een einddoel door den Schepper ter bereiking ge steld is ; m. a. w. de mechanische wereldbeschou wing ontkent het bestaan van eindoorzaken in de niet redelijke natuur, en van een finis operis voor de geheele schepping. In de Summa Theologica I. II . , waar de H. Th. in de vijf eerste vragen het einddoel des menschen in ' t bijzonder bespreekt , vraagt hij in het tweede artikel der eerste vraag of het alleen der redelijke natuur eigen is om ? een doel te handelen. Hij geeft daarop ten antwoord dat niet alleen de redelijke wezens , maar ook de niet redelijke levende en zelfs de niet levende met een doel handelen , al is ' t op verschillende wijze. « Omnia agentia ? ) necesse est agere propter finem ; $ Nog zij aangemerkt dat men spreekt van een finis proximus , remo tus en ultimus ( Endzweck) , naarmate het bereikte doel weer tot middel moet dienen om een verder doel te bereiken of niet. ( S. Th. I. II. q. 12 a . 2 c .; q . 21. a . l . ad 2 ) Men zie over de verdeeling van het doel : Costa- Rossetti, Phil. mor. blz. 3. v.v. :) Zie de aanmerking op blz. Y. 15 21 Causarum enim ad invicem ordinatarum si prima sub trahatur , necesse est alias subtrahi . Prima autem inter omnes causas est causa finalis : cujus ratio est , quia materia non consequitur formam , nisi secundum quod moveter ab agente. Nihil enim reducit se de potentia in actum . ) Indien nu het handelende wezen niet tot een gevolg bepaald was , zou er geene reden bestaan waarom het dit en niet iets anders zou doen . Dat be paalde, waartoe het handelende gedetermineerd wordt, heeft het karakter van doel. « Agens autem non movet , nisi ex intentione finis. Si enim agens non esset deter / minatum ad aliquem effectum , non magis ' ageret hoc , via quam illud : ad hoc ergo quod determinatum effectum producat, necesse est quod determinetur ad aliquid certum , quod habet rationem finis. ) ' ) De bepaling /geschiedt bij de redelijke wezens door den wil (appetitus rationalis), bij de niet-redelijke door de natuurlijke neiging (appetitus naturalis) . Daarin ligt dan ook het verschil tusschen het doelmatig handelen der redelijke wezens en dat der niet-redelijke. Jani " ) S. Th. I. II . q . 1. a . 2. c. „ Si agens non tenderet ad aliquem effectum determinatum , omnes effectus essent ei indifferentes. Quod autem indifferenter se habet ad multa non magis unum eorum operatur quam aliud ; unde a contingente ad utrumque non sequitur aliquis effectus nisi per aliquid quod determinetur ad unúm . Impossibile igitur esset quod ageret. Omne igitur agens tendit ad aliquem determinatum effectum quod dicitur finis. ( S. C. G. I. III . c. 2. ) Vgl. „ De Eind oorzaken ” door H. te Braake in de „ Studiën op Godsdienstig , Weten schappelijk en Letterkundig Gebied 1878 ; „ de Eindoorzaken” door F. Becker in „ Onze Wachter” 1877 ; T. Pesch , „ Die grossen Welt çäthsel” , D. I. blz. 274 , der Zweck ; Mr. S. van Houten. „ Das Causa litätsgesetz in der Socialwissenschaft . ” 1888. 22 De redelijke wezens kennen het doel door de rede en regelen zelf hunne handelingen door hun vrijen wil naar de bereiking van dat doel ; de niet-redelijke daarentegen kennen dat doel niet , kunnen er zich dus niet zelf naar richten , maar worden er door een ander wezen , dat dit doel kent , naar bewogen door middel van hunne natuurlijke neigingen. «Et ideo , ») besluit de H. Th. « proprium est naturae rationalis , ut tendat in finem , quasi se agens , vel ducens ad finem ; naturae vero irrationalis, quasi ab alio acta , vel ducta ; sive in finem apprehensum , sicut; bruta animalia ; ' ) sive in finem non apprehensum , sicut ea , quae omnino cognitione carent. 2) Maar deze noodzakelijkheid waarmee de niet- redelijke wezens naar hun doel gericht zijn , onderscheidt de H. Th. zeer juist van de noodzakelijkheid waarmee b.v. een pijl door den schutter naar het doel gericht wordt --- deze laatste is een willekeurig opgelegde dwang , terwijl door de eerste , waarvan we hier spreken , «id quod dirigitur vel inclinatur in finem , consequitur a dirigente vel movente aliquam formam , per quam sibi talis in clinatio competat: unde et talis inclinatio erit naturalis , quasi habens principium naturale ....... Per hunc modum omnia naturalia in ea , quae eis conveniunt , sunt inclinata , habentia in seipsis aliquod inclinationis principium , ratione cujus eorum inclinatio naturalis 1 1 ) Ook aan redelooze levende en met gevoel begaafde wezens schrijft de H. Th. eene zinnelijke kennis toe ( Cognitio sensitiva) . 2) T. a. p , op het einde . Vgl. Phys. lib. II. lect. 4. cap. 2. princ.; lect. 10. princ. 23 est , ita ut quodammodo ipsi vadant et non solum du cantur in fines debitos. ) 1 ) Zoo komt de H. Th. die over ' t algemeen in deze beschouwingen Aristoteles volgt , tot hetzelfde resultaat als deze (Phys. lib. II . text. 49) : « Non solum intellectus , sed etiam natura agit propter finem . ) 2) De wezens die met verstand handelen , begrijpen dat gene wat ze door hunne handeling willen bereiken , en ' t is ten gevolge van deze voorstelling dat ze tot handelen overgaan . Voor hen is het doel dus tevens oorzaak der handeling , zoodat Ihering terecht zegt dat er geen strijd is tusschen de causaliteitswetten en de finaliteits wet. Volgens hem toch is het Finalitâts- of Zweck gesetz het psychologisch Causalitâtsgesetz. « Das causali tâtsgesetz lautet : keine Wirkung ohne Ursache met betrekking tot de niet- redelijke wezens - das Zweckgesetz: kein Wollen , oder was dasselbe ist , keine Handlung ohne Zweck. 3) De niet- redelijke wezens daarentegen begrijpen dat doel niet , maar toch « praeexistit similitudo naturalis effectus, ex qua actio ad hunc effectum determina en dit is hunne natuur d. w. z . het natuurlijke streven naar een bepaald doel , door den Schepper in hen gelegd. Zij worden derhalve door een ander , nl. den Schepper , naar hun doel bewogen. Daarom leert dan ook de H. Th. dat dit doelmatig d . w. z. tur , ) ) 1) Q. D. q. 22. de Verit. a. 1. 2 ) S. Th . t . a. p . 3 ) T. a. p. blz. 4 en 5. 4 ) S. c. G. I. III. c . 2 . 24 handelen bijzonder eigen is aan de redelijke natuur', wijl zij zichzelve naar het doel voert. ) Niet alleen is iedere handeling doelmatig , zij geschiedt ook om een goed. Immers datgene , waarnaar het han delende wezen streeft , moet dat wezen passen , moet dat wezen volmaken , en slechts in zoover streeft het daarnaar. 2 ) Dit nu is volgens den H. Th. het begrip van het goede , namelijk : « bonum est quod omnia appetunt. ) 3) « Nihil tendit ad suum contrarium ; unumquodque enim appetit quod est sibi simile et conveniens. 4 ) Manifestum est omne agens agere propter finem , quia quodlibet agens tendit ad aliquod determinatum . Id autem ad quod agens determinate tendit oportet esse conveniens ei ; non enim tenderet in ipsum nisi propter aliquam convenientiam ad ipsum . Quod autem conveniens est alicui est illi bonum . Ergo omne agens agit propter bonum . ) 5) Niemand zal in twijfel trekken dat de redelijke wezens steeds handelen om een goed. Immers zij bepalen zelf het doel hunner handelingen en wel voor zoover ze dat doel als een goed kennen , want het goed is het object 1 1) S. Th. t. a. p. 2) Het kwade is volgens den H. Th. een negatief begrip , namelijk privatio boni : „ Malum nihil aliud est quam privatio ejus, quod quis natus est et debet habere. ” ( S. c. G. I. III. c. 7.) 3 ) S. c. G. I. III . c. 3. 4 ) S. c. G. 1. III . c . 7 . 5) S. c . G. I. III . c. 3. 25 I eigen aan den wil . Wat nu de niet-redelijke wezens betreft, deze streven in hunne handelingen naar een doel, dat door een ander wezen is bepaald ; deze bepaling is geschied door een redelijk wezen , dus onder ' t oogpunt van ' t goede. Datgene waarnaar de appetitus animalis vel voluntarius streeft, is het goede voor zoover het waargenomen is , en zoo kan het gebeuren dat het in zich niet goed is voor het geheele wezen , maar alleen als zoodanig zich • voordoet of slechts een enkel vermogen bevredigt ; van daar dat Aristoteles zegt: ( Phys. lib. II text 31.) « Finis est bonum , vel apparens bonum. ) ) Daar nu ieder handelend wezen handelt met een doel en tevens altijd handelt voor zijn goed , besluit de H. Th. dat het doel en het goede alhoewel formeel onder scheiden , materieel hetzelfde zijn : « Omne id , quod in venitur habere rationem finis habet et rationem boni. » ) 2) . Goed wordt namelijk genoemd de terminus der han deling, voor zoover hij betrekking heeft op de volmaking van het handelend wezen of van het vermogen , waardoor het handelt ; doeleinde in ruimen zin voor zoover de natuurlijke handeling of het natuurlijke streven daarin zijn einde , zijne berusting vindt. In engeren zin heeft het echter alleen betrekking op ' de menschelijke hande lingen en beteekent het : « id propter quod aliquid fit. ) Welnu , het doel van een wezen is dat waarnaar het 1 1 ) Vgl. Q. D. De Verit. q . 14 a. 2 . Sent. I. dist. 46 a, 2. ad 2 . Sent. II . dist. 3 q. 4. ad 2 . Sent. IV. dist. 49 q . 1. art. 3. (Ed. Parmensis , 1852.) 2) De Verit. q. 21. a. 2 . 26 streeft , zoolang het niet in ' t bezit daarvan is , en in welks bezit het streven tot rust komt ; dit nu is het geval met de aan het wezen eigen volmaaktheid . Die volmaaktheid is derhalve het doel van ieder wezen , maar tevens is die volmaaktheid ten opzichte van dat wezen het goede. « Unumquodque igitur ordinatur in bonum sicut in finem . ) 1 ) Iedere handeling der geschapen wezens , en dit geldt vooral van de handelingen der menschen , kan derhalve van uit een tweevoudig standpunt beschouwd worden , namelijk als middel om het goede te bereiken , en als beweging naar een vastgesteld doel. Daar nu de natuur van ieder wezen , d. w. z. het zelfstandig beginsel van be weging , dat in de geschapen dingen gelegen is en waar door ieder naar zijn doel gericht wordt , overeenkomt met het doel van ieder wezen : « Omne agens agit secundum quod est actu » en in dit doel de volmaking van het wezen ligt : «propria operatio cujuslibet rei est finis ejus.) (C. G. 1. III c. 25. ) kunnen we daaruit besluiten : De natuur van ieder wezen is de eerste norm , regel van rectitudo iedere handeling is recta die naar het doel voert , en de natuur van het wezen is het beginsel dat die handeling naar het doel voert ; dit is de deonto- , logische beschouwing der handeling. De natuur in zijne handelingen volgende komt ieder geschapen wezen tot zijn werkelijk goed , tot zijne vol making , en dit is de eudaimonologische beschouwing der handeling 1 1 ) S. c. G. I. III . c. 16. 27 Voor den mensch wordt dit goed , deze volmaking , het geluk genoemd. « Ultimus finis hominum est beatitudo , quam omnes appetunt ..... Sed non cadit in animalia expertia ra tionis , ut beata sint. » 1) Nadat de H. Th. heeft aangetoond (S. c. G. 1. I. c. 13.) dat er een hoogste wezen is , dat aan alle andere uit vrijen wil het bestaan gegeven heeft, ( S. c. G. I. II. C. 23) welk wezen wij God noemen , en dat dit hoogste wezen volmaakt meester is over alles wat door Hem is voortgebracht , wijl het de hulp noch van een ander handelend wezen , noch van stof heeft noodig gehad , toont hij in het 3de boek der Summa contra Gentes aan , dat al dat geschapene een vastgesteld doel heeft, m. a. w. hij bewijst het bestaan van een ordo finalis in de schepping, het bestaan van doelmatigheid , van een doel dat het finis operantis is van den kant van den Schepper , het finis operis van den kant der schepping. « Duplex ordo considerari potest inter creaturam et Deum : Unus quidem , secundum quod creaturae cau santur a Deo , et dependent ab ipso , sicut a principio sui esse .. Alius autem ordo est , secundum quod res reducuntur in Deum , sicut in finem . ) 2) Alles wat handelt met vrijen wil richt zijne handelin gen naar een bepaald doel . God heeft de wereld uit vrijen wil voortgebracht , dus met een bepaald doel ; dat doel echter bereikt ieder wezen door zijne hande 1 ) S. Th. I. II . q. 1. a . 8 . 2 ) S. Th. III . q . 6. a. 1. ad l . 28 lingen deze handelingen moeten derhalve door den Schepper gericht worden naar dat vastgestelde doel , en wel op verschillende wijze , overeenkomstig de natuur der verschillende wezens : « Deus imprimit toti naturae principia propriorum actuum . » ' ) « Eorum autem quae per voluntatem producunter agentis unumquodque ab agente in finem aliquem ordinatur ; bonum enim et finis est objectum proprium voluntatis ; unde necesse est ut quae ex voluntate procedunt ad finem aliquem ordinentur. Finem autem ultimum unaquaeque res per suam consequitur actionem , quam oportet dirigi ab eo qui principia rebus dedit , per quae agunt. Necesse est igitur ut Deus .... omnium entium rector existat , a nullo utique directus , nec est aliquid quod ab ejus regimine excusetur , sicut nec est aliquid quod ab ipso esse non sortiatur. Est igitur, sicut perfectus in essendo et causando , ita etiam et in regendo perfectus . ” 2) 1 1 1 ) S. Th. I. II. q. 93. a. 5 . 2 ) S. c. G. I. III . c . 1. Ihering sprekende over de voorgewende tegenstrijdigheid tusschen de causaliteitswet (niets geschiedt zonder oorzaak) en de finaliteitswet ( niets geschiedt zonder doel) zegt , Die Annahme eines Zweckes in der Welt , was für mich , der ich beschränkt genug bin mir den Zweck nicht ohne einen bewussten Willen denken zu können , gleichbedeutend ist mit der Annahme von Gott also die Annahme eines von Gott gesetzten Zweckes in der Welt oder des göttlichen Zweckgedankens verträgt sich nach meinem Dafürhalten vollkommen mit der Statuirung des strengsten Causalitätsgesetzes.” „ Aber wenn die Richtigkeit ( der Darwinsche Theorie) mir auch felsen fest stände , ich wüsste nicht wie mich dies in meinen Glauben an einen göttlichen Zweckgedanken nur im geringsten beirren sollte. In der Monere , die nach Häckel mit Nothwendigkeit zum Menschen führen soll , hat Gott den Menschen vorausgesehen , wie der Bildhauer im Marmor den Apollo , oder wie Leibnitz bereits sagte : in Adam hat. Gott das ganze Menschengeslecht vorgebildet und gewollt.” (T. a. p . I. blz. XII — XIII.) 29 Welk is dan volgens den H. Th. dat einddoel , dat de Schepper aan alle wezens gesteld heeft , waartoe de niet-redelijke noodzakelijkerwijze medewerken door vol gens hunne natuur te handelen , en dat de mensch be reiken moet door zijne handelingen vrijwillig daarheen te richten ? Dat einddoel waarnaar alles gericht is , is één , name lijk God zelf. Niets streeft , zegt de H. Th. naar een doel dan voor zooverre hem dit goed is ; derhalve is het goede in dezelfde mate doel als het goed is. Dan is echter ook het hoogste goed het hoogste doel. Het hoogste goed is echter één , en wel God zelf. ( S. c. G. 1. II. C. 41) Derhalve is het eene einddoel van al het bestaande God. (S. c . G. I. III . c. 17) . Daarbij komt dat ieder wezen bij iedere handeling zich zelf ten doel heeft. God is echter de oorsprong van alle wezens , derhalve ook het doel van alle : ( Finis ultimus cujuslibet facientis , in quantum est faciens, est ipsemet....... Deus autem est causa factiva rerum omnium , quarumdam quidem immediate, quarumdam mediate sive mediantibus aliis causis. Est igitur ipsemet finis omnium rerum. ) " ) Het doel , de causa finalis, gaat altijd aan de hande ling vooraf in de opvatting van het handelend wezen , en in zoover is ze causa causalis; soms echter niet in ' ) S. c. G. I. III . c. 17. Vgl. S. Th . I. q. 44. a . 4. Utrum Deus sit causa finalis omnium . Uit de vele bewijzen die de H. Th. voor ieder zijner stellingen aan voert , nemen wij er slechts enkele ; men vergelijke daarom de aange haalde hoofdstukken in hun geheel. Sent II . dist. 1 q . 2. a. 2. 30 i werkelijkheid , zoo dikwijls namelijk het handelend wezen het doel zelf voortbrengt door de handeling : « Finis aliquis invenitur qui , etiamsi primatum obti neat in causando secundum quod est in intentione , est tamen in essendo posterius ; quod quidem contingit in quolibet fine quem agens sua actione constituit , sicut medicus constituit sanitatem per suam actionem in infirmo , quae tamen est finis ejus. Aliquis autem finis invenitur qui , sicut est praece dens in causando , ita etiam in essendo praecedit ; sicut dicitur finis id , quod aliquis sua actione vel motu acqui rere intendit , ut locum sursum ignis per suum motum , et civitatem rex per pugnam . » 1) In dezen laatsten zin nu is God het doel van al het bestaande , Hij moet namelijk door ieder wezen op de aan dat wezen eigene wijze bereikt worden : « Non potest ergo Deus sic esse finis rerum quasi aliquid constitutum , sed solum quasi aliquid praexistens obtinendum .. (est) finis rerum , non sicut aliquid constitutum aut aliquid effectum a rebus , neque ita quod aliquid ei a rebus acquiritur , sed hoc solo modo quia ipse rebus acquiritur. ) 2 ) Daaruit volgt dat alle dingen streven naar eene zekere overeenkomst met God : « Si igitur res omnes in Deum sicut in ultimum finem tendunt ut ipsius bonitatem consequantur, sequitur quod ultimus rerum finis sit Deo assimilari. ) 3) 1 ) S. c . G. I. III. c. 18. 2 ) S. c . G. I. III . c . 18. Vgl. Ihering, t. a . p. D. II. blz 90—-91. 3) S c . G. I. III . c. 19. Vgl. Du Verit. q. 21. a . 4. 31 1 In deze mate van overeenkomst met God bestaat dan ook de volmaaktheid der dingen , daarom zegt de H. Th.: « finis uniuscujusque rei est ejus perfectio.) De geschapen wezens zijn niet op dezelfde wijze goed en volmaakt als God : « Deus in ipso suo esse sunimam perfectionem obtinet bonitatis , res autem creata suam perfectionem non possidet in uno sed in multis. ) 1) De eerste volmaaktheid ligt in het wezen der zaak zelve en zoo is iedere zaak volmaakt in zoover ze is ; de tweede in de handelingen der zaak : « Propria operatio cujuslibet rei est finis ejus; est enim secunda perfectio ipsius. ) 2) Deze handelingen zijn verschillend naar de natuur der verschillende wezens : « Res ordinatur in Deum sicut in finem , non solum secundum esse substantiale , sed etiam secundum ea quae ei accidunt pertinentia ad perfectionem ipsius , etiam secundum propriam opera tionem , quae etiam pertinet ad perfectionem rei.» 3) Eenige wezens handelen , wijl ze door andere in bewe ging gebracht worden , maar deelen deze beweging niet dan bij toeval aan andere mede - het bijzondere doel van deze is , dat ze in zich volmaakt zijn doordat ze de hun eigen vorm en plaats hebben : « Unde finis motus eorum est ut consequantur divinam similitu dinem quantum ad hoc quod sint in seipsis perfecta , utpote habentia propriam formam et proprium ubi . ) 4 ) Andere worden wel is waar zelve in beweging gezet door eene eerste oorzaak , maar deelen tevens deze > 1 ) S. c. G. I. Ill. c. 20. Vgl. De Verit. q. 21. a. 5 . 2) S. c. G. 1. III . c. 25 . 3) S. c. G. I. III . c. 23. + ) S. c . G. I. III . c. 22. 32 beweging verder mede en zoo komen deze met God hierin overeen , en is dit hun bijzonder doel , dat ze de oorzaak zijn van andere : « in quantum vero movendo movent, est finis motus eorum consequi divinam simili tudinem in hoc quod sint causae aliorum . ) 1 ) Weer andere handelen uit zich zelf en deze handeling heeft geen invloed op wezens buiten hen : zoo b.v. het denken en willen ; « quaedam operatio est perfectio operantis actu existentis , in aliud transmutandum non tendens. ) 2) Het grootste en gewichtigste verschil ligt echter in de wijze waarop de redelijke en niet -redelijke wezens hun doel bereiken : « Sic igitur non est difficile videre qualiter naturalia corpora cognitione carentia moveanter et agant propter finem . Tendunt enim in finem sicut directa in finem a substantia intelligente per modum quo sagitta ten dit ad signum , directa a sagittante ; sicut enim sa gitta consequitur inclinationem ad signum sive ad finem determinatum ex impulsione sagittantis, ita corpora naturalia consequuntur inclinationem in fines naturales ex moventibus naturalibus , ex quibus sortiuntur suas formas et virtutes et motus. Unde etiam patet , quod quodlibet opus naturae est opus substantiae intelligentis : nam effectus principalius attribuitur primo.moventi diri genti in finem , quam instrumentis ab eo directis : et propter hoc operationes naturae inveniuntur ordinate i 1 1 ) T. a. p. 2 ) T. a. p. 33 procedere ad finem sicut operationes sapientis ) ' ) Deze noodzakelijkheid waarmede de niet-redelijke wezens van natuur handelen , wordt, al is ze hen door God opgelegd , toch een doelmatig handelen genoemd : « quia id , quod creaturae a Deo recipiunt , est eorum natura , quod autem ab homine rebus naturalibus impri mitur praeter earum naturam , ad violentiam pertinet ; unde sicut necessitas violentiae in motu sagittae demon strat sagittantis directionem : ita necessitas naturalis creaturarum demonstrat divinae providentiae guberna tionem . ) 2) De redelijke wezens daarentegen kennen hun doel en streven naar dat doel door er hunne handelingen vrije lijk naar te richten , zooals we in de volgende bladzijden , bij de behandeling van het einddoel van den mensch in ’ t bijzonder, nader zullen zien. 3) De verschillende wezens worden door hunne hande lingen volmaakter , ze bereiken hun doel , en helpen zoo mede tot de bereiking van het algemeen einddoel der geheele schepping. Hoe verder men komt in de opeen volging der handelingen , van de verschillende soorten 1 ) S. c . G. I. III. C. 24. Niemand zal aan de redelooze natuur eene andere doelmatigheid toeschrijven ; daarom vervalt van zelf het laatste deel der volgende bewering : „ Die Begriffe Zweck ..... haben demnach die Existenz der Vernunft als unerlassliche Vorbedingung , und können auf die vernunftlose Natur Keine Anwendung finden. Von den Zwec ken einer vernunftlosen Natur zu reden , ist eine reine contradictio in terminis und bloss eine Folge der Gewohnheit, die Naturkräfte zi personificiren ." (van Houten , Das Causalitätsgesetz enz . blz. 38. 39. ) 2 ) S. Th. I. 9. 103 a. 1. ad 3. 3) Vgl. S. Th. I. II. q. 1. a . 2. Opusc. 31. De principiis naturae. De Verit. q. 22. a . 1 . zu 3 34 van wezens , des te meer nadert men tot het einddoel der schepping : « Sunt ergo elementa propter corpora mixta , haec vero propter viventia , in quibus plantae sunt propter animalia , animalia propter hominem ; homo eniin est finis totius generationis.» ' ) Dezelfde orde doet zich voor in het behoud der dingen : Unde videmus quod corpora mixta sustentantur per elementorum congruas qualitates, plantae vero ex mixtis corporibus nutriuntur , animalia ex plantis nutri mentum habent .... Homo vero utitur omnium rerum generibus ad sui utilitatem .... ( voor de lichamelijke behoeften ) Et super hoc omnibus sensibilibus utitur ad intellectualis cognitionis perfectionem .) ?) De mensch is dus het doel van alle andere wezens in zooverre alle andere wezens hem nuttig zijn . De H. Th . onderscheidt namelijk eene dubbele orde in ' t heelal : eene hoofdorde , volgens welke alle schepsels God ten doel hebben , en eene secundaire orde , volgens welke het eene wezen aan ’ t andere nuttig is. Dit laatste kan echter op tweeërlei wijze plaats hebben : of wel dat wezen bestaat niet op zich zelf maar slechts in andere b. v. de accidenten , en deze zouden niet zijn , zoo niet ’ t andere ware , waarvoor ze dienen ; of wel het wezen heeft een bestaan op zichzelf , maar is tevens nuttig aan andere , en deze wezens zouden ook dan bestaan , als datgene tot wiens nut ze dienen niet was , en in dezen laatsten zin zijn alle andere schepselen door God voor den mensch gemaakt. 3 ) 1 1 ) S. c . G. 1. III. c. 22 . 2 ) S. C. G. I. III. c. 22. 3 ) In 2. dist. 1. q. 2. a. 3. 35 rannad cijeneyimler Deze geheele gewichtige leer van den H. Th. vinden we in ' t kort samengevat in de S. Th. I. q. 65. a. 2 : 1 « Considerandum est , quod ex omnibus creaturis con stituitur totum universum , sicut totum ex partibus. Si autem alicujus totius , et partium ejus velimus finem assignare , inveniemus primo quidem quod singulae partes sunt propter suos actus ; sicut oculus ad viden dum. Secundo vero , quod pars nobiliorem ; sicut sensus propter intellectum et pulmo propter cor. Tertio vero omnes partes sunt propter perfectionem totius ; sicut et materia propter formam ; partes enim sunt quasi materia totius. Ulterius autem totus homo est propter aliquem finem extrinsecu ; le hele tivo puta , ut fruatur Deo. Sic igitur et in partibus uni versi unaquaeque creatura est propter suum proprium actum , et perfectionem . Secundo autem creaturae igno biliores sunt propter nobiliores : sicut creaturae, quae sunt infra hominem , sunt propter hominem . Singulae autem creaturae sunt propter perfectionem totius universi. Ulterius autem totum universum cum singulis suis 2on Lusername partibus ordinatur in Deum , sicut in finem ; in quantum in eis per quamdam imitationem divina bonitas reprae sentatur ad gloriam Dei ; quamvis creaturae rationales speciali quodam modo supra hoc habeant, finem Deum , quem attingere possunt suaoperatione, cognoscendol, jance dela sair et amando. Et sic patet , quod Divina bonitas est finis omnium corporalium .) ' ) Dit zijn de algemeene teleologische beginselen van den H. Th ., en in ' t licht dezer beginselen verschijnt 1) S. Th. I. q. 65. a. 2 . 36 I de geheele wereldorde met al hare verhoudingen in eene bewonderenswaardige eenheid. Volgens deze leer is God niet alleen de eerste oor zaak van alle dingen , maar tevens het algemeene en laatste doel , zoodat alle schepselen bestemd zijn om de heerlijkheid Gods te verkondigen , maar tevens daarin hun eigen volmaking en , wat de redelijke betreft , hun eigen geluk te vinden. Zoo verschijnt ons het heelal door het feit der Schepping in eenè oneindig verscheidene beweging : ieder onderdeel bereikt door zijne handelingen zijn eigen doel , zijne eigene volmaking , dient tevens aan een hooger wezen om het doel en de volmaking van dit te bereiken en draagt zoo bij tot de bereiking van het einddoel der Schepping. Eerste oorzaak dier beweging is God als Schepper en Bestuurder , tweede oorzaak is de natuur der dingen , die niets anders is dan het beginsel van handelen naar het doel ' ) . 1 ll 1 1 ) Sprekende van het einddoel der geschapen wezens en vooral van dat des menschen moeten we , om verwarring te voorkomen , goed in ' t oog houden de onderscheiding , die de H. Th. maakt tusschen het objectieve en het subjectieve einddoel . Het o’jectieve einddoel is God , het sub jectieve de overeenkomst met God : „ Finis dicitur dupliciter. Uno modo ipsa res , quam cupimus adipisci ; ... Alio modo ipsa adep tio , vel possessio , seu usus , aut fruitio ejus rei , quae desideratur .... Primo ergo modo ultimus finis hominis est bonum increatum , scilicet Deus , qui solus sua infinita bonitate potest voluntatem hominis per fecte implere. Secundo autem modo ultimus finis hominis est creatum aliquid in ipso existens ; quod nihil est aliud quam adeptio vel fruitio finis ultimi . ' ) , ) S. Th . I. II. q. 3. a . 1. Vgl. Sent. IV. dist . 49. q. 1. a. 1–3 ; q . 4 ; S. c. G, l . I. c. 110. 37 Zooals we zagen bestaat het doelmatig handelen daar in dat het doel der handeling tevens is hare oorzaak , wijl dat doel het handelende wezen tot de handeling bepaalt. Alhoewel nu alle wezens met een doel handelen , moet toch deze eigenschap op bijzondere wijze aan de handelingen der menschen worden toegekend . Door den vrijen wil toch zijn die wezens , die met verstand begaafd zijn , meester over hunne handelingen 1 en richten deze dus zelve naar het doel , hetwelk ze zich ter bereiking hebben voorgesteld ; terwijl bij de niet -redelijke wezens eigenlijk doelmatig gehandeld wordt door Hem , die aan ieder dier wezens de hun eigene ? krachten en neigingen gaf : « et ideo proprium est na turae rationalis , ut tendat in finem , quasi se agens, vel ducens ad finem. ) 1 ) Dit geldt echter alleen van de menschelijke hande lingen in engeren zin nl. van die , welke de mensch stelt als wezen met verstand en wil begaafd : « quaeli ex voluntate deliberata procedunt.) 2) Ten opzichte van deze handelingen moeten we der halve duidelijk in ' t oog houden het onderscheid tus schen het finis operis en het finis operantis : het einddoel door God aan den mensch gesteld , hetwelk } 1 Datzelfde onderscheid dient gemaakt te worden tusschen het objec tieve en het subjectieve hoogste goed : immers het einddoel is tevens het hoogste goed. Het objectieve hoogste goed is God , het subjectieve hoogste goed voor ieder wezen afzonderlijk is de overeenkomst met God, d. w.2 . de hoogst mogelijke volmaaktheid, die daardoor bereikt wordt. 1 ) S. Th. I. II . q. 1. a. 2 . 2) S. Th. 1. II . q. 1. a. 1. c. 38 deze door zijne handelingen bereiken moet , en het bijzonder doel , dat de mensch zich bij iedere handeling ter bereiking voorstelt , dit laatste kan met het eerste samenvallen of als middel ter bereiking daarvan dienen ; het kan er echter ook van afwijken . Wij zagen reeds , sprekende over de doelmatigheid van ' t handelen in ' t algemeen , dat alles geschiedt met een doel; wat den mensch in ’ t bijzonder betreft, hier van zegt de H. Th.: « Manifestum est , quod omnes actiones quae procedunt ab aliqua potentia , causantur ab ea secundum rationem sui objecti; Objectum autem voluntatis est finis , et bonum : Unde oportet , quod omnes actiones humanae propter finem sint. ») 1 ) Welk nu echter in ' t bijzonder ' t naaste finis operantis van den mensch moge zijn bij iedere handeling : alle hebben tot grondslag het streven naar het einddoel : « quia ultimus finis hoc modo se habet in movendo ap petitum , sicut se habet in aliis motionibus primum movens. Manifestum est autem , quod causae secun dae moventis non movent , nisi secundum quod mo ventur a primo movente ; unde secunda appetibilia non movent appetitum nisi in ordine ad primum appe tibile , quod est ultimus finis . ) 2) Op de vraag of dat einddoel hetzelfde is voor alle menschen antwoordt de H. Th. met den H. Augustinus : womnes homines conveniunt in appetendo ultimum « finem , qui est beatitudo , ) maar ze verschillen in 1 1 ) S. Th. I. II. q . 1. a . 1 . 2 ) S. Th. I. II . q. 1. a . 6. c . 39 datgene waarin ze dat geluk zoeken : « Quantum igitur ad rationem ultimi finis , omnes conveniunt in appe titu finis ultimi ; quia omnes appetunt suam perfec tionem adimpleri , quae est ratio ultimi finis. Sed quantum ad id , in quo ista ratio invenitur , non omnes homines conveniunt in ultimo fine. Nam qui dam appetunt divitias , tanquam consummatum bonum etc.) ' ) En vandaar dat : « illi , qui peccant , avertuntur ab eo , in quo vere invenitur ratio ultimi finis ; non autem ab ipsa ultimi finis intentione , quam quaerunt falso in aliis rebus. ) 2) Het finis ultimus operis is natuurlijk voor allen hetzelfde. Waarin bestaat dan dat subjectieve einddoel , dat God den mensch gesteld heeft, en dat deze door zijne handelingen bereiken moet ? Even als bij alle andere wezens bestaat dat ook voor den mensch in zijne volmaaktheid . Maar bij hem valt deze met zijn geluk samen : « Est enim beatitudo ultima hominis perfectio .) 3) De vraag : welk is het einddoel van den mensch valt dus samen met deze : waarin bestaat het hoogste geluk van den mensch , waarin zijne hoogste velmaking ? Deze laatste bestaat bij de geschapen wezens in hun handelen , en wel in dat handelen dat hun van nature eigen is : « Unumquodque autem in tantum perfectum tTo 1 ) S. Th. I. II. q. 1. a. 7. C. 2) T. a. p. ad. l . Vgl. S. Th. I. II, q. 5. a. 8. c. Eth. 1. I. lect. q. 3 ) S. Th. I. II . q. 3. a. 2 . C. 40 est , in quantum est actu , nam potentia sine actu im perfecta est : Oportet ergo beatitudinem in ultimo actu hominis consistere : Manifestum est autem , quod operatio est ultimus actus operantis. ) 1 ) Daar het intellectueele handelen den mensch bijzonder eigen is , zal ook de hoogste volmaking , en derhalve ook het hoogste geluk van den mensch in dit handelen bestaan : « In operatione sensitiva communicant nobis bruta animalia , non autem in beatitudine. Ergo beati tudo non consistit in operatione sensitiva. ) 2) Dat intellectueele handelen bestaat in het denken en het willen . Het willen is echter niet de handeling die den mensch bijzonder eigen is , immers het is een ver mogen van streven (potentia appetitiva ), dat de mensch gemeen heeft met de niet -redelijke wezens , al is ' t op verschillende wijze , namelijk naarmate het voorwerp dier potentia door het subject gekend is of niet. « Voluntas igitur secundum quod est appetitus , non est proprium intellectualis naturae, sed solum secundum quod ab intellectu dependet; intellectus autem secundum se proprius est intellectuali naturae. Beatitudo igitur vel felicitas in actu intellectus consistit substantialiter et principaliter magis quam in actu voluntatis. ) 3) Het begrijpen ( intelligere) is de aan het redelijk wezen 1. a. 1 ) Vgl. a. p. Vgl. Sent. IV. dist . 49. q . 1. a. 1. 2 ; q . 4 a . 2. I. dist. 1 . 9. 1 . III . dist. 34. q . 1. a . 5 . 2 ) S. Th. I. II. q . 3. a, 3. Vgl. S. c. G. 1. III . c. 33. 3 ) S. c. G. I. III. c. 26. Vgl. S. Th . I. II. q. 3. a . 4. De Verit. q. 1. a. 5. ad 8 ; q . 8. a. 19. 4 eigene handeling ; in deze ligt dus het doel van het redelijke wezen. Dat handelen van het verstand is echter tweevoudig : het eene practisch , hetwelk niet om zichzelf wordt na gestreefd maar voor zoover het betrekking heeft op het richten der handelingen naar een hooger doel ; ' t andere bespiegelend , en daar dit de edelste en voornaamste handeling der rede is , ligt hierin het wezen van het geluk : « Si beatitudo hominis est operatio , oportet quod sit optima operatio hominis. Optima autem operatio hominis est , quae est optimae potentiae respectu optimi objecti ; optima autem potentia est intellectus , cujus objectum optimum est bonum divinum ; quod quidem non est objectum practici intellectus , sed speculativi : Unde in tali operatione, scilicet in contemplatione divinorum , maxime consistit beatitudo. ) 1 ) Hierin is tevens reeds het antwoord gegeven op de vraag , wat het voorwerp is van dit bespiegelend han delen van het verstand , waarin de hoogste volmaking , het hoogste geluk , het subjectieve einddoel van den mensch gelegen is. Het objectieve , einddoel van den mensch is , evenals van alle anderen geschapen wezens, God. 2) Het subjec tieve einddoel is het volmaakt geluk en dit bestaat in het contemplatieve handelen der rede ; – derhalve kan er geen ander object zijn van dat contemplatieve han delen der rede dan God zelf ; en zoo besluit de H. Th.: het geluk en het laatste einddoel van den mensch is de 1 ) S. Th. I. II. q. 3. a. 5. Vgl. Sent. IV. dist. 49. q. 1 en 3. 2 ) S. Th. I. II. q . 2. a . 8 . 42 1 ! i kennis Gods : « Ultimus enim finis cujuslibet rei est Deus , ut ostensum est. Intendit igitur unumquodque sicut ultimo fini, Deo conjungi , quanto magis sibi possibile est ..... Substantia igitur intellectualis tendit in divinam cognitionem sicut in ultimum finem . ) 1 ) De handeling is meer volmaakt naarmate het voor werp volmaakter is , het kennen van God , die het vol maakste wezen is , is derhalve de volmaakste handeling der rede : « Cognoscere igitur Deum intelligendo est ul timus finis cujuslibet intellectualis substantiae. ) 2) Dat het hoogste geluk van den mensch , zijne vol making , zijn einddoel bestaat in de kennis Gods blijkt even duidelijk uit datgene, wat de H. Th. op verschillende plaatsen der Summa Theologica , maar vooral in de Summa contra Gentiles leert over de doelmatigheid in de wereldorde. Volgens deze leer is God het einddoel der geheele schepping. Naar Hem zijn alle geschapen wezens als naar het middelpunt van de geheele wereldorde gericht; zij streven naar hun goed en hunne volmaking ; zoo bestaat het natuurlijke einddoel van alle geschapen wezensens daarin dat ze zich door hunne handelingen aan God gelijkvormig maken. Dit geschiedt echter door de verschillende soorten van wezens op verschillende wijze, zoodat het lagere zich assimileert aan het daarop volgende ; zoo ontstaat eene reeks van wezens , die allen middellijk deel hebben aan het hoogste goed ; behalve de mensch als hoogste van de geschapen wezens: en 1 ) S. c. G. I. III. c . 25. Vgl. S. c . G. I. III . c. 37 . 2 ) T. a. p. 43 hij staat onmiddellijk in verbinding met het hoogste goed , n.l. door de kennis van ' t verstand. 1 ) Dit volmaakte geluk als einddoel van den mensch kan echter niet in dit leven bereikt worden : ( aliqualis beatitudinis participatio in hac vita haberi potest ; perfecta autem et vera beatitudo non potest haberi in hac vita , )) en wel wijl het geluk , dat we hier op aarde genieten kunnen , altijd gepaard gaat met grootere of kleinere kwalen en behoeften van het lichaam , en wat meer is met de onwetendheid van het verstand en de ongeregelde begeerlijkheid van den wil , terwijl het volmaakte geluk alle kwaad uitsluit ; en verder wijl dit geluk op aarde de voortdurendheid , een ander vereischte voor het volmaakte geluk niet in zich sluit , daar alle goed van dit leven met dit leven zelf een einde neemt. 2) Wordt echter het einddoel van den mensch eerst bereikt na dit aardsche leven , dan doet zich van zelf de vraag voor : in welke verhouding staat daartoe dit leven , d. w. z . welk is het hoogste doel van den mensch in dit leven ? Het einddoel van den mensch is hetzelfde voor dit leven als voor het volgende , alleen verschilt ' s menschen verhouding tot dat einddoel , nl . hij heeft het geheel en al bereikt of hij is op weg om het te bereiken ; zoo is het doel van het leven op aarde in de eerste plaats , voor zoover het met het aardsche bestaan moge lijk is , het einddoel te bereiken door vereeniging met God door verstand en wil d. w. z . door kennis en liefde. he Adintuvallig en 1 ) S C. G. l . III. c. 22 . 2) Vgl. S. c. G. I. III. c. 48. S. Th . I. II . q . 5. a. 3. c . Sent. IV . dist. 49. q. 1. a. 1 . 44 naar « Beatitudo autem imperfecta qualis hic haberi potest , primo quidem , et principaliter consistit in contempla « tione . » ) « In hominibus autem secundum statum prae sentis vitae est ultima perfectio secundum operationem qua homo conjungitur Deo ..... Sed in praesenti vita quantum deficimus ab unitate et continuitate talis ope rationis , tantum deficimus a beatitudinis perfectione: est tamen aliqua participatio beatitudinis , et quanto operatio potest esse magis continua et una , tanto plus habet rationem beatitudinis. ) ? ) In de tweede plaats bestaat het onvolmaakte geluk , en dus ook het doel , in dit leven in het vrije streven de bereiking van het einddoel door het redelijk handelen : ( secundario vero (beatitudo imperfecta con sistit) in operatione practici intellectus ordinantis actio nes et passiones humanas. ) :) Wat nu de aardsche goederen betreft, in deze bestaat het geluk alleen , en in zooverre maken ze alleen deel uit van het doel van den mensch op aarde , in 200 ver ze ondergeschikt zijn aan het absolute einddoel , in zoover ze dus als noodzakelijk of nuttig middel tot de bereiking daarvan dienen. Dit geldt van de uiterlijke goederen , wijl deze noodig zijn voor het behoud en de ontwikkeling van het lichamelijk leven : « Ad beatitudinem imperfectam , qualis in hac vita potest haberi , requiruntur exteriora bona , non quasi de essentia beatitudinis existentia , 1 ) S. Th. I. II . q. 3. a. 5. c. 2 ) S. Th. I. II . q. 3. a. 2. ad 4. 3 ) S. Th I. II . q. 3. a. 5 . 45 sed quasi instrumentaliter deservientia beatitudini , quae consistit in operatione virtutis . ) 1 ) Datzelfde geldt van eene goede lichaamsgesteldheid , wijl door ziektetoestand het speculatieve kennen gehin derd wordt. 2) En eindelijk van het gemeenschappelijk leven. 3) Al deze goederen hebben slechts waarde voor het werkelijk geluk van den mensch , voor zoover ze middel zijn tot bereiking van het einddoel ; en zoo zal het noodig zijn dat hun gebruik steeds redelijk zij , in zich en ten opzichte van het doel ; d . w. Z. , dat het op eenige wijze strekke tot het wezenlijk goede van den mensch ; anders zou de zedelijke orde , die bestaat in de juiste einddispositie van de geheele vrije werkzaamheid , niet ongeschonden blijven . Ook hierin komt de H. Th. overeen met Aristoteles , volgens wien de mensch gedurende dit leven eenige uiterlijke goederen noodig heeft als hulpmiddelen , en derhalve niet in overvloed maar in voldoende mate , d. w. z . voor zoover ze hem tot de bereiking zijner eind bestemming noodig of ten minste nuttig zijn . * ) Zoo bereikt de mensch na dit aardsche leven zijne eindbestemming , zijn geluk in het kennen en beminnen van God , en dit is de vervulling van de eudaimonologische orde. Tevens wordt op dezelfde wijze het algemeene einddoel der schepping bereikt, want door die kennis en liefde van God wordt deze verheerlijkt en deze ver 1 ) S. Th. I. II . q. 4. a. 7. C. 2 ) S. Th. I. II . q. 4. a . 6. 3 ) S. Th. I. II . q. 4. a. 8 . 4 ) Ethic. I. X. 8. a . 10. c . 46 i heerlijking Gods is het middelpunt der deontologische orde , d. w. z. het einddoel der geheele schepping. Middellijk werken de niet redelijke wezens tot de be reiking van dit einddoel mede op twee wijzen : Voor zoover ze in hunne natuur de volmaaktheden Gods doen kennen ; en voor zoover ze de redelijke wezens in de bereiking van hun einddoel helpen. Zoo zien we dat de vervulling van de deontologische orde onafscheidhaar samengaat met die der eudaimonologische. Deze teleologische beginselen zijn de onmisbare grond slag voor de zedenleer in ruimen zin . Zelfs Ed. von Hartmann erkent : Dass die Sittlichkeit auf die Dauer nur bestehen kann bei einer irgendwie gearteten teleo logischen Weltanschauung. ) « Dass ein antiteleologischer Dogmatismus (Materialismus, Mechanische Weltanschau ung) ebenso unfähig ist , eine echte Moral zu begrün den , wie ein subjectiver Idealismus .... oder wie ein absoluter Scepticismus. ) 1 ) De zedenleer geeft regelen voor wat gedaan moet worden ; men kan echter niet spreken van wat gedaan moet worden , zonder daarbij aan een doel te den ken. De zedelijkheid der handelingen bestaat , zooals we in het volgende hoofdstuk zullen zien , in het inacht nemen der orde , die ons door het willen , en wel het doelmatig willen van een hooger wezen, is voorgeschreven : geene zedelijkheid , geen zedenleer zonder einddoel . Ook het recht , als deel der zedelijkheid in ruimen zin , en met de moraal in engeren zin zijnen grondslag hebbende in het geweten der menschen, is dus zonder doel onbestaanbaar; tenzij men door recht versta de bloote legaliteit , die 1 ) „ Phaenomenologie des Sittlichen Bew .” blz. 662 en 579. 47 echter niets meer is dan : « die Legalität der Menagerie , das Gehorchen dressirter Raubthiere , nicht aber eine sociale Ordnung für Menschen. ) 1 ) Wij resumeeren : Volgens den H. Th. heeft God dus de wereld met een bepaald doel geschapen , tot berei king waarvan ieder wezen op de hem eigene wijze moet medewerken. Door deze medewerking bereikt ieder zijne eigene volmaking , welke volmaking voor den mensch het geluk vormt. God wil derhalve ook dat dàt einddoel bereikt worde, en dat ieder wezen aan zijne eigene bestemming be antwoorde. Die wil van den Schepper moet , opdat hij gevolg hebbe , in ieder wezen zijn uitgedrukt ; ieder wezen moet op de eene of andere wijze naar dat doel gericht zijn . Bij de redelooze wezens vinden we dat in hunne na tuurlijke neigingen ; bij de redelijke in hun verstand en hunnen wil : zij kennen hun einddoel en moeten uit vrijen wil hunne handelingen daarheen richten . Welnu die regel van handelen voor alle wezens is de wet in den meest uitgebreiden zin ; voor de redelijke wezens als zoodanig , als voorschrift aan een vrij wezen , de wet in meer beperkten zin (regelende de moraal in het algemeen) ; voor den mensch als gemeenschapswezen , in zijne voor de maatschappelijke orde noodzakelijke ver houdingen tegenover de gemeenschap en hare leden , de wet in strikten zin , als norma van het recht in eigenlijke beteekenis .. 1 ) Vgl. T. Pesch. Die grossen Welträthsel . II. blz. 273 , v.v. Ihering. t. a. p. II. blz . 8 , v.v. TWEEDE HOOFDSTUK. Recht en Zedelijkheid. In het vorige hoofdstuk ' ) zagen we reeds dat de H. Th. een onderscheid maakt tusschen het goede in subjectieven en dat in objectieven zin . Door het goede in objectieven zin hebben we te verstaan al datgene , wat een wezen kan volmaken en waarheen het dus als naar zijn doel streeft, in subjectieven zin valt het samen met het begrip van volmaaktheid . 2) Datzelfde onderscheid moeten we in ' t oog houden bij het kwaad : in subjectieven zin namelijk is het kwaad de negatie, het ontbreken van die volmaaktheid , die een wezen volgens zijne natuur toekomt : "Malum nihil aliud ist , quam privatio ejus , quod quis natus est et debet habere. ) 3) Het is dus het ontbreken van het ordelijke: «Bonum et malum dicuntur secundum ordinem ad finem , vel secundum privationem ordinis. ) 4 ) 1 ) Vgl. blz . 56. 2 ) Sent. Il. dist. 34. q. 1. a. 2. 3 ) S. c. G. I. III. c. 7 . 4) S. c. G. 1. III. c. 9. 49 > In objectieven zin echter is het datgene , wat de eigen schap heeft een wezen te berooven van die volmaaktheid , die hem volgens zijne natuur en de orde toekomt : « Quod autem dicitur malum ut causa mali , in se quidem con sideratum est aliquid , sed in ordine ad effectum ratione cujus malum dicitur , etiam privative dicitur. Dicitur enim malum ex hoc , quod privationem inducit, et sic etiam ratio non entis redundat causaliter sicut et ratio mali . » 1) Verder is een wezen dat de hem toekomende , pas sende volmaaktheid bezit , goed , in zoover het die niet bezit, is het kwaad : « Malum in quantuin hujusmodi, est ens privatum , et ipsum malum est ipsa privatio. ) « Malum vero quod est subjectum privationis est aliquid positive, sed non ex eo quod malum est , sicut oculus est aliquid , sed non ex eo quod caecus est , quia caecitas non est in eo nisi ut negatio visionis. ) 2) De H. Th. onderscheidt in ieder wezen eene dubbele volmaaktheid , namelijk die van het wezen der zaak en die van het handelen ; zoo volgt daaruit ook eene dub bele soort van goed en kwaad : het « bonum et malum naturae) en het «bonum et malum actionis . ) Het eerste bestaat daarin , dat het wezen de hem toekomende vorm en integriteit hebbe , het tweede daarin , dat het de met zijne natuur overeenkomstige handelingen verricht. Op dezelfde wijze wordt het kwaad onderscheiden : « Contingit ergo malum esse dupliciter. Uno modo per substractionem formae, aut alicujus partis , quae requi ritur ad integritatem rei ; sicut caecitas malum est , et 1 ) Sent. II. dist 34. q. 1. a. 2. c. 2 ) S. c. G. 1. II. C. 41. 50 carere membro. Alio modo per substractionem debitae operationis , vel quia omnino non est , vel quia debitum modum , et ordinem non habet. » ' ) Wij hebben ons alleen bezig te houden met het zede lijk goed en kwaad. Dit is het goed en kwaad van de handelingen der menschen , als redelijke en vrije wezens, dus van die handelingen , die voortspruiten « ex volun tate deliberata , ) en die ter onderscheiding van de actus hominis , actus humani genoemd worden : « Ibi incipit genus moris , ubi primum dominium voluntatis incipit.» 2) « Actus nostri dicuntur morales , secundum quod proce dunt a ratione , et in quantum sunt liberi . ) 3) « Secun dum hoc enim aliquid ad genus moris pertinet , quod est voluntarium . » 4) Wat nu geldt van de handelingen in ' t algemeen , namelijk dat ze goed of kwaad zijn naarmate ze het wezen volmaken , d. w. z . naarmate ze naar het doel van het wezen en zoo naar het einddoel der geheele schepping gericht zijn , dat geldt vooral van de menschelijke handelingen ; deze toch hebben haren oorsprong in den vrijen wil, van welken « bonum simpliciter est objectum .» 5) Hieruit volgt dat er handelingen zijn , in zich zedelijk goed of kwaad , d. w. Z. die goed of kwaad zijn , niet wijl ze door de positieve wet ( goddelijke of mensche lijke) geboden of verboden zijn ; maar die verboden, wijl ze kwaad , of geboden , wijl ze goed zijn . 1 ) S. Th. I. q. 48 a. 5 Vgl. S. c . G. III . c . 6. 2) Sent. II. dist. 24. q. 3. a. 2 . 3) Q. D. de Malo. q . 2. a. 6 . 4) S. c. G. I. III. c . 9. 5) S. Th. I. q. 48 a. 5 . 51 Om te bewijzen : « Quod in actibus humanis sunt ali qua recta secundum naturam , et non solum quasi lege posita , ) geeft de H. Th . de volgende redeneering: « Unicuique naturaliter conveniunt ea quibus tendit in suum finem naturalem ; quae autem e contrario se habent sunt ei naturaliter inconvenientia. Ostensum est autem supra ( c. 112. ) quod homo naturaliter ordinatur in Deum sicut in finem . Ea igitur quibus homo inducitur in cognitionem et amorem Dei sunt naturaliter recta , quaecumque vero e contrario se habent sunt naturaliter homini mala . Patet igitur quod bonum et malum in humanis actibus , non solum sunt secundum legis posi tionem , sed etiam secundum naturalem ordinem. ) 1) Er is dus een intrinsiek verschil tusschen het zedelijk oed en kwaad , en wel naarmate de handeling voor komende uit den vrijen wil , al dan niet gericht is naar het doel der menschelijke natuur , naarmate ze dus den mensch met God vereenigt of van Hem afkeert. De objectieve grond der zedelijkheid ligt derhalve in de eindverhouding der handeling tot God , die het mid delpunt is der ordo finalis . Deze eindverhouding der handeling hangt volgens den H. Th. af, op de eerste plaats van het voorwerp der handeling : « Dicendum , quod bonum , et malum actionis , sicut et caeterarum rerum , attenditur ex plenitudine essendi , vel defectu ipsius. Primum autem , quod ad plenitudinem essendi pertinere videtur , est id quod dat rei speciem ...... Actio habet speciem ex objecto ..... Et ideo .... prima bonitas actus moralis attenditur ex ? ) S. c . G. 1. III c. 129. Vgl. S. Th I. II . q. 18. a. 5 . 52 objecto convenienti , unde et a quibusdam vocatur bonum ex genere , puta uti re sua . ) ' ). Verder hangt die eindverhouding af van de omstan digheden , waaronder de handeling tot stand komt: «Plenitudo bonitatis (actionis) non tota consistit in sua specie , sed aliquid additur ex his, quae adveniunt tanquam accidentia quaedam : et hujusmodi sunt cir cumstantiae debitae : Unde si aliquid desit , quod requi ritur ad debitas circumstantias , erit actio mala. ) 2). Eindelijk wordt die eindverhouding en derhalve de zedelijkheid der handeling bepaald door het doel van het handelend wezen : « Eadem est dispositio rerum in bonitate , et in esse : sunt enim quaedam , quorum esse ex alio non dependet : et in his sufticit considerare ipsum eorum esse absolute. Quaedam vero sunt , quorum esse dependet ab alio ; unde oportet , quod considerentur per considerationem ad causam , a qua dependent : Sicut autem esse rei dependet ab agente , et forma , sic bonitas rei dependet a fine : unde ...... actiones humanae .... quorem bonitas dependet ab alio , habent rationem boni tatis ex fine , a quo dependent , praeter bonitatem abso lutam quae in eis existit. ) 3 ) . Ligt nu de objectieve grond van de zedelijkheid der handeling in de eindverhouding der geheele handeling d. w. Z. van het voorwerp , de omstandigheden en het doel, tot God als het middelpunt der ordo finalis , dan doet zich van zelf de vraag voor : welk is het objectieve ) S. Th. I. II. q. 18. a. 2. 2) S. Th . I. II. q. 18. a. 3. Vgl. Q. D. De malo. q. 2. a. 6. 3 ) S. Th. I. II. q. 18. a. 4. Vgl. T. a. p . a. 6. 7 ; II. II . q . 110 . a. l ; Sent. II . dist. 36. a. 5 . 53 criterium van deze verhouding, d . w. z . welke is de maat staf van zedelijkheid ? Volgens den H. Th. is het voor den mensch in de eerste plaats de menschelijke rede. Naar gelang der halve de geheele handeling overeenkomt met , of afwijkt van die norma , van de rede, is die handeling zedelijk goed of kwaad . Immers het goede , dat het voorwerp is van den wil , en waarop iedere menschelijke handeling gericht is , wordt aan den wil tot voorwerp gesteld door de rede : « Dicendum , quod bonum per rationem reprae sentatur voluntati ut objectum , et in quantum cadit sub ordine rationis , pertinet ad genus moris , et causat bonitatem moralem in actu voluntatis : Ratio enim prin cipium est humanorum et moralium actuum . » 1 ) Derhalve moet het object der handeling met de rede overeenkomen : « Actus omnis habet speciem ab objecto , et actus humanus , qui dicitur moralis , habet speciem ab objecto relato ad principium actuum humanorum , quod est ratio . ) 2) Maar ook de omstandigheden : «non enim circumstantia 1 faceret actum malum , nisi per hoc , quod rationi repug net) 3) . En evenzoo het doel. 4) 1 1 ) S. Th. I. II . q . 19. a. 1. ad. 3 . 2) S. Th. I. II . q . 18. a . 8 . 3 ) S. Th. II . q . 18. a. 5. ad. 4. 4 ) S. Th. I. II . q. 100. a. 1 ; q . 21. a. 1 ; Q. D. De malo. q. 2. a. 4, 6. Hier zij opgemerkt dat op de vraag , of er ten opzichte der zedelijkheid onverschillige handelingen zijn , de H. Th. antwoordt , dat in concreto iedere handeling goed of kwaad is , dat er dus van onverschillige handelin gen alleen in abstracto sprake kan zijn. Volgens het axioma : „ bonum ex integra causa , malum ex quocunque defectu, ” is de handeling niet goed, als ze niet met het door de rede gevorderde doel verricht wordt. „ Necesse --- 54 De menschelijke rede is echter niet uit zichzelve regel van zedelijkheid , zij is voor de menschelijke handelingen de naaste norma , maar niet de laatste. Deze moet , wijl de zedelijkheid af hangt van de verhouding tot het eind doel , diegene zijn welke dit einddoel gesteld heeft : « In omnibus causis ordinatis effectus plus pendet a causa prima, quam a causa secunda : quia causa secunda non agit nisi in virtute primae causae : Quod autem ratio humana sit regula voluntatis humanae , ex quo ejus boni tas mensuretur , habet ex lege aeterna , quae est ratio di vina. » ' ) « Regula voluntatis humanaeest duplex : una pro pinqua et homogenea scil . ipsa ratio humana ; alia vero est prima regula , sc. lex aeterna , quae est quasi ratio Dei. » 2) Deze goddelijke Rede in immers dat , volgens hetgeen de Schepper wil , wat hij van eeuwigheid wil , en dus ook die handelingen, die uit tweede oorzaken , hetzij physieke, hetzij moreele , voortspruiten ; deze oorzaken toch zijn altijd afhankelijk van de eerste vorzaak. De goddelijke Wil kan niet anders willen dan volgens de goddelijke Rede, en daarom zegt de H. Th : «bonitas voluntatis dependet ex conformitate ad voluntatem divinam. ) 3 ) Maar tevens : « Quod autem ratio humana sit regula voluntatis huma nae , ex qua ejus bonitas mensuretur , habet ex lege aeterna quae est ratio divina. ) 4 s ! est autem , quod vel ordinetur vel non ordinetur ad debitum finem . Unde necesse est , omnem actum hominis a deliberativa ratione proce dentem in individuo consideratum , bonum esse vel malum . ” (S. Th. I. II. 9. 18. a. 9. c. ) S. Th. l. II . q . 19. a. 4. 2 ) S. Th. I. II . q . 71. a. 6 . 3 ) S. Th. I. II. q. 19. a. 9. 4 ) S. Th. I. II. q. 19 a. 4. 55 De H. Th. vat zijne leer samen in de volgende woor den : «In his , quae aguntur per voluntatem , regula proxima est ratio humana , regula autem suprema est lex aeterna : Quandocunque ergo actus hominis procedit in finem secundum ordinem rationis , et legis aeternae , tunc actus est rectus : quando autem ab hac rectitudine obliquatur , tunc dicitur peccatum. ) ? ) In ' t vorige hoofdstuk zagen we , hoe volgens den H. Th. de geheele schepping een door den Schepper vastge steld einddoel te bereiken heeft, en hoe ieder wezen af zonderlijk aan de bereiking van dit doel door de aan zijne natuur eigene handelingen deelneemt en daartoe bijdraagt. Dat harmonisch geheel van die bewegingen en han delingen in ruinien zin van alle geschapen wezens , waardoor ze overeenkomstig hunne natuur meewerken om dat doel der Schepping te bereiken , is de wereld orde of de natuurlijke orde in ruimen zin. Tevens zagen we hoe de redelijke en niet-redelijke wezens op verschillende wijze tot de bereiking van dat doel medewerken. Voor zoover die orde bestaat in de handelingen der niet-redelijke wezens , is ze de physieke, of natuurlijke orde in engeren zin ; voor zoover ze bestaat in de han delingen der vrije , met verstand begaafde wezens als - zoodanig , noemt men ze de zedelijke orde en de hande lingen van deze wezens als zoodanig zijn , naarmate hare verhouding tot het einddoel , zedelijk goed of kwaad . ?) . ' ) S. Th. I. II. q. 21. a. 1 . 2 ) Dr. O. H. Müller zegt in zijn door duidelijkheid uitmuntend werkje : „ Recht und Kirche , ein Beitrag zur Philosophie des Rechts," op . blz. 9 en v.: „ Die Weltordnung ist einheitlich und beruht auf den einzigen Satz , dass das Wirken eines jeden Dinges dem Wesen des 56 Die zedelijke orde omvat dus alle handelingen der menschen als vrije met verstand begaafde wezens , met betrekking tot hun einddoel ; terwijl men de norma dezer orde (zedenwet) ook zedelijke orde noemt. Ze omvat dus de handelingen der menschen in den geheelen omvang hunner natuur. Nu is echter de mensch niet alleen te beschouwen in zijne verhouding als individu tot den Schepper en tot zichzelven , maar ook in zijne bijzondere betrekkin gen tegenover zijne medemenschen. Want de mensch is van nature een ( animal sociale) , het gemeenschapsleven is hem van nature aangewezen om zijn einddoel te bereiken . ?) . « Naturale est homini, selben entsprechen muss , denn mit dem Sein und dem Wirken der Dinge nach ihrem ( durch das Wesen bestimmte) Sein , ist die Welt ordnung in ihrer ganzen Gesetzmässigkeit da. Dieses „ agere sequitur esse” ist das Grundgesetz für alle Wesen der Schöpfung, die nicht vernünftigen sowohl als die vernünftigen , und beherrscht nicht nur die Welt des Seins , sondern auch die Welt des Seinsollenden , dort äussert es sich in einem physischen Müssen , hier in einem ethischen Sollen. Die physische und die sittliche Weltordnung sind nur die zwei Auesserungen derselben Wahrheit , die zwei Anwendungen des selben Gesetzes ; die sittliche Ordnung ist nicht etwas der natürlichen Ordnung Fremdes , sondern nur eine durch die Freiheit der vernünf tigen Geschöpfe herbeigeführte Modification derselben ." “ ) We spreken hier niet van die gemeenschap, die bestaat in de gelijkheid van natuur en einddoel , die de universeele is , en waarvan ieder mensch door de geboorte alleen deel uitmaakt , maar van de meer bepaalde gemeenschap, die bestaat in den zedelijken band tus schen verschillende menschen , ten doel hebbende om met vereenigde krachten en onderling hulpbetoon het gemeene goed , het der mensche lijke natuur eigen doel te bereiken. Van deze laatste gemeenschap spreken we slechts in 't algemeen , voor zoover het voor ons onderwerp noodig is , zonder ons verder in te laten met de vraag in hoeverre de verschillende soorten van gemeenschap : staat , gemeente , familie enz. , noodzakelijke gevolgen zijn van de natuur des menschen of door zijn vrijen wil zijn ingesteld. 57 ut sit animal sociale et politicum , in multitudine vivens , magis quam omnia alia animalia : quod quidem naturalis necessitas declarat. Aliis enim animalibus natura prae paravit cibum , tegumenta pilorum , defensionem ; ut dentes, cornua , ungues vel saltem velocitatem ad fugam . Homo autem institutus est nullo horum sibi a natura praeparato , sed loco omnium data est ei ratio , per quam sibi haec omnia officio manuum posset praeparare. Ad quae praeparanda unus homo non sufficit : nam unus homo per se sufficienter vitam transigere non posset. Est igitur homini naturale, quod in societate multorum vivat. » 1 ) . Datzelfde bewijst hij ook daaruit dat de mensch niet evenals de niet-redelijke wezens van alles wat voor zijn behoud nuttig of nadeelig is , kennis heeft. Hij heeft die kennis slechts in het algemeen en moet door rede neering tot het bijzondere komen : « Non est autem pos sibile , quod unus homo ad omnia hujusmodi per suam rati onem pertingat. Est igitur necessarium homini , quod in multitudine vivat , ut unus ab alio adjuvetur et diversi diversis inveniendis per rationem occuparentur , unus in medicina , alius in hoc , alius in alio . ) 2) Nog volgt dit duidelijk uit het vermogen van den mensch van zijne gedachten door de taal aan anderen mede te deelen. 3) Dat deel van de zedelijke orde in ruimen zin , stat bestaat in de handelingen der menschen als deelen der gemeenschap , in de betrekkingen en verhoudingen als d . ' ) De regimine principis. 1. I. c. 1. Tiferni Tiberini. 1886. 2 ) T. a. p. I. I. c. 1 . 3 ) T. a. p.; Vgl. S. c. G. I. III . c . 128. 58 zoodanig onderling en van de individuën tot die gemeen schap , voorzoover ze noodzakelijk zijn tot ordelijke in standhouding der gemeenschap , vormt het gebied der rechtsorde. Van af Aristoteles en Plato had de oudere rechtsphi losophie het juridische en ethische , het legale en het moreele als een geheel behandeld. Het begrip van het recht werd gezocht en gevonden binnen de grenzen van het zedelijke. Ditzelfde vinden we bij den H. Th. Ook bij hem is de rechtsorde een deel van de zedelijke orde, welke zedelijke orde omvat de bloot zedelijke orde en de rechtsorde, dus recht en moraal in eigenlijken strik ten zin. Daarom behandelt de H. Th. dan ook het recht te zamen met en als voorwerp van de deugd van recht vaardigheid Daar we thans in het bijzonder over het recht gaan spreken , dunkt het ons noodig dat we ons betoog onderbreken en hier reeds doen opmerken dat , evenals de moderne rechtswetenschap het recht gewoonlijk onderscheidt b. v. in objectief en subjectief, door het laatste . de bevoegdheid , door het eerste de wet en de gewoonte, voor zoover deze rechtskracht heeft , aan duidende ; zoo ook de H. Th. aan den term recht ver schillende beteekenissen toekent: « Consuetum est , quod nomina a sui prima impositione detorqueantur ad alia significanda; .... hoc nomen jus primo impositum est ad significandum ipsam rem justam ; postmodum autem est derivatum ad artem , qua cognoscitur quid sit justum ; et ulterius ad significandum locum in quo jus redditur ; sicut dicitur aliquis comparere in jure ; et 59 ulterius dicitur etiam quod jus redditur ab eo ad cujus officium pertinet justitiam facere , licet etiam id quod decernit , sit iniquum. ) ) De beteekenis dan , die bij den H. Th. de eerste is en waarvan alle andere zijn afgeleid , is het recht als / voorwerp der rechtvaardigheid , d . w. z . het rechtvaardige objectief beschouwd : « Jus est objectum justitiae. ) 2) Daarom behandelt hij het recht dan ook in verband met deze deugd. Doch hierover later. De tweede beteekenis , waarin het woord « recht» alge- 9 meen gebruikt wordt , is die van wet: de norma , de regula justi ; daarom noemt men eene wet of een samen stel van wetten « het recht. ) Deze afgeleide beteekenis geeft de H. Th. in de vol gende woorden aan : « Sicut eorum , quae per artem exterius fiunt, quaedam ratio in mente artificis prae existit , quae dicitur regula artis, ita etiam illius operis justi , quod ratio determinat , quaedam ratio praeexistit in mente , quasi quaedam prudentiae regula ; et hoc si in scriptum redigatur , vocatur lex ; est enim lex se sundum Isidorum (Etym. lib. V. c. 3. ) constitutio scripta; et ideo lex non est ipsum jus , proprie loquendo , sed aliqualis ratio juris. ) 3). Eene derde beteekenis , waarvan de H. Th. echter 3 niet uitdrukkelijk spreekt , die tegenwoordig echter in tegenstelling met de wet als objectief recht , wordt aan geduid als subjectief recht , is die van de rechtsbevoegd 1 ) S. Th . II. II. q. 57 a . 1. ad l . 2) S. Th. II . II. q. 57. a . 1 . 3 ) S. Th. II. II. q. 57. a. 1 . 60 heid , ontleend aan het objectieve recht , d. w. z . dat deel der rechtsverhouding tegenover hetwelk de rechtsver plichting staat. ' ) . Zooals we zagen bestaat de zedelijkheid der mensche lijke handelingen in de overeenkomst met of afwijking van den goddelijken wil , of , wat hetzelfde is , in de overeenkomst met of afwijking van de zedelijke natuur. De H. Th. rangschikt alle menschelijke handelingen met betrekking tot hare zedelijkheid onder verschillende deugden. De deugd nu is volgens hem : « Bona qualitas seu habitus mentis, qua recte vivitur , qua nullus male utitur. » Het is dus een « habitus mentis ) waardoor de geest tot goede handelingen geneigd is. Immers hij heeft keuze : « potentiae rationales , quae sunt propriae hominis , non sunt determinatae ad unum , sed se habent indetermi natae ad multa , determinantur autem ad actus per ha bitus , et ideo virtutes humanae habitus sunt. ) 2) . Het is een habitus « qua recte vivitur) : ( ut discernatur ab his quae semper se habent ad malum ( uti habitus vitiosus) » ; «qua nullus male utitur) : « ut discernatur ab 1 ) Hier reeds merke men op , dat deze verschillende beteekenissen van het woord „ recht” correlatief zijn ; en daar nu recht in zijne grond beteekenis als objectum justitiae kan genomen worden in een meer uitgebreiden of in strikten zin , naarmate men wil aanduiden het voor werp van de rechtvaardigheid in oneigenlijken ruimen, of in eigenlijken strikten zin , kan ook recht in de beteekenis vooral van wet in uitge breiden of in strikten , in oneigenlijken of in eigenlijken zin genomen worden. 2 ) S. Th. I. II. q. 55. a. 1. c. Vgl . Q. D. De verit. q. 1 a. 1 . 61 his quae se habent quandoque ad bonum , quandoque ad malum. (uti opinio .)» ?) . Deze deugden , als eene blijvende en werkdadige dis positie van den geest tot het regelen van alle innerlijke aandoeningen en uiterlijke handelingen naar de wet der zedelijkheid , zijn noodzakelijk voor de zedelijkheid der handelingen : « primo, ut sit uniformitas in operatione secundo , ut operatio perfecta in promptu babea tur ...... tertia ut delectabiliter perfecta operatio com pleatur. ) 2) . Wijl er twee beginselen van handelen zijn in den mensch n.l. het verstand en de wil, onderscheidt de H. Th. volgens Aristoteles (Eth. lis . I. c. 13. II. c. 1. ) de deugden in intellectueele en zedelijke in strikten zin . 3) Deze laatste , waardoor de mensch geneigd is tot de handeling zelve , welke neiging toekomt aan den wil , daar deze alle vermogens tot handelen brengt , worden door den H. Th. onderscheiden in virtutes circa operationes en circa passiones : « Sic igitur patet quod secundum Aristotelem sunt decem virtutes morales circa passiones , Si igitur addatur justitia , quae est circa opera tiones , erunt omnes undecim . ) 4) . 1 ) S. Th. I. II . q. 55. a. 4. Vgl. Q. D. De virtutibus. 2) Vgl. Q. D. De virt. a. 1. S. Th . I. II. q. 58. a. 3 . Wat de H. Th. hier onder „ delectabiliter " verstaat , blijkt uit de verklaring: „ quod quidem fit per habitum ; qui cum sit per modum cujusdam naturae, operationem sibi propriam quasi naturalem reddit , et per consequens delectabilem . Nam convenientia est delectationis causa ; unde Philos. in II Ethic . , ponit signum habitus , delectationem in opere existentem .” ( T. a. p. ) 3 ) Vgl. T. a. p. 4 ) S. Th. I. II . q. 60. a. 5 . 62 Deze onderscheiding volgt uit de beschouwing der handelingen als het voorwerp der deugd. (Sicut materia circa quam est virtus.) Sommige handelingen toch noemen we goed of kwaad , welke ook de inwendige gezindheid van den handelenden persoon zij ten opzichte van die handeling , en wel die handelingen waarin een verschul digd zijn gelegen is ; in andere letten we alleen op de gemoedsgesteldheid van den handelenden persoon : «bo num et malum in quibusdam operationibus attenditur secundum seipsas , qualitercumque homo afficiatur ad eas ; in quantum scilicet bonum in eis , et malum acci pitur secundum rationem commensurationis ad alterum : et in talibus oportet quod sit aliqua virtus directiva operationum secundum seipsas etc ...... » !) « In quibus dam vero operationibus bonum et malum attenditur solum secundum commensurationem ad operantem : ideo oportet in his bonum et malum considerari , secundum quod homo bene vel male afficitur circa hujusmodi.» 2) Die zedelijke deugden , die tot voorwerp hebben de uiterlijke handelingen , zijn alle begrepen onder de recht vaardigheid in algemeenen , uitgebreiden , oneigenlijken zin , nl. die tot voorwerp heeft het geven van het op welke wijze dan ook verschuldigde: « Ad justitiam perti ' ) Ook voor deze handelingen (operationes , quae sunt ad alterum ) behoort de inwendige gezindheid van den handelenden persoon tot de handeling in haar geheel , maar in deze abstraheert men van deze gezindheid en let men alleen op het object, de materia der handeling. In alle overige handelingen is die gezindheid hoofdzaak , alhoewel ook in deze het object, de materia , niet van de handeling gescheiden kan worden . ?) S. Th. I. II. q. 60. a. 2. Vgl. De verit. q. 1. a. 13. 63 nere videtur ut quis debitum reddat. Unde omnes hujusmodi virtutes , quae sunt circa operationes , habent aliquo modo rationem justitiae. Sed debitum non est unius rationis in omnibus ; aliter enim debetur aliquid aequali, aliter superiori, aliter minori ; et aliter ex pacto , vel ex promisso , vel ex beneficio suscepto. Et secundum has diversas rationes debiti sumuntur diversae virtutes ; puta : religio est , per quam redditur debitum Deo ; pietas est per quam redditur debitum parentibus vel patriae ; gratia est , per quam redditur debitum benefactoribus, et sic de aliis.)) " ) Daarom worden deze deugden , die de uiterlijke han- ? delingen tot voorwerp hebben , toch in verschillende soorten onderscheiden , al vallen ze van uit het algemeene oogpunt van « verschuldigd zijn ) onder de rechtvaardig heid in ruimen zin . Over de rechtvaardigheid echter in ' t algemeen hebben we hier niet te spreken , maar wel over die in engeren zin , die tot voorwerp heeft het verschuldigd zijn in eigenlijken zin d. w. z. dat gegeven kan worden op aequi valente wijze, en in dezen zin is het eene bijzondere deugd : « Justitia proprie dicta est una specialis virtus, quae attendit perfectam rationem debiti , quod secundum aequivalentiam potest restitui ; dicitur tamen et ampli ato nomine justitia secundum quamcumque debiti red ditionem ; et sic non est una specialis virtus . ) 2 ) In dezen engeren zin is de rechtvaardigheid bij den H. Th. beperkt tot die rectitudo , die bestaat in de 1 ) S. Th. I. II. q. 60. a. 3. 2 ) S. Th . I. II . q. 60. a. 3. ad 1 . 64 juiste verhouding van de leden der gemeenschap onder lingen van deze tot de gemeenschap : «Justitiae pro prium est inter alias virtutes ut ordinet hominem in his , quae sunt ad alterum. » ) Uit den samenhang van de leer van den H. Th. te dezen opzichte blijkt, dat door dit « ad alterum ) te ver staan zijn de betrekkingen van de menschen onderling en van deze tot de gemeenschap ; zooals dit ook hieruit blijkt, dat de H. Th. tot staving van zijn beweren de woorden van Cicero aanhaalt : « Justitiae ea ratio est , qua societas hominum inter ipsos , et vitae communitas continetur. ) (Cic. de Off. I. 7. ) Maar niet alle betrekkingen , die tusschen de menschen bestaan kunnen , rekent hij daaronder; immers dan zou den er ook die der vriendschap en vooral die der naasten liefde onder begrepen zijn . Tot de rechtvaardigheid in engeren zin behooren alleen die verhoudingen , die het begrip van noodzakelijkheid , van strikt verschuldigd zijn , in zich bevatten : ( amicitia seu charitas respicit in beneficio collato communem rationem boni , ..... justitia respicit ibi rationem debiti ; misericordia vero respicit ibi rationem relevantis miseriam vel defectum . » 2) De rechtvaardigheid in dezen strikten zin heeft namelijk ten doel het ordelijk bestaan .der gemeenschap , en niet het welzijn van bijzondere personen ; daarom strekt ze zich ook niet verder uit , dan door dat doel onvoorwaardelijk geeischt wordt d. w. z .tot hetgeen strikt verschuldigd is . 3) . ) S. Th. II . II . q. 57. a . l . en 2 . 2 ) S. Th. II. II . 9. 31. a. 1. ad 3. 3 ) Vgl. S. Th. II . II , q. 58. a. 2 . Vgl. A. van Gestel . „ De justitia et lege civili. ” blz. 41. Ten op 65 Op ' t voetspoor van Aristoteles rangschikt de H. Th. deze rechtvaardigheid in engeren zin niet alleen onder de vier hoofddeugden , maar geeft haar onder deze ook de eerste plaats. «Philosophus dicit , quod justitia sit praeclarissima virtutum. » « Virtus aliqua secundum suam speciem potest dici major, vel minor , vel simpliciter , vel secundum quid. Simpliciter quidem dicitur major, secundum quod in ea majus bonum rationis relucet; et secundum hoc jus titia inter omnes virtutes morales praecellit , tanquam propinquior rationi , quod patet et ex subjecto , et ex objecto; ex subjecto quidem , quia est in voluntate , sicut in subjecto : voluntas autem est appetitus rationalis .. secundum autem objectum , sive materiam , quia est circa operationes quibus homo ordinatur non solum in seipso , sed etiam ad alterum ; unde justitia est praecla rissima virtutum . ) 1 ) Van daar dan ook dat hij van de 189 vragen , waarin hij in de tweede afdeeling van het tweede deel der Summa Theologiae de deugden behandelt , er 64 aan de justitia wijdt. De H. Th. neemt voor deze rechtvaardigheid in enge ren zin de definitie van Ulpianus over ( Dig. Tit. 1 . Instit. Just. tit. 1. ) , volgens welke ze is : « Perpetua et zichte der rechtvaardigheid staan de verschillende leden tegenover elkander als zelfstandige geheelen , die ieder voor zich een door de eischen der samenleving afgeperkten omvang van vrijheid en rech ten hebben ; ten opzichte der naastenliefde als natuurgenooten met gemeenschappelijke bestemming. 1) S. Th . I. II . q. 66. a. 4. Vgl. II. II. q. 58. a. 2. 5 66 constans voluntas jus suum unicuique tribuendi ; ) met de aanmerking nochtans dat men , om er den voor eene definitie vereischten vorm aan te geven , zeggen moet : « Justitia est habitus , secundum quem aliquis constanti , et perpetua voluntate jus suum unicuique tribuit ; » 1 ) wijl in die van Ulpianus ( actus ponitur pro habitu , qui per actum specificatur. ) Naar de verschillende soorten van betrekkingen in de samenleving is deze rechtvaardigheid ook in ver schillende soorten onderscheiden . Er zijn namelijk betrek kingen van den eenen persoon, als deel der gemeenschap, tot den anderen als deel der gemeenschap ; verder zijn er ook betrekkingen van de gemeenschap tot de enkele leden als van het geheel tot de deelen ; en eindelijk van de enkele leden tot de gemeenschap als van de deelen tot het geheel. Zoo onderscheidt de H. Th. eene « justitia commuta tiva , ) die tot voorwerp heeft de verhoudingen van den eenen persoon tot den anderen ; de ajustitia distributiva» die tot voorwerp heeft de verhoudingen van de gemeen schap tot de deelen ; en eindelijk de «justitia legalis) of «generalis ) die tot voorwerp heeft de verhoudingen van ieder deel tot de gemeenschap. De beide eerste noemt hij te zamen de « justitia par ticularis :)) « Duae sunt justitiae species : scilicet distribu tiva et commutativa ) ( una est directiva in distribu tionibus , alia in commutationibus. ) Ter verklaring 1 ) S. Th. II . II. q. 58. a . 1. Vgl. Costa-Rosetti „ Philos. Mor. ” blz. 553 vv . 308 vv. 67 voegt hij er bij: « Justitia particularis ordinatur ad aliquam privatam personam ; quae comparatur ad communitatem sicut pars ad totum. Potest autem ad aliquam partem duplex ordo attendi: unus quidem partis ad partem ; cui similis est ordo unius privatae personae ad aliam ; et hunc ordinem dirigit commutativa justitia , quae con sistit in his , quae mutuo fiunt inter duas personas ad invicem . Alius ordo attenditur totius ad partes, et huic ordini assimilatur ordo ejus, quod est commune ad singulas personas ; quem quidem ordinem dirigit justitia distributiva , quae est distributiva communium secundum proportionalitatem. ) ' ) . De justitia commutativa beoogt de strikte gelijkheid ! van het recht van den eene en het verschuldigde van den andere ; de justitia distributiva beoogt de juiste ver houding van de gemeenschap, of van wie aan ' t hoofd daarvan staat, tot de enkele leden en bestaat in het proportioneel verdeelen der eereposten , belooningen enz. Ook in de beoefening der rechtvaardigheid doet zich dat verschil gevoelen : « In justitia distributiva accipitur medium secundum geometricam proportionalitatem , in commutativa autem secundum arithmeticam . ) 2). Im mers : « In commutationibus redditur aliquid alicui singu lari personae propter rem ejus, quae accepta est ; ut maxime patet in emptione et venditione , in quibus ' ) S. Th . II. II. q. 61. a. 1 . 2 ) Wat de H. Thomas door dit medium verstaat blijkt uit het vol gende : „ Bonum virtutis moralis consistit in adaequatione ad mensuram rationis. Manifestum est autem quod inter excessum et defectum me dium est aequalitas , sive conformitas. Unde manifeste apparet quod virtus moralis in medio consistit ” ( S. Th. I. II. q . 64. a. 1. ) 68 primo invenitur ratio commutationis ; et ideo oportet adaequare rem rei , ut quanto iste plus habet , quam suum sit , de eo quod est alterius, tantumdem restituat ei cujus est. » Terwijl in de distributieve rechtvaar digheid , door welke het gezag in eene gemeenschap verplicht is de gemeene goederen en gunsten, waarover zij te beschikken heeft, te geven aan de leden der gemeenschap , naar gelang ze bijdragen tot het algemeene welzijn , - ( non accipitur medium secundum aequalitatem rei ad rem , sed secundum proportionem rerum ad personas ; ut scilicet sicut una persona excedit aliam , ita etiam res quae datur uni personae , excedat rem quae datur alii . » ' ) Het is duidelijk , dat ook tusschen de gemeenschap en den enkelen persoon een betrekking van justitia commu tativa kan bestaan; de H. Th. geeft daarvan een voorbeeld: « Si alicui , qui communitati servisset , retribueretur aliquid pro servitio impenso , non esset hoc distributivae justitiae sed commutativae . » 2 ) De benaming «justitia legalis) is het eerst gebruikt door Aristoteles. De commentaren zijn het er niet over eens of hierdoor verstaan moet worden 'eene bijzondere deugd of een complex van deugden , of dat ze hetzelfde is als de « pietas , quae debetur patriae . ) Volgens Lessius komt ze ' t meest overeen met de gehoorzaamheid wijl: «justitiae legalis objectum secun dum Aristotelem est id quod lege sancitum est. Atque idipsum est objectum obedientiae. ) 3) 1 , S. Th. II. II . q. 61. ad 2. Vgl. De virt. q. 1. a. 13. ad. 7 . 2) S. Th. II . II. q. 61. a. 4. ad. 2 . 3 ) Lessius . De jure et justitia, Lib . II . c. 1. dub. 3. n. 19. 69 De H. Th . hecht er eene tweevoudige beteekenis aan ; volgens de eene is ze eene bijzondere deugd en maakt ze deel uit van de «justitia specialis ) , waarvan we hier spreken ; al wordt ze in tegenstelling met de justitia com mutativa en distributiva ook generalis genoemd. ... jus titia legalis est quaedam specialis virtus secundum suam essentiam , secundum quod respicit commune bonum ut proprium objectum .) 1 ) Volgens de andere beteekenis omvat ze alle deugden , en in dezen zin maakt ze geen deel uit van de rechtvaardigheid in strikten zin , die we hier bespreken : « Hoc autem modo , justitia legalis dicitur esse virtus generalis; in quantum scilicet ordinat actus aliarum virtutum ad suum finem , quod est movere per imperium omnes alias virtutes .... in quantum ordinat actus omnium virtutum ad bonum commune. ) 2) Legalis wordt ze genoemd : « quia ad legem pertinet ordinare in bonum commune hinc est , quod talis justitia praedicto modo generalis , dicitur justitia legalis , quia sic per eam homo concordat legi ordinanti actus omnium virtutum in bonum commune. ) 3) Uit hoofde van deze justitia is ieder bijzonder persoon gehouden ook die wetten en voorschriften , die geen privaatrecht regelen , maar alleen verschillende hande lingen voorschrijven voor ' t algemeen welzijn , na te komen. Zoo gehoorzaamt de burger aan de rechtvaar dige wetten en geeft aan den staat , wat deze kan eischen b. v. belastingen. 4 ) 1 ) S. Th. II. II . q. 58. a. 6. 2 ) T. a. p. 3) S. Th. Il. II . q. 58. a. 5 . 4) Vgl. Costa Rosetti. T. a. p. blz. 542. vv. 70 han di atasta Indien we het voorgaande in ' t kort samenvatten , dan kunnen we de leer van den H. Th. over de justitia met Lessius terug geven in de volgende woorden : De rechtvaardigheid als bijzondere deugd in strikten zin , heeft tot voorwerp de handelingen der menschen als deelen der gemeenschap. 1) Die handelingen kunnen drievoudig van aard zijn naar de drievoudige verhou dingen in die gemeenschap : 1º. die van den enkelen persoon of wat daarmede gelijk staat , tot den anderen , en deze handelingen zijn het voorwerp (materia) van de justitia commutativa ; 20. die van het geheel , van de gemeenschap , tot de deelen , en deze zijn het voorwerp der justitia distributiva ; 3 ' die van de deelen tot het geheel , en deze handelingen zijn het voorwerp van de justitia legalis. De eerste wordt beoefend door ieder bijzonder persoon, door dat hij aan ieder ander , met wien bij in rechts betrekking staat , datgene geeft wat dezen toekomt. De tweede door het gezag dat de verdeeling doet , ( sed tamen est etiam in subditis, quibus distribuitur , in quantum scilicet sunt contenti justa distributione . » 2) De laatste hoofdzakelijk door den wetgever, door dat hij wetten geeft, die het algemeen welzijn beoogen ; maar ook door de onderdanen , door dat deze de wetten na komen : « in principe principaliter et quasi architectonice , in subditis autem secundario et quasi administrative. » 3) 1 ) Door deze laatste woorden : als deelen der gemeenschap wordt aangeduid het verschil vooral met de naastenliefde , zooals we dat reeds aangegeven hebbeu. 2 ) S. Th. II . II. q . 61. a. 1. ad 3. 3) S. Th. II . II . q . 58 , a . 6. 71 Datgene , waardoor de rechtvaardigheid zich van de andere deugden onderscheidt , komt in de hoogste mate voor in de justitia commutativa , namelijk het verschul digd zijn in juist bepaalde hoeveelheid en de verhou ding tot een bepaald aangewezen ander persoon ; daarom is deze de rechtvaardigheid in den meest strik ten zin , en wordt , als men in ' t algemeen over recht vaardigheid spreekt , daardoor zeer dikwijls alleen de commutatieve rechtvaardigheid verstaan. :) Welnu , in zijne eerste beteekenis is het recht volgens den H. Th.: het voorwerp van de deugd der recht vaardigheid : « Jus est objectum justitiae. ) 2) In deze eerste beteekenis is recht derhalve hetzelfde als : wat recht is . Deze beteekenis vinden we in alle levende talen . Zoo is in ' t Nederlandsch en Hoog duitsch , recht wat recht is , wat met zijn doel in een rechte, juiste , ware verhouding staat = wat met zijn regel volkomen overeenkomstig , gelijkmatig is. In ' t Fransch beteekent droit = ce qui marche droit à sa fin , ce qui correspond exactement , ce qui est parfaite ment égal à l'ordre. 3) Deze eerste beteekenis van het recht is correlatief met die van rechtvaardigheid . Het recht derhalve in eigenlijk strikten zin is het voorwerp van deze recht vaardigheid in strikten zin. Van dit recht in strikten zin sprekende zegt de H. Th.: « Justitiae proprium est inter alias virtutes , ut ordinet 1 ) Vgl. A. van Gestel. T. a. p. blz. 10. 2 ) S. Th. II . II . q . 57. a. 1 . 3 ) Vgl. J. W. S. van Egeren. „ Notationes de selectis quibusdam materiis practicis .” Fasc. 9. Ultrajecti , apud Vid. J. R. van Rossum, 1877 . 72 hominem in his , quae sunt ad alterum : Importat enim aequalitatem quamdam , ut ipsum nomen demon strat : dicunter enim vulgariter ea quae adaequantur justari ; aequalitas autem ad alterum est : Aliae autem virtutes perficiunt hominem solum in his quae ei con veniunt , secundum seipsum : Sic ergo illud , quod est rectum in operibus aliarum virtutum , ad quod tendit intentio virtutis quasi in proprium objectum , non acci pitur nisi per comparationem ad agentem ; rectum vero quod est in opere justitiae, etiam praeter comparationem ad agentem constituitur per comparationem ad alium ; Illud enim in opere nostro dicitur esse justum , quod respondet secundum aliquam aequalitatem alteri , puta recompensatio mercedis debitae pro servitio impenso. Sic ergo justum dicitur aliquid , quasi habens rectitudi nem justitiae , ad quod terminatur actio justitiae , etiam non considerato qualiter ab agente fiat. Sed in aliis virtutibus non determinatur aliquid rectum , nisi secun dum quod aliqualiter fit ab agente. Et propter hoc specialiter justitiae prae aliis virtutibus determinatur secundum se objectum , quod vocatur justum ; et hoc quidem est jus. Unde manifestum est quod jus est objectum justitiae. ) 1) Zooals de justitia commutativa de rechtvaardigheid in den meest strikten zin is , zoo is ook het voorwerp van deze rechtvaardigheid het recht in den meest strikten zin . 2) 1 ) S. Th. II II . q . 57. a. l . 2) Omdat de woorden rechtvaardigheid , recht , enz . in zoo verschil lenden omvang van beteekenis kunnen voorkomen , vestigen wij er hier 73 Naar mijn bescheiden meening kan men de verhou ding , die in de leer van den H. Th. tusschen moraal en recht bestaat , op de volgende wijze uitdrukken : De zedelijke orde in uitgebreiden zin omvat het geheel der menschelijke handelingen (actus humani) . In deze zedelijke orde onderscheidt men : 1. de bloot zedelijke orde (moraal in strikten zin) , omvattende die handelingen , in welke het vooral aan komt op de inwendige gezindheid van den handelen den persoon ; 2. de rechtsorde , omvattende die verhoudingen en handelingen in welke alleen gelet wordt op het object, al is ook in deze de inwendige gezindheid niet te schei den van de overige constitueerende deelen der handeling. Dat object is de materia van de virtus justitiae het zijn de « operationes ad alterum. ) nogmaals de aandacht op , dat , als men de rechtvaardigheid niet als eene bijzondere deugd maar als het geheel van alle deugden neemt , daarnaast het recht staat als het geheel van alle zedelijke verplich tingen , voortvloeiende zoowel uit de betrekkingen van den mensch tot God en tot zichzelven , als uit die tot zijne medemenschen , als deelen der gemeenschap , en tot die gemeenschap. In strikten zin echter omvat de rechtvaardigheid alleen de handelingen van den mensch voortvloeiende uit zijne , tot het ordelijk voortbestaan der gemeenschap , noodzakelijke betrekkingen tot de gemeenschap en de leden der ge meenschap. Zoo zegt dan ook de H. Th. uitdrukkelijk : „ Cum justitia aequalitatem importet semper ad alterum est , ex translatione autem alicujus ad seipsum justitia esse potest ...... Unde Philos. ( Eth. lib . V. c. ult.) hanc justitiam appellat secundum metaphoram dictam ." ( S. Th . II. II . q. 58. a 2. ) Ook sluit hij er van uit de verhoudingen van den mensch tot God : „ Quia justitia aequalitatem importat , Deo autem non possumus aequivalens compensare , inde est quod justum secundum perfectam rationem non possumus reddere Deo ; et propter hoc non dicitur proprie jus lex divina , sed fas, quia videlicet sufficit Deo , ut impleamus , quod possumus.” (S. Th. II. II . q . 57. a. t. ad 3. ) 1. 74 Dat in deze rechtsorde alleen gelet wordt op het object, heeft zijn grond daarin , dat : « justitiae proprium est ordinare hominem in his , quae sunt ad alterum ,) terwijl de overige deugden den mensch als individu regelen. Dit is dan ook de grond van alle verschil tusschen de strikt-zedelijke orde en de rechtsorde : de moraal bestaat in de onvoorwaardelijke eischen der menschelijke natuur aan den mensch als individu , onmiddellijk ten doel hebbende behoud , volmaking van , bereiking van het einddoel door het individu ; het recht bestaat in de onvoorwaardelijke eischen der menschelijke natuur aan den mensch als gemeenschapswezen , middellijk hetzelfde doel hebbende als de strikte moraal , maar onmiddellijk het instandhouden der maatschappelijke orde , door Gods wil noodig ter bereiking van het einddoel . Onder de zedelijke orde in uitgebreiden zin staat dus de rechtsorde als een onderdeel ; naast de zedelijke orde in engeren zin staat de rechtsorde als medeonderdeel, met deze vormende de zedelijke orde in uitgebreiden zin. De rechtsorde heeft twee zijden : eene innerlijke en eene uiterlijke ; de uiterlijke is datgene wat haar van de strikt-zedelijke orde onderscheidt , maar zij alleen vormt niet de rechtsorde. In de leer van den H. Thomas is derhalve de rechts orde niet gescheiden van de zedelijke orde in ruimen zin , immers zij is daarvan een onderdeel, maar even min is ze gescheiden van de zedelijke orde in strikten zin , want : 10. beide hebben hetzelfde principium existendi , nl . den Schepper zelven , die de menschelijke natuur willende , ook alles wil wat uit deze volgt ; – dien 3 75 1 tengevolge is de zedelijk verbindende kracht van het recht dezelfde als die van de strikte moraal. 2º. beide hebben hetzelfde principium cognoscendi : de menschelijke rede. 30. beide hebben denzelfden hoogsten regel : « handel steeds volgens de eischen der menschelijke natuur , want dit is de wil des Scheppers. ) 40. beide hebben hetzelfde einddoel : God en den mensch. De rechtsorde is echter onderscheiden van de strikt zedelijke orde , en wel omdat ze een geheel ander gebied beheerscht. De moraal in strikten zin beheerscht het individueele leven , het recht het gemeenschapsleven. Deze grond van onderscheiding is tevens oorzaak van ieder verschil tusschen recht en strikte moraal: b.v. dat de moraal slechts enkele , afzonderlijke handelingen omvat , het recht tevens verhoudingen , en vooral dat het recht heeft de vis coactiva. Dat dit volgens den H. Th. het onderscheid is tusschen de zedelijke orde in engeren zin en de rechtsorde, tus schen de deugd van rechtvaardigheid en de andere zedelijke deugden , wordt bevestigd door de beantwoor ding der vraag : «Utrum aliquis dicatur injustus ex hoc , quod facit injustum ? » Om de ook hier door helderheid uitmuntende woorden van den h. Th. door vertaling of omschrijving niet te verzwakken , haal ik ze letterlijk aan : « Potest contingere , quod qui facit injustum , non est injustus dupliciter : uno modo propter defectum comparationis ipsius operationis ad proprium objectum ; quae quidem recipit speciem , et nomen a per se objecto , non autem ab objecto per accidens. In his autem , quae sunt propter finem , per se dicitur aliquid , quod est 76 intentum ; per accidens autem , quod est praeter inten tionem ; et ideo si aliquis faciat aliquid , quod est injus tum , non intendens injustum facere, puta cum hoc facit per ignorantiam , non existimans se injustum facere, tunc non facit injustum per se et formaliter loquendo , sed solum per accidens , et quasi materialiter faciens id quod est injustum ; unde et talis operatio non deno minatur injustificatio: alio modo potest contingere prop ter defectum comparationis ad habitum : potest enim injustificatio procedere , quandoque quidem ex aliqua passione : puta irae vel concupiscentiae ; quandoque autem ex electione , quando scil . ipsa injustificatio per se placet : et tunc proprie procedit ab habitu ; quia uni cuique habenti aliquem habitum est secundum se ac ceptum , quod convenit illi habitui ; facere ergo injustum ex intentione et electione est proprium injusti, secundum quod injustus dicitur , qui habet injustitiae habitum : sed facere injustum praeter intentionem vel ex passione potest aliquis absque habitu injustitiae.) ? ). Op de tegenwerping: « Eodem modo se habet omnis virtus ad proprium actum et eadem ratio est de vitiis oppositis : sed quicumque facit aliquid intemperatum , dicitur intemperatus ; ergo quicunque facit aliquid in justum , dicitur injustus , ) antwoordt de H. Th.: < Objectum temperantiae non est aliquid exterius constitutum , sicut objectum justitiae ; sed objectum tem perantiae , id est temperatum , accipitur solum in com paratione ad ipsum hominem ; et ideo quod est per ' ) S. Th. II. II. q. 59. a. 2 . 77 accidens , et praeter intentionem , non potest dici tem peratum , nec materialiter , nec formaliter ; et similiter neque intemperatum : et quantum ad hoc est dissimile in justitia , et in aliis virtutibus moralibus : sed quantum ad comparationem operationis ad habitum , in omnibus similiter se habet. ) ). Zij, die de objectiviteit van het recht daarin doen bestaan dat het geheel en al onafhankelijk is van de zedelijke orde , ja met deze in strijd kan zijn , vinden hierin , dat de H. Th. , evenals bijna alle schrijvers tot aan Thomasius en Kant , het begrip van het recht verbindt met, en beperkt binnen de grenzen der rechtvaardigheid, aanleiding hem het verwijt te maken , zooals 0.a. F. J. Stahl doet : « dat hij de scheiding tusschen de zedelijke en rechtsorde in dit aardsche leven niet kent , ) en « dat hij de (subjectieve) deugd van rechtvaardigheid met de (objectieve) orde van het recht verwart. » ?) . Vooreerst zij hierop aangemerkt, dat bij de verklaring van het recht, de H. Th. weliswaar uitgaat van de rechtvaardigheid , maar hij beschouwt dat recht als een een der constitueerende deelen van de deugdzame han deling , nl. als het voorwerp , de materia , het uiterlijk waarneembare der handeling , in tegenstelling met de innerlijke gezindheid. Het subjectieve wat die deugd heeft door de meening , het doel van den handelenden persoon , ontneemt aan 1 4 ) T. a . p . ad 3 . 2 ) F. J. Stahl. „ Geschichte der Rechtsphilosophie .” blz. 59–61. 78 het recht als het voorwerp dier deugd niets van het objectieve. ) Maar ook de uitdrukkelijke woorden van den H. Th. bewijzen ons duidelijk dat dit verwijt ongegrond is. Verre immers van het recht met de moraal in engeren zin te verwisselen , en het objectieve karakter van het eerste niet te onderscheiden van het subjectieve in de tweede , doet de H. Th. het karakteristieke van het recht scherp uitkomen : « Illud quod est rectum in ope ribus aliarum virtutum .... non accipitur nisi per com parationem ad agentem , rectum autem quod est in opere justitiae, etiam praeter comparationem ad agentem constituitur per comparationem ad alium. ) En verder : « Justum dicitur aliquid quasi habens rectitudinem jus titiae , ad quod terminatur actio justitiae , etiam non considerato qualiter ab agente fiat. ) 2) Door deze woorden verklaart hij uitdrukkelijk waarin het objectieve karakter van het recht bestaat , namelijk in zijne onafhankelijkheid van de subjectieve intentie van den handelenden persoon , en derhalve ook van het subjectieve element van de deugd der rechtvaardigheid. Hieruit blijkt tevens voldoende , dat Stahl ten onrechte ineent , dat de H. Th. voor de deugd van rechtvaardig heid de meening van den handelenden persoon als on verschillig beschouwt. 3) Immers men kan de handeling , die in zich justum , recht is , waarin de deugd van rechtvaardigheid zich uitwendig openbaart , verrichten uit een motief van 1 1 ) Vgl. Meijer. „ Grundsätze der Sittlichkeit enz.” blz . 100 , 26 , 107 . 2 ) S. Th. q. 57. a. 1. Zie boven blz . 71. 3) T. a. p. 79 rechtvaardigheid b. v.: wanneer men iemands zwaard teruggeeft, omdat het zijn eigendom is , om hem in zijn bezit te herstellen , en dan handelt men rechtvaardig , men beoefent de deugd van rechtvaardigheid. Men kan ze echter ook verrichten uit een slecht motief, b. v. opdat deze daarna een andere of zichzelf vermoorde ; in dit geval is de handeling zelf, objectief, rechtvaardig d. w. z . er wordt iets rechtvaardigs gedaan ; maar in haar geheel is ze zedelijk slecht d . w. z. de per soon handelt niet rechtvaardig ; maar misdadig b. v. uit wraak . 1 ) Deze objectieve opvatting van ' t recht blijkt ten over vloede nog meer hieruit, dat alleen uiterlijke handelingen het voorwerp der rechtvaardigheid zijn : « Omnia quae cumque rectificari possunt per rationem , sunt materia virtutis moralis , quae definitur per rationem rectam , ut patet per Philos, (Eth. lib . II . c. 2 en 6. ) Possunt autem per rationem rectificari et interiores animae passiones , et exteriores actiones et res exteriores , quae in usum hominis veniunt. Sed tamen per exteriores actio nes , et per exteriores res , quibus sibi invicem homines communicare possunt, attenditur ordinatio unius hominis ad alterum ; secundum autem interiores passiones , consi deratur rectificatio hominis in seipso. Et ideo cum justitia ordinetur ad alterum , non est circa totam materiam vir tutis moralis sed solum circa exteriores actiones et res , secundum quamdam rationem objecti specialem , prout scilicet secundum eas unus homo alteri coordinatur. ) 2) Over ditzelfde onderwerp handelende in S. Th . I. II . 1 ) Vgl . A. van Gestel . T. a. p. blz . 48 . 2) S. Th . II . II. q. 58. a. 8 . 80 1 q. 60. art. 2. c. geeft de H. Th. een geval waarin door eene zelfde handeling gehandeld wordt tegen de recht vaardigheid en tevens tegen eene andere deugd. «Con tingit quod in operationibus quae sunt ad alterum praetermittatur bonum virtutis propter inordinatam animi passionem ; — ) dan handelt hij door de uiterlijke daad tegen de rechtvaardigheid en door de inwendige ongeregeldheid tegen eene andere deugd , b . v.: wanneer iemand een ander uit toorn slaat , handelt hij door het onverdiende slaan tegen de rechtvaardigheid , door de ongeregeldheid van den toorn tegen de zachtzinnigheid. We kunnen derhalve besluiten , dat volgens den H. Th. de zedelijke orde in ruimen zin omvat alle verhou dingen van den mensch tot God , tot zichzelven en tot zijne medemenschen ; maar dat de rechtsorde omvat alleen een gedeelte van de verhoudingen van den mensch tot zijne medemenschen, als deelen der gemeenschap, en tot die gemeenschap zelf, en wel alleen die , welke nood zakelijk zijn voor het ordelijk bestaan en het behoud dier gemeenschap. Evenals de zedelijkheid in engeren zin , is het recht een onvoorwaardelijke eisch van de zedelijke natuur , een bestanddeel van de door God gewilde wereld orde ; het is dat deel der zedelijke orde in algemeenen zin , wat zich bepaalt tot de rechtvaardigheid , waarvan het doel is de menschelijke samenleving in haar ge meenschappelijk bestaan te ordenen , te regelen naar Gods wijsheid en haar in deze orde te behouden . 1 ) Eene eigenschap van dit recht in strikten zin is de 1 ) Vgl. Meijer. T. a. p, blz . 99. 81 zedelijke bevoegdheid van den kant van den rechtheb bende om dengene , die jegens hem verplicht is , tot de nakoming te dwingen , m. a. w. dat, tot steun van het recht , physieke dwang aangewend mag worden. Dat het recht behalve de gewone ethische sanctie , die gewoonlijk eerst na dit leven volgt, ook nog deze bevoegdheid heeft, volgt uit zijn doel nl . de instandhouding van de maatschappelijke orde in dit leven ; daarom eischt het ook dat er hier reeds uitvoering van die bevoegdheid kan gevor derd worden , anders immers zou ' t recht gedeeltelijk zijn doel missen. Vandaar zegt dan ook de H. Th .: « Lex de sui ratione duo habet : primo quidem, quod estregula hu manorum actuum : secundo, quod habet vim coactivam. » ? ) Wel eischt het recht , om verwezenlijkt te worden , bij onwil van dengene op wien de verplichting rust , dat die dwang niet alleen zedelijk maar ook physiek ten dienste sta ; wel zal in eene geregelde maatschappij, daar er het meeste recht positief geregeld is , die phy sieke dwang , zoo noodig , uitgeoefend worden , en van daar dat in werkelijkheid deze wezenlijk ten dienste staande uiterlijke rechtsdwang in de meeste gevallen een criterium is tusschen het recht in strikten zin en de moraal in strikten zin maar hier doet zich de principieele vraag voor of het recht, zonder deze feitelijk ten dienste staande macht, geen recht meer is . Zij, die hier een ontkennend antwoord geven , kennen slechts éen recht, namelijk het positieve. Volgens den H. Th . is alleen eene zedelijke bevoegd ' ) S. Th. I. II . q. 96. a . 5 . 6 82 heid tot dwangaanwending vereischt , en is de feitelijk praktische mogelijkheid daarvan alleen de eigenschap van het positieve recht. Hierover echter in het volgen de hoofdstuk . De leer van den H. Th. kunnen we , voor zoover wij ze tot hiertoe bespraken , in de volgende woorden samenvatten : De mensch heeft een door den Schepper vastgesteld einddoel te bereiken ; dit bereikende komt hij tevens in ' t bezit van het hoogste geluk. Hij moet naar dat einddoel al zijne handelingen rich ten en naar gelang deze naar dat einddoel gericht zijn , zijn ze goed of kwaad , en voor zoover ze met verstand en vrijen wil geschieden , zedelijk goed of kwaad. Om zijn einddoel te bereiken leeft de mensch in ge meenschap : hij is een maatschappelijk wezen. Zijne , voor de ordelijke samenleving noodzakelijke, verhoudingen als deel der gemeenschap tot de andere leden en tot die gemeenschap zelve , en de daaruit voortspruitende handelingen vormen het gebied van ' t recht : « Cujus proprium est ordinare hominem ad alterum .) De zedelijke orde in algemeenen zin omvat derhalve de handelingen der menschen als vrije , met verstand begaafde wezens met betrekking tot hun einddoel ; en deze orde staat in tegenstelling met de physieke ; beide te zamen vormen de wereldorde in haar geheel. Deze zedelijke orde in ' t algemeen omvat : 10 de zedelijke orde in engeren zin , nl . de hande lingen der menschen met betrekking tot God als hun Schepper , en tot zichzelven als individu , als moetende handelen tot eigen behoud en volmaking in overeen komst met hunne natuur ; en tevens die handelingen , 83 welke voortspruiten uit hunne verhoudingen tot andere menschen niet als deelen der gemeenschap , maar als medemenschen , nl. al de handelingen , die in ' t algemeen onder de naastenliefde gerekend worden. Deze moraal in strikten zin bevat alleen plichten van den mensch , en bestaat uit enkele handelingen . 2º. de rechtsorde , nl. de verhoudingen van den mensch , als deel der door God gewilde gemeenschap , tot die gemeenschap en tot hare afzonderlijke leden , en de daar uit voortspruitende handelingen ; deze orde omvat rechten en plichten , en bestaat niet alleen uit afzonderlijke handelingen , maar ook uit rechtsbetrekkingen. 1) Wij hebben nu de leer van den H. Th. over het recht in zijne eerste beteekenis in ' t kort omschreven , en tevens de verhouding van de rechtsorde tot de zedelijk heid . Daar nu echter het recht in zijne eerste beteekenis , zooals we zien zullen , zijn maatstaf heeft in ' t recht als regel, als norma der handelingen d. w. z. in de wet , en het recht als persoonlijke bevoegdheid slechts eene zijde is der rechtsverhouding , die haar maatstaf heeft in de wet , zullen we in ' t volgende hoofdstuk overgaan tot de behandeling der wet , er nogmaals op wijzende dat de verschillende beteekenissen van rechtvaardigheid , recht als voorwerp daarvan , recht als bevoegdheid , recht als wet , alle respectievelijk correlatief zijn . 1 ) Door „ ethica” in engeren zin verstaat men gewoonlijk de leer van de zedelijke orde in engeren zin ; terwijl het „ natuurrecht ” omvat de leer van de rechtsorde in engeren zin , de leer van de natuurlijke rechtsverplichtingen en de daarmee overeenkomende rechten. Vgl. Meijer. T. a. p. blz. 52 . 84 Opdat de mensch het door den Schepper gestelde einddoel bereike , door er zijne handelingen naar te richten , moet God evenals de andere schepselen ook hem aanzetten naar dat doel te streven . Doch als wezen met verstand en vrijen wil begaafd , wordt hij op andere wijze daartoe aangezet als de overige schepselen ; daar moet een regel zijn , die zijn verstand richt , daar moet een regel zijn , die zijn wil niet dwingt, maar dringt tot het doel : en deze regel is de wet. DERDE HOOFDSTUK. Recht als Wet. De handelingen der menschen zijn zedelijk goed of kwaad naarmate hare verhouding tot het einddoel , en de naaste maatstaf van die zedelijkheid is de mensche lijke rede. De handelingen voortvloeiende uit de nood zakelijke betrekkingen der menschen tot de gemeenschap en de overige leden der gemeenschap, vormen de rechtsorde, en vinden , daar deze rechtsorde een deel is der zedelijke orde in algemeenen zin , eveneens haar zedelijk karakter in die verhouding tot het einddoel , en hare naaste norma in de menschelijke rede. Maar is deze rede ook oorzaak van verplichting ? Dat was de leer van Kant en zijne volgelingen. Volgens hen ligt in de rede door den « categorischen imperativ» , i afgescheiden van God en Godsdienst, de wetgevende , verbindende kracht : de mensch is verplicht zóó en niet anders te handelen , wijl het verstand het hem voor schrijft , en alleen daarom ; in het redelijk zijn ligt het wezen van het zedelijk handelen . Komen er nog andere beweegredenen voor de handeling bij , b . v. hoop op loon of vrees voor straf, dan verminderen deze de 86 zedelijkheid der handeling , en onder deze beweegrede nen noemt Kant ook de omstandigheid , dat de mensch rekening houdt met den wil van God . Deze categorische imperatief waarvan overigens Kant zelf getuigt , dat we er slechts de onbegrijpelijkheid van begrijpen ' ) , is voor hen de eenige bron van zedelijke , verplichting. Volgens den H. Th. is de rede slechts de maatstaf ter beoordeeling van wat zedelijk goed of kwaad is ; zij brengt slechts eene logische noodzakelijkheid teweeg. Maar als de Schepper wil , dat alle deelen der schepping medewerken tot de bereiking van het door Hem gestelde einddoel , moet Hij niet alleen de daartoe gevorderde krachten maar ook de noodige richting en aandrang geven ; d. w. z. voor zoover dit den mensch betreft, is er een regel noodig , die den wil het hande len voorschrijft, die een praktische noodzakelijkheid te weeg brengt , die niet alleen het verstand maar ook den wil bindt. Deze regel is bij den H. Th. de wet in algemeenen zin , en zoo is de wet de oorzaak der zedelijke ver plichting Iedere zedelijke noodzakelijkheid is nog geene zede lijke verplichting. Zedelijke noodzakelijkheid is de erkende noodzakelijkheid van een middel tot een bepaald doel ; zedelijke verplichting is de erkende noodzakelijk heid van een middel tot een noodzakelijk doel. Dit 1) „ Und so begreifen wir zwar nicht die praktische unbedingte Noth wendigkeit des moralischen Imperativs , wir begreifen aber doch seine Unbegreiflichkeit. ” – „ Grundlegung zur Metaphysik der Sitten” ; blz. 100. Leipzig. 1858. 87 noodzakelijk doel is voor den mensch zijn eindoel , tevens zijn eeuwig geluk. Der geheele schepping is , zooals we zagen , door den Schepper een bepaald doel vastgesteld . De Schepper wil dus dat dit doel bereikt worde; daarom heeft Hij in de geschapen wezens een zekeren drang , een band gelegd , waardoor ze tot de bereiking van dat doel bepaald worden . In ruimen zin strekt die band zich ook uit over de niet-redelijke wezens : «Deus imprimit toti naturae principia propriorum actuum ; et ideo per hunc modum Deus dicitur, praecipere toti naturae. ) ) Voor de redelijke wezens is dit een praktische band van den wil, voortspruitend uit een praktisch oordeel van de rede, oordeelende nl. de noodzakelijkheid van het doel in zich (bereiking van het einddoel) , en de noodzakelijkheid van het middel daartoe (de handeling of het achterlaten der handeling). Deze zedelijke verplichting beoogt het vervullen der zedelijke orde , het bereiken van het einddoel door de zedelijke wezens , en voor zoover daartoe gemeenschap noodig is ten gevolge der gemeenschappelijke natuur des menschen , het verwezenlijken en instand houden der rechtsorde. In dezen laatsten zin is het de rechtsver plichting in ’ t bijzonder. De oorzaak dier zedelijke verplichting wordt door den H. Th. wet genoemd in algemeene beteekenis ; de oor zaak echter van die rechtsverplichting is de wet in strikten , engeren zin , als maatstaf van het recht in strikten zin . 1 ) S. Th. I. II . q. 93. a. 5 . 88 Van daar dat de H. Th. zegt : « dicitur .... lex a ligando , quia obligat ad agendum. ) ? ). Na een scherp zinnig onderzoek van het wezen der wet komt hij tot de definitie : « Quaedam ordinatio rationis ad bonum commune , ab eo , qui curam communitatis habet , pro mulgata . ) 2) . | Het is dus eene handeling van het verstand . « Lex quaedam regula est , et mensura actuum , secundum quam inducitur aliquis ad agendum , vel ab agendo retrahitur : Regula autem , et mensura humano rum actuum est ratio , quae est principium primum actuum humanorum. Rationis enim est ordinare ad finem , qui est primum principium in agendis .. In unoquoque autem genere id quod est primum princi pium , est mensura , et regula illius generis : sicut unitas in genere numeri , et motus primus in genere motuum . Unde relinquitur quod lex sit aliquid pertinens ad rationem . 3) . Het is echter eene zeer bepaalde handeling van het verstand nl. een voorschrift, en zoo kan men zeggen dat het is eene handeling van den redelijken wil, im mers : ( ratio habet vim movendi a voluntate . Ex hoc ? ) Cicero leidt het woord af van „ legere” , Augustinus van „ eligere ” „ quia ostendit quid sit eligendum ” . Wij spreken hier alleen van wetten die eene zedelijke verplichting veroorzaken , eu dus niet van wetten der natuur , der kunst , enz. Vgl. Suarez. Tractatus de legibus et legislatore Deo. l. I. c. 1. n. 9 . 2) S. Th. I. II . q. 90. a. 4. Zie over de verschillende definities : Suarez. T. a. p. 1. I. c. 12 . 3 ) S. Th I. II . q . 90. a. 1. 89 enim quod aliquis vult finem , ratio imperat de his quae sunt ad finem . ) ?) . Verder rekent de H. Th. tot het wezen der wet , dat ze ten doel hebbe het algemeen welzijn. De wet toch is de regel van de handelingen ter bereiking van het einddoel . Zooals wij in ' t eerste hoofdstuk zagen , is dat einddoel het geluk ; naar dat geluk moet de wet dụs gericht zijn . « Rursus cum omnis pars ordinetur ad totum sicut imperfectum ad perfectum ; unus autem homo est pars communitatis perfectae ; necesse est , quod lex proprie respiciat ordinem ad felicitatem communem. ) 2) Dit is niet alleen een deel van het wezen der wet , zoodat indien ze niet in het algemeen belang maar b. v. ten eigenbate van den wetgever gemaakt wordt , dat maaksel wel formeel maar niet in werkelijkheid eene wet is ; - maar hierin ligt ook het verschil tusschen wet en voorschrift (praeceptum ) « quod importat appli cationem legis ad ea quae lege regulantur) , 3) dat het voorschrift direct het bijzonder , voorbijgaand belang bevorderend , indirect het algemeen , blijvend belang beoogt ; terwijl de wet direct het algemeen en blijvend belang ten doel heeft. 4) . Een derde vereischte voor het wezen der wet is , dat ze uitga van het bevoegde gezag : « Lex proprie 1 ) T. a. pad. 3 . 2 ) T. a . p. a . 2 . 3 ) T. a. p . ad 1 . 4 ) Vgl. Wat de positieve menschelijke wetten betreft q. 96. a. 1. „ quod est propter finem necesse est quod sit fini proportionatum . Finis autem legis , est bonum commune. Unde oportet leges humanas esse propor tionatas ad bonum commune. ” 90 van primo , et principaliter respicit ordinem ad bonum com mune : Ordinare autem aliquid in bonum commune , est vel totius multitudinis , vel alicujus gerentem vicem totius multitudinis : Et ideo condere legem vel pertinet ad totam multitudinem , vel pertinet ad personam publicam , quae totius multitudinis curam habet ; quia et in omnibus aliis ordinare in finem est ejus, cujus est proprius ille finis . » ' ) Maar niet de voorschriften de hoofden van iedere gemeenschap worden door den H. Th. onder de wetten gerekend ; hij eischt dat de gemeenschap eene volmaakte zij. Het behoort tot de staatsleer te onderzoeken , wat hiervoor door hem gevorderd wordt ; -- voor ons doelis ' t voldoende te weten , dat hij daartoe den staat en de kerk rekent ; dus niet alle andere natuurlijke en vrijwillige vereenigingen en gemeenschappen zooals b. v. het huisgezin , de familie enz. «Civitas autem est communitas perfecta .... Unde ille , qui gubernat aliquam familiam , potest quidem facere aliqua praecepta , vel statuta , non tamen quae proprie habent rationem legis.) ?) Eindelijk vordert de H. Th. voor de volkomen ver bindende kracht eener wet , dat ze afgekondigd zij : « Lex imponitur aliis per modum regulae , et mensurae. Regula et mensura imponitur per hoc quod applicatur his quae regulantur , et mensurantur. Unde ad hoc quod lex virtutem obligandi obtineat, quod est proprium legis , oportet quod applicetur hominibus , qui secundum eam ' ) S. Th. I. II . q. 90. a. 3. Vgl. Suarez. l. I. c . 8 . 2 ) T. a. p. ad 3. Vgl. II . II . q. 10. a. 10. c. W. Bauduin . De consuetudine in jure canonico. C. II . n. 24. C. III . n. 43. 91 1 regulari debent. » Dit nu geschiedt door dat ze te hun ner kennis wordt gebracht door de afkondiging. 1 ) Bij de verschillende wetten heeft , zooals we zien zullen , die afkondiging op verschillende wijze plaats. Alvorens over te gaan tot de bespreking der ver schillende wetten in ' t bijzonder, moeten we ten opzichte harer verdeeling in ' t algemeen , het volgende opmerken. Naar den aard der handelingen , die door de wet ge regeld worden , kan men volgens den H. Th. de wetten verdeelen in gebiedende , verbiedende , toelatende en straffende. Immers , of wel de wet gebiedt goede hande lingen , of wel ze verbiedt slechte , of wel ze laat on verschillige handelingen toe , of wel ze bedreigt met straf voor de niet-nakoming, of wel ze doet het een en het andere te gelijk : « quidarn actus suntboniex genere ..... et respectu horum ponitur legis actus praecipere , vel imperare ...... Quidam vero sunt actusmaliex genere .... et respectu horum habet lex prohibere: quidam vero ex genere suo sunt actus indifferentes : et respectu horum lex , habet permittere ...... Id autem , per quod inducit lex ad hoc quod sibi obediatur , est timor poenae ; et quantum ad hoc ponitur legis effectus punire. ) 2) Naar den aard des wetgevers en van de wijze van afkondiging onderscheidt men ze in de eeuwige wet , de natuurwet en de stellige wet , en deze laatste in goddelijke en menschelijke, naarmate de wetgever is 1 1 ) S. Th I. II . q. 90. a. 4. Vgl. Suarez. 1. I. c. II . n. 4 . 2 ) S. Th. I. II q. 92. a. 2 . 92 God zelf onmiddellijk , of de door God met gezag be kleede menschelijke macht. 1) Deze verschillende wetten zullen we thans afzonderlijk behandelen. Wij vestigen er nogmaals de aandacht op , dat alle te zamen de geheele zedelijke orde in ' t algemeen be heerschen , en dat de rechtsorde in strikten zin beheerscht wordt door de eeuwige wet , de natuurwet en de po sitieve wet , voor zoover deze betrekking hebben op de handelingen der menschen als leden der gemeenschap ; hetgeen bij de positieve burgerlijke wetgeving altijd het geval is. 1 ) S. Th. I. II . q. 91 . 1 1 EERSTE AFDEELING. De Eeuwige Wet. God heeft de wereld geschapen met een bepaald doel, hetwelk in zijn geheel bereikt wordt doordat ieder wezen afzonderlijk aan zijn doel beantwoordt , d. w. z . doordat ieder wezen afzonderlijk de hem eigene hande lingen volbrengt. God wil dat dit algemeene einddoel der schepping bereikt worde , derhalve ook dat ieder wezen aan zijn bijzonder doel beantwoorde. De godde lijke rede , volgens welke de Schepper wil , dat ieder wezen de hem eigene natuur hebbe , en de daarmee overeenkomstige handelingen verrichte , heeft de chris telijke philosophie van af Augustinus de eeuwige wet genoemd. Niet de H. Th. heeft het eerst en het uitvoerigst over deze eeuwige wet gesproken ; maar reeds eeuwen voor hem heeft de H. Augustinus op verschillende plaatsen zijner talrijke werken haar uitvoering behandeld . 1 ) Wel geeft de H. Augustinus eene , wat de woorden betreft , andere definitie , nl.: ( ratio vel voluntas Dei 1 ) Vgl. Augustinus. De libero arbitrio. B. v. c. 5. 6. 15. Î4 ordinem naturalem conservari jubens, perturbari vetans. ») 4 ) terwijl die van den H. Th. luidt : « Ratio gubernationis rerum in Deo , sicut in principe universitatis existens , » ?) of zooals op eene andere plaats : « Ratio divinae sapien tiae , secundum quod est directiva omnium actuum , et motionum. » ) In wezen zijn deze definities echter aan elkaar gelijk . Dat de goddelijke Rede in dit opzicht wet genoemd wordt , ligt daarin dat zij alles tot zijn doel leidt : « ..... Sicut ratio divinae sapientiae , in quantum per eam cuncta sunt creata , rationem habet artis , vel exem plaris , vel ideae ; ita ratio divinae sapientiae moventis omnia ad debitum finem obtinet rationem legis. » 4 ) Het bestaan dier eeuwige wet verklaart de H. Th. op de volgende wijze : «Nihil est aliud lex , quam dicta men practicae rationis in principe, qui gubernat ali quam communitatem perfectam. Manifestum est autem , supposito quod mundus divina providentia regatur, quod tota communitas universi gubernatur ratione divina. Et ideo ipsa ratio gubernationis rerum in Deo , sicut in principe universitatis existens , legis habet rationem. ) 5) Eeuwig wordt zij genoemd , wijl zij gedacht wordt als bestaande in de goddelijke Rede , in welke niets tijdelijks is : « Et quia divina ratio nihil concipit ex ' ) Contra Faust. XXII : 27. 2 ) S. Th. I. II. q. 91. a. 1 . 3) T. a. p. q. 93. a. 1 . * ) S. Th. I. II. q. 93. a. ) . Vgl. Suarez. Lib. II. c. 1 . 5) S. Th. I. II . q. 91. a. 1 . 95 tempore , sed habet aeternum conceptum , inde est , quod hujusmodi legem oportet dici aeternam . ) 1 ) Uitgaande van de definitie door den H. Th. van de wet gegeven , zou men aan deze eeuwige wet het wet telijk karakter kunnen ontzeggen , wijl er de promulgatie aan ontbreekt. Men leze hierover Suarez , den grooten commentator van Thomas in het reeds aangehaalde werk : « De legibus et legislatore Deo. ) I. II. c. 1 . Indien in onze eigen positieve wetgeving een wetvoorstel door alle deelen der wetgevende macht is aangenomen en de koning , het centrum der wetgevende macht, heeft het bekrachtigd , dan is het voorstel wet geworden ; maar opdat daaraan rechtsgevolgen verbonden zijn , opdat de wet verbindende kracht hebbe , moet zij als wet zijn afgekondigd. Dit nu is niet op dezelfde wijze i het geval met de eeuwige wet , en , zegt Suarez: « Ratio reddi potest quia decretum Dei aeternum immutabile est , et sine ulla sui mutatione pro suo tempore obligat; decretum autem hominis mutabile est ; unde quamdiu non promulgatur per modum legis , semper se habet potius per modum propositi ferendi legem , quam per modum legis firmiter stabilitae et latae . ) 2) Hierbij neme men in aanmerking dat we de eeuwige wet als een ( actus immanens) beschouwen : « Prae oculis habenda est distinctio supra ( L. I. c. IV. n. 4) insinu ata. de duplici lege , seu duplici statu legis : unus est mere interior , prout lex consideratur in mente legisla toris , alius est exterior , prout lex existit extra legisla 1 ) T. a . p. 2 ) Suarez. I. II . c. 1. n' . 11. 96 torem , vel in ipsis subditis vel in aliquo signo mani festante voluntatem legislatoris. Promulgatio ergo , ut ex vi ipsius vocis constat , dicitur respectu legis exter nae ; nam dicit publicationem legis , per quam possit a subditis cognosci. Lex autem aeterna tantum dicit legem in mente Dei conceptam , et ideo non potest eadem ratio promulgationis ad eam applicari.» 1) Deze eeuwige wet is dus eene in God blijvende han deling , waardoor Hij wil dat alle schepselen , op de met hunne natuur overeenkomstige wijze , door hunne hande lingen en bewegingen naar hun doel streven . De H. Th. ver gelijkt het karakter van Schepper, dat wij aan God toe kennen , met dat van regeerder , bestuurder. In ieder kunstenaar bestaat van te voren het plan van datgene , wat door zijne kunst zal voortgebracht worden en even eens bestaat in ieder regeerder, in ieder bestuurder, van te voren het plan van de orde der handelingen , die door zijne onderdanen moeten verricht worden. Nu is echter God niet alleen de Schepper van het heelal , en bestaat er in zoover tusschen Hem en dat heelal de betrekking van den kunstenaar tot zijn kunstvoortbrengsel, maar Hij is tevens de bestuurder van dat heelal en van alle handelingen en bewegingen van ieder schepsel in ' t bijzonder ; en zoo bestaan tusschen Hem en dat heelal de betrekkingen van bestuurder tot het bestuurde : « Unde , sicut ratio divinae sapientiae , in quantum per eam cuncta sunt creata , rationem habet artis , vel exem plaris , vel ideae : ita ratio divinae sapientiae moven tis omnia ad debitum finem obtinet rationem legis. 1 ) T. a. p. 1. I. c. 11 . 97 Et secundum hoc lex aeterna nihil aliud est , quam ratio divinae sapientiae , secundum quod est directiva omnium actuum , et motionum. ) 1 ) Door deze eeuwige wet wordt de geheele schepping beheerscht, wijl deze in haren geheelen omvang van God voortkomend , door Hem bestuurd wordt. Zij omvat derhalve niet alleen de redelijke wezens , maar ook de niet- redelijke. En hierin verschilt deze eeuwige wet van ieder andere , die door menschen tot stand komt ; deze laatste toch kan zich alleen uitstrekken over die redelijke wezens , die aan dat menschelijk gezag onderworpen zijn. Immers de wet is een regel van handelen en de niet- redelijke wezens, voor zoover de mensch er invloed op heeft, handelen niet , maar worden door hem in beweging gebracht. Evenals nu de mensch met gezag bekleed , een beginsel van han delen aan zijne onderdanen inprent , zoo legt ook God een beginsel van handelen in de geheele natuur : « et ideo per hunc modum Deus dicitur praecipere toti naturae ..... et per hanc etiam rationem omnes motus, et actiones totius naturae legi aeternae subduntur. ) 2) De niet-redelijke wezens zijn aan de eeuwige wet onderworpen « per modum actionis et passionis , in quantum participatur per modum interioris principii motivi. ) de redelijke «in quantum participatur lex aeterna per modum cognitionis .) 3) 1 ) S. Th. I. II . Q. 93, a. 1 . 2 ) S. Th. I. II. q . 93. a. 5. Vgl. Suarez . I. II . c. 2. n. 10. vv. 3 ) t . a . p . à 6. 7 98 Daar nu de niet-redelijke wezens slechts «aliquo mo do » aan de eeuwige wet onderworpen zijn , beperkt men haar in meer eigenlijken , engeren zin tot den mensch. Deze eeuwige wet bekleedt niet alleen bij den H. Th . , maar ook in de geheele christelijke philosophie voor en na hem de hoogste plaats in de hierarchie der wet geving , van het wereldbestuur. In haar vinden alle andere wetten haren laatsten grondslag , hare verbin dende kracht; met deze moeten alle andere , om niet alleen den vorm maar ook het wezen van wet te heb ben , overeenkomen. Alle andere . wetten komen tot stand door eene macht , die haren grondslag heeft in deze hoogste wet ; zij vinden er hare reden van bestaan in , voor zoover deze eeuwige wet vordert , dat er naar de verscheidenheid van plaats , tijd en personen regelen van handelen voorgeschreven worden. De H. Th. vergelijkt de wetgeving in haren vollen omvang met het bestuur van een vorst : alle lagere ambtenaren handelen krachtens en tengevolge van de voorschriften van de hoogere en ten slotte van den hoogsten bestuurder ; met de uitvoering van een bouwplan : de werkzaamheden der arbeiders vinden haren grond in den wil en het plan van den bouwmeester , en wel : « quia in omnibus moventibus ordinatis oportet quod virtus secundi moventis dirivetur a virtute moventis primi : quia movens secundum non movet , nisi in quan tum movetur a primo. ( Lex autem importat rationem quandam directivam actuum ad finem .) lex aeterna sit ratio gubernationis in supremo guber nante , necesse est quod omnes rationes gubernationis , Cum ergo 99 quae sunt in inferioribus gubernantibus , a lege aeterna deriventur.). Dat nu zijn alle andere wetten. ' ) De leer van deze eeuwige wet bekleedt te recht in de christelijke philosophie eene eereplaats. Immers van deze uitgaande staat men als op eene hoogte , vanwaar men zoowel de physieke als de moreele orde in hare bewonderenswaardige eenheid overzien kan . Het uit gaan van dit standpunt werpt een geheel ander licht op menig overigens scherpzinnig doordacht wijsgeerig stelsel . Zoo zegt Meijer 2) dat , wanneer men de alle per soonlijkheid missende « absolute Vernunft) van Hegel vervangt door deze wet van den waarachtigen , persoon lijken God , de meeste dwalingen uit dat stelsel ver wijderd zouden zijn . Deze voor de leer der wetten zoo gewichtige grond slag is echter niet het uitsluitend eigendom der chris telijke wijsbegeerte. In treffende woorden vinden wij haar bij Cicero , die zelf weer ze als het gevoelen der wijsgeeren voor hem vermeldt : « Hanc video sapientis simorum fuisse sententiam , legem neque hominis ingeniis excogitatam , nec scitum aliquod esse populorum ; sed aeternum quiddam , quod universum mundum regeret , imperandi prohibendique sapientia. Ita principem legem illam et ultimam mentem esse dicebant omnia ratione aut cogentis aut vetantis Dei : ex qua illa lex , quam dii humano generi dederunt recte est laudata .... Erat enim ratio profecta a rerum natura et ad recte facien dum impellens et a delicto avocans , quae non tum 1 ) S. Th. I. II. q. 93. a. 3. 2 ) „ Institutiones Phil. natur.” blz. 197 . 100 denique incipit lex esse , cum scripta est , sed cum orta est. Orta autem simul est cum mente divina . Quamo brem lex vera atque princeps apta ad jubendum et ad vetandum ratio est recta summi Jovis. ) :) . Hoe verkeerd deze leer soms opgevat en dientenge volge betreden wordt , blijkt o. a. uit het verwijt dat F. J. Stahl aan den H. Th. maakt. Deze wijsgeer , die zelf ook het bestaan van een persoonlijken God , Schep per en Bestuurder der wereld , als grondslag neemt voor de philosophia moralis , maakt de opmerking , dat deze leer aanleiding geeft om « die innere Freiheit des goettlichen Rathschlusses zu schmaelern 2) , » terwijl de H. Th. toch uitdrukkelijk zegt : « Sic igitur aeternus divinae legis conceptus habet rationem legis aeternae , secundum quod a Deo ordinatur ad gubernationem rerum ab ipso praecognitarum , ) 3 ) namelijk van die zaken , die Hij door een vrij besluit bestemd heeft als zullende eens in werkelijkheid bestaan . Even weinig gegrond is het verwijt van denzelfde , dat de H. Th. de eeuwige wet of den goddelijken wil niet als het wezen Gods maar als zijn wereldplan , zijne « idea ) aangeeft. In duidelijke woorden maakt de H. Th. onderscheid tusschen de « idea » , het plan der schepping en de eeuwige wet : « Sicut ratio divinae sapientiae , in quantum per eam cuncta sunt creata , rationem habet artis , vel exemplaris, vel ideae : ita ratio divinae sapien 1 ) De legibus . II . 1. § 11 . 2 ) „ Geschichte der Rechtsphilosophie ” blz. 57. 3e Uitg. 3 ) S. Th . q. 91. a . 1. ad l . Vgl. Suarez. lib. II . c . 2. n. 3. 6. 101 tiae moventis omnia ad debitum finem obtinet rationem legis. ) :) Dat de eeuwige Wet het Wezen Gods zelf is , blijkt uit de volgende woorden : « Sic igitur legi aeternae subduntur omnia , quae sunt in rebus a Deo creatis, sive sint contingentia , sive sint necessaria ; ea vero , quae pertinent ad naturam , vel essentiam divinam , legi aeternae non subduntur , sed sunt realiter ipsa lex aeterna. ) 2) Deze wet heeft echter , zooals wij zagen , het eigen aardige dat zij is een « actus immanens» ; zij is dus wel de grondslag van de verplichtingen der redelijke wezens , van de natuurlijk - noodzakelijke handelingen der niet redelijke , maar de mensch kent haar niet door haar zelve maar door andere wetten ; zij verbindt dus slechts middellijk , onmiddellijk is de mensch verbonden door andere wetten . 3 1 ) S. Th. I. II . q . 93. a. 1 . Vgl. Suarez. lib . II . c. 3. nº. 10. Waar hij het verschil tusschen de eeuwige wet en de ,, ideae" aangeeft. 2 ) S. Th. I. II . q. 93. a. 4 . 3) Vgl. Suarez. lib . II. C. 4. n. 9 en 10. Zie F. X. Rutten. Ethica , blz. 16 en V. TWEEDE AFDEELING. De Natuurwet. De geheele schepping in ' t algemeen en de mensch in ' t bijzonder , wordt door Gods wil bestuurd ter be reiking van het doel van ieder wezen afzonderlijk , en 200 van het einddoel der geheele Schepping. Die wil moet derhalve invloed hebben op de handelingen en bewegingen der verschillende schepselen . Wat van den kant der eeuwige wet invloed is op die schepselen , is van hun kant deelneming aan die wet. Die deelneming heet voor alle schepselen natuurwet in uitgebreiden zin , in meer beperkten zin heeft ze alleen betrekking op de zedelijke wezens ; in dit laatste geval wordt ze echter , indien onderscheiding met de natuurwet in uitgebreide beteekenis noodig is , natuur lijke zedenwet genoemd : « Etiam animalia irrationalia participant rationem aeternam suo modo , sicut et rati onalis creatura. Sed quia rationalis creatura participat eam intellectualiter , et rationaliter , ideo participatio legis aeternae in creatura rationali proprie lex vocatur : nam lex est aliquid rationis ; in creatura autem irra 103 tionali non participatur rationaliter ; unde non potest dici lex nisi per similitudinem . » ? ) In engeren zin heeft de natuurwet dus alleen betrekking op de zedelijke wezens d . w. z . op hen , die met verstand en vrijen wil begaafd zijn , en als zoodanig handelen ; zoodat de H. Th . met uitsluiting der niet-redelijke wezens terecht kan zeggen : « Lex naturalis nihil aliud est quam participatio legis aeternae in rationali creatura. » 2) Het bestaan eener dergelijke natuurwet verklaart de H. Th. op de volgende wijze: « Lex , cum sit regula et mensura , dupliciter potest esse in aliquo: uno modo sicut in regulante et mensurante ; alio modo sicut in regulato et mensurato ; quia in quantum participat aliquid de regula vel mensura , sic regulatur vel mensura tur. Unde cum omnia, quae divinae providentiae subduntur, a lege aeterna regulentur et mensurentur, manifestum est , quod omnia participant aliqualiter legem aeternam ; in quantum scilicet ex impressione ejus habent inclina tiones in proprios actus , et fines . ) De redelijke wezens echter op eene bijzondere wijze : « et talis participatio legis aeternae in rationali creatura lex naturalis dicitur .)) 3) Zou men , wat het woord betreft, de tegenwerping maken dat wel bij de niet- redelijke wezens , quae « solo appetitu naturali agunt propter finem ) van eene natuur 1 ) S. Th. I. II . q . 91. a. 2. ad. 3. 2 ) T. a . p. c. 3) S. Th. I. II . q . 91. a. 2 . Vgl. Sent. IV. dist. 33 a. 1. q . 1 .: „ Lex ergo naturalis nihil aliud est quam conceptio homini naturaliter indita , qua dirigitur ad conve nienter agendum in actionibus propriis .. Omne autem illud , quod actionem inconvenientem reddit fini, quem natura ex opere aliquo intendit , contra legem naturae esse dicitur.” 104 wet sprake kan zijn en niet bij de redelijke wezens , die met verstand en vrijen wil handelen , dan antwoordt daarop de H. Th.: « Quod omnis operatio rationis et voluntatis derivatur in nobis ab eo , quod est secundum naturam. Nam omnis ratiocinatio derivatur a principiis naturaliter notis ; et omnis appetitus eorum quae sunt ad finem , derivatur a naturali appetitu ultimi finis . ) :) Prantl doet het in Bluntschli's ( Staatswoerterbuch ) blz. 25 voorkomen alsof de leer van deze natuurwet ten tijde van Petrus Lombardus († 1164.) door de christen-geleerden zou afgeleid zijn uit den brief aan de Romeinen II : 14. Deze bewering is slechts juist in zooverre , dat deze geleerden genoemde plaats als een bewijs, genomen uit het gezag der H. Schrift, aanhaalden , zooals de H. Th. zegt : « Super illud : Cum gentes , quae legem non habent , naturaliter ea quae legis sunt , faciunt, dicit Gloss. ordin. quod , si non habent legem scriptam , habent tamen legern naturalem , qua quilibet intelligit , et sibi conscius est , quid sit bonum , et quid malum ; ) 2) niet in den zin , alsof deze natuurwet vóór hen onbekend zoude geweest zijn . Immers reeds bij de dichters en wijsgeeren der hei densche oudheid vinden we herhaaldelijk ?) de duidelijkste 1 ) S. Th. I. II . q. 91. a . 2. ad. 2 . 2 ) S. Th. I. II . q. 91. a. 2. Sed contra . 3 ) Vgl. Meijer Instit. Juris naturalis blz . 204-205 , waar o. a. zijn aangehaald : Sophocles , Oed. Rex. v . 863—871. Antigone v. 446–460 Plato Apol. Socratis , Respubl. Gorg. op verschillende plaatsen . T. Cicero : Pro Milone N : 10. Philipp. XI. c. 12. n. 28. De leg. I. c. 6. II . C. 4. 105 erkenning dezer natuurwet. Het moge voldoende zijn het heerlijke getuigenis van Cicero , een fragment uit het 3de boek. « De Republica , ) bewaard bij Lactantius, Instit. VI , 8. , hier in zijn geheel te vermelden : «Est quidem vera lex recta ratio , naturae congruens, dif fusa in omnes , constans, sempiterna ; quae vocet ad officium jubendo , vetando a fraude deterreat , quae tamen neque probos frusta jubet aut vetat , nec impro bos jubendo aut vetando movet. Huic legi nec obro gari fas est neque derogari ex hac aliquid licet , neque tota abrogari potest ; nec vero per senatum aut per populum solvi hac lege possumus ; neque est quaeren dus explanator aut interpres ejus alius ; nec erit alia lex Romae , alia Athenis , alia nunc , alia posthac , sed et omnes gentes et omni tempore una lex et sempiter na et immutabilis continebit, unusque erit communis quasi magister et imperator omnium Deus ; ille legis hujus inventor , disceptator , lator ; cui qui non parebit, ipse se fugiet ac naturam hominis aspernatus hoc ipso luet maximas poenas , etiamsi cetera supplicia , quae putantur , effugerit.) In deze schoone woorden ligt in ' t kort de geheele scholastieke leer van de natuurwet , hare onverander lijkheid , hare algemeenheid van tijd en plaats, haar oorsprong enz. opgesloten. Aan het bestaan der natuurwet, opgevat in de be teekenis , die de H. Th. er aan geeft, kan niet getwijfeld worden . Immers door zijn verstand , ( cujus proprium est cognoscere ordinem ) , weet de mensch wat ordelijk is , wat niet ; d. w. z . hij weet wat hem zijn einddoel helpt bereiken , wat er hem van afhoudt , wat dus zedelijk 106 goed , wat zedelijk kwaad is ; hij weet tevens , dat de Schepper wil , dat dit einddoel bereikt worde , dat dus dat goede gedaan , dat kwade gemeden moet worden ; deze dubbele kennis nu vormt de natuurwet. Immers : « Haec (lex naturalis) nihil aliud est quam lumen intel lectus insitum nobis a Deo , per quod cognoscimus quid agendum et quid vitandum . Hoc lumen et hanc legem dedit Deus homini in creatione. ) 1 ) In de Summa contra Gentiles , 2) komt de H. Th . door eene uitvoerige redeneering tot het besluit : « Fuit igitur conveniens a Deo legem hominibus dari . ) Hij zegt daar, dat de redelijke wezens de niet- redelijke overtreffen door de volmaaktheid hunner natuur , wijl alleen het redelijk schepsel de macht over zijne eigen handelingen heeft, terwijl de andere wezens meer passief dan actief handelen ; ze overtreffen ze ook door hun hooger . doel , wijl alleen de redelijke wezens het einddoel der schepping volkomen bereiken. Daaruit volgt , dat de redelijke schepselen om wille van henzelve worden bestuurd , de overige om wille der redelijke : « Disponuntur ergo a Deo intellectuales creaturae quasi propter se procuratae, creaturae vero aliae quasi ad rationales creaturas ordinatae.3) ) Daarom worden de redelijke wezens door op Schep per tot de hun eigenaardige handelingen gericht niet alleen volgens hunne soort , d . W.Ž: volgens de aan het ' ) Opusc. IV. c . 1. •2 ) 1. III. c 3. ř. v. 3) S c . G. I. III . c. 112 . 107 geheele menschelijke geslacht eigene natuur , maar ook volgens hunne individualiteit. « Si homo haberet direc tionem in suis actibus solum secundum congruentiam speciei, non esset in ipso agere vel non agere , sed oporteret quod sequeretur inclinationem naturalem toti speciei communem , ut contingit in omnibus irrationa libus creaturis. ) Alleen de mensch kan zelf persoonlijk zijne handelingen kiezen « habet enim intellectum et rationem , unde percipere possit quomodo diversimodo sit aliquid bonum vel malum , secundum quod congruit diversis individuis , temporibus et locis. 1) Zooals nu de handelingen van de niet- redelijke wezens door den Schepper tot het einddoel gericht worden door eene natuurlijke neiging tot de aan die soort eigene handelingen , zoo worden de individueele handelingen van het redelijk wezen door den Schepper tot het einddoel gericht door middel van de wet : « quum lex nihil aliud sit quam quaedam ratio et regula operandi , illis solum convenit dari legem qui sui operis rationem cog noscunt. Hoc autem convenit solum rationali creaturae.)) ?) Deze wet echter wordt den mensch middellijk of onmiddellijk gegeven door den Schepper. Immers de wet is de regel van het handelen in overeenstemming met het einddoel ; derhalve moet van Hem de wet uit gaan , door Wien dat doel gesteld is : « Sed creatura rationalis finem suum ultimum in Deo et a Deo conse 1 ) S. c . G. I. III . c. 113. 2) T. a. p. c. 114. 108 quitur , ut ex superioribus patet. Fuit igitur conveniens a Deo legem hominibus dari . ) Welnu , deze wet is in de eerste plaats de natuurwet, zooals we die aan de hand van den H. Th. verklaard hebben. Wie toch zou zich door eene stellige wet , ook van Godswege , gebonden achten , tenzij hij van te voren door het licht der rede begrepen hebbe , dat aan de voorschriften van God en van het door Hem inge stelde gezag gehoorzaamd moet worden ? Deze natuurwet , als « promulgatio legis aeternae in rationali creatura , ) beheerscht alle menschelijke hande lingen , d. w. z.: de geheele zedelijke orde in ruimen zin. Volgens de H. Th. vallen de menschelijke handelingen onder de deugden als de « habitus bene faciendi» , of onder het tegenovergestelde , de ondeugden ; « Si loquamur de actibus virtutum, in quantum sunt virtuosi, sic omnes actus virtuosi pertinent ad legem naturae. Dictum est enim quod ad legem naturae pertinet omne illud , ad quod homo inclinatur secundum suam naturam. Inclinatur autem unumquodque naturaliter ad operationem sibi convenientem ....... Naturalis inclinatio inest cuilibet homini ad hoc , quod agat secundum rationem ; et hoc est agere secundum virtutem . Unde secundum hoc omnes actus virtutum sunt de lege naturali ; dictat enim hoc naturaliter unicuique propria ratio , ut vir tuose agat. » ). Ook dit deel derhalve der zedelijke orde , dat wij rechtsorde noemen , namelijk de menschelijke handelingen, 1 ) S. Th . I. II . q. 94. a. 3 . 109 voor zoover zij voorwerp zijn van de virtus justitiae in strikten zin , wordt beheerscht door de natuurwet. En in dezen laatsten omvang spreken wij meer bepaald van natuurrecht, als regelende de rechtsbetrekkingen der menschen onderling en tot de gemeenschap als deelen dier gemeenschap. Wij kunnen daaruit besluiten , dat volgens de leer van den H. Th. de rechtsorde in strikten zin beheerscht wordt door de eeuwige wet en in gelijken omvang door hare promulgatie , de natuurwet ; voor zoover namelijk door haar de door den Schepper gewilde samenleving , de noodzakelijke verhoudingen van de menschen onder ling als leden der gemeenschap en tot die gemeenschap zelve , geregeld worden . Beide wetten strekken zich nog verder uit , namelijk over het zedelijke in engeren zin : de verhoudingen van den mensch tot God en tot zichzelven. In deze natuurwet onderscheidt de H. Th. drie soor ten van voorschriften : nl. de algemeene voorschriften ( principia sive praecepta prima), de meer bijzondere (principia sive praecepta secundaria) , en de meer ver wijderde gevolgtrekkingen uit die eerste beginselen ( conclusiones remotae) . Alle , die tot de eerste soort behooren , kunnen tot een enkel worden teruggebracht , waaruit dan elk ander door de eenvoudigste of door eene meer uitgebreide redeneering verkregen en gekend wordt. De H. Th. vergelijkt de practische rede « quae ordi natur ad opera) met de speculatieve. Wat voor deze laatste zijn de «principia prima demonstrationum » zijn , voor de eerste de aprima praecepta legis naturae.) 110 Beide zijn evident, gekend zonder redeneering. Gekend in zich d . w. Z. zonder verdere redeneering, is eene propo sitie , waarvan het praedikaat tot het wezen van het onderwerp behoort ; is het onderwerp nu van dien aard dat ieder redelijk wezen er den omvang van kent, dan behoort die propositie tot de « principia per se nota secundum se. ) Tot deze behooren b. v.: het geheel is grooter dan ieder zijner deelen ; wanneer twee groot heden ieder op zich gelijk zijn aan een derde , zijn ze onderling aan elkaar gelijk . « In his autem quae in apprehensione hominum cadunt , quidam ordo invenitur.)) Daar nu in alles , wat de mensch waarneemt, het begrip van « zijn ) ligt opgesloten , is dat « zijn ) het eerste wat de mensch waarneemt, En daaruit besluit de H. Th. met Aristoteles : « ideo primum principium indemon strabile est , quod non est simul affirmare, et negare , quod fundatur supra rationem entis et non entis ; ) m. a. w. iets kan niet te gelijkertijd zijn en niet zijn . Dit nu is het hoogste , eenvoudigste beginsel der ratio speculativa , waartoe iedere speculatieve redeneering teruggebracht kan worden . Met dat « zijn ) voor de ratio speculativa , staat op gelijke lijn voor de ratio practica « het goede ) . « Omne agens agit propter finem , qui habet rationem boni . Et ideo primum principium in ratione practica est , quod fundatur supra rationem boni ; quae est : Bonum est quod omnia appetunt. ) En daaruit besluit de H. Th. , dat het hoogste voorschrift der natuurwet is : « Bonum est faciendum et prosequendum , et malum vitandum . ) 1 ) 1 ) S. Th. I. II q. 94. a 2 . 111 Op dat hoogste voorschrift steunen alle andere voor schriften der natuurwet ; zoodat van al wat gedaan moet , of niet gedaan mag worden , datgene onder de natuurwet valt , wat de practische rede als «bonum humanum ) of als ( malum humanum erkent. Alhoewel deze principia prima van de natuurwet op verschillende wijze kunnen worden uitgedrukt , zooals b.v.: Leef overeenkomstig de menschelijke natuur; bemin God boven alles en uwen naaste gelijk u zelven ; onder houd de orde der natuur als door God voorgeschreven ; brengt de H. Th. ze om de bovengemelde reden alle terug tot het eene : «doe het goede , laat het kwade ; ) d . w. z. het zedelijk goede , wat het verstand erkent als noodzakelijk voor de zedelijke orde. Na deze principia prima communia laat de H. Th. in de eerste plaats volgen de principia secundaria , magis propria , « quae sunt quasi conclusiones propin quae principiis. ) Evenals namelijk ieder oordeel der speculatieve rede voortkomt uit de kennis der eerste beginselen , zoo spruit ook ieder oordeel der practische rede voort uit die principia prima legis naturae. Die deducties , welke onmiddellijk uit het principium primum volgen , zijn de principia secundaria , die waar voor meer redeneering noodig is , zijn de conclusiones remotae. « Quaedam enim sunt in humanis actibus adeo ex plicita , quod statim cum modica consideratione possunt approbari , vel reprobari per illa communia , et prima principia .... et hujusmodi sunt absolute de lege naturae.» 1 ) 1 ) S. Th. I. II . q. 100. a. 1 . 112 I Dat zijn die handelingen , waarvan de natuurlijke rede van ieder mensch met zekerheid oordeelt of ze geboden, geoorloofd of verboden zijn , b. v. het stelen , het dood slaan. Onder deze principia secundaria vallen alle voor schriften van den decalogus , die echter door het stellige goddelijke voorschrift, tevens geworden zijn positief goddelijk recht. In de derde plaats maken deel uit van deze natuur wet de meer verwijderde practische toepassingen van die prima principia op bijzondere gevallen : « Quaedam vero sunt , (in actibus humanis) ad quorum judicium requiritur multa consideratio diversarum cir cumstantiarum , quas considerare diligenter non est cujuslibet, sed sapientum , ) n.l. datgene wat door de meer ontwikkelden met scherpzinnige redeneering als voorschrift der natuurwet erkend wordt. « Et ista sunt sic de lege naturae , ut tamen indigeant disciplina , qua minores a sapientibus instruantur. ) 1 ) Later zullen wij zien welke taak het positieve recht in dit opzicht te vervullen heeft. De principia prima , die tot een enkel kunnen terug gebracht worden , zijn aan alle menschen , die in ' t genot der rede zijn , bekend ; op geene wijze is ' t mogelijk dat iemand ze niet kenne , evenals het onmogelijk is dat iemand het hoofdbeginsel der speculatieve rede niet kenne : « Sic igitur patet , quod quantum ad communia principia rationis sive speculativae , sive practicae , est eadem veritas apud omnes et aequaliter nota. ) 2) « Lex ' ) S. Th. I. II . q. 100. a. 1 . 2) S. Th. I. II. q. 94. a. 4. 113 naturae , quantum ad prima principia communia , est eadem apud omnes, et secundum rectitudinem , et secun dum notitiam . » ) Daaruit volgt , dat de natuurwet , wat deze algemeene beginselen betreft, niet uit den mensch uitgeroeid kan worden : « Quantum ad principia communia , lex naturalis nullo modo potest a cordibus hominum deleri in uni versali » ; 2) alhoewel het mogelijk is en ' t , zooals de treu rige ondervinding ons leert , dikwijls gebeurt , dat ze in eene bepaalde handeling niet nagekomen wordt , wijl n.l. het verstand door begeerlijkheid of andere driften verhinderd wordt het algemeen beginsel toe te passen op de bijzondere handeling. Ten opzichte van deze eerste beginselen kan die natuurwet ook niet veranderen , voor zoover hierdoor verstaan wordt , dat iets zou ophouden volgens de natuur wet te zijn , wat er vroeger mee overeenstemde ; niet in dien zin , dat er iets aan toegevoegd wordt, zooals dit werkelijk door de positieve wetgeving gebeurt. « Et sic quantum ad prima principia legis naturae , lex na turalis est omnino immutabilis. ) 3) Geheel anders is dit met de tweede soort van voor schriften der natuurwet , de principia secundaria. Deze kent het verstand door langere of kortere redeneering uit het algemeene tot het meer bijzondere: «ad rationem pertinet ex communibus ad propria procedere.). De speculatieve rede nu komt rechtstreeks zonder afwij 7 1 ) T. a. p. 2 ) T. a . p. a . 6. 3 ) T. a. p. a. 5. Vgl. Sent. III . dist. 39. a . 3 . 8 114 . kingen tot de waarheid in de bijzondere conclusies , – ( sed ratio practica negotiatur circa contingentia , in quibus sunt operationes humanae : et ideo , si in com munibus sit aliqua necessitas , quanto magis ad propria descenditur, tanto magis invenitur defectus.) ' ) . De H. Th. spreekt op deze plaats over alle deducties uit de prima principia d . w. z . over de naaste , de principia secundaria en tevens over de meer verwijderde. Als principium primum stelt hij voorop : « ut secundum rationem agatur ) wex hoc autem principio sequitur quasi conclusio propria, quod deposita sint reddenda, ) hetwelk dus is eene conclusio proxima, en van deze zegt hij: « ut in pluribus verum est ....... Quantum ad quaedam propria ..... est eadam apud omnes ut in pluribus, et secundum rectitudinem et secundum notitiam , ) bij een klein getal kunnen zij echter ontbre ken en wel wegens oorzaken die aan den mensch zelf te wijten zijn nl : « propter hoc quod aliqui habent depravatam rationem ex passione , seu ex mala consue tudine , seu ex mala habitudine naturae . ) 2) . In zoover kunnen ook deze voorschriften der natuur wet uit den mensch uitgeroeid worden , of wel wegens valsche overtuigingen , of wegens slechte gewoonten en bedorven zeden , maar toch alleen door oorzaken die aan den mensch of de menschelijke samenleving zijn te wijten . 3) . Ook ten opzichte van deze principia secundaria is de 1 ) S. Th . I. II . q . 94. a. 4. 2 ) T. a. p. 3 ) T. a. p. a. 6 . 115 natuurwet onveranderlijk ; – wat eens een dergelijk be ginsel uitmaakt , kan niet ophouden deel der natuurwet te zijn. Zoo kan b.v. de algemeene conclusie « deposi tum est reddendum) niet veranderen : « quantum ad secunda praecepta , sic lex naturalis non immutatur, quin ut in pluribus sit rectum semper , quod lex naturalis habet ; die gevallen waar in zij schijnt veranderd te zijn , zijn bijzondere toepassingen met geheel bijzondere omstandigheden. ' ) . Indien wij in de ontwikkeling der natuurwet uit de eerste beginselen eenmaal de grens der eerste deducties overschreden hebben , dan is de mensch aan meer dwalingen blootgesteld : « quanto magis ad propria des cenditur, tanto magis invenitur defectus. ) Zoo geeft de H. Th. een voorbeeld van de verkeerde toepassing van het principium secundarium : « depositum est reddendum) in een bijzonder geval: « Potest in aliquo casu contin gere, quod sit damnosum, et per consequens irrationabile , si deposita reddantur ; puto si aliquis petat ad impug nandam patriam ;. quanto enim plures conditiones particulares opponuntur , tanto pluribus modis poterit deficere' ut non sit rectum vel in reddendo vel non reddendo. ) 2 ). In deze voorschriften of liever in deze toepassing der voorschriften van de natuurwet kan de mensch 1 ) T. a. p. a. 5 . Wat de schijnbare verandering der principia secundaria betreft in zekere gevallen gevallen waarin niet het voorschrift, maar het voorwerp daarvan verandert, leze men Suarez. de Leg. l . 11. c . 13. § 4. en S. Th. III. Supplem. q. 65. a. 2 . 2 ) S. Th . I. II . q. 94. a. 4. 116 dwalen buiten zijne schuld : « quaedam sunt ad quorum judicium requiritur multa consideratio diversarum cir cumstantiarum , quas considerare diligenter non est cujuslibet, sed sapientum . ) 1 ) Maar ook hierin wordt de mensch bijgestaan door de inrichting der samenleving, en deze bijstand maakt een deel uit van de taak en het gebied der positieve wetgeving : « quaedam sunt , quae subtiliori consideratione rationis , a sapientibus judicantur esse observanda ; et ista sunt sic de lege naturae , ut tamen indigeant disciplina , qua minores a sapientibus instruantur. ) 2) Is er aan de nakoming van de natuurwet loon ver bonden en op de afwijking daarvan ook straf gesteld? Heeft de natuurwet de voor iedere wet noodzakelijke sanctie , welke sanctie volgens den H. Th . niet alleen dient om den mensch tot het nakomen der zedelijke orde te brengen , maar ook om de gestoorde zedelijke orde te herstellen ? 3) De H. Th. antwoordt op deze vraag : « Sicut res natu rales ordini divinae providentiae subduntur , ita et actus humani... Oportet autem effectus causis per convenientiam respondere. Sicut igitur res naturales , quum in eis debitus ordo naturalium principiorum et actionum servatur , sequitur ex necessitate naturae conservatio et bonum in ipsis , corruptio autem et malum quum a debito et naturali ordine receditur , ita etiam in rebus humanis oportet quod , quum homo 1 ) S. Th. I I. q. 100. a . 1 . 2 ) T. a p 3) S. Th . I. 11. q. 87. a. 1 . 117 voluntarie servat ordinem legis divinitus impositae , consequatur bonum , non velut ex necessitate , sed ex dispensatione gubernantis , quod est praemiari, et e converso malum , quum ordo legis fuerit praetermissus , et hoc est puniri. » ? ) In dit leven is die sanctie slechts onvolmaakt, eerst na dit leven volmaakt. Immers de mensch bereikt zijn einddoel, in welke bereiking tevens zijne hoogste be looning bestaat, eerst na dit leven : « Ubicumque est aliquis debitus ordo ad finem , oportet, quod ordo ille ad finem ducat , recessus autem ab ordine finem exclu dat. Ea enim , quae sunt ex fine, necessitatem sorti untur ex fine, ut scilicet ea necesse sit esse , si finis debeat sequi , et , eis absque impedimento existentibus, finis consequatur. Deus autem imposuit actibus huma nis ordinem aliquem in respectu ad finem boni..... Oportet igitur quod si ordo ille recte positus est , ince dentes per illum ordinem finem boni consequantur, quod est praemiari; recedentes autem ab illo ordine per pec catum a fine boni excludi , quod est puniri.») 2) Dat geluk is eeuwig , derhalve is ook het loon voor het nakomen der natuurwet eeuwig. Maar dan ook de straf voor de niet-naleving : « Eadem justitiae ratione poena peccatis redditur et bonis actibus praemium . Praemium autem virtutis est beatitudo , quae quidem est aeterna. Ergo et poena qua quis a beatitudine excluditur debet esse aeterna. ) 3) 1 ) S. C. G. I. III . c . 140 . 2 ) S. c. G. I. III . c. 140. 3 ) S. c. G. I. III. c . 144 . 118 Zooals we in het tweede hoofdstuk zagen , zijn de drie beteekenissen van het begrip « recht) correlatief, en derhalve spreekt men ook hier van : Natuurrecht in de eerste of objectieve beteekenis , als van die handeling of verhouding die aan de natuurwet beantwoordt , daarmede overeenkomt ; ( justum , objec tum justitiae) ; en tevens van natuurrecht in de subjectieve betee kenis van bevoegdheid , d. w. z. ieder recht , dat de mensch aan de natuurwet ontleent. Als wet beheerscht het natuurrecht dat deel der rechtsorde , dat zijn vasten onveranderlijken grond heeft in de menschelijke natuur en in hare wezenlijke betrek kingen tot de gemeenschap , voor zoover het door het verstand kenbaar gemaakt is . In dit opzicht staat de natuurwet tegenover de posi tieve wet , die haar grond heeft in den vrijen , maar redelijken wil van den wetgever. Met de positief-god delijke wet maakt zij de goddelijke wet uit , en staat zoo tegenover de menschelijke wet , die uitgaat van een gezag , afkomstig van God , maar door menschen uitgeoefend. De inhoud der natuurwet, als omvattende de geheele zedelijke orde , is tevens positief geregeld door de goddelijke wet , en van daar dat in het Jus Canonicum 1 ) gezegd wordt : « Jus naturale est , quod in lege et evangelio continetur. ) Van den anderen kant is de inhoud der natuurwet , voor zoover ze betrekking 1 ) Grat. D. 1 . 119 niet weg , heeft ор de rechtsorde in strikten zin , in eene geordende maatschappij grootendeels door de positieve menschelijke wet geregeld ; in zoover kan het positief recht in inhoud overeenkomen met het natuurrecht; -- dit neemt echter dat het natuurrecht in wezen verschilt van het zuiver positieve, zoowel goddelijk als menschelijk recht. ) Deze leer van het natuurrecht is die van de geheele Christelijke oudheid en van alle Scholastieken , alhoewel door geen hunner daarvan een compleet , afgerond sijsteem gevormd is . Het is immers de verdienste van Hugo de Groot en vooral van Pufendorf, het eerst de wijsbegeerte van het recht als eene afzonderlijke weten schap behandeld te hebben. In de geschiedenis der rechtsphilosophie wordt deze leer van den H. Thomas gewoonlijk aangegeven als de theocratische rechtsphilosophie. 2) De natuurwet , het natuurrecht neemt daarin , zooals we zagen , eene zeer gewichtige plaats in , en daarom wordt er dikwijls gesproken van natuurrecht in de verschillende hierboven aangegeven beteekenissen . Daar nu in de geschiedenis der rechtsphilosophie eene richting bekend is , die men met den naam van natuurrechtsphilosophie aanduidt , in welke echter het natuurrecht eene geheel andere beteekenis heeft dan in de leer van den H. Th . , moeten we hier met nadruk waarschuwen tegen de verwarring van het natuurrecht 1 ) Vgl. „Meijer. Die Grundsaetze der Sittlichkeit ü. des Rechts . ” blz . 149 en volg. 2) Vgl. Stahl . „ Geschichte der Rechtsph." blz. 50. 120 van den H. Th. met dat van Hugo de Groot , Pufen dorf , Thomasius , enz. Het moge voor ons doel voldoende zijn , hier op één essentieel verschil tusschen beide richtingen te wijzen . In de leer van den H. This het natuurrecht niets anders dan de « participatio legis aeternae in natura rationali » ; het heeft zijn oorsprong , zijne verbindende kracht, zijn geheel bestaan uit den wil des Scheppers , het kan niet anders gedacht worden dan in de nauwste betrekking met Dezen. In de leer van Hugo de Groot daarentegen is de menschelijke rede , afgescheiden van alle betrekking tot God , de bron van het natuurrecht, zoo zelfs, dat hij kon zeggen , dat het verschil van recht en onrecht zou blijven bestaan , « etiamsi daremus , quod sine summo scelere dari nequit , non esse Deum , aut non curari ab eo negotia humana) . 1 ) Alles wat hier van het natuurrecht gezegd wordt , geldt alleen van het natuurrecht opgevat in den zin van den H. Th. De gronden waarop aan dit natuurrecht het karakter van recht ontzegd wordt , zijn vooral : dat het niet heeft de voor een rechtsregel noodige bepaaldheid , noch de vereischte rechtskracht d. w. z . de dwingende macht om de nakoming te verzekeren. Het bestaan van dit natuurrecht wordt ontkend door allen , die slechts één recht aannemen ', nl. het positieve. Zoo o. a. ook door Fr. J. Stahl , welke leert : « Es gibt kein andres Recht als das positive. ) 2) 1 ) Vgl. H. Grotius : „ De jure belli ac pacis.” Prol. c. 11 . 2 ) Stahl. „ Rechts- und Staatslehre ” I. D. II . h. 2. § 12. 121 Volgens den H. Th. , die hierin reeds door Aristoteles , Plato , Cicero en vele andere wijsgeeren der oudheid was voorafgegaan , heeft dit natuurrecht op zich zelf verbindende kracht , zonder tusschenkomst van den stel ligen wetgever. Wel erkennen ze , zooals we later zien zullen , dat de positieve wet noodig is om uit de natuur wet de noodige gevolgtrekkingen te maken , en ze toe te passen op bijzondere omstandigheden , maar van den anderen kant mag geene stellige wet in strijd zijn met de natuurwet. De tegenstanders van het natuurrecht in dezen zin erkennen ook , dat ieder menschelijke wetgever , wil men ' t recht niet overlaten aan diens willekeur , een regel moet hebben , dien hij als maatstaf aanneemt. Maar deze bestaat slechts uit «Principien und Ideen in Gottes Weltordnung .) « Vernunftforderungen an das Recht , ) die eerst door tusschenkomst des positieven wetgevers verbindende kracht krijgen . Het zijn dus rechtsbegin selen , die in de positieve wetgeving moeten toegepast worden ; zonder deze toepassing zijn die rechtsbeginselen geene rechtsregelen d. w. Z. geene wet. 1 ) Volgens den H. Th. is het recht een deel der zede lijke orde in het algemeen , en wel het deel , dat omvat de handelingen der menschen als leden der gemeen schap , en hunne verhoudingen als zoodanig onderling en tot de gemeenschap. Voor zoover de regelen van dat handelen en van die verhoudingen voortvloeien uit zijne natuur , zijn wezen met betrekking tot zijn eind 1 ) Vgl. A. van Gestel. Studiën, enz erfrecht enz." Jaarg. 1885. „ Mijne studie : ons 122 doel , noemt hij ze natuurrecht. Met de zedelijkheid in engeren zin heeft dit recht zijn steun in het ge weten ; zonder dit wordt het zuiver legale recht een mechanisme. Nu zegt de H. Th.: « lex de sui ratione duo habet : primo quidem , quod est regula humanorum actuum : secundo , quod habet vim coactivam. ) 1) Opdat iets regel zij voor de menschelijke handelingen , moet het bepaald zijn , en opdat deze regel voor de samenleving zijn doel bereike , namelijk de instandhouding van de maatschappelijke orde , volgens Gods wil noodig ter bereiking van het einddoel , eischt het recht verwezen lijking d. w. z. niet de werkelijke, gedurige verwezenlijking van den rechtsregel door eene feitelijk ten dienste staande macht, maar het zedelijke moment van den onvoorwaardelijken eisch der verwezenlijking , het recht om de rechtsvordering met de macht die ten dienste staat af te dwingen. Dat die macht werkelijk ten dienste staat, is eene eigenschap van het positief men schelijke recht. Wat nu vooreerst de bepaaldheid betreft: voor zoo ver deze daarin bestaat dat het voorschrift, dat we onder het natuurrecht rekenen , genoegzaam door de menschelijke rede gekend zij , weten we uit het voor gaande , dat de H. Th. leert : « quod lex naturae , quan tum ad prima principia communia , est eadem apud omnes , et secundum rectitudinem , et secundum noti tiam . » ?) 1 ) S. Th. I. II. q. 96. a . 5 . 2) S. Th. I. II . q. 94. a 4 . 123 De onmiddellijke gevolgtrekkingen uit deze hoogste beginselen , de praecepta secundaria , worden in ' t alge meen door allen gekend ; ontbreekt die kennis dan is die onkunde of dwaling eene toevallige. Welnu, deze twee soorten van voorschriften maken de natuurwet per se uit. Geen verdediger van het natuurrecht zal dan ook ooit beweren , dat alle zelfs de meest verwijderde natuurrechtelijke deducties de voor een rechtsregel ge vorderde bepaaldheid hebben ; integendeel , voor vele , al zijn zij opgesloten in de algemeene beginselen , is het positief wetgevende gezag noodig om ze tot een rechtsregel te maken . De vraag kon hier gesteld worden of dan ook de verhouding, die door dit natuurrecht als wet geregeld wordt , voldoende bepaald is , d. w. z. of de concrete toe passing van dien abstracten rechtsregel op bepaalde personen en zaken , zonder tusschenkomst der stellige wet kan plaats hebben. Ook deze vraag moet bevestigend beantwoord worden . Immers er zijn rechtsbetrekkingen , rechten en rechts plichten , die zoo onmiddellijk uit de natuur des menschen voortvloeien , dat zij ook hare concrete toe passing hebben òf wel door een natuurlijk feit, onaf hankelijk van den wil van den mensch , òf wel door eene vrije handeling , maar eene zoodanige , die aan alle positieve wetgeving kan voorafgaan. Onder deze komen in de eerste plaats de absolute rechten , d. w. z . die rechten , die ook concreet bepaald worden , alleen door het feit van het bestaan van het individu , het subject van het recht ; zoo b.v. het recht op het leven en het behoud daarvan , het recht in het 124 algemeen van eigendom te verkrijgen en overeenkomsten te sluiten ; - welke beide laatste weliswaar nadere be paling van het voorwerp behoeven . Maar ook onder de verworven rechten , de hypothe tische , die behalve het bestaan van het individu nog andere gegevens vorderen , niet aan allen gemeen , zijn er , die alle regeling van het gezag der gemeenschap voorafgaan. Hiertoe behooren die rechtsbetrekkingen , die door het gebruik alleen van een absoluut recht bepaald worden , zooals b. v. het eigendomsrecht op eene bepaalde zaak , verkregen door toeeigening , schenking , koop , enz. Maar niet alleen in het privaatrecht , ook in het publiekrecht vinden we dergelijke, zonder positieve wet geving, objectief bepaalde rechtsbetrekkingen ; zooals de be trekking tusschen gezag en onderdanen in het algemeen. Wat nu de verbindende rechtskracht betreft : niemand zal ontkennen dat onder de vele zedelijke betrekkingen , die tusschen menschen bestaan kunnen , de strikte rechtsbetrekking zich onderscheidt door afdwingbare onschendbaarheid . Immers het doel van het recht is , zooals we zagen , de maatschappelijke orde te handhaven te midden van de afwijkingen van de menschelijke vrijheid , en dat doel eischt dus verwezenlijking hier in dit leven. Dat doel nu kan niet bereikt worden zonder deze afdwingbare onschendbaarheid. Deze onschendbaarheid bestaat van den eenen kant hierin , dat ze in anderen den zedelijken plicht veron derstelt dat recht te eerbiedigen ; en dit is het innerlijke element der onschendbaarheid , dat het recht gemeen heeft met de moraal in strikten zin. Hierbij komt nog 125 een uiterlijk element , nl . de afdwingbaarheid van den rechtsplicht, d . w. z .: de geoorloofdheid , die door de rede gevorderd wordt om , zoo ' t noodig is , de nako ming van dezen rechtsplicht door toepassing van de ten dienste staande physieke macht af te dwingen. Dit laatste maakt het eerste niet overbodig ; integen deel , eerst moet die zedelijke plicht er zijn opdat hij uiterlijk afdwingbaar zij; en daarom is deze afdwing baarheid niet iets, wat tegenover den innerlijken , het geweten verbindenden plicht staat , maar het is eene aanvulling door de rede gevorderd , om het door God gewilde doel te bereiken. Deze uiterlijk.verbindende kracht , waardoor de rechts plicht onderscheiden wordt van den zuiver zedelijken , is niet enkel de uiterlijke physieke mogelijkheid of on mogelijkheid van den dwang ; neen , zij is eene op zedelijken grond berustende eigenschap , geen physieke toevallig heid. Het is niets anders dan eene aan het recht inhae rente , zedelijke bevoegdheid , om de rechtsvorderingen des noods met gebruik van de macht, die ten dienste staat , af te dwingen. Immers ware dit laatste niet het geval, en werd er voor het recht gevorderd eene feitelijk ten dienste staande macht , dan zou men b. v. geen recht op zelfbehoud hebben , daar waar die macht ontbreekt ; dan zou er geen recht zijn in alle gevallen , waarin de bewijzen , de toepassing der macht ver eischt , niet geleverd kunnen worden , of waar geen rechter aangewezen is ; dan zou er van volkenrecht geen sprake kunnen zijn ; dan zou er ten slotte alleen daar recht zijn , waar de physieke macht niet ontbreekt. voor 126 Die feitelijke mogelijkheid van physieken dwang is eene eigenschap van het positieve recht; en daarom geeft de H. Th. als een der redenen van de noodza kelijkheid der positieve menschelijke wetgeving aan , de behoefte , die er voor het behoud van de maatschappelijke orde bestaat aan vrees voor straf : « Sed quia inveniuntur quidam protervi, et ad vitia proni, qui verbis de facili moveri non possunt , necessarium fuit quod per vim , vel metum cohiberentur a malo ; ut saltem sic malefacere desistentes , et aliis quietam vitam redderent, et ipsi tandem per hujusmodi assuetudinem ad hoc perducerentur, quod voluntarie facerent, quae prius metu implebant , et sic fierent virtuosi. Hujusmodi autem disciplina cogens metu poenae est disciplina legum. Unde necessarium fuit ad pacem hominum , et virtutem , quod leges ponerentur.) 1 ) In plaats , dat het natuurrecht zou moeten wijken voor het stellige recht, vormt het juist de noodzakelijke grond slag van dit recht. Immers de macht om positieve wetten te maken is niet alleen zelf een natuurlijk recht , maar ze is ook door meer oorspronkelijke , natuurlijke rechten beperkt. De macht toch , die de stellige wetten geeft , moet daartoe het recht hebben , anders zouden die wetten van geene kracht zijn. Dat recht kan klaarblijkelijk geen stellig recht zijn , maar moet een recht zijn , dat hieraan voorafgaat: dus een natuurrecht. Opgevat in den geest van den H. Th. , zooals het dan 1 ) S. Th . I. II . q . 95. a. ) . 127 ook algemeen door de katholieke schrijvers geleerd wordt, vormt derhalve het natuurrecht , in plaats van het gezag van en den eerbied voor het positieve recht te onder mijnen , 1) daarvan in tegendeel den eenigen waren maar dan ook onmisbaren grondslag. Op welken anderen grond toch zouden de onder danen aan de voorschriften van den stelligen wetgever gehoorzamen , dan wijl ze erkennen dat ze van nature verplicht zijn de rechtmatige overheid te gehoorzamen ? Het feit , dat niettegenstaande de menigvuldige the orieën , die dezen grond van verplichting willen weg cijferen , toch steeds de gehoorzaamheid aan dien stel ligen wetgever blijft voortduren , is juist een bewijs voor het algemeen en overanderlijk bewustzijn van dezen natuurlijken plicht der onderdanen en van het natuurlijk recht der overheid . In de volgende afdeeling zullen we zien , dat met deze leer van het natuurrecht volstrekt niet uitgesloten is verscheidenheid van recht naar den verschillenden volks aard ; en dat het de taak is der stellige wetgeving de bestaande rechtsverhoudingen te erkennen , te steunen en naar dien verschillenden volksaard aan te vullen en te ontwikkelen. " ) Vgl. Hamaker. „ Het recht en de maatschappij.” blz . 13 . DERDE AFDEELING. De Stellige Wet. Van den kant van den Schepper , den hoogsten Be stuurder van het heelal , beheerscht de eeuwige wet de geheele schepping; deze wet is , zooals wij zagen , de oorsprong en de grondslag van iedere andere wet geving De natuurwet , als de afkondiging van de eeuwige wet, beheerscht ten opzichte van de redelijke schepselen de geheele zedelijke orde in ruimen zin . Met andere woorden , alle handelingen van den mensch als redelijk vrij wezen met betrekking tot zijn einddoel , dus niet alleen de zedelijke orde in engeren zin , omvattende zijne handelingen als individu , zijne plichten jegens God en zich zelven , maar ook de rechtsorde , zijne handelingen als deel der gemeenschap , zijne plichten en rechten tegenover zijne medemenschen en de gemeenschap , wor den door de natuurwet beheerscht. Deze natuurwet bestaat door het feit der schepping, zonder bijzondere positieve daad van den wetgever.. Alhoewel nu ieder mensch , die deel uitmaakt eener gemeenschap , door die natuurwet reeds verplicht is om de geheele zedelijke orde , dus ook de maatschappelijke 129 orde , te onderhouden d . w. z . zijne verplichtingen , als deel der van nature door God gewilde gemeenschap , tegenover die gemeenschap en hare leden na te komen , is er toch volgens den H. Th. eene stellige wet noodig. Behalve de natuurwet , moet er eene wet zijn , die voort komt uit de vrije beschikking van hem, die de gemeenschap bestuurt, eene wet, die aan de onderdanen als verplichtend bekend gemaakt wordt door eene positieve daad , en niet à priori reeds gekend wordt uit de principia rationis : « Necessarium fuit ponere leges humanas. ) 1 ) « Praeter legem naturalem , et legem humanam , neces sarium fuit ad directionem humanae vitae habere legem divinam .) 2) In het vorige hoofdstuk zagen wij, dat de H. Th . het recht in de eerste beteekenis verdeelt in natuurrecht en positief recht; daar nu de beteekenis van recht als wet correlatief is met deze eerste , is er ook behalve de natuurwet eene stellige wet : « Jus sive justum est aliquod opus adaequatum alteri secundum aliquem aequalitatis modum. Dupliciter autem potest alicui homini esse aliquid adaequatum : uno quidem modo ex ipsa natura rei ....... et hoc vocatur jus naturale .) Komt iemand iets toe uit overeenkomst , dan is dit eene bijzondere toepassing van het natuurrecht, en deze toepassing heeft niet het karakter van wet. Maar (alio modo ex condicto publico ; puta cum totus populus consentit , quod aliquid habeatur quasi adaequatum , et com mensuratum alteri ; vel cum hoc ordinat Princeps , qui 1 ) S. Th. I. II. q. 95. a. 1 . 2 ) S. Th. I. II . q. 91. a. 4 . 9 130 curam populi habet , et ejus personam gerit ; et hoc dicitur jus positivum . » 1 ) Evenals het positieve recht in die eerste beteekenis verdeeld wordt in goddelijk en menschelijk recht , zoo wordt ook hier van positief- goddelijke en menschelijke wetten gesproken , naarmate die wet onmiddellijk ge geven wordt door het hoogste goddelijk gezag , of mid dellijk door een persoon of eene instelling, daartoe door den Schepper met de noodige macht bekleed. Over de positief goddelijke wetgeving handelt de H. Th. in het algemeen in de Summa theol. I. II. a. 91 . q. 4 en 5 , en verder in ' t bijzonder over de oude wet waarin hij praecepta moralia , caeremonialia et judicia lia onderscheidt , in q. 98-104 , en over de nieuwe wet in art. 104-109. Daar ons de bespreking dezer positief-goddelijke wet op theologisch terrein zou voeren , zullen we ons alleen bezig houden met de positief-menschelijke wetgeving , en ook met deze alleen in ' t algemeen. Volgens den H. Th. zijn de positief menschelijke wet ten vooral om twee redenen nuttig , ja noodzakelijk. De eerste bestaat daarin dat door de stellige wet de natuurwet verklaard en op bijzondere gevallen wordt toegepast ; de tweede dat door de straf en den physieken dwang, die aan de positieve wet verbonden zijn de onwilligen gedwongen worden hunne handelingen naar die wet te regelen en zoo de maatschappelijke orde en rust niet te storen. Immers , al is de natuurwet de « participatio legis 1 ) S. Th. II . II . q. 57. a. 2. Vgl. S. Th. II . II . q. 60. a. 5. 131 aeternae in natura rationali , per quam omnia sunt ordinatissima ) en zou men derhalve kunnen zeggen , dat die natuurwet voldoende is om alle menschelijke handelingen te regelen , men moet in aanmerking nemen dat , evenals de speculatieve rede , de practische van algemeene beginselen tot meer bijzondere gevolgtrek kingen komt: «sicut in ratione speculativa ex princi piis indemonstrabilibus naturaliter cognitis producuntur conclusiones diversarum scientiarum , , .... ita etiam ex praeceptis legis naturalis , quasi ex quibusdam prin cipiis communibus , et indemonstrabilibus , necesse est quod ratio humana procedat ad aliqua magis particu lariter disponenda. ) ') Welnu , de toepassing van die algemeene voorschriften der natuurwet , vooral dan wanneer dat voor minder ontwikkelden moeielijk is , vormt de stellige wet : «et istae particulares disposi tiones adinventae secundum rationem humanam dicun tur leges humanae, observatis aliis conditionibus , quae pertinent ad rationem legis. ) 2) Maar niet alleen ter verklaring en nadere toepassing der natuurwet zijn de positieve wetten noodig , maar ook opdat door bedreiging met tijdelijke straffen de menschen tot het goede gedwongen worden en zoo ten minste uiter lijk de maatschappelijke orde gehandhaafd blijve: « Factae sunt leges ) , dicit Isidorus , ( ut earum metu humana coerceatur audacia , tutaque sit inter improbos innocen tia , et in ipsis improbis formidato supplicio refraenetur nocendi facultas. Sed haec sunt necessaria maxime 1 ) S. Th. I. II . q. 91. a . 3. 1 ) T. a . p. 132 meen humano generi . Ergo necessarium fuit ponere leges humanas. ) ) Wij zagen reeds in het tweede hoofdstuk , dat de mensch een (animal sociale) is : van nature leeft hij in gemeenschap. Ook zagen we daar , dat die verhoudingen der menschen onderling en tot de gemeenschap , die noodzakelijk voortvloeien uit hunne natuur van ge enschapswezen , het gebied vormen van het recht in strikten zin , namelijk van dat «quod debetur cum aequalitate.) De mensch bereikt zijn einddoel in het gemeenschaps leven. Al naarmate haar bijzonder doel verschillend is , kunnen die gemeenschappen van verschillenden aard zijn. Dit punt behoort echter meer tot de algemeene staatsleer , en daarom zullen wij het hier niet verder ontwikkelen. Ook voor ons onderwerp echter is de waarheid , dat in iedere gemeenschap gezag noodig is, van het hoogste ge wicht. Het gezag toch vormt den grondslag , de reden van bestaan van alle positieve wetgeving. Immers de gemeenschap bestaat als hulpmiddel ter bereiking van het gemeenschappelijk einddoel ; dat doel moet derhalve bereikt worden door gemeenschappelijk streven . Dit streven is echter onmogelijk zonder eenheid , en deze eenheid van streven wordt juist door het gezag tot stand gebracht. Hooren we echter liever de duidelijke verklaring van den H. Th.: « In omnibus , quae ad finem aliquem ordinantur , in quibus contingit sic et aliter 1 2 ) S. Th. l . II. q . 95. a. 1. Sed contra . 133 procedere , opus est aliquo dirigente, per quod directe debitum perveniatur ad finem . Non enim navis, quam secundum diversorum ventorum impulsum in diverso moveri contingit , ad destinatum finem perveniret, nisi per gubernatoris industriam dirigeretur ad portum . Hominis autem est aliquis finis ad quem tota vita ejus et actio ordinatur , cum sit agens per intellectum , cujus est manifestum propter finem operari . Contingit autem diversimode homines ad finem intentum procedere , quod ipsa diversitas humanorum studiorum et actionum de clarat. Indiget igitur homo aliquo dirigente ad finem . Est autem unicuique hominum naturaliter insitum ra tionis lumen , quo in suis actibus dirigatur ad finem . Et siquidem homini conveniret singulariter vivere, sicut multis animalium , nullo alio dirigente indigeret ad fi nem , sed ipse sibi unusquisque esset rex sub Deo summo rege , in quantum per lumen rationis divinitus datum sibi in suis actibus se ipsum dirigeret .... Si .... naturale est homini , quod in societate multorum vivat, necesse est in hominibus esse , per quod multitudo re gatur. Multis enim existentibus hominibus et unoquoque id quod est sibi congruum providente , multitudo in diversa dispergeretur , nisi etiam esset aliquis de eo , quod ad bonum multitudinis pertinet , curam habens; sicut et corpus hominis et cujuslibet animalis deflueret , nisi esset aliqua vis regitiva communis in corpore , quae ad bonum commune omnium membrorum intenderet .... + Oportet igitur praeter id quod movet ad proprium bonum uniuscujusque esse aliquid quod movet ad bonum commune multorum , propter quod et in omnibus , quae in unum ordinantur, aliquid invenitur alterius regiti 134 vum . Oportet igitur esse in omni multitudine aliquid regitivum. ) 1 ) Welke nu de oorsprong is van dat gezag , waar het berusten kan , enz. , zijn ongetwijfeld vragen van het hoogste gewicht ; de beantwoording echter daarvan behoort tot het gebied van de algemeene staatsleer. Voor ons doel is het voldoende te wijzen op het feit , dat er nooit een gemeenschap bestaan heeft zonder gezag ; door wie en op welke wijze dat dan ook werd uitgeoefend. De H. Th. behandelt de menschelijke positieve wet geving in ' t algemeen , zonder te spreken van de ver schillende soorten van gemeenschappen , welke door die wetten bestuurd worden , en van het verschillend gezag waarvan zij uitgaan. Volgens zijne leer heeft de menschelijke wetgeving ten doel de instandhouding der gemeenschap , als middel tot bereiking van het hoogste doel van den mensch ; en in dit doel zijn tevens de grenzen van alle gezag aangewezen . Onder de gemeenschappen, waarin het geheelemensch dom verdeeld is , en waarvan de eene ondergeschikt kan zijn aan de andere , noemt de H. Th. den staat uitdrukkelijk als eene volmaakte d. w. z. eene zoodanige waarvan het gezag onafhankelijk is van eenig ander menschelijk gezag : « Cum homini competat in multitu dine vivere , quia sibi non sufficit ad necessaria vitae , si solitarius maneat : oportet , quod tanto sit perfectior 1 , De Reg. Princ. l . I. 135 multitudinis societas , quanto magis per se sufficiens erit ad necessaria vitae. Habetur siquidem aliqua vitae sufficientia in familia domus unius , quantum scilicet ad naturales actus nutritionis et prolis generandae et alio rum hujusmodi: in uno autem vico , quantum ad ea , quae ad unum artificium pertinent; in civitate vero , quae est perfecta communitas, quantum ad omnia ne cessaria vitae : sed adhuc magis in provincia una propter necessitatem compugnationis et mutui auxilii contra hos tes. Unde qui perfectam communitatem regit , id est civitatem vel provinciam , antonomastice rex est ; qui autem domum regit , non rex sed paterfamilias dicitur, habet tamen aliquam similitudinem regis , propter quam aliquando reges populorum patres vocantur. ) ' ) De geheele positieve wetgeving , uitgaande van het door God in de gemeenschap gewilde gezag , steunt op de natuurwet; in deze vindt zij haren grondslag , al is ' t dan ook op verschillende wijze. De verbindende kracht hebben de positieve wetten weliswaar direct uit den wil van den wetgever , deze heeft echter die wetgevende macht van God ; immers zedelijk verplichten kan slechts een hooger wezen . Daar om zegt de H. Th .: « Omnis lex humanitus posita intan tum habet de ratione legis , in quantum a lege naturae derivatur. ) 2) De verschillende voorschriften der positieve wet hebben hunnen grondslag in het natuurrecht ; doch op verschil lende wijze. Een deel namelijk der positieve wetten 1) De Reg. Princ. l . I. c. 1. 2 ) S. Th. I. II. q. 95. a. 2 . 136 volgt imperatief uit de natuurwet , d. w. z. het zijn ge volgtrekkingen uit , toepassingen van de natuurwet , zij verbieden iets wat in zich reeds kwaad is , of gebieden wat in zich reeds goed is ; een ander deel volgt slechts facultatief uit de natuurwet, d . w. z. het zijn slechts be palingen van een natuurrechtelijk voorschrift, welke bepalingen in zich indifferent zijn en slechts rechtskracht krijgen door de stellige daad van den wetgever. Dit laatste deel vormt het «justum legale» d. w. z . « quod principio quidem nihil differt utrum sic vel aliter fiat. ) « Sed sciendum est , quod a lege naturali dupliciter potest aliquid derivari : uno modo , sicut conclusiones ex principiis ; alio modo , sicut determinationes quaedam aliquorum communium . Primus quidem modus similis est ei , quo in scientiis ex principiis conclusiones demon strativae producuntur. Secundo vero modo simile est , quod in artibus formae communes determinantur ad aliquid speciale ; sicut artifex formam communem domus necesse est quod determinet ad hanc , vel illam domus figuram .) 1 ) Als voorbeeld van het eerste geeft de H. Th. het verbieden en strafbaar stellen van moord , hetwelk eene gevolgtrekking is van het algemeene natuurrechtelijke beginsel : (nulli est faciendum malum) ; en van het tweede geeft hij als voorbeeld het bepalen van de mate van straf. De natuurwet schrijft voor , dat de schuldige gestraft worde ; met welke en hoe groote straf hij ge straft moet worden , wordt overgelaten aan de bepaling van den positieven wetgever. 1 ) T. a . p. 137 1) Beide soorten van voorschriften te zamen vormen de positieve wet : « Sed ea , quae sunt primi modi , conti nentur in lege humana, non tanquam sint solum lege posita , sed habent etiam aliquid vigoris ex lege naturali : sed ea , quae sunt secundi modi, ex sola lege humana vigorem habent. ) ' ) Dat de eerste soort van voorschriften haren grondslag vindt in de de natuurwet is duidelijk ; maar ook de tweede , immers : « Non videtur esse lex quae justa non fuerit; unde in quantum habet de justitia , intantum habet de virtute legis : in rebus autem humanis dicitur esse aliquod justum ex eo quod est rectum secundum regulam rationis : rationis autem prima regula est lex naturae. ) 2 ) Uit dit verband met de natuurwet volgt , dat niet alles , wat formeel wet is , verbindende kracht heeft; d. w. z . dat hetgeen door het menschelijk gezag aan de onderdanen wordt voorgeschreven aan zekere voor waarden moet voldoen ; -- ontbreken deze of ontbreekt slechts een van deze , dan heeft het voorschrift alleen den vorm en niet het wezen van eene wet. :) Tot deze eischen , waaraan de positieve wet , wil ze kracht van wet hebben , voldoen moet , behoort in de eerste plaats , dat ze rechtvaardig zij: « Non videtur esse lex quae justa non fuerit : unde in quantum habet de : justitia , in tantum habet de virtute legis . ) Tot die rechtvaardigheid der wet is in de eerste plaats noodig , 1 ) T. a . p. 2) T. a. p. 3 ) Vgl. Suarez. De leg. 1. I. c. 9 . 138 dat ze niet in strijd is met de natuurwet , d . w. z . dat ze niets gebiedt wat in zich kwaad , noch iets verbiedt, waartoe de mensch in de gegeven omstandigheden krachtens eene hoogere wet gehouden is : «Si vero in aliquo a lege naturali discordet jam non erit lex , sed legis corruptio. ) ) Verder worden de wetten nog uit een zeer verschillend oogpunt rechtvaardig genoemd. En wel vooreerst ex fine : « Dicuntur autem leges justae et ex fine, quando scilicet ordinantur ad bonum commune. ) 2) Reeds in de definitie van wet in het algemeen zagen we , dat tot het wezen der wet behoort , dat zij het algemeen wel zijn beooge. En zoo is eene wet onrechtvaardig , waardoor aliquis praesidens leges imponit onerosas subditis , non pertinentes ad utilitatem communem sed magis ad propriam cupiditatem , vel gloriam . ) 3 ) In de tweede plaats moet de wet rechtvaardig zijn van den kant van den wetgever : «quando scilicet lex lata non excedit potestatem ferentis. ) ^ ) Bevelen en gehoorzamen toch zijn correlatieve begrippen , het een strekt zich niet verder uit dan het ander. Waar er dus geen recht is om te bevelen , is er ook geen plicht om te gehoorzamen. Dat iemand niet valt onder de macht van een bepaalden wetgever , kan tweeërlei oor zaak hebben : « uno modo , quia est simpliciter absolutus 1 ) S. Th. I. II . q . 95. a. 2 . 2) S. Th. I. II q . 96. a. 4 . 3) T. a. p. 4 ) T. a. p. 139 ab ejus subjectione. ... alio modo , secundum quod regitur superiore lege. » ) En in de derde plaats moet de wet rechtvaardig zijn ex forma : « quando scilicet secundum aequalitatem pro portionis imponuntur subditis onera in ordine ad bonum commune. » 2 ) Is deze verhouding niet in acht genomen , dan ontbreekt der wet de justitia distributiva. De H. Th. vat , op het voetspoor van Isidorus (Etym . 1. V. c. 21.) , de eischen , waaraan de stellige wet vol doen moet , in het kort samen : « Erit lex honesta , justa , possibilis , secundum naturam , secundum patriae consue tidinem , loco temporique conveniens , necessaria , utilis, manifesta quoque , ne aliquid per obscuritatem in cap tione contineat , nullo privato commodo , sed pro com muni civium utilitate scripta. ) 3) Immers de positieve wet heeft toch een bepaald doel , en als zoodanig moet ze aan dat doel geevenredigd zijn ; ze is tevens een regel, die zelf zijn maatstaf vindt in een hoogeren , en als zoodanig moet ze met dezen hoogeren regel overeenkomen. Het doel der positieve wet is het nut der menschelijke gemeenschap ; de hoogere maatstaf is de goddelijke wet en de natuurwet. Uit deze beide gegevens leidt de H. Th . de vereischten af, waaraan ze voldoen moet , nl.. 1. « Quod sit honesta , i . e . quod religioni conveniat , in quantum proportionata sit legi divinae. » 2. ( Quod sit justa , possibilis secundum naturam , - > 1 ) T. a. p. a. 5 . 2 ) T. a. p. a. 4. 3) S. Th . I. II . q. 95. a. 3. 140 secundum consuetudinem patriae, loco temporique con veniens i . e. quod disciplinae conveniat , in quantum est proportionata legi naturae. ) 3. « Quod sit necessaria , utilis , manifesta et pro com muni civium utilitate scripta , i . e. quod saluti profi ciat , in quantum est proportionata utilitati humanae. ) ) Aan het tweede vereischte geeft hij nadere verklaring : « Attenditur enim humana disciplina primum quidem quantum ad ordinem rationis , ) en vandaar moet de wet rechtvaardig zijn ; « secundo quantum ad facultatem agentium , ) en vandaar moet de wet of liever de na leving mogelijk zijn ; « tertio quantum ad debitas cir cumstantias , ) en van daar moet ze met plaats en tijd overeenkomen . Eveneens verklaart hij het derde vereischte, waarvan de ( necessitas refertur ad remotionem malorum , utilitas » consecutionem bonorum , manifestatio » » cavendum nocumentum , dat nadeel namelijk dat uit de wet zelf zou kunnen voortspruiten door onduidelijkheid of niet genoegzame bekendheid. en « quod scripta sit pro communi civium utilitate re quiritur quia lex ordinatur ad bonum commune. » ' ) Maar laat dan de H. Th. de beoordeeling of eene. bepaalde wet aan die noodige vereischten voldoet en dus verbindende kracht heeft , of niet , over aan de onderdanen ? Oppervlakkig beschouwd heeft het den schijn , alsof ) ) sellers 1 ) T. a. p. 141 deze leer alle posiviteit en objectiviteit aan de wetten ontnemen zou , wijl het licht gebeuren zal dat die oor deelvellingen verschillen . En toch eischt de rede , dat de macht der wet niet onbeperkt zij . Immers de wet is de objectieve regel van het per soonlijke handelen , waarvan het geweten de subjectieve , naaste regel is. Welnu , de mensch kan zich niet verplicht gevoelen door iets , als door eene wet , wat hij, op degelijke gronden steunende , niet als zoodanig beschouwt. Van daar dat de II . Th. leert, dat de positieve wet in geweten verplicht , tenzij de persoon overtuigd zij van de onrechtvaardigheid van het wettelijk voorschrift ; overtuigd , d. w. z. op degelijke gronden de onrecht vaardigheid inziende ; immers volgens de algemeene leer , heeft en behoudt de wet verbindende kracht, 200 lang de onwettigheid niet evident is : « Tamdiu legitimi superioris ordinatio justa censenda est , quamdiu de contrario non constat. » 1) « Si ( leges humanitus positae) justae sint , habent vim obligandi in foro conscientiae ,) leert de H. Th. , en in de daarop volgende woorden geeft hij den grond dezer zedelijke verplichting aan , nl. « a lege aeterna a qua derivantur. ) 2) De vrije redelijke mensch toch kan alleen zedelijk verplicht worden door een hooger wezen , en wel middellijk of onmiddellijk. In deze positieve wet geving wordt hij middellijk verplicht , want : « omnis " ) Suarez . De leg. l . I. c. 9. § 20. * ) S. Th. I. II. q. 96. a. 4 . 142 potestas a Deo est , et ideo qui potestati resistit in his quae ad potestatis ordinem pertinent, Dei ordinationi resistit, et secundum hoc efficitur reus quantum ad conscientiam . ) ' ) Wanneer men nu de oorzaken nagaat , waarom som mige voorschriften alleen den vorm en niet het wezen van eene wet hebben , m. a. w. slechts formeele wetten zijn ?) , dan blijkt duidelijk dat de verschillende vormen van onrechtvaardigheid , die de wet van hare rechts kracht berooven , uit een tweevoudig, zeer verschillend beginsel voortspruiten : « Uno modo per contrarietatem ad bonum humanum ; ) zoo b.v. als de wet niet het alge meen welzijn, maar het bijzonder belang van den wetgever ten doel heeft , of als de wetgever zijn gezag te buiten gaat , of als de wet met de justitia distributiva in strijd is. Er ontbreekt dan iets aan de wet, ofschoon zij niets gebiedt , wat in zich slecht , noch iets verbiedt waartoe de mensch uit een hoogere wet gehouden is : « Et hujusmodi magis sunt violentiae quam leges ..., Unde tales leges non obligant in foro conscientiae, nisi forte propter vitandum scandalum , vel turbati onem , propter quod etiam homo juri suo cedere debet. » 3) Dergelijke wetten kunnen dus in ieder geval worden nageleefd ; zij moeten dit slechts in sommige gevallen , en in deze gevallen verplichten niet die onrechtvaardige wetten , maar de natuurwet , die voorschrijft dat men ergernis en stoornis der orde vermijden moet. Op dezen grond nu zullen enkel formeele wetten zeer dikwijls moeten nageleefd worden . ' ) T. a. p. ad 1 . 2) Vgl. boven , blz. 137 . 3 ) T. a. p. ли the form 143 Geheel anders is dit echter met die positieve wetten , die iets voorschrijven , wat in zich kwaad is , of iets verbieden , waartoe eene hoogere wet verplicht : « Alio modo leges possunt esse injustae per contrarietatem ad bonum divinum : sicut leges tyrannorum inducentes ad idololatriam , vel ad quodcumque aliud , quod sit contra legem divinam . ) Aan deze wetten mag de mensch onder geene omstandigheden gehoorzamen : « quia obe dire oportet Deo magis quam hominibus. ) Deze leer van de absolute nietigheid der positieve menschelijke wetten , indien ze met de natuurwet of de positief goddelijke wet in strijd zijn , is niet uitslui tend eigen aan de katholieke theologie en philosophie , en in ' t bijzonder aan den H. Th. In even duidelijke be woordingen, als door den H. Th. , wordt zij b.v. door Hugo Grotius en zijne commentatoren, de beide Cocceii, geleerd . 2 ) Onder de moderne juristen zij het voldoende Bluntschli te vermelden . Deze leert op verschillende plaatsen in zijn « Staatswoerterbuch » en « Staatsrecht) , dat het men schelijk gezag , waar het zijn grenzen overschrijdt , geen verbindende kracht meer heeft; dat er derhalve van absolute gehoorzaamheid aan de menschelijke wetten geen sprake kan zijn . Zelfs van den staatsambtenaar zegt hij : « Wuerde etwas von ihm verlangt , was diese ( Pflichten der Religion und der Moral) verletzte , so darf er mit Fug , ja er muss ungehorsam sein. ) De tegenovergestelde leer die o. a. door Macchiavelli , Hobbes , Spinoza , Rousseau, Hegel enz. gehuldigd wordt, * ) T. a . p . * ) Vgl. Meijer. ,, Institutiones juris nat." I , blz . 252. v . 144 eischt voor de wetskracht slechts het formeele ; volgens hen behoudt de wet verbindende kracht , ook wanneer ze iets voorschrijft , wat in zich kwaad is , of door een hoogeren wetgever verboden is. Afgezien daarvan , dat het recht naar deze opvatting een bloot mechanisme wordt , dat de persoonlijke vrij heid er op eene bedenkelijke wijze door in gevaar wordt gebracht, en dat zij juist datgene in de wet geving brengt, wat ze vermijden wil , nl . het subjecti visme en wel dat van den wetgever; afgezien van dat alles , is het voor hem , die aanneemt , dat alle ver bindende kracht der wetten van God komt , eene con tradictio in terminis , dat eene menschelijke wet , die met de goddelijke wet in strijd is , deze verbindende kracht zou bezitten . Uit het beginsel, dat gedurig in zijn tractaat over de wetten ter sprake komt , en dat hij herhaaldelijk als uitgangspunt zijner redeneering bezigt , dat nl. het doel van het recht in ' t algemeen zoowel als van de positieve wet in het bijzonder het algemeen welzijn is , ' ) leidt de H. Th . verschillende gevolgtrekkingen af. I. De wet strekt zich uit haar wezen over meerdere personen , meerdere handelingen en langeren tijd uit : Oportet leges humanas esse proportionatas ad bonum commune. Bonum autem commune constat ex multis ; et ideo oportet , quod lex ad multa respiciat, et secun dum personas , et secundum negotia , et secundum tempora. ) 2) 1 ) S. Th. I. II. q. 90—109. Vooral q. 90. a. 2 : Utrum lex ordinetur semper ad bonum commune. *) S. Th. I. II. 4. 96. a. 1. 145 De H. Th . spreekt hier , zooals blijkt , over de wet in eigenlijken zin , niet over datgene wat uitgaat van het wetgevend gezag en evenals een wet tot stand komt, maar met eene wet in eigenlijken zin slechts in vorm overeenkomt. Voor bijzondere personen , enkele hande lingen , of een bepaald tijdstip worden , indien men op het wezen der zaak let , slechts « praecepta) , voorschrif ten gegeven. « Ad singulares enim actus dirigendos , dantur singularia praecepta prudentum. » ) De reden van deze wijde strekking der wet ligt volgens den H. Th. daarin , dat ze ten doel heeft het algemeen welzijn , en ze derhalve daaraan geevenredigd moet zijn . Dat algemeene welzijn heeft het karakter van veelvuldigheid ten opzichte van tijd , handelingen en personen : «Con stituitur enim communitas civitatis ex multis personis ; et ejus bonum per multiplices actiones procuratur ; nec ad hoc instituitur , quod aliquo tempore modico duret , sed quod omni tempore perseveret per civium succes sionem. ) 2 ) II . Daar de wet een regel van handelingen is , zal ze deze of wel verbieden of gebieden. Heeft dan de positieve wet alle handelingen tot voorwerp , zal ze alle goede gebieden en alle slechte verbieden , en zoo neen , waar zijn dan de grenzen ? Volgens den H. Th. is de werkzaamheid van den stelligen wetgever binnen zekere grenzen beperkt. Deze grenzen vinden haren grond van den eenen 1 ) T. a. p. ad. 2 . 2) S. Th . I. II . Q. 96- a. 1. c. 10 146 kant in het doel der wetten , en van den anderen kant in den aard der personen , voor wie ze bestemd zijn . Als regel van handelen toch moet de positieve wet ge evenredigd zijn aan de krachten der menschen , zij moet daarvan niet vorderen , wat deze niet kunnen ten uit voer brengen : « Et ideo lege humana non prohibentur omnia vitia , a quibus virtuosi abstinent , sed solum graviora , a qui bus possibile est majorem partem multitudinis abstinere , et praecipue quae sunt in nocumentum aliorum , sine quorum prohibitione societas humana conservari non posset ; sicut prohibentur lege humana homicidia , furta et hujusmodi. » 1 ) Datzelfde geldt ook van wat de wet gebiedt ; ook dat beperkt zich tot hetgeen betrekking heeft op het algemeen welzijn : « Non tamen de omnibus actibus omnium virtutum lex humana praecipit, sed solum de illis , qui ordinabiles sunt ad bonum commune : vel immediate, sicut cum aliqua directe propter bonum commune fiunt ; vel mediate , sicut cum aliqua ordinan tur a legislatore pertinentia ad bonam disciplinam , per quam cives informantur , ut commune bonum justitiae et pacis conservent. ) 2) III. Wat nu de personen aangaat die aan de wet onderworpen zijn , hierin maakt de H. Th. een onder scheid. Tot het wezen der wet toch , zegt hij , behoort, dat ze is regel der handelingen , en ten tweede, dat haar rechtsdwang (vis coactiva) ten dienste staat. Ten opzichte 1 ) T. a. p. a. 2 . 2 ) T. a. p . a 3 147 van het eerste zijn allen aan de wet onderworpen , die onderdanen zijn van het wetgevend gezag , waarvan de wet uitgaat. Dat iemand niet aan dat gezag onder worpen is , ligt of wel daaraan , dat hij niet behoort tot die gemeenschap , of wel daaraan , dat hij aan een hoogeren wetgever gehoorzamen moet : « puta si aliquis subjectus sit proconsuli , regulari debet ejus mandato , non tamen in his , quae dispensantur ei ab imperatore; quantum enim ad illa non adstringitur mandato inferi oris , cum superiori mandato dirigatur. ) :) Wat echter de dwingende rechtskracht betreft, den rechtsdwang , hieronder vallen alleen zij , die niet vrij willig de wet als regel hunner handelingen aannemen. « Alio vero modo dicitur aliquis subjectus legi , sicut coactum cogenti , et hoc modo hominis virtuosi , et justi non subduntur legi , sed soli mali. Quod enim est coac tum et violentum est contrarium voluntati ; voluntas autem bonorum consonat legi , a qua malorum voluntas discordat : et ideo secundum hoc boni non sunt sub lege , sed solum mali.) 2) Groot is de macht der wet , maar ook deze is niet onbeperkt, ook zij is geen willekeur. Iets is er wat aan haar gezag onttrokken is , nl. de noodzakelijk heid . Ons oud spreekwoord luidt: « nood breekt wet) dezelfde gedachte drukt de H. Th. ongeveer in dezelfde woorden uit : « Necessitas non subditur legi.) 3) IV . 1 ) T. a . p. a. 5 . 2 ) T. a. p . 3 ) S. Th. I. II . q . 96. a. 6 . 148 Wat heeft men echter onder die noodzakelijkheid te verstaan ? Uitgaande van het beginsel , dat het doel der wet is het algemeen welzijn , komt de H. Th. tot eene zeer redelijke uitzondering op de verbindende kracht der wet in de practijk. Als algemeene regel stelt hij namelijk dat de onder danen aan de wet . zooals zij in woorden is uitgedrukt , gehoorzamen moeten , tenzij hare onrechtvaardigheid evident bewezen zij. Indien echter in een bepaald geval dat gehoorzamen klaarblijkelijk tot nadeel van het algemeen welzijn zou strekken , dan moet de onderdaan voor dat geval, zoo daartoe gelegenheid bestaat , dispensatie vragen aan het bevoegd gezag ; d. w. z . aan den wetgever zelven of aan wien deze daarmede belast heeft. Indien daartoe geen tijd of gelegenheid bestaat , is hij niet verplicht de woorden der wet na te komen , wijl hij dan tegen de bedoeling des wetgevers zou handelen , en : « intelli gentia dictorum ex causis est assumenda dicendi , quia non sermoni res , sed rei debet esse sermo subjectus. Ergo magis est attendendum ad causam , quae movit legislatorem quam ad ipsa verba legis. ) ' ) Het behoort tot het wezen der wet dat zij ten doel hebbe het algemeen welzijn ; heeft zij dat doel niet , dan heeft zij geene verbindende kracht. « Contingit autem multoties, quod aliquid observari communi saluti est utile ut in pluribus , quod tamen in aliquibus casi 1 ) T. a . p . Sed contra . 149 bus est maxime nocivum . Quia igitur legislator non potest omnes singulares casus intueri , proponit legem secundum ea quae in pluribus accidunt, ferens intenti onem suam ad communem utilitatem . » 1 ) Doet zich derhalve het geval voor , dat de nakoming der wet , zooals zij in woorden is uitgedrukt, aan het algemeen welzijn zou schaden , dan vervalt de reden waarom zij als zoodanig nageleefd moet worden. Deze leer laat echter de uitlegging der wet niet over aan de subjectieve appreciatie der onderdanen . Immers , indien het gevaar niet dreigend is , kan alleen het gezag zelf de dispensatie verleenen : « Si observatio legis secundum verba non habet subitum periculum , cui oporteat statim occurri , non pertinet ad quemlibet ut interpretetur , quid sit utile civitati, et quid inutile civitati : sed hoc solum pertinet ad principes , qui prop ter hujusmodi casus habent auctoritatem in legibus dispensandi. ) 2) Is het niet mogelijk b.v. wegens tijdgebrek , zich tot het bevoegde gezag te wenden , dan is met de nood zakelijkheid de dispensatie verbonden : « quia necessitas non subditur legi. ) 3 ) Dit laatste geval zal zich niet dikwijls voordoen , im mers de onderdaan is alleen dan van de nakoming ontslagen « in casu in quo manifestum est per evidentiam nocumenti legislatorem aliud intendisse. ) 4 ) ' ) T. a. p. 2 ) T. a. p. 3) T. a . p. 4) T. a. p. ad 2. 150 Ingeval van twijfel moet hij of den raad der overheid inwinnen , of wel , en dus altijd als hij dien raad niet kan inwinnen , de woorden der wet nakomen : « Si enim dubium sit , debet vel secundum verba legis agere , vel superiorem consulere. » 1 ) Op de tegenwerping dat wijze lieden , waarvoor men de wetgevers houden moet , hunne bedoeling in woorden weten uit te drukken , en er dus van eene uitlegging dier bedoeling anders , dan uit de woorden der wet , geen sprake kan zijn , (hetgeen in het bovengenoemde geval geschiedt) , antwoordt de H. Thomas: « Nullius hominis sapientia tanta est , ut possit omnes singulares casus excogitare ; et ideo non potest sufficienter per verba sua exprimere ea , quae conveniunt ad finem in tentum. Et si posset legislator omnes casus considerare , non oporteret ut omnes exprimeret propter confusionem vitandam ; sed legem ferre deberet secundum ea quae in pluribus accidunt. ) 2 ) V. In tegenstelling met de natuurwet, waarvan we zagen dat ze volgens den H. Th. onveranderlijk is , is de positieve wet veranderlijk , d. w. z. niet steeds behoeven dezelfde wetten te blijven gelden , maar ze kunnen en moeten soms geheel of gedeeltelijk worden afgeschaft of gewijzigd. Van daar de onophoudelijke arbeid van den positieven wetgever. Al steunt dan ook de positieve wet op de natuurwet, dit vordert niet dat ook zij onveranderlijk zij, want de 1 ) T. a. p. 2 ) T. a. p. ad. 3 . 151 eerste « continet quaedam universalia praecepta , quae semper manent : lex vero posita ab homine continet praecepta quaedam particularia secundum diversos ca sus , qui emergunt.» ' ) Zeer juist wordt dit verschil tusschen de natuurwet en de positieve wet voorgesteld door Edmund Burke : Ol y a dans la nature des sources de justice d'où toutes les lois découlent comme des ruisseaux , et , de même que les eaux prennent la teinte et le goût des différents terrains qu'elles traversent , ainsi les lois civiles varient avec les régions et les gouvernements des diverses con trées , quoique provenant des mêmes sources.» 2) De laatste oorzaak dier veranderlijkheid ligt in het doel der positieve wet nl . het algemeen welzijn : « Rec titudo legis dicitur in ordine ad utilitatem communem , cui non semper proportionatur una eademque res . )) 3) De noodzakelijkheid of nuttigheid der verandering kan uit eene tweevoudige bron voortspruiten , nl .: uit den wetgever zelven of uit de onderdanen. De wet toch is een voorschrift der rede. Deze rede echter ontwikkelt zich van het minder volmaakte tot het meer volmaakte, niet alleen in het speculatieve , maar ook in het practische: « Nam primi , qui inten derunt invenire aliquid utile communitati hominum , non valentes omnia ex seipsis considerare, instituerunt quaedam imperfecta in multis deficientia , quae poste 2 Mike 2 ) S. Th. I. II . q. 97. a. l . ad. 1 , 2) Aangehaald bij Lucien Brun. „ Introd. à l'étude du droit . ” blz . 36, 3 ) S. Th. 1. II . q . 97. a. 1. ad. 3 , 152 riores mutaverunt , instituentes aliqua quae in pauciori bus deficere possunt a communi utilitate . ) 1) In de tweede plaats behoort het tot het wezen der wet , dat ze is een regel voor de menschelijke hande lingen. Deze menschen nu veranderen , zooals de ge schiedenis en de ondervinding leert , zeer dikwijls, en in zeer vele opzichten ; vandaar dat « ex parte vero hominum , quorum actus lege regulantur , lex recte mu tari potest propter mutationem conditionum hominum , quibus secundum diversas eorum conditiones diversa expediunt.) 2) De H. Th. haalt daarbij een voorbeeld aan uit den H. Augustinus (de lib . arb. 1. 1. c. 6.) en wel uit het publiek recht , n.l .: over de rechten , die aan het volk in het eene geval kunnen worden toegekend , ten opzichte van de uitoefening der staatsmachten ; in ’ t andere niet : « Si populus bene sit moderatus , et gravis , communisque utilitatis diligentissimus custos , recte lex fertur, qua tali populo liceat creare sibi magistratus, per quos res publica administretur. Porro , si paulatim idem popu lus depravatus habeat venale suffragium , et regimen flagitiosis, sceleratisque committat, recte adimitur populo tali potestas dandi honores , et ad paucorum bonorum redit arbitrium . ) 3) In dit verschil van ontwikkeling der menschen ligt niet alleen de reden van de veranderlijkheid der posi 1 ) T. a. p. c. 2 ) T. a. p. 3 ) T. a. p. „ vel etiam ad unius arbitrium ” voegt de H. Augustinus t. a. p. daarbij. 153 tieve wet in eene zelfde gemeenschap , maar ook die van het verschil van wetten in verschillende gemeen schappen : « Principia communia legis naturae non eodem modo applicari possunt omnibus , propter multam varie tatem rerum humanarum ; et ex hoc provenit diversitas legis positivae apud diversos . » ' ) Uit de eenvoudige voorstelling dezer leer van de veranderlijkheid der positieve wetgeving blijkt voldoende, dat de rechtsleer van den H. Th . in geen enkel opzicht de vrijheid van ontwikkeling dezer wetgeving belemmert. Maar dan blijkt ook tevens , hoe ongegrond de verwijten zijn , zoo dikwijls van anders zoo bevoegde zijde gehoord , dat de scholastieke rechtsleer geen rekening houdt met het verschil van levensopvatting , gewoonten , klimaat, enz. der onderdanen ; of dat in dit stelsel het bestaande niet behoeft te worden getoetst aan wat het betere , het beste scheen , dat het ideaal er hoogstens nu en dan eene persoonsverwisseling vorderde , maar zijne eischen wel nooit strekten tot ommekeer in het geldend recht. 2) VI . Toch heeft ook deze veranderlijkheid hare grenzen , of liever : voor het veranderen der wet moeten afdoende redenen aanwezig zijn , wijl iedere verandering zonder voldoende redenen , in plaats van beterschap te brengen, nadeel berokkent. Die beweegredenen moeten volgens den H. Th . zijn : klaarblijkelijke noodzakelijkheid of zeer groote nuttigheid voor het algemeen welzijn. Niet voor alles , wat beter blijkt, moet het bestaande wijken. 1 ) S Th. I. II . q. 95. a. 2. ad. 3. a ) „ De Gids. ” September 1889. blz. 392. 154 Immers , zegt hij , het doel der positieve wetgeving is het algemeen welzijn. Welnu , iedere verandering der wet, welke zij ook zij , heeft op zich zelf een nadeelig gevolg voor het algemeen welzijn , wijl de gewoonte (als herhaald gebruik , toe passing, naleving ,) bij de nakoming der wetten zeer grooten invloed heeft. Want alles , wat tegen het alge meen gebruik is , schijnt moeielijker dan dit , al is het in zich ook gemakkelijker te volbrengen. « Unde quando mutatur lex , diminuitur vis constrictiva legis, in quantum tollitur consuetudo . ) En van daar dat de H. Th. voor de verandering der wet eischt dat dit nadeel ten minste in gelijke mate gecompenseerd worde door een voordeel : « quod quidem contingit vel ex hoc quod aliqua maxima , et evidentissima utilitas ex novo statuto provenit ; vel ex eo quod est maxima necessitas , vel ex eo quod lex consueta aut manifestam iniquitatem continet , aut ejus observatio est plurimum nociva .) ?) VII . Daar het doel der positieve wet is het algemeen welzijn , en het kan gebeuren dat dit in een bijzonder geval door de naleving der wet geschaad , in plaats van gebaat zou worden , kent de H. Th . der overheid het recht van dispensatie toe. Onder deze dispensatie verstaat men in ' t algemeen het opheffen der verplichting van het nakomen der wet in een bijzonder geval , al hoewel het woord etymologisch eene andere beteekenis heeft, nl : « commensuratio alicujus communis ad singula. ) De reden dier dispensatie is 1 ) S. Th. I. II . q. 97. a. 2. 155 dezelfde als die der wet : het algemeen welzijn . « Con tingit autem quandoque , quod aliquod praeceptum , quod est ad commodum multitudinis ut in pluribus , non est conveniens huic personae , vel in hoc casu ; quia vel per hoc impediretur aliquid melius , vel etiam induce retur aliquod malum. ) 1 ) Het oordeel hierover te laten aan ieder bijzonder persoon zou gevaarlijk zijn ; dit moet dus , zooals wij reeds zagen , behalve in het aller uiterste geval van noodzakelijkheid niet toegelaten zijn . « Et ideo ille qui habet regere multitudinem , habet potestatem dispensandi in lege humana , quae suae auc toritati innititur , ut scilicet in personis vel in casibus in quibus lex deficit, licentiam tribuat ut praeceptum legis non servetur. ) 2 ) Dit recht van dispensatie strekt zich niet verder uit dan het recht van wetgeving zelf , en komt den wetgever zelven toe. Deze kan echter een ander met de uit oefening van dat recht belasten . De H. Th. kent , behalve de wet , nog eene andere bron van positief recht , namelijk de gewoonte. Zij heeft dezelfde kracht als de wet , zij kan die wet geheel of gedeeltelijk afschaffen en nieuwe rechtsregelen in voeren De wet toch komt voort uit het verstand en den wil. Deze beiden maken zich aan anderen kenbaar door een uiterlijk teeken , ' t welk kan zijn , niet alleen het woord, 1 ) S. Th . I. II. q . 97. a. 4 . 2 ) T. a . p. 156 maar ook de daad ; want ieder houdt klaarblijkelijk dat gene voor goed , wat hij dikwijls doet. Evenals nu door het menschelijk woord de wet kan opgelegd worden of veranderd , wijl dat woord de beweging van den wil en het begrip van het verstand kenbaar maakt , zoo kan dat ook geschieden door de daad : « in quantum scilicet per exteriores actus multiplicatos interior voluntatis motus , et rationis conceptus efficacissime declaratur . » 1 ) Immers wat herhaaldelijk verricht wordt komt klaar blijkelijk voort uit een beredeneerd oordeel van ' t ver stand. « Et secundum hoc consuetudo et habet vim legis , et legem abolet , et est legum interpretatrix. ) 2) Ter weerlegging van de opwerping , die de H. Th. zelf maakt , dat de wetgeving behoort aan de publieke personen , die met de regeering der gemeenschap belast zijn , en dat dus privaatpersonen geen wetten maken kunnen , onderscheidt hij de gemeenschappen in twee soorten : die waarin de wetgevende macht berust bij de gemeenschap zelf , al laat deze haar uitoefenen door een vorst , en die, waarin de wetgevende macht direct berust bij bepaalde overheidspersonen . In eene gemeenschap van de eerste soort is de gewoonte der geheele gemeen schap voldoende tot rechtsvorming , in de tweede wordt daartoe nog gevorderd , dat de persoon of de personen , bij wie de wetgevende macht berust, de gewoonte dulden : « Si enim sit libera multitudo , quae possit sibi legem facere, plus est consensus totius multitudinis ad aliquid observandum , quod consuetudo manifestat, quam auc 1 ) S. Th. I. II . q. 97. a. 3. 2 ) T. a. p. 157 toritas principis , qui non habet potestatem condendi legem , nisi inquantum gerit personam multitudinis ; unde licet singulae personae non possint condere legem , tamen totus populus condere legem potest. Si vero multitudo non habeat liberam potestatem condendi sibi legem , vel legem a superiori potestate positam removendi, tamen ipsa consuetudo in tali multitudine praevalens obtinet vim legis , in quantum per eos toleratur , ad quos pertinet multitudini legem imponere ; ex hoc enim ipso videntur approbare , quod consuetudo introduxit. » 1 ) De rechtvormende kracht der gewoonte is echter binnen zekere grenzen beperkt. Zo vooreerst : « nulla consuetudo vim legis obtinere potest contra legem di vinam vel naturalem , ) ) en wel , omdat deze beide laatste voortkomen uit den wil van God , de gewoonte slechts uit den wil der mensehen . Verder is er , opdat eene wet door de gewoonte worde afgeschaft, noodig , dat deze nuttiger zij voor het algemeen welzijn : « Si autem adhuc maneat ratio eadem , propter quam prima lex utilis erat, non consuetudo legem , sed lex consuetudinem vincit ; nisi forte propter hoc solum inu tilis lex videatur , quoniam non est possibilis secundum consuetudinem patriae , quae erat una de conditionibus legis. ) 3) Dit gewoonterecht , waarvan Ihering zegt : « (es) laesst sich recht eigentlich als das Schooskind der neueren Jurisprudenz bezeichnen , und es scheint, alsob man ' ) T. a. p. ad 3. 2 ) T. a. p . ad ) . :) T. a. p. ad 2 . 158 sich verpflichtet gefuehlt hatte , es fuer die Vernach laessigung , die es frueher erfahren , durch eine blinde Liebe zu entschaedigen , ) ' ) vervult bij de historische school eenigermate de plaats van het natuurrecht. Zoo zegt 0. a. Puchta : « Die rechtliche Ueberzeugung der Nation ist das Gewohnheitsrecht ..... die Gewohnheit ist die Uebung des Rechtssatzes , der schon vorhanden ist , und in ihr sich nur verkoerpert und vielleicht sich auch befestigt.» 2 ) Bij den H. Th. staat dit gewoonterecht met en naast de positieve wet , onder het natuurrecht. Indien de ge woonte tot voorwerp heeft iets wat de rede onvoor waardelijk eischt , wordt door de gewoonte dat natuur recht ook nog tot positief recht; is het voorwerp niet van dien aard , maar iets meer toevalligs , dan is het toch nog altijd aan het natuurrecht ondergeschikt in zoover het er niet mede in strijd mag zijn , en verder door dat , evenals het wettelijk recht , ook het gewoonte recht zijne verbindende kracht ontleent aan de natuurwet. 1 ) „ Geist des Roem. Rechts.” II. Th . 1 Abth. XXV. * ) „ Vorlesungen enz." I. B. Ib. 1 k . $ 11 . BESLUIT. Nadat we in de voorgaande bladzijden de rechtsleer van den H. Thomas in haren teleologischen grondslag , haren samenhang met de moraal en eindelijk het recht als wet in bijzonderheden besproken hebben , is het, dunkt me, niet overbodig een terugblik te werpen op de hoofdmomenten dezer leer. De H. Th. gaat in zijne ethische leer uit van de elders bewezen waarheid , dat de wereld door een Hooger Wezen geschapen is. Hieruit leidt hij onmid dellijk af , dat de Schepper daarbij een doel gehad heeft, en dat Hij derhalve wil , dat dit doel bereikt worde. In het eerste hoofdstuk onderzochten we , welk dit einddoel der geheele schepping is , hoe ieder wezen afzonderlijk tot de bereiking daarvan medewerkt op dubbele wijze , nl. door aan zijne bestemming te beant woorden , en tevens door aan het in de hierarchische geleding der schepselen op hem volgende wezen als middel te dienen ; in ' t bijzonder zagen we , welk het einddoel is van den mensch , op welke wijze en wanneer hij dit bereikt, en in hoever hij daartoe in dit aardsche leven moet medewerken. 160 De H. Th. beschouwt al het geschapene , als zijnde in beweging naar het gestelde einddoel , als een geheel , in causaal en finaal verband onderling en met den Schepper verbonden . Het tweede hoofdstuk leerde ons dat in de verhouding dier bewegingen of handelingen naar het einddoel , het wezen van goed en kwaad gelegen is . Het geheel dier bewegingen of handelingen naar het einddoel vormt de wereldorde; en in deze die der niet redelijke wezens de natuurlijke orde , die der redelijke als zoodanig , de zedelijke orde. De mensch handelt echter, zooals ieder wezen , volgens zijne natuur , ( agere sequitur esse ) want die natuur is het beginsel van handelen. Van natuur is nu echter de mensch niet alleen individu , maar tevens gemeenschapswezen. Welnu , de verhoudingen en hande lingen noodzakelijk voortspruitende uit zijne natuur als gemeenschapswezen , vormen in die zedelijke orde in ruimen zin , de rechtsorde; alle andere de zedelijke orde in engeren zin. M. a. w.: recht zijn de onvoorwaar delijke eischen der menschelijke natuur aan het gemeen schapsleven , moraal , die onvoorwaardelijke eischen aan het individueele leven. In het derde hoofdstuk bespraken we de normae dezer zedelijke orde , maar vooral der rechtsorde , d. w. Z. de wet. Wil nl. de Schepper dat het door Hem gestelde eind doel bereikt worde , dan moet Hij aan ieder wezen niet alleen de noodige kracht, maar ook de vereischte richting en aandrang naar dat einddoel gegeven hebben ; deze laatste bestaat bij de niet-redelijke wezens in de natuur 161 lijke noodzakelijkheid , bij de redelijke vrije wezens in de zedelijke verplichting. Die wil nu van den Schepper , dat al het geschapene zijn doel bereike is de eeuwige wet , die aandrang in de geschapen wezens de natuurwet in ruimen zin , in de redelijke wezens in het bijzonder de natuurlijke zeden wet of natuurwet in engeren zin. Deze beide , eeuwige wet en natuurwet , omvatten het geheele gebied der menschelijke handelingen , derhalve ook het rechtsgebied. Daar het echter voor de bereiking van het einddoel volgens den wil des Scheppers noodig is , dat de mensch in gemeenschap leve , en deze niet bestaan kan zonder gezag , dat de verhoudingen der leden regelt in over eenstemming met de hoogere wetten , is er ook een positief menschelijke wet. Zoo wordt volgens den H. Th . de rechtsorde als deel der wereldorde beheerscht door de eeuwige wet , de natuurwet en de stellige wet. Voor wie in den maalstroom des levens niet speelbal zijn wil van omgeving en omstandigheden , voor wie aan zijne levenswijze eene wereldbeschouwing ten grond slag wil leggen , heeft deze leer iets ongemeen bevre digends , iets bovenmate verheffends. Weliswaar is de ethische leer van den H. Th, slechts een deel van diens Summa , waarin zich artikel aan artikel voegt om , evenals zoovele stalen maliën , een ondoordringbaar vast aaneengesloten pantser te vormen ; zij is echter voor het leven van den mensch het ge wichtigste deel , want zij betreft diens eigen handelingen. Deze leer heeft iets ongemeen bevredigends. Immers 11 162 zij voldoet aan den eisch van eenheid , een eisch , waaraan iedere wereldbeschouwing moet beantwoorden , wil ze ons bij het angstig zoeken naar de waarheid in hare onderdeelen , althans zekerheid geven van de plaats , die we in het heelal innemen. Zij heeft iets bovenmate verheffends. Want al kunnen we na onze korte , en dan nog ge brekkige , behandeling van dit onderdeel , het onderling verband der deelen dezer grootsche beschouwing over Godes plan en handelen met zijne schepping niet over zien wij genieten toch wat de reiziger geniet , die het hoogste punt van een bergketen bestegen heeft : hij overziet het geheel en de hoofdtoppen schitteren hem in den vollen glans der zon met klaarheid tegen ; en ontsnappen ook de verbindingen tusschen de verschil lende bergtoppen aan zijn oog , hij weet dat ze ver bonden zijn ; -- om zich van de wijze waarop te overtuigen , behoeft hij slechts de onderdeelen te onderzoeken. Het is hier niet de plaats om de waarde van Thomas' leer te verhoogen door de bestrijding van andere sy stemen van rechtsphilosophie ; daarbij geef ik gaarne toe , dat iedere leer de gronden van aannemelijkheid in zichzelve dragen moet , en deze niet ontleent aan meerdere of mindere geschiktheid om aan de eischen der praktijk te voldoen. Toch meen ik ten slotte met een enkel woord er op te mogen wijzen , dat in deze leer van den H. Th. van den eenen kant het doel van het recht , de maatschappelijke orde , in hooge mate wordt bereikt , en van den anderen kant de vrijheid en waardigheid van den mensch volkomen worden ge waarborgd. 163 Wat het eerste betreft : de H. Th. rekent de richting der wet naar de maatschappelijke orde , naar het alge meen welzijn , tot haar wezen . In de ontwikkeling zijner leer over de wetten gaat hij herhaaldelijk van dit beginsel uit , zooals we aan het einde van het derde hoofdstuk gezien hebben. Met volkomen recht kon dan ook Ihering van hem verklaren : « die Grundgedanken , um die es mir zu thun war , (namelijk : die gesell schaftliche Theorie des Sittlichen) finden sich schon bei jenem gewaltigen Denker in vollendeter Klarheit und prägnantester Fassung ausgesprochen . » ) Ook de bereiking van dit doel vindt in deze leer de meest volkomen waarborgen . Immers volgens haar verplicht iedere wet , ook de stellige menschelijke , in geweten. « In rebus humanis ex ordine juris naturalis et divini tenentur inferiores suis superioribus obedire. ) 2) « Obedire superiori debitum est secundum divinum or dinem rebus inditum. » 3) De eerste band tot nakoming is de zedelijke verplichting ; de vrees voor straf, de mogelijkheid vooral van staatsdwang waarborgt slechts de nakoming bij de onwilligen , bij die zwakken naar het vleesch , voor wie dat eerste motief niet voldoende is . In zeer vele gevallen kan de wet , ook de positief menschelijke, overtreden worden zonder dat of wel de overtreding ter kennis komt van den rechter , òf wel zonder dat ze genoegzaam bewezen kan worden . Toe ' ) Ihering T. a. p. II. blz . 161 . 2) S. Th. II. II. q. 104. a. 1 . 3) S. Th. II. II . q 104. a. 2. 164 passing van feitelijken dwang is dan onmogelijk. In al die gevallen heeft de wet volgens den H. Th. dezelfde zedelijk - verbindende kracht , en bestaat er dus de eerste en grootste waarborg voor hare nakoming , en derhalve voor de instandhouding der maatschappelijke orde. Maar verder bestaat er volgens deze leer ook recht buiten de positieve wet ; wat door deze niet of onvol doende geregeld is , en toch door de rede voor de maatschappelijke orde gevorderd wordt , moet in ge weten nageleefd worden. In deze leer wordt ten tweede de vrijheid en waardig heid van den mensch meer dan in eenige andere gewaar borgd. Immers , tenzij men eene ethica , eene rechtsleer mogelijk acht zonder zedelijke verplichting , tenzij men openlijk het beginsel huldigt: « macht is recht» — in welke leer er van menschelijke vrijheid en waardigheid geen sprake kan zijn — zal men iets moeten aannemen ten gevolge waarvan , iets waaraan men verplicht is. Volgens den H. Th. is men alleen verplicht , middellijk of onmid dellijk , door den wil van den Schepper , uit plicht van gehoorzaamheid jegens Hem ; iedere , ook de geringste uitoefening van gezag , als gevende een regel van han delen aan een vrij wezen , ontleent hare verbindende kracht aan de macht van den Schepper over het ge schapene; welnu : « Deo servire regnare est. ) En wat nu het gezag van den burgerlijken wetgever in het bijzonder betreft , men meene niet dat dit wille keurig in omvang beperkt , in beteekenis verminderd wordt. Zonder twijfel dat gezag heeft zijne grenzen , en deze grenzen vindt het in zijn doel . Maar binnen die grenzen wordt het ook geheiligd door het goddelijk gezag , 165 zou maar waarop het berust , waaraan het zijn oorsprong ontleent. De afbakening van die grenzen van het staatsgezag ons op staatsrechtelijk terrein voeren ; welke die grenzen ook mogen zijn , daarbinnen heeft het geene andere menschelijke macht te vreezen : « In his .... quae ad bonum civile pertinent, est magis obediendum potestati saeculari quam spirituali. ) :) De onderdanen zijn dus , zooals we zagen , in geweten verplicht te gehoorzamen , maar zij worden geen blinde uitvoerders van den staatswil ; hunne gehoorzaamheid vindt hare grenzen in die van het gezag zelf. Met volle recht meen ik dan ook ten slotte de woorden van de Bonald tot de mijne te kunnen maken : «Mais sans vouloir ici justifier en détail les principes de la légis lation dont je présente une esquisse, je prie le lecteur de réfléchir à cet axiome qui la commence , et qu'on peut regarder comme le fondement de l'ordre social : « La souveraineté est en Dieu ..... le pouvoir est de Dieu. ) Il trouvera à la fois dans cette proposition le principe de la souveraineté, la source du pouvoir , l'origine des lois. Elle donne à l'homme une haute idée de sa dignité , en lui rappelant qu'il est par sa nature indépendant de l'homme et sujet de Dieu seul; elle donne au pouvoir une idée sévère de ses devoirs ; en lui apprenant qu'il tient son autorité de Dieu même et qu'il lui doit compte de l'usage qu'il en fait . » 2) ! 1 ) Sent . II . dist. 44. q. 2. ad. 3 . 2 ) „ Législation primitive. " I. blz . 230. Bruxelles 1845 . STELLINGEN. STELLINGEN. I. De H. Thomas van Aquino heeft reeds volkomen juist erkend het realistisch-practische , het maatschappelijke en het historische moment van het recht. (Vgl . Ihering. Der Zweck im Recht. II . blz. 161. – S. Th . I. II.. q. 91. a. 2. ad 2 ; q. 93. a. 1 ; a. 3 ; 9. 96. a . 1 ; a. 4 ; S. C. G. I. III. c. 140 ; Sent. IV. dist. 33. a. 1. q. 1 . S. Th. I. II . q. 90. a . 2. c. en ad 1 ; a. 3 ; a. 4 ; q. 96. a. 1. c. en ad 2 ; a. 2 , 3 , 4 , 6 ; q. 97. a. 1. ad 3 ; a. 2. S. Th. I. II . q. 97. a. 1 , 2 , 4. ) II . De objectieve grond der zedelijkheid eener handeling is de verhouding der handeling tot het einddoel van het redelijk handelend wezen. (Vgl . blz. 50 v .) III . De verbindende kracht der wet bestaat in de zedelijke verplichting , die ze den onderdanen oplegt. De feitelijke mogelijkheid om door physieken dwang de nakoming bij onwil te verwezenlijken , is slechts eene secundaire eigenschap der positief menschelijke wet en rechten , door haar gewaarborgd of in het leven ge roepen. ( Vgl . blz. 81 , 124 vv. ) van de 170 IV. De oorzaak dier zedelijke verplichting is niet de men schelijke rede , maar de wil des Scheppers. (Vgl. " blz. 85 vv. ) V. De natuurwet is de onmisbare grondslag der stellige wet. (Vgl. blz. 126 vv. ) VI. De stellige wet is voor verandering vatbaar. Zij moet echter niet altijd veranderd worden , als ze door eene betere vervangen kan worden . ( Vgl. blz. 150–154.) VII. Volgens onze vigeerende wetgeving behooren publiek rechtelijke geschillen over eigendom , daaruit voort spruitende rechten en over schuldvorderingen , tot de competentie van de rechterlijke macht. VIII. Terecht beroept Heffter ( Das Europ. Voelkerrecht , blz. 4. noot. 1 ) zich bij de ontwikkeling van grondslag en sanctie van het volkenrecht op Fr. Suarez. ( Vgl. Suarez , De Legibus et Deo legislatore l . II. c. 19. nº. 9. ) IX . Er bestaat een volkenrecht , ook al is er geen wet gever en geen rechter voor , indezelfde mate als deze er zijn voor het privaat- en inwendig publiekrecht. 171 X. Dit volkenrecht is gedeeltelijk en wel in de eerste plaats natuurrecht. ( Vgl . blz. 119 vv. ) XI. Daarbij is er ook een positief volkenrecht , nl. de bepaling van dit natuurrecht door de stilzwijgende toe stemming der staten in de gewoonte , of de uitdrukke lijke toestemming in de algemeene tractaten . XII . De vraag of een bepaalde staat het stelsel van vrij handel of dat van bescherming moet volgen , is eene vraag van practische staatkunde. Voor de keuze tusschen beide stelsels voor een bepaalden staat is van geene kracht het argument: verdeeling van arbeid vordert ruilverkeer ; derhalve moet de staat, die de voordeelen van de verdeeling van arbeid in de hoogste mate wil genieten , dit ruilverkeer niet belemmeren . XIII. De verplichting der onderdanen om belasting te be talen naar hunne draagkracht , vloeit voort uit het recht der overheid van belastingen te heffen , en haren plicht deze te heffen rechtvaardig d . i . met inachtneming der * justitia distributiva. XIV. Het uitsluitend recht aan eene instelling , mits onder waarborgen en toezicht , verleend om bankbiljetten in omloop te brengen , deelt niet in de gewone nadeelen van het monopolie , maar is in ' t algemeen belang. 172 XV. De arbeiders hebben geen recht op een deel der winst , tenzij ten gevolge eener overeenkomst. XVI. In de verdeeling van het inkomen der maatschappij is , wat de arbeiders betreft, het loonstelsel het beste. In het aangaan der loonovereenkomst moet echter de werkgever geen misbruik maken van zijn gunstiger positie. XVII. Voor de oplossing der arbeiderskwestie is het noodig dat de werkgevers begrijpen , dat ze nog door een anderen band dan den financieelen met de arbeiders verbonden zijn . XVIII. Verzekeringsfondsen voor arbeiders zijn aan te bevelen . Het is echter af te keuren dat de staat voor een deel bijdraagt in die fondsen . XIX. De statistiek is de methode van waarneming en groe peering van verschijnselen , hoofdzakelijk in het maat schappelijk leven der menschen , welke verschijnselen van verschillende in verschillenden zin werkende in vloeden afhangen. 173 XX. Haar nut voor de verschillende wetenschappen bestaat hierin , dat ze door vergelijking het opsporen der oor zaken dier verschijnselen vergemakkelijkt. XXI. De regelmatigheid in de moraal-statistische gegevens levert geen bewijs op voor het determinisme. { STELLINGEN TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN Doctor in de Rechtswetenschap AAN DE RIJKS- UNIVERSITEIT TE UTRECHT NA MACHTIGING VAN DEN RECTOR-MAGNIFICUS Dr. J. A. C. OUD EMANS Hoogleeraar in de Faculteit der Wis- en Natuurkunde VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER UNIVERSITEIT TEGEN DE BEDENKINGEN VAN DE FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID TE VERDEDIGEN op Woensdag den 12den Februari 1890 , des namiddags ten 34 ure DOOR WILLEM HUBERT NOLENS geboren te Venloo I. Uit lex 13. § 11. D. 19 2. volgt niet , zooals Dernburg zegt (Pfandrecht I. $ 70 blz. 453) dat pandrecht voor eene nog niet bestaande verbintenis van af de vestiging rang kan hebben. II. Eene geldleening kan tegen den wil der obligatie houders niet worden afgelost vóór den termijn van aflossing in de voorwaarden der leening bepaald . III . Wanneer in geval van gecontinuëerde gemeenschap overeenkomstig art. 182 B. W. aan een minderjarig kind eene erfenis is opgekomen , valt deze in geen geval in de gemeenschap. IV. Voor de geldigheid der akte van hypotheekverleening is de onderteekening van den crediteur een vereischte. V. Hypotheek door een kooper verleend vóór de over schrijving der koopakte is nietig , en wordt niet geldig na de overschrijving der koopakte. 178 VI. Het rechtsinstituut van het wettelijk erfdeel dient in beginsel in onze wetgeving behouden te blijven . VII . Art. 87 K. verplicht in zich den expediteur niet om voor de verzending der aan hem toevertrouwde goede ren het snelste transportmiddel te kiezen. VIII . De algemeene rangschikking in geval van faillissement mag niet plaats hebben zoolang er nog inbare schulden ongeïnd zijn . IX, Een huisschilder is koopman voor zoover hij de voor zijn arbeid noodige verf levert. X. De beslissing eener rechtbank omtrent de voorgestelde wraking van een getuige in een getuigenverhoor ter terechtzitting gehouden , is niet vatbaar voor hooger beroep ! XI . Dit is evenmin het geval indien die beslissing ge nomen wordt door de rechtbank over de wraking van een getuige voor den rechter - commissaris voorgesteld en door dezen ter beslissing naar de rechtbank verwezen. 179 XII. Eene vordering tot ontbinding eener huurovereen komst . aangegaan tegen 50 fl. ' s jaars , met schade vergoeding beneden 200 fl ., anders dan ter zake van wanbetaling behoort tot de competentie der rechtbank. XIII. Door bedelen in het openbaar verstaat art. 432 Sr. ook zoodanig bedelen , dat van eene openbare plaats waarneembaar is . XIV . Overtreding van art. 444 Sr. kan niet worden ge pleegd door personen opgenoemd in art. 162 Sv. XV. Het plaatsen van eens anders handteekening onder een geschrift is niet te beschouwen als het valschelijk opmaken daarvan in den zin van art. 225 Sr. , wanneer dit geschied is met toestemming van dien ander. XVI. Verzet tegen den beambte van rijks- of gemeente politie , die in geval van ontdekking op heeter daad den verdachte aanhoudt ten einde hem gedurende den nacht opgesloten te houden , is niet strafbaar volgens art. 180 Sr. 180 XVII. Uit de toepasselijkverklaring bij art . 239 Sv. 0. a. van art. 177 op het geding in hooger beroep , volgt niet dat in laatstgemelde instantie moet worden voor gelezen het proces- verbaal der terechtzitting in eersten aanleg , indien op de daarin vermelde getuigenver klaringen in hooger beroep wordt recht gedaan . XVIII. Waar het Wetboek van Strafv. geen eigen regelen omtrent de verhaalbaarheid der kosten van de bij art. 202 omschreven vordering stelt , en dusdanige vordering tot het maken van andere dan de in art. 203. al. 1 Sv. genoemde gerechtskosten wettige aanleiding kan geven , brengt de burgelijke aard dier vordering mede toepasselijkheid van den algemeenen regel bij art. 56 Rv. voor de kosten van dergelijke eischen gesteld . XIX. De afwezigheid van een ambtenaar van het O. M. bij het uitspreken van een strafvonnis heeft nietigheid van dat vonnis ten gevolge. XX. Ten onrechte beroepen zich de voorstanders van algemeen stemrecht op art. 78 Gw. 181 XXI. Voor ons land is de Eerste Kamer eene instelling ( zonder grond en zonder doel ) ( Thorbecke, Bijdrage tot de herz. 1848.) XXII. Art. 73 Gw. vordert het recht van den Koning om de provinciale staten te ontbinden , zoo dikwijls deze ten gevolge eener ontbinding der Eerste Kamer , als kiescolleges moeten optreden. XXIII. De wijze waarop de leden van den gemeenteraad gekozen worden ( meerderheidstelsel) is in strijd met het doel van het vertegenwoordigend stelsel . XXIV. Art. 78 der Grondwet belet den volksvertegenwoor diger niet de belangen van zijn district in het bijzonder voor te staan . . Ontzuurd met Bookkeeper okt 1999




Unless indicated otherwise, the text in this article is either based on Wikipedia article "De leer van den H. Thomas van Aquino over het recht" or another language Wikipedia page thereof used under the terms of the GNU Free Documentation License; or on research by Jahsonic and friends. See Art and Popular Culture's copyright notice.

Personal tools