Algemeene geschiedenis  

From The Art and Popular Culture Encyclopedia

Jump to: navigation, search

De romans van Diderot behelzen ten deele zoo erge vuiligheden, dat er een hooge graad van zedelijke verdorvenheid toe noodig is , om daarvoor niet terug te beven. Wij gaan echter deze soort der schriften van Diderot geheel voorbij, en vertoeven slechts bij den roman , die , de non ( la religieuse )” ten titel voert. Deze roman behelst eene in den vorm van bekentenissen eener non ingekleede schildering van de verderfelijkheid der nonnenkloosters. Hij geeft eene op ondervinding rustende schets van het schreeuwende misbruik, dat de kerkelijke dwingelandij van haar gezag maakte, om door bijgeloof, werktuigelijke godsdienst en willekeurige behandeling de vrijheid enzelfstandigheidvan den geest te dooden. Met geschiedkundige trouw en waarheid , met treffende levendigheid en in eenen stijl, die , ten minste in het eerste deel, vrij is van de bij Diderot gewone ligtzinnigheid en slordigheid , wordt het kloosterleven van dien tijd op zulke wijze geschilderd , dat elk lezer, die eenig gevoel bezit, eenen toestand van kerk en staat verfoeijen moet , die het daar medegedeelde mogelijk maakte. In deze werking van den roman ligt dan ook zijne geschiedkundige waarde.

Maar wij mogen de andere zijde van het boek niet verzwijgen , die ken merkend voor den toon en den smaak der toenmalige voorname wereld is. In het tweede deel namelijk vervalt Diderot weder tot zijnen ligtzinnigen toon, en schildert zedelooze tooneelen van het kloosterleven met eene uit voerigheid , op eene aantrekkelijke wijze en eene opzettelijke prikkeling der zinnelijkheid, waarover zelfs een Juvenalis en Petronius ( z. D. IV. bl . 224 v. en 225 vv. ) zich schamen zouden. Het laatste is juist bij eenen man, als Diderot, zeer opmerkelijk. Hij vond namelijk geenen lust in het losbandige leven en de genietingen der hoogere kringen , waarin hij, de zoon van eenen ambachtsman, opgenomen. Hij gevoelde zelfs eenen ernstigen afkeer van de daar heerschende huichelarij, en keerde reeds lang voorzijnen dood daaruit tot het eenvoudige huiselijke leven terug. Vroeger had hij met de zedelooze verkeering,waarin hij toen deel nam , de bewondering voor die gestrengheid en uit gelezen kortheid van uitdrukking vereenigd, die aan de geschiedschrijvers en redenaarsuit de stoïsche school in den tijd der romeinsche keizers eigen was (z. D. IV. bl. 217 vv .), eene zamenvoeging van tegenstrijdigheden , die ook bij den romeinschen hekeldichter Persius ( z. D. IV. bl. 225 vv. ) en bij den tijdgenoot van Diderot, d'Alembert, voorkwam . Ten slotte willen wij nog kortelijk aanvoeren, dat de hevigste ontboezeming van Diderot over het bestaande regeringsstelsel eene eerst na zijnen dood gedrukte dithyrambe was, waarin hij alle mogelijke wetteloosheid predikt en met onzinnige woede,vja bijna met stellige razernij koningschap en geestelijkheid aantast.

{{Template}} Algemeene geschiedenis - (1858) by Friedrich Christoph Schlosser, vertaald door Dirk van Hinloopen Labberton

Full text Volume 9

ƏHOG C V SCHLASSER LUFFELD 30 Geschiedenis OOR KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK 0774 2445


1 F. C. SCHLOSSER'S WERELD - GESCHIEDENIS. 77-1147-27


JAVO champion Cowboy ALGEMEENE GESCHIEDENIS ONDER MEDEWERKING VAN G. L. KR I E G K , UITGEGEVEN DOOR F. C. SCHLOSSER, UIT HET HOOGDUITSCH VERTAALD DOOR D. VAN HINLOOPEN LABBERTON EN J. L. TERWEN. duthur مرنے کے برابر .مہرہ ZEVENTIENDE DEEL. VERTAALD DOOR D. VAN HINLOOPEN LABBERTON . ROTTERDAM, OTTO PETRI. 185 8 .

NIEUWE GESCHIEDENIS. IV. Geschiedenis der achttiende eeuw. (Vervolg ) XII. ENGELAND EN ZIJNE BETREKKING TOT EUROPA VAN 1778 TOT 1784. 1. BINNENLANDSCHE AANGELEGENHEDEN VAN ENGELAND EN ZIJN OORLOG TER ZEE MET FRANKRIJK EN SPANJE VAN 1778--1781. > Terwijl in Noord - Amerika de uitkomst van den oorlog reeds in 1781 onherroepelijk beslist werd , duurden niet slechts de onlusten in Engeland voort, maar de engelsche natie moest ook met twee europische mogendhe den eenen oorlog ter zee voeren , wiens loop minder belangrijk was voor Noord- Amerika, dan voor de ontwikkeling der europische betrekkingen. Daarom behoeven ook de verdere gebeurtenissen van den oorlog, dien de Noord - Amerikanen zelven , door Frankrijk en Spanje ondersteund, tegen Engeland voerden , slechts zeer beknopte vermelding. Daarentegen moeten wij onzen blik vestigen op de binnenlandsche aangelegenheden en op de pogingen der zeemogendheden van het vaste land van Europa, om een einde te maken aan het door Engeland tot hiertoe uitgeoefend zeeregt. In Engeland ging het ministerie North , zonder acht te slaan op de vijandige stemming der natie, op zijnen ouden weg rustig voort. Het liet zelfs, midden in den loop van eenen kostbaren oorlog, door zijne aanhan gers in het parlement tweemaal ( 1777 en 1778) het inkomen der kroon belangrijk verhoogen . Vergeefs streden Chatham, Fox, Burkeenanderen tegen een ministerie, dat met ijzeren volharding te werk ging en in zijnen aanhang onder de groote familien eenen vasten steun bezat. Eerst toen het aan overwinning en voordeel gewende engelsche volk de eene vernede ring na de andere onderging, werd het aan hen , die het hof vijandig, wa ren, mogelijk, langzamerhand grooteren invloed te verkrijgen en eindelijk het gehate ministerie omver te werpen. De strijd tusschen ministerie en oppositie werd het hevigst in den tijd, toen Frankrijk een verbond met Noord - Amerika sloot ( februarij 1778 ), en daardoor met Engeland in oor XVII. 1 2 Nieuwe Geschiedenis. log geraakte. Lord Chatham vooral tastte de ministers toen met geheel matelooze hevigheid aan ; hij stierf echter op den 11 mei 1778 , nadat hij reeds lang door ziekte geteisterd was en slechts op krukken steunende in het hoogerhuis had kunnen verschijnen. Toen hij daar op den 7 april voor het laatst optrad , was zijne gezondheid reeds zoo verwoest , dat hij niet meer dan met zwakke stem enmet afgebroken zamenhang de gedach ten spreken kon en, toen hij geëindigd had, voor dood in zijnen zetel ne derzonk. De Engelschen begonnen intusschen ter zee den oorlog met Frankrijk . Het eerste voorname gevecht viel voor op den 27 julij 1778 bij Ouessant. Dit gevecht had wel, omdat het niet beslissend was, op den loop van den oorlog geenen invloed; maar het was zoo veel te belangrijker voor de in wendige geschiedenis der twee staten . In Engeland maakte men het na melijk den koning en zijn gehaat ministerie tot verwijt , dat niet , zoo als men gewoon was, terstond in het begin van den oorlog overwinningen be vochten werden ; en toen de ministers, om de schuld van zich af te wer pen , den bevelvoerenden admiraal Keppel voor eenen krijgsrand bragten, sprak deze hem op de meest eervolle wijze vrij, waardoor vervolgens de stemming tegen de ministers nog verbitterder en hun toestand nog moeije lijker werd. In Frankrijk werd het gevecht bij Ouessant even zeer voor koningin Maria Antoinette en den later als Philippus Egalité berucht geworden hertog van Orleans, die toen nog hertog van Chartres heette, verderfelijk. De laatste had als bevelhebber in naam over een smaldeel aan dat gevecht deel genomen, maar hij had zich , zoo als men ten minste algemeen geloofde, zoo lafhartig gedragen, dat hij de zeedienst weder ver laten moest. Deze opentlijke krenking van den jongen hertog werd aan den haat der koningin toegeschreven, die men ongelukkig in alles mengde. Ook bewerkte zij allezins , dat haar gunsteling , de graaf van Artois , de waardigheid van groot-admiraal van Frankrijk kreeg , waarnaar de hertog van Chartres gestaan had . In Engeland was de haat tegen het ministerie zoo groot, dat in spijt van de nadeelen , die de fransche vloten in Noord-Amerika , in West- en Oostindie leden , de voortreffelijkste admiralen weigerden om het opperbe vel te aanvaarden , zoo lang lord Sandwich het zeewezen bestuurde. In den zomer van 1779 kreeg Engeland ter zee eenen nieuwen vijand. Het gelukte den Franschen toen namelijk , om den spaanschen koning Karel III, in spijt van zijnen grooten tegenzin tegen de Noord - Amerikanen en hunne republikeinsche denkbeelden , tot deelneming in den oorlog te be wegen. De engelsche heerschappij ter zee geraakte daardoor in grooter gevaar, dan zij zich op eenig ander tijdstip der achttiende ceuw bevond; want de spaansche zeemagt, die zich thans met de fransche vereenigde, was door Karel III op gelijke sterkte met de laatste gebragt, en de en gelsche was toen juist in verschillende zeeën verspreid. De vijandelijke vloten bedreigden Engeland zelf dan ook in junij met eene landing, en al leen de oneenigheid der twee bevelhebbers bewaarde, toen zij in augustus voor Plymouth verschenen, de Engelschen voor de vernieling hunner kost bare werven en tuighuizen . In het volgende jaar ( 1780) was het lot den Engelschen gunstiger, maar daarentegen hadden zij van binnenlandsche onlusten te lijden. Bij eene acte van het parlement was namelijk in 1778 een gedeelte der wrcede - Engeland Oorlog wegens Noord - Amerika 1778 – 79. straf bepalingen , die men onder Willem III tegen de katholieken uitgevaar digd had, opgeheven. Later wilde men deze verzachting eener dweepzieke wet ook tot Schotland uitstrekken , maar hier verhief zich het schuim der puriteinen onder de leus : „ geen pausdom (no popery) !” daartegen, en wel dra plantte zich de beweging naar Engeland over. Een onzinnige geest drijver, sir George Gordon, stelde zich aan het hoofd der beweging en hitste de woedende menigte der bevooroordeelden niet slechts tegen de katholie ken aan, maar ook tegen het parlement , waarvan bij lid was. Daardoor kwam het vervolgens omtrent denzelfden tijd , toen een amerikaansche ka per, Paul Jones, de britsche kusten verontrustte, tot veel erger gewelde narijen , dan die der jaren van 1763 tot 1775 geweest waren. Het gemeen van Londen en vele duizend blindgeloovige Schotten , die naar de hoofd stad des rijks gekomen waren , grepen , toen het parlement hunne eischen niet inwilligde, op aandrijven van Gordon naar de wapenen. Zij verniel den de katholieke kapel van twee gezanten en de huizen der voornaamste katholieken, benevens van die protestanten, die de verdraagzaamheid voor gestaan hadden. Zij zetteden de gevangenissen der hoofdstad open en ele honderden van zware misdadigers verspreidden zich brandend en plunde rend door de stad. Deze was weldra in de magt van het dolzinnigste ge meen, zij brandde op zes en dertig plaatsen , geleek eene met storm ver overde vesting en werd met den volslagen ondergang van hare welvaart bedreigd. Een ooggetuige beweert regtstreeks,dat zelfs op geen tijdpunt der fransche omwenteling de stad Parijs eene dergelijke mishandeling on dergaan heeft. Daar het parlement om den toestand der hoofdstad zijne zittingen gedurende dertien dagen had moeten schorsen , kondigde de ko ning, steunende op een regtsgeleerd adres van den procureur-generaal, de krijgswet af, waarbij hij den moed had, om dit te doen zonder de medeonder teekening van eenen minister, of met andere woorden, op zijne eigene ver antwoordelijkheid. Een vreeselijk bloedbad was het gevolg van dezen stap. Tusschen het volk en de soldaten werden geregeldegevechten geleverd en meer dan duizend menschen kwamen daarbij om het leven . Toen de woe dende menigte door de soldaten overwonnen was, bleef de bewerker van die geheele verwarring, Gordon , ongestraft, terwijl de door hem op het dwaalspoor gebragte geestdrijvers deze met hun leven moesten boeten. Een gebrek in den vorm der acte van beschuldiging had bij de eigenaardige inrigting van de engelsche regtspleging ten gevolg, dat Gordon moest vrij gesproken worden . In dit voor de stad Londen rampspoedige jaar had het engelsche mi nisterie, dat met alle oude admiraals in spanning was , het geluk, dat de bekwaamste engelsche zeeman , Rodney , het bevel over eene naar West indie bestemde vloot op zich nam. Hem werd tevens de last opgedra gen , om voorraad en versterking naar het met eene belegering bedreigde Gi braltar te brengen. Rodney was op zijne vaart bijzonder voorspoedig. Vooreerst trof het , dat eene vereenigde fransche en spaansche vloot, die te Brest lag, niet zeilree was en hem derhalve niet volgen kon. Vervol gens ontmoette hij toevallig een aanzienlijk aantal spaansche transportsche pen, die hij nam . Daarna had hij het geluk, dat de twee spaansche smal deelen, die hem vereenigd hadden moeten aantasten, door ongunstig weder van elkander gescheiden werden , en dat hij met zijne dubbel zoo sterke vloot het eene bij kaap St. Vincent ontmoette. In den slag, daar geleverd, 1 Nieuwe Geschiedenis. leden de Spanjaarden, in spijt hunner betoonde dapperheid , zulk eene ne derlaag, dat al hunne schepen op vier na genomen en vernield werden. Na deze overwinning stevende Rodney eerst naar Gibraltar en vol bragt daar volkomen denhem opgedragen last. Vervolgens zeilde hij naar de Westindien. Daar trof hij ook den franschen admiraal Guichen aan, nog voor deze zich met de verwachte spaansche vloot vereenigd had. Gui chen ontweek wel is waar lang een beslissend gevecht , maar het gelukte den engelschen admiraal toch eindelijk, hem tot een gevecht te noodzaken. Dit gevecht was trouwens niet beslissend, en Rodney klaagde derhalve luid over het engelsche ministerie, dat de zeeofficieren niet naar verdienste en bekwaamheid, maar naar partij, bloedverwanschap en invloed aanstelde. De vereeniging der spaansche en fransche vloot had later wel plaats; maar het klimaat, slechte verzorging en besmettelijke ziekten maakten het den Fran schen en Spanjaarden onmogelijk , hun eigentlijk oogmerk , de verovering van Jamaica , te bereiken. Guichen keerde derhalve in julij naar Europa terug. Engeland was alzoo in het jaar 1780 ter zee onoverwonnen geble Maar daarentegen had het groot verlies geleden aan geld en koop vaardijschepen . Bovendien was in augustus eene sterke engelsche vloot, die krijgsbehoeften naar Oost- en Westindie brengen moest, door den spaan schen admiraal Lodewijk van Cordova genomen , en nagenoeg op hetzelfde tijdstip hadden de Amerikanen veertien schepen eener naar Canada be stemde - vloot weggekaapt. Al deze ongevallen werden aan het engelsche ministerie te last gelegd , hoewel zij voornamelijk veroorzaakt werden door eenen ongunstigen loop der omstandigheden . ven. 2. HET VERBOND DER GEWAPENDE ONZIJDIGHEID IN DE ZEEOORLOGEN TUSSCHEN ENGELAND , FRANKRIJK , HOLLAND EN SPANJE TOT HET JAAR 1782. In het jaar 1780 nam de oorlog geheel onverwacht eene nieuwe wen ding, omdat de onzijdig geblevene zeemogendheden zich onderling tot eenen stap verbonden, die deengelsche heerschappij ter zee ernstig scheen te be dreigen.. Er werd namelijk het verbond der zoogenoemde gewapende on zijdigheid gesloten , waardoor het zeeregt der Engelschen, of de door' hen ter zee gehandhaafde magt, vernietigd moest worden. De opwekking tot dit verbond ging van Rusland uit. Keizerin Catharina II was den Engel schen wel genegen en onderhandelde zelfs met den engelschen gezantHai ris, later_lord Malmsbury, over eene naauwere vereeniging tusschen Enge land en Rusland , maar zij werd door haren minister van buitenlandsche zaken, graaf Panin, daardoor misleid , dat hij haar dit verbond voorstelde als eene zaak, die niet slechts voordeelig voor Engeland was , maar ook haar zelve het aanzien en den roem verleenen zoude, dat zij de bescherm ster der zwakken was. Catharina gaf derhalve hare goedkeuring , en op den 26 februarij 1780 werden alle onzijdige zeemogendheden uitgenoodigd, om in verbond met Rusland het beginsel : „ vrij schip, vrij goed! ” als zee regt te doen gelden en de oorlogvoerende mogendheden tot de erkentenis daarvan te dwingen. Volgens dezen regel zouden de onzijdige schepen niet alleen alle koopwaren , behalve werkelijke krijgsbehoeften, naar de in oorlog zijnde landen mogen brengen , maar eene haven zoude ook dan slechts als geblokkeerd beschouwd worden, als het binnenloopen door oor Holland ten tijde van Willem V. 5 logschepen werkelijk belet werd. Frankrijk en Spanje erkenden dit door Rusland ingevoerde regt der onzijdigen terstond. Engeland zoude het gaarne verworpen hebben, maar het zoude ook daardoornog met Rusland in oorlog geraakt zijn. Het hielp zich derhalve op eene andere wijze. De engelsche regering erkende namelijk ook wel van hare zijde het russische verbond van onzijdigheid, en zag het bedaard aan, dat achtervolgens alle onzij dige zeemogendheden daartoe overgingen , maar zij zorgde, dat Holland van de deelneming terug gehouden werd, omdat deze staat alléén door zijne talrijke schepen en groote kapitalen bij magte zou geweest zijn , om zulk een regt der onzijdigen in toepassing te brengen, en omdat de Hol landers tevens onder de bescherming daarvan den engelschen handel aan zich trekken konden. Ook gelukte het in der daad aan de engelsche mi nisters, om door hunne kuiperijen de toetreding van Holland tot het ver bond van onzijdigheid zoo lang te beletten , tot dat men een voorwendsel tot oorlogsverklaring gevonden had. Deze omstandigheid is het derhalve volstrekt alleen , die aan het verbond der gewapende onzijdigheid eenige beteekenis gegeven heeft ; want op zich zelf was en bleef het, even als zoo menig ander diplomatisch ontwerp , slechts een voorbijgaand verschijnsel. Wij moeten derhalve ook eerst eenen blik op den toestand en de inwen dige geschiedenis van de zeven provincien der Vereenigde Nederlanden werpen. Het stadhouderschap in deze bondgenootschappelijke republiek be kleedde toenmaals in naam Willem V van Oranje, maar in der daad diens ons reeds bekende opvoeder en raadsman, hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk (z. D. XVI. bl . 163 en 281 ) . Deze had, toen de jeugdige prins in 1766 meerderjarig geworden was, hem tot een bloot werktuig ge maakt , of veeleer zich zelven regtstreeks in zijne plaats gesteld. Hij had namelijk den prins bewogen, om met hem eene overeenkomst, de zoogenoemde acte van consultatie, te sluiten , waarbij de prins zich verbond , om in alle staatszaken den raad van zijnen vroegeren voogd te volgen. Dit geheel onwettig verdrag werd wel geheim gehouden , maar men bespeurde uit de betrekking, waarin prins Willem ook verder tot den hertog stond, de aan wezigheid van zulk eene overeenkomst. Daardoor werd derhalve de ver bittering tegen den hertog, wiens geheel beleid der zaken tot hiertoe mis noegdheid had verwekt, verhoogd en de partij, die tegen Oranje was , of, zooals men die in de Nederlanden noemde, de patriottische partij tot groo ter aanzien en invloed vloed gebragt.. Deze partij, die het gezag den erfstad houder zocht te ontrukken en dit aan de algemeene staten, zoo wel als aan de staten der bijzondere provincien trachtte te brengen, was zeer gevaarlijk voor het huis van Oranje, omdat niet alleen de rijkdom , maar ookde regerings ambten allerwegen in hunne handen waren. Het magtigste was zij in de provincie Holland, vooral in de stad Amsterdam , die door haren rijkdom en door de uitgestrektheid van haren handel alle andere steden ver over trof en niet slechts in de provinciale staten , maar zelfs in de algemeene staten grooten invloed had. De oranjepartij bestond uit de hollandsche ridderschap en uit die provincien, waar, zoo als in Zeeland en Gelderland, groote bezittingen van het huis van Oranje lagen. Bovendien hing de groote hoop bijna overal den erfstadhouder aan. Deze twee partijen volg den wat voor den loop der algemeene geschiedenis het belangrijkste punt is – eene geheel tegenover gestelde buitenlandsche staatkunde. De Nieuwe Geschiedenis. en regeringspartij hield zich naauw aan Engeland, omdat zij in de met het huis van Oranje vermaagschapte engelsche koninklijke familie eenen steun zocht en vond tegen de patriotten; de laatstgenoemden daarentegen waren altijd den Franschen toegedaan en geneigd tot een verbond met hen , ook met de Amerikanen . Het wederzijdsch wantrouwen der twee nagenoeg even magtige par tijen verlamde de kracht der regering en maakte, dat zelfs hare wijste bedoelingen en ontwerpen mislukten. Men kon het over geenen enkelen krachtigen maatregel eens worden , en liet zelfs de land- en zeemagt ver vallen , omdat de stadhouder aan het hoofd van het geheele krijgswezen stond, en elke versterking van het leger of de vloot zijne magt vergrootte. Bij dit kwaad voegden zich nog andere . De rijken en grooten des lands hadden sedert het midden der zeventiende eeuw de eensgezindheid en be langeloosheid, zonder welke geene bondgenootschappelijke republiek in stand kan blijven, geheel verloren . Zij hadden voorts door hunne eigenbaat, door hunne onophoudelijke tweedragt en door hunne kleingeestige staatkunde de republiek der Nederlanden verachtelijk gemaakt. Bovendien was eene vaste , zich gelijk blijvende en krachtvolle regering niet alleen onmogelijk wegens de aangeboren langzaamheid en bedachtzaamheid der Hollanders, maar zij werd ook bemoeijelijkt door de ingewikkelde vormen en betrek kingen eener bondgenootschappelijke republiek, waar steden als Amsterdam en geheele provincien van de algemeene staten of de hoogste uitvoerende magt zelfs zoo onafhankelijk waren, dat zij verdragen met vreemde staten sluiten konden , zonder die ook slechts aan de algemeene staten mede te deelen. Eindelijk werd de partij haat en de tweedragt nog daardoor ver sterkt, dat de eens zoo bloeijende koophandel van Holland en zijne magt ter zee grootendeels op Engeland overgegaan waren , want men schreef dit onheil, dat een gevolg was van de veranderde staatkundige omstandigheden en betrekkingen, aan de regering toe. Zelfs het verval van de land- en zeemagt weet men aan de stadhouderlijke regering, hoewel zij dat altijd had getracht te verhoeden , en hare pogingen alleen afgestuit waren op den naijver en de karigheid der bijzondere provincien en der stedelijke overheden. Onder deze omstandigheden was het geheel natuurlijk, dat Holland in zijne staatkundige betrekkingen altijd meer benaauwd en benadeeld werd. De Engelschen veroorloofden zich tegen de Hollanders zelfs werkelijke willekeurigheden en schendingen der bestaande verdragen. Dit was reeds in den zevenjarigen oorlog geschied, daar de engelsche regering toen elk jaar eene menigte hollandsche schepen volstrekt onregtvaardig voor goeden prijs verklaard had. Nog erger waren de Engelschensedert het begin van den noord-amerikaanschen oorlog tegen Holland te werk gegaan.. In het voorjaar van 1780 verklaarden zij zelfs een honderd jaren vroeger ( 1674) gesloten verdrag van scheepvaart , dat den Hollanders in den oorlog van Engeland met andere staten zekere voorregten toekende, geheel willekeurig voor opgeheven . Daardoor werd Holland beroofd van devoordeelen zijner onzijdigheid , en zijn handel kwam in gevaar van geheel verval. Thans zoude het derhalve noodzakelijk geweest zijn , om zich zoo spoedig en zoo krachtig mogelijk ten oorlog te rusten of zonder verzuim toe te treden tot het door Rusland voorgestelde verbond van onzijdigheid. Maar het eerste stonden de algemeene staten niet toe, daar zij uit bekrompenheid en omdat Engeland. Oorlog wegens Noord - Amerika 1781. 7 zij hun vertrouwen op Frankrijk stelden, de vergrooting van het leger wei gerden en ten aanzien der vloot slechts eene vermeerdering van twee en dertig schepen inwilligden. Het andere werd door hertog Lodewijk Ernst en door de sedert 1767 met Willem V gehuwde prinses Frederica Sophia Wilhelmina, eene zuster van Frederik Willem II van Pruisen , in het ver trouwen op Engeland en om het te ontzien zoo lang uitgesteld, tot dat het te laat was. Toch lag de schuld van het laatste ook aan de langzaamheid, waarmede in Holland alle zaken behandeld werden. De Engelschen ver kregen daardoor tijd en gelegenheid, om Holland den oorlog te verklaren. Deaanleiding daartoe ontleenden zij aan de omstandigheid , dat zij uit de papieren van een in 1780 genomen noord- amerikaansch schip de schriftelijke bewijzen in handen kregen van een geheim handelsverdrag , dat de stad Amsterdam in 1778 met Noord -Amerika gesloten had. De engelsche oor logsverklaring was van den 20 december 1780 gedagteekend. De Hollan ders hadden wel reeds op den 20 november besloten toe te treden tot het verbond van onzijdigheid ; maar het berigt daarvan kwam eerst op den 24 december naar Petersburg, en dit werd door de den Engelschen genegene keizerin Catharina gebezigd, om te verklaren , dat Holland op den laatst genoemden dag niet meer onzijdig geweest was en derhalve in dat verbond niet kon opgenomen worden. In den zeeoorlog, dien Engeland in 1781 te gelijk met Frankrijk, Spanje en Holland voeren moest, vertoonde zich een groot verschil in de handelwijze der Engelschen en Franschen. De eersten, altijd slechts op hun eigen voordeel bedacht, gingen als zeeroovers tegen de Nederlanders te werk, die tot hiertoe bijna voortdurend hunne trouwste vrienden geweest waren ; de Franschen daarentegen gaven den Nederlanders, nog vóór dat zij door een verdrag met hen verbonden waren, belangeloos en edelmoedig het hun ontroofde terug , nadat zij zelven het door gelukkigen strijd aan de Engelschen weder ontrukt hadden. Op dezelfde edele en belangelooze wijze gedroegen de Franschen zich jegens Noord - Amerika ; zij vergoten, weggesleept door de in hun midden heerschende geestdrift, hun bloed voor vreemde vrijheid, en staken zich ter wille der Noord - Amerikanen in schul den , zonder dat zij daarbij iets hoegenaamd voor zich zelven bedongen. Deze geheel verschillende handelwijze der twee voornaamste zeemogendheden is de belangrijkste zijde van den oorlog ter zee in het jaar 1781. De Engelschen namen, nog vóór dat zij hunne oorlogsverklaring tegen Holland uitgevaardigd hadden, vele hollandsche schepen weg. Later gingen hunne admiraals Rodney en Vaughan tegen de Hollanders en zelfs tegen hunne eigene landgenooten te werk met deonbeschoftheid en roofgierigheid, waarmede in de achttiende eeuw de engelsche landvoogden Clive en Warren Hastings in Oostindie , en in den laatsten tijd Bonaparte en zijne maar schalken te werk gegaan zijn. Rodney en Vaughan bezetten in februarij 1781 het westindische eiland Eustatius, de stapelplaats van den hollandsch amerikaanschen handel, veroverden bij deze gelegenheid meer dan drie hon derd schepen der vijanden , en veroorloofden zich , hoewel het eiland bij verdrag in hunne handen gekomen was , de hardste en wreedste afpersin gen. Ja, zij maakten zich zelfs meester van het goed van engelsche koop lieden, spotten met de klagten, die Burke en anderen daarover in het parle ment tegen hen inbragten , en beantwoordden de bedenkingen van britsche ambtenaren met de smadelijk onbeschofte taal, die soldatendwingelanden Nieuwe Geschiedenis. altijd bezigen. Later volbragten de Franschen onder de Grasse en den markies de Bouillé roemrijke ondernemingen ter zee; en toen het den laatst genoemde in november gelukt was, om het eiland St. Eustatius weder aan de Engelschen te onttrukken, gedroegen zich de Franschen, geheel onder scheiden van Rodney en Vaughan, niet als roovers, maar als ridders. Zij lieten aan de gevangen engelsche officieren hun bijzonder eigendom be houden , en besteedden den gemaakten buit tot schadeloosstelling van de vroeger door Rodney en Vaughan beroofde inwoenrs. In dit jaar ( 1781 ) moesten de Hollanders de gevolgen hunner twee dragt ondervinden en boeten voor de bekrompenheid en karigheid, die hen hunnen stadhouder de genoegzame middelen tot oorlogvoeren had doen ont houden. De hollandsche volkplantingen Suriname, Demerary en Essequebo moesten zich omstreeks dezentijd , omdat Holland noch oorlogschepen, noch troepen naar Westindie had kunnen zenden, aan de Engelschen overgeven. Zij werden wel in het begin van het volgende jaar door de Franschen weder veroverd ; maar daarentegen werd den Hollanders in Oostindie de eene vestiging na de andere ontrukt, en zij verloren toen als eene van vreemde gunst afhankelijke natie het laatste overblijfsel van hun vroeger aanzien. Zelfs op de Oostzee konden zij geenen handel meer drijven, omdat hunne havens door de Engelschen bewaakt werden. Ook het eiland Ceylon en de Kaap de goede hoop zouden zij verloren hebben , als de fransche ad miraal beiden niet gered had. Door al deze gevaren en verliezen werd de verbittering tegen den hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk verhoogd, wien men als vreemdeling van alles de schuld gaf. In het jaar 1782 vochten de Franschen in het begin wel gelukkig in de westindische wateren , maar kort daarna verkregen de Engelschen daar weder het overwigt. In Europa kwam het op den 5 augustus tusschen de hollandsche vloot en een engelsch smaldeel tot het bloedigste gevecht, dat in den geheelen oorlog geleverd werd. Dit gevecht viel in de Noordzee bij Dogversbank voor. Het bleef onbeslist en eindigde daarmede, dat beide vloten buiten staat waren, zee te houden ; maar de Hollanders werden, om dat zij onoverwonnen uit den strijd gekomen waren , met nieuwen moed bezield en verheerlijkten op allerlei wijze de vlootvoogden , die in dezen slag het bevel gevoerd hadden. Daarentegen klaagden de hollandsche ad miraals luid over de allezins dubbelzinnige voorschriften , die hun door de erfstadhouderlijke regering gegeven waren . Hyde Parker, die het bevel over de engelsche vloot in dien slag gevoerd had , uitte dezelfde klagten over zijne regering, ofschoon ook hij in Engeland als overwinnaar geprezen werd. 3. ENGELAND EN DE NOORD - AMERIKAANSCHE OORLOG VAN HET EERSTE OPTREDEN VAN DEN JONGEN PITT TOT DEN VREDE VAN VERSAILLES. In Engeland had de loop, dien de oorlog nam , eenen voor lord North zeer ongunstigen indruk gemaakt. Dit bleek zoo wel in de laatste zittin gen van het in september 1780 ontbonden parlement, als ook vooral in het nieuwe parlement, dat in october van hetzelfde jaar geopend werd. In het laatste was ondanks alle pogingen , door lord North en zijne ambtge nooten aangewend, de oppositie sterker dan in het vorige. Tot die tegen standers in het nieuwe parlement behoorden twee mannen, die in 1780 voor Engeland. Het 9 eerste optreden van Sheridan en den jongen Pitt. het eerst optraden, en voor Engeland, zoo wel als voor Europa in het al gemeen, eene groote staatkundige beteekenis verkregen. Deze mannen waren Sheridan en de derde zoon van lord Chatham , William Pitt de jonge. Beiden verschilden onderling zeer ten aanzien van begaafdheid , karakter en rigting, en beoogden vanhet begin af, hoewel beiden toen tot de op positie behoorden, met hunne pogingen een geheel verschillend doel. Ook hadden beiden in den loop van hun leven een geheel verschillend lot. Sheridan , die ook als dichter en schrijver grooten naam maakte , onder scheidde zich slechts als vernuftig , vurig en bevallig redenaar , maar was niet geschikt voor staatsman en diplomaat; hij sloeg op zijne staatkundige loopbaan denzelfden weg in als Fox, en bleef zich als deze tot aan zijnen dood gelijk. Pitt daarentegen was tot diplomaat geboren en opgevoed ; hij regelde zijne handelwijze altijd naar de omstandigheden, had altijd een zuiver staatkundig doel voor oogen en liet zich daarvan door geene beden king af brengen . Daarenboven verloor bij nooit de rust, bezadigdheid, ernst en matiging, en sprak met versmading van alle woordenpraal steeds alleen tot het verstand. Sheridan stortte zich eindelijk door ongebondenheid , vooral door dronkenschap, in nood en ellende ; Pitt daarentegen stierf in het volle genot der koninklijke magt, die van het begin af het doel zijner pogingen was, en die hij in 1784 verkregen had. Het verschillend karakter dezer twee mannen bleek reeds terstond bij hun eerste optreden. Beiden voegden zich bij de oppositie, wier aanvoer ders Rockingham en Shelburne toen waren. Maar Sheridan begaf zich werkelijk in hunne dienst ; Pitt daarentegen gebruikte van het begin af de oppositie alleen tot zijn eigen doel. Pitt spaarde reeds in zijne eerste rede den door Fox mishandelden koning en zijn hof, omdat hij zijne ei gene heerschappij op den naam des konings vestigen wilde. Hij rigtte zijne redevoeringen toen reeds zoo in , dat hij later niet, gelijk Burke, met zich zelven in tegenspraak kwam. Sheridan koos tot onderwerp zijner eerste rede in het parlement het moorddadig gebruik, dat men in de muiterij van Gordon op bevel des konings van de troepen gemaakt had , hoewel Fox drie maanden vroeger voor dezelfde zaak slechts weinig gehoor gevonden had ; hij beval zich derhalve terstond alleen als vrijzinnig redenaar aan , maar niet als staatsman. Pitt daarentegen koos bij zijn eerste optreden niet alleen het juiste oogenblik, maar ook het regte onderwerp; de uitkomst was derhalve bij hem geheel anders, dan bij Sheridan . Pitt opende name lijk zijne loopbaan in het parlement met eene rede, waarin hij het door Burke gedane voorstel, om de verkwisting der openbare gelden te keer te gaan en het koninklijke inkomen beter te regelen , alleen zoo verdedigde en ondersteunde, dat hij later niet belet werd, om juist het tegendeel te doen van hetgene hij toen gesproken had.. Elk was verbaasd , toen een jong mensch van twee en twintig jaren reeds in zijne eerste redevoering meer practische en degelijke, dan schitterende en verblindende bekwaamheden aan den dag legde ; maar niemand vermoedde , wat thans in zijne toenmalige redevoeringen gevonden kan worden, dat hij, hoewel met Fox eene en dezelfde zaak verdedigende, toch den persoon des konings spaarde, om later de aristocratie der rijken door den troon te kunnen beschermen . Reeds in den herfst van 1781 vereenigde zich met Pitt een groot aan tal parlementsleden , die wel het ministerie North wilden doen vallen , maar niets van het bestaande veranderen . De vereenigde oppositie bestond op > 10 Nieuwe Geschiedenis. 2 dat tijdstip uit twee in gevoelens en beginselen verschillende afdeelingen, namelijk uit den aanhang van Shelburne, waartoe ook Pitt en de vroegere partij van zijnen vader behoorde, en uit de aanhangers van Rockingham , waaronder Fox en Burke de beroemdsten waren. Beide deelen der aristo cratie waren tot den val van het ministerie onderling vereenigd en bestre den het van het najaar van 1781 tot in maart 1782 op allerlei wijze. Zij vielen eerst, schrander gebruik makende van de in Amerika ondergane te genspoeden, het in zijne bijzondere leden aan. Reeds in januarij 1782 ge lukte het hun , den minister van kolonien , lord Germain, tot aftreden te noodzaken. Deze werd toen, zonder te letten op den tegenstand van vele pairs, onder den titel viscount Sackville tot pair verheven ( z. D. XVI. bl . 197 vv. ) . De aanvallen der oppositie tegen den bestuurder van het zee wezen, lord Sandwich, die even gehaat en onbekwaam was , als lord Ger main, mislukten wel , omdat die even als het hoofd van het ministerie een stalen voorhoofd bezat ; maar de geringe meerderheid , waarmede het par lement de tegen hem ingebragte aanklagt verworpen had, bewees reeds, dat altijd meer leden der ondergaande zon van lord North den rug toe keerden. Zelfs lord North verloor reeds acht dagen vóór het begin der zesmaandelijksche schorsing van het parlement, waarin hij zich nog had kunnen staande houden, den moed , en waagde het niet langer den storm het hoofd te bieden. Hij diende op den 20 maart zijn ontslag in . Nu zag koning George III zich verpligt, om zijne ministers uit de bij hem zoo gehate oppositie te verkiezen . Dit viel hem dubbel smartelijk, omdat hij steeds de zaak van het ministerie North tot eene persoonlijke aangelegenheid gemaakt had, en omdat voor het grootste gedeelte het der oppositie niet om eene bloote verandering van ministerie , maar om eene geheele hervorming der sedert den dood van George II bestaande inrigting der regering te doen was. De persoonlijke invloed van den koning en zijne handlangers op de zaken moest namelijk geheel opgeheven en de koning daarom zelfs genoodzaakt worden, om de mannen van zich te verwijderen , die sedert lang zijnen gezelschapskring uitmaakten en hem persoonlijk lief waren geworden. Deze krenking, zoo wel als de intrekking der geldelijke begunstigingen , die zijne vrienden genoten, moest George III zich werkelijk laten welgevallen, toen hij gedwongen werd, om uit de leden der oppositie een nieuw ministerie te vormen . Hij kon zich bij zijne keus niet tot Shel burne en zijne aanhangers bepalen, die zoo weinig mogelijk van den ouden weg, wilden afwijken, maar hij moest naast hen ook Rockingham, Sheridan, Burke, Fox en andere gedeeltelijk door hem doodelijk gehate mannen als ministers aannemen , omdat Shelburne zich niet sterk genoeg gevoelde, om zonder hen den staat te besturen. De nieuwe ministers hadden tot nu altijd in het parlement voor de erkenning der onafhankelijkheid van Noord- Amerika gesproken. Zij moesten derhalve terstond in overeenstemming met dit gevoelen stappen doen tot herstel van den vrede. Maar hunne voorslagen werden door de vijanden niet aangenomen, omdat de patriottische partij in de Nederlanden de over hand bekomen had, en omdat het krijgsgeluk den Engelschen toen nergens gunstig was. Alleen in Westindie, waar al de engelsche eilanden behalve drie verloren waren , bezorgde eene schitterende overwinning van Rodney het overwigt weder aan de Engelschen. Toen daar namelijk de voornaamste bezitting der Engelschen, Jamaica , met eene landing der Franschen en Engeland. Oorlog wegens Noord - Amerika 1782. li Spanjaarden bedreigd werd, trachtte Rodney tot elken prijs de vereeniging der beide vijandelijke vloten te beletten. Hij leverde den franschen admi raal de Grasse oerst bij het eiland Dominique eenen slag , die niet beslis send was. Vervolgens dwong hij hem op den 12 april onder omstandig heden, die voor de vijanden ongunstig waren, tusschen Guadeloupe en Do minique tot eenen tweeden zeeslag . In dit gevecht behaalde Rodney door eene stoute daad eene volkomene overwinning. Hij brak namelijk met al zijne schepen door de vijandelijke linie, scheidde deze daardoor in twee deelen, en bragt den vijanden, hoewel zij den strijd nog vele uren lang met groote volharding voortzetteden, zulk eene nederlaag toe, dat zij acht linie schepen en zeven duizend man landingstroepen verloren , terwijl het verlies der Engelschen van geene beteekenis was. De Grasse zelf geraakte na dapperen tegenstand in gevangenschap. De overwinning van Rodney was naauwelijks als eene vergoeding te beschouwen voor het eiland Minorca, dat Engeland twee maanden vroeger verloren had . De spaansche koning Karel III had van het begin af het plan in het oog gehouden, om de Engelschen weder uit hunne beide be zittingen op spaanschen bodem , Minorca en Gibraltar te verdrijven , die zij in het begin der eeuw verkregen hadden (z. D. XVI. bl . 11 vv. en 19 ) , en waarvan de eerste hun in den zevenjarigen oorlog wel weder ontrukt , maar bij den vrede van Parijs terug gegeven was (z. D. XVI. bl. 186 vv . en bl. 207 vv) . De vesting Gibraltar hield Karel reeds sedert 1779 in vereeniging met de Franschen naauw ingesloten. Naar Minorca had hij in julij 1781 acht duizend spaansche soldaten gezonden , die daar onverwacht geland waren en het geheele eiland snel veroverd hadden . Slechts eene kleine sterkte hield het nog door de dapperheid harer zwakke bezetting en van haren bevelhebber Murray tegen de sterke, met eene ver bazendemenigte geschut voorziene belegeringsarmee. Eerst toen honger en ziekten verderen tegenstand onmogelijk maakten, en de vijand een eervol verdrag aanbood, ontruimde de dappere schaar de plaats (5 februarij 1782) . De herovering van Minorca vernieuwde bij koning Karel de hoop, om ook Gibraltar weder aan de Engelschen te ontrukken. Om deze ves ting met meer vrucht dan tot hiertoe te kunnen aantasten, moest zij eerst door de vereenigde fransche , spaansche en hollandsche vloot aan de zee zijde volkomen afgesloten worden . Maar de erfstadhouder en de oranje gezinde bevelhebbers der Hollanders verijdelden, omdat zij den Engelschen genegen waren, de geheele zaak door de verklaring, dat het voor dit jaar te laat was , om groote oorlogschepen te doen uitloopen . Daarentegen werd een ander plan ten uitvoer gelegd, dat even avontuurlijk was, als de togt van koning Xerxes naar Griekenland, en voor Spanje in de gevolgen even verderfelijk werd als die voor het perzische rijk . Karel III nam na melijk een door den franschen ingenieur d'Arçon ontworpen plan aan , en liet , in plaats van de tot het voeren van veel zwaar geschut ongeschikte kanonneerboten , zoogenoemde drijvende batterijen bouwen, d . i . sterke en toch vlakke schepen , die gezamentlijk met meer dan drie honderd stukken zwaar geschut voorzien waren , en een uit dik houtwerk bestaand , met vochtig zand , natte vellen en lagen kurkhout bedekt dak hadden . Deze met verbazende kosten gebouwde en uitgeruste vaartuigen , wier overdek king , zoo als men meende, ondoordringbaar was , moesten zeer digt aan de vestingwerken gebragt worden en die vernielen , terwijl ter zelfder tijd A 12 Nieuwe Geschiedenis. n aan de landzijde niet minder dan twee en vijftig duizend man het vijan delijke bolwerk aantastten. De geheele zaak rustte echter blootelijk op eene bespiegelende berekening , en wekte derhalve bij ervaren , practische krijgsliedenzoodanig wantrouwen, dat onder anderen twee bekwame spaan sche veldheeren zich op de beslissendste wijze tegen de kolossale en bui tengewoon kostbare onderneming verklaard hadden. Ook de engelsche of ficieren in Gibraltar , inzonderheid de bevelhebber lord Elliot , lachten om een ontwerp , dat hun zekeren buit beloofde. Elliot stelde zijn voornaam ste vertrouwen op de gloeijende kogels. Hij had ook kort te voren reeds met zijn voortreffelijk bediend geschut in drie dagen de verbazende nieuwe werken vernield, die door de vijanden in negen lange maanden op het land voltooid waren. Toen de drijvende batterijen , tien in getal, op den 13 september de rots van Gibraltar naderden , liet Elliot gloeijende ko gels daarop werpen , en nu bleek het terstond, dat de schijnbaar zoo goed verzonnen gesteldheid der daken niet in staat was, de ontbranding der verbazende menigte hout te beletten. In korten tijd waren acht van de tien batterijen verbrand, de twee anderen vielen in de magt der Engelschen. Van de uit vijf duizend soldaten bestaande bemanning kwamen er vijftien honderd jammerlijk om het leven , vier honderd werden door de En gelschen uit het water gered , den overigen gelukte het, zelven te ontko men. De engelsche admiraal Howe oogstte geenen minderen roem in dan Elliot , omdat hij eene vloot van vier en dertig linieschepen met krijgsbe hoeften en versterkingen gelukkig naar Gibraltar bragt, hoewel hij tusschen cene vijandelijke vloot van vier en zestig vaartuigen , waaronder twee en veertig linieschepen waren , had moeten doordringen. Toen de kostbare en gewaagde aanval op Gibraltar beproefd werd, waren de vredesonderhandelingen reeds begonnen. Het door Shelburne en Rockingham gevormde ministerie had terstond eenen onderhandelaar naar Parijs gezonden, om zoo wel met de Franschen , als met Benjamin Franklin, wien het congres nog Jay, John Adams en Larens toegevoegd had , te onderhandelen. Ook hadden de engelsche ministers de erkenning der on afhankelijkheid van Noord - Amerika vooruit beloofd ; ja , zij hadden zelfs de stellige verklaring gegeven, dat men, ofschoon deze erkenning eerst in het vredesverdrag zelf uitgesproken kon worden , toch met de Noord-Ame rikanen als een zelfstandig volk onderhandelen wilde. · Niettemin werden de onderhandelingen gerekt , omdat het uit strijdige bestanddeelen zamen gestelde engelsche ministerie van het begin af wankel en onzeker was, en omdat het vrijzinnige gedeelte daarvan te geringen invloed op den koning en de natie had. In julij 1782 ontbond zich het ministerie ten gevolge van den dood van Rockingham , en nu waagde Shelburne het, eene alleen uit zijne eigene aanhangers bestaande regering te vormen , die vervolgens ten aanzien der vredesonderhandelingen het voordeel had , dat de koning, om van den oorlog af te komen en alzoo het parlement minder noodig te hebben, zich tegenover zijne ministers tot alles bereid betoonde. De eigent lijke hoofdpersoon in het nieuwe ministerie was Shelburne niet, maar Pitt, die als kanselier van de schatkist daarin kwam. Hij hield niet alleen de zaak der nieuwe ministers in het lagerhuis , derhalve op de beslissende strijdplaats, door zijne begaafdheid staande, maar hem was en bleef ook de geheele aanhang van lord Chatham getrouw , omdat hij de prebenden , de gunsten en al het andere, wat der aristocratie lief en dierbaar was, verde . Engeland. Het sluiten van den vrede van Versailles. 13 digde. Hem ter zijde stond als betaalmeester der vloot de schot Dundas, de latere lord Melville , die sedert 1781 de trouwste aanhanger van Pitt was en bleef. Bij de vredesonderhandelingen stonden de nieuwe ministers den Noord Amerikanen, om hen slechts spoedig van hunne bondgennoten af te schei den , van het begin af al het mogelijke toe. Ook bereikten zij daardoor werkelijk hun oogmerk. Franklin verlangde wel is waar, dat men getrouw zou blijven aan het met Frankrijk gesloten verdrag , ingevolge waarvan Noord - Amerika en Frankrijk alleen gemeenschappelijk de voorloopige vre desvoorwaarden mogten afsluiten, maar hij werd door Jay en Adams over stemd , die als echte Noord- Amerikanen alleen letten op hetgene voordeel aanbragt. Reeds op den 30 november 1782 werd te Parijs een voorloopig verdrag tusschen Engeland en Noord - Amerika gesloten, zonder dat men dit vooraf aan den franschen minister Vergennes, wien Noord - Amerika alles verschuldigd was, ook slechts medegedeeld had. De Amerikanen behielpen zich bij deze gelegenheid met een bedriegelijk voorwendsel, daar zij aan hun voorloopig verdrag den naam van provisionele artikelen gaven , en tevens daarin de niets beteekenende bepaling opnamen , dat de eigentlijke onderteekening eerst bij het sluiten der fransche en engelsche preliminairen volgen zoude. Zulk eene ondankbaarheid en bedriegelijkheid hadden man nen als Vergennes en Lodewijk XVI het allerminst verdiend , want zij waren , wat in hoogere standen zeldzaam is , eerlijk en regtschapen van gemoed. Dit bewezen zij toenmaals ook in hunne handelwijze jegens Spanje. Zij hadden namelijk, als zij overeenkomstig het voorbeeld der Noord-Ameri kanen de bondgenooten aan hun lot overgelaten hadden , veel meer kunnen verkrijgen, dan zij verwierven , maar zij deden dit niet , en offerden zelfs hun eigen voordeel op , om den spaanschen koning Karel III tevreden te stellen , die Gibraltar terug bekomen wilde en zich derhalve slechts zeer moeijelijk tot den vrede bewegen liet. Holland kwam het slechtste weg, omdat het een staat was , die noch als vriend geacht, noch als vijand ge vreesd was. Als in Holland eensgezindheid geheerscht had, als de zooge noemde patriotten ten minste nu vertrouwen gesteld hadden in de regering van hunnen erfstadhouder, dan zouden zij daardoor van Engeland, dat hun reeds lang de vernieuwing van het verdrag van 1674 ( z. boven bl . 6) aangeboden had , veel gunstiger voorwaarden bedongen hebben, dan zij verkregen; zij waren echter vervuld met onverstandigen, blinden haat tegen Engeland en tegen hunne eigene regering. Holland verloor derhalve eene voor zijnen handel' zeer belangrijke volkplanting op de kust van Coroman del , moest aan de Engelschen in zijne oostindische wateren vrije vaart toe staan , en verkreeg niet de minste schadeloosstelling voor de groote verlie zen, die het gedurende den oorlog in zijnen handel geleden had. Daarentegen verkreeg Spanje het bezit der beide Florida's en het eiland Minorca. Den Franschen werd een gedeelte van de verliezen terug gegeven , die zij bij den vrede van 1763 ( 2. D. XVI. bl . 207 vv.) aan gene zijde van den oceaan geleden hadden. Bovendien mogten zij Duinkerken weder bevestigen , en werden , wat voor hunne eer het belangrijkste punt was , van het toezigt ontheven , dat Engeland volgens vroegere verdragen over deze stad had. Overigens volgde het werkelijk sluiten van den vrede op den 3 september 1783 te Versailles. 3 14 Nieuwe Geschiedenis. 4. BINNENLANDSCHE AANGELEGENHEDEN VAN ENGELAND TIJDENS HET COALITIE -MINISTERIE . Engeland had in den oorlog tegen Noord -Amerika en Frankrijk twee voordeelen verkregen. Het had de zeemagt van Frankrijk, Spanje en Hol land op nieuw verzwakt, en tevens de poging der europische zeemogend heden verijdeld ,om de engelsche heerschappij ter zee door de gewapende onzijdigheid te fnuiken . Nogtans was de uitkomst van den oorlog eene vernedering, waarin de britsche trots zich slechts zeer moeijelijk schikte; want de vrede van Versailles was de eervolste, dien Frankrijk sedert hon derd jaren met Engeland, en omgekeerd de nadeeligste, dien dit rijk daar mede gesloten had. Men betoonde derhalve in Engeland , reeds zoo dra in januarij 1783 de voorloopige vredesvoorwaarden bekend werden , van alle kanten groot misnoegen tegen den koning. Zelfs lord North voerde thans in de oppositie dezelfde taal, als Fox ; en er ontstond tusschen deze twee mannen , die elkander vroeger ten aanzien van eer , zedelijkheid en regt de ergste verwijten gedaan hadden, werkelijk een verbond ter om verwerping van het ministerie Shelburne. De republikein Fox en de door hem zestien jaren lang als onderdrukker der vrijheid gehoonde lord North, die zich nu opentlijk vrienden noemden, maakten gebruik van de omstandig heden, om zich, met trouwelooze verloochening hunner beginselen en hunner eer, als ministers op te dringen aan eenen regtschapen koning, die ter goeder trouw was. Zij maakten hunne vereeniging op den 16 en 17 februarij 1783 in het parlement bekend , en stelden zich van dit oogenblik opentlijk aan als de opvolgers van het ministerie Shelburne. Zij verlangden de verwerping der vredespreliminairen niet , omdat die reeds in het hoogerhuis aangeno men waren; even min beproefden zij eene aanklagt tegen de ministers. Zij vergenoegden zich veeleer met de bloote afkeuring van het gebeurde, om dat zij geen ander oogmerk hadden , dan de ministers te verdringen en hunne plaats in te nemen. Shelburne week op den 22 februarij voor den drang der omstandigheden. Maar de koning zelf, bij wien Pitt het nog vijf weken uithield, kon lang niet besluiten , om het lot des rijks en het genot der zorgvrije inkomsten en jaargelden in handen eener gewetenlooze zamenspanning over te geven . Eerst toen het lagerhuis bij herhaling een nieuw ministerie geëischt had , en de staatszaken begonnen stil te staan, onderwierp hij zich op den 2 april aan de harde noodzakelijkheid. Het zoogenoemde coalitie -ministerie, dat nu in het bezit van het gezag kwam , had den hertog van Portland tot zijn hoofd, Fox verkreeg de buitenland sche, lord North de binnenlandsche zaken ; Burke en Sheridan werden wel niet in het eigentlijke kabinet opgenomen, maar wel met voordeelige be trekkingen bedacht Dit nieuwe ministerie had de meerderheid in het parlement, omdat het onder het bestuur van lord North gekozen was , en omdat de voor malige vrijzinnige leden nu met de absolutisten vereenigd waren. ning daarentegen was en bleef de grootste vijand zijner nieuwe ministers, en reikhalsde naar het oogenblik , dat hij die weder zou kunnen wegzen den. Fox kwam derhalve, om zich en zijnen bondgenooten het gezag te verzekeren , op het denkbeeld , om het parlement en den koning voor lan gen tijd van deoligarchie der tegenwoordige ministers afhankelijk te ma ken , of, gelijk Pitt als hoofd van de oppositie in het parlement zijne po Engeland. 15 Oostindische compagnie in de achttiende eeuw. ging kenmerkte, de bestaande coalitie van liberalen en absolutisten tot zulk eene magt te verheffen , dat zij door geene verandering der omstan digheden omver geworpen, of ook slechts in haar gezag verkort zou kun nen worden. Het middel , waarvan zich Fox tot dit doel bediende , was 200 listig gekozen, dat niet slechts de koning niets van het eigentlijke oog merk van het plan bemerkte , en daartoe derhalve zijne toestemming gaf, maar dat zelfs weinige staatslieden de bedoeling der ministers doorzagen. Fox verborg namelijk zijn plan , om koning , parlement en volk aan de voortduring eener schandelijke coalitie op te offeren, achter het voorstel eener betere inrigting der oostindische compagnie. De actiehouders der oostindische compagnie, die het regt hadden, om de directeurs van den voor geheel Engeland en Schotland belangrijken handel naar Oostindie en China uit hun midden te kiezen, bezaten in In die een zeer uitgestrekt rijk , dat door het groot aantal gunstelingen , die daar geholpen konden worden , duizende Engelschen van de directeuren afhankelijk maakte. Alleen de omstandigheid, dat een klein aantal Engel schen in Azie koningen, in Europa onderdanen en kooplieden waren , moest noodlottige gevolgen voor Engeland hebben. Maar de oostindische com pagnie werd ook nog op andere wijze voor Engeland verderfelijk. De di recteuren te Londen voerden namelijk het bestuur zoo slecht, dat niet slechts hunne ambtenaren en krijgsbevelhebbers in Indie , om zich te ver rijken , ongehoorde misdaden pleegden , maar dat ook de koophandel der maatschappij slecht gedreven werd en haar met een bankroet bedreigde, dat het engelsche crediet vernietigd en tallooze menschen in het ongeluk gestort zou hebben. Het eerste wekte in Engeland het misnoegen van het onverdorven gedeelte der natie , dat zelfs tegenwoordig daar nog aanzien lijker is , dan in andere welvarende , maar tevens ook ontzedelijkte volken van Europa. Het tweede had reeds meermalen ten gevolge gehad , dat hel parlement, om een bankroet te voorkomen, de compagnie met millioe nen had moeten helpen, of met andere woorden, dat men genoodzaakt was geweest, om het engelsche volk met zijn geld te doen boeten voor de ge breken van eene bijzondere handelsmaatschappij. De natie had derhalve ook het onbetwistbaar regt om zich te mengen in de leiding der geldmid delen der maatschappij, en in het bestuur harer door engelsche troepen veroverde bezittingen. Dit was in 1773 geschied . Lord North had toen als hoofd van het ministerie eene acte in het parlement doen vaststellen, waarbij het beheer der oostindische compagnie en haar bestuur in Indie anders geregeld en tevens aan een oppertoezigt van het ministerie onder worpen waren , waardoor tevens ook de bescherming en de magt der mi nisters, vooral hun_invloed op de parlementsverkiezingen buitengewoon vermeerderd was. Toen was ook lord Clive , die door zijne bekwaamheid als veldheer, zoo wel als door trouwelooze, wreede en roofzuchtige onder nemingen in dienst der compagnie een groot gedeelte van Indie veroverd ( z. D. XVI. bl. 201), en daarbij zich zelven tot den rijksten man der wereld gemaakt had ,in het parlement als misdadiger aangeklaagd, maar ook vrijgesproken. Terstond daarna was Warren Hastings gouverneur generaal van Oostindie geworden, die op dezelfde te werk ging , en daar om later even zeer door het parlement tot verantwoording geroepen werd . De wet van 1773, zoo wel als eenige andere verordeningen, waren nutteloos bevonden. In het jaar 1783 waren derhalve de regering en op 16 Nieuwe Geschiedenis. positie eenstemmig van gevoelen, dat de leiding van de oostindische com pagnie en het bestuur over haar rijk onder de voogdij der engelsche re gering moesten gebragt worden. Dit was het nu , waarvan Fox gebruik maakte, om in november 1783 aan het parlement de zoogenoemde India bill voor te stellen , waardoor onder den schijn eener verbeterde inrigting der oostindische compagnie en der regering van Indie, ministerie en parle ment van den koning en het volk geheel onafhankelijk gemaakt en duur zaam onder den invloed der coalitie gebragt zouden worden. Volgens deze bill zou namelijk de compagnie aan eene commissie van zeven leden opge dragen zijn ; maar daar deze door het parlement, d. i . het ministerie, onder wiens invloed het parlement gekozen was, benoemd moesten worden, zouden slechts volslagen aanhangers der ministers in de commissie gekomen zijn . Werkelijk droeg Fox ook zeven mannen aan het parlement voor, die allen tot de bloedverwanten van de toenmalige ministers behoorden . Wel zou de geheele inrigting na vier jaren aan een nieuw besluit van het parlement onderworpen worden ; maar juist daardoor zoude het eigentlijke doel , dat de grondslag der zaak uitmaakte , slechts te zekerder bereikt zijn . Den actiehouders was namelijk het zwaard boven het hoofd opgehangen, omdat de geheele verordening slechts voor den korten tijd van vier jaren gelden zoude ; en bovendien werd aan de coalitie in het eerstvolgende parlement, welks verkiezing insgelijks binnen vier jaren plaats grijpen moest, de meer derheid daardoor gewaarborgd, dat allen , die eenig belang hadden bij de vastgestelde inrigting, op elke wijze ijveren moesten, om een met het be staande ministerie overeenstemmend parlement tot stand te brengen. De India- bill werd in het lagerhuis met grooten spoed driemaal ge lezen en aangenomen , zoo dat zij reeds op den 9 decemberbij het hooger huis ingediend kon worden. Ook hier ging zij, ondanks de hevige aan vallen van lord Temple, den hertog van Richmond en lord Thurlow , bij de eerste en tweede lezing door , en het ministerie was reeds zeker van zijne overwinning, omdat de derde lezing doorgaans blootelijk een vorm is. Maar intusschen waren den koning de oogen open gegaan , en deze deed in het laatste, beslissende oogenblik eenen ongrondwettigen stap, waardoor de geheele zaak mislukte. Hij liet met een door hem onderteekend briefje, dat hij aan lord Temple geschreven had, aan zijne vrienden in het hooger huis verklaren, dat hij elk , die voor de India - bill stemde, als zijnen vijand beschouwen zoude. Deze stap veroorzaakte dan ook de verwerping der bill . Maar hij bragt tevens de hevigste omwentelingszuchtige aanvallen tegen den koning en de kamer der pairs te weeg. Het lagerhuis verklaarde het door lord Temple verrigte voor eene zware staatsmisdaad , en de mi nisters zelven hielden in het parlement redevoeringen, die in scherpte van verwijt en lompheid van uitdrukking zelfs de dagbladartikelen van Wilkes en de brieven van Junius overtroffen . Fox noemde b . v. op den 17 de cember de aanhangers van den koning in het hoogerhuis pretorianen van eenen Tiberius, en janitsaren , die op bevel van hunnen sultan de ministeriele bill verwurgd hadden. Na zulke aanvallen was het volstrekt onmogelijk, dat de ministers hunne betrekkingen langer behielden. Zij traden echter niet vrijwillig af, maar de koning moest hun, nadat hij eenen geheelen dag vergeefs op hunnen afstand gewacht had, in den nacht van 18 op 19 de cember hun afscheid geven. Des konings raadgevers waren op dat tijdstip Pitt en lord Temple. Deze twee verkregen ook de gemeenschappelijke lei Engeland. Begin van het ministerie van Pitt den jonge. 17 ding der zaken; doch daar Pitt geenen invloed naast zich dulden wilde, kwam hij reeds in zijn vier en twintigste jaar aan het hoofd der regering. Pitt bewerkstelligde vooreerst eene doortastende verandering ten opzigte der hoogste betrekkingen , doch ontbond niet terstond , wat elk verwacht had, het parlement, maar zette met groote staatkundige gevatheid den strijd daartegen voort , tot dat het publiek door vlugschriften en dagbladen ge noegzaam ingenomen was, en het parlement, door de altijd dreigende ont binding in toom gehouden, het niet meer wagen kon, de begrooting te ver werpen. Het parlement besloot wel op den 22 december met eene groote meerderheid van stemmen tot een zeer vijandig adres aan den koning ; maar Pitt liet daarop een ontwijkend antwoord geven , en bood , ook toen het parlement steeds heviger werd, den storm het hoofd. Hij wist het hooger huis reeds in januarij 1784 op zijne zijde te brengen , dat niet moeijelijk viel , omdat Pitt zich als voorstander der voorregten en als instandhouder van den goeden ouden tijd deed kennen. Tevensging hij voort met op het volk te doen werken, daar hij de door de coalitie ingediende India -bill als eene inbreuk op het bijzonder eigendom en als eene schending der staats regeling liet afschilderen. Weldra kwamen van alle kanten de adressen ter gunste van het nieuwe ministerie in , en reeds op het einde van januarij zag zich het lagerhuis genoodzaakt, voor eenigen tijd den schijn aan te nemen, alsof het door onderhandelingen over de zamenstelling van een ge mengd ministerie den weg banen wilde ter verzoening. In het begin van de volgende maand gevoelde het hoogerhuis, steunende op de openbare meening, zich sterk genoeg, om de tot nu gevolgde handelwijze van het lagerhuis aan te tasten . In maart dreef Fox in het lagerhuis nog wel ee nige adressen door, waarbij zeer stellig en in hevige uitdrukkingen het ont slag van het ministerie werd gevorderd; maar de aanhang der oppositie was toen reeds zoo ineen gesmolten, dat het laatste dezer adressen slechts met de meerderheid van ééne stem doorging. En daar Fox toen ook de gunst des volks verloren had, kon hij het niet volhouden, om den gang des be stuurs langer op te houden. De begrooting werd derhalve op den 9 maart door het lagerhuis aangenomen . Pitt , die zich niet overhaastte, liet het parlement nog eenige weken bijeen en ontbond het eerst op den 25 maart. De verkiezingen voor het nieuwe parlement vielen in het algemeen tegen de coalitie uit, en Pitt verkreeg de meerderheid van stemmen, die hij noodig had om de in 1763 begonnen democratische woelingen te on derdrukken en tevens de aristocratie boven den koning te verheffen . Daar bij kwam hem de openbare twist te stade , waarin George III met zijnen zoon, denlateren koning George IV geraakt was. Daar namelijk Fox en Sheridan den prins voorstonden , werd wel aan de eene zijde de zaak yan Pitt daardoor bemoeijelijkt, dat hij de persoonlijke aangelegenheid des ko nings ook tot de zijne moest maken , maar aan de andere zijde werd hij door dezelfde omstandigheid ook onmisbaar voor den koning, als deze niet in de handen zijner vijanden vallen wilde. Overigens was eene nieuwe India bill het eerste, dat Pitt door het nieuw gekozen parlement deed goedkeu Krachtens deze bill kwam het oppertoezigt over de oostindische com pagnie en haar rijk voor altijd aan eene regeringscommissie (board of con trol), die door den koning benoemd werd, en wier werkkring zich uitstrekte tot alle zaken der compagnie met uitzondering van haren handel en eigen dom. Bovendien werd aan den koning nog opgedragen de benoeming van XVII. 2 18 Nieuwe Geschiedenis. den hoogsten bevelhebber in Oostindie, de bevestiging van alle hoogere ambtenaren aldaar , en het regt , die te mogen ontslaan . Daardoor werd de verhoogde begunstiging en magt, die Fox door zijne bill aan een enkel ministerie had willen bezorgen , aan elk regelmatig ingesteld ministerie toegekend. Later bragt Pitt langzaam en voorzigtig de aristocratische of behoudende reactie tot stand. Hij stelde in plaats van de democratische beweging , die Engeland in de laatste twintig jaren geschokt had , eene andere, wier bedoeling het behoud van alle oude misbruiken, van alle zorg vrije inkomsten en prebenden, van alle voorregten van bijzondere familien was. Deze beweging verhief zich sedert 1784 in dezelfde mate, waarmede op het vaste land al het oude dreigde te verdwijnen. Daarvan kwam het dan ook , dat later de republikeinen van Frankrijk en Pitt , gelijk hij en Bo naparte, even als de nieuwe en de oude tijd tegenover elkander stonden. XIII. VOORBODEN DER FRANSCHE OMWENTELING IN BEL GIE , HOLLAND EN FRANKRIJK. 1. BELGIE. De Belgen hadden even als de Hollanders eene ee zeer ingewikkelde staatsregeling, die sedert de vijftiende eeuw niet in het geringste veran derd was, en derhalve volstrekt niet meer beantwoordde aan de behoeften des tijds. Bij hen bestond niet slechts eene menigte oude privilegien , reg ten en herkomsten, maar elk gewest, elke landstreek en elke stad had ook hare bijzondere regten. Al deze regten , die gedeeltelijk niet eens op geschrevene oorkonden berustten , maar alleen op langdurige gewoonten, werden door den vorst bij de aanvaarding der regering bezworen. Hij verbond zich daarbij, zich aan cene zuiver nationale regering te houden en het bestuur in dien geest te leiden, de ambten slechts met inboorlingen te bezetten , maar vooral geenen burger willekeurig in hechtenis te laten nemen en aan zijnen wettigen regter te onttrekken . Van de geregtshoven zelven waren de drie hoogsten , de raad van Gelder , die van Brabant en die van Mechelen , niet alleen even als de beide rijksgeregtshoven , geheel onafhankelijk , maar zij bezaten ook volgens de staatsregeling een zeker staatkundig gewigt , gelijk dat, waarop de parlementen van Frankrijk wel aanspraak maakten, maar dat hun door de regering steeds betwist werd. De verordeningen der belgische regering waren namelijk dan alleen geldig , als zij door de drie geregtshoven onderzocht en gebillijkt waren. Eindelijk is ten aanzien van de vertegenwoordiging des volks bij het bestuur en de wetgeving op te merken , dat elk bijzonder gewest zijne bijzondere staten had, die uit de geestelijkheid , den adel en de steden gekozen werden , en niet alleen de wetgevende magt en het regt tot de inwilliging der belastingen bezaten , maar gedeeltelijk ook de heffing, verdeeling en het gebruik der belastingen bepaalden , ja door eene commissie zelfs aan de regering deel namen . De staten en de hoven hadden wel reeds dikwerf misbruik gemaakt van hunne groote voorregten ; maar de meerderheid des volks was , even als in Engeland, sedert de middeleeuwen zoo gehecht aan de bevoorregte klassen, dat de geheele natie steeds bereid was, voor hare zoogenoemde vrijheden goed en bloed op het spel te zetten . De Belgen Belgische omwenteling ten tijde van Jozef II. * 19 hadden in de zestiende eeuw aan den opstand tegen Philippus II vooral deel genomen , omdat zij zich bedreigd zagen met de vernietiging hunner oude vrijheden en regten, maar zoo dra die door den opvolger van Phi lips II erkend waren , hadden zij zich van de te gelijk met hen opgestane hollandsche gewesten weder afgescheiden , omdat hunne katholijke gods dienst onder de spaansche heerschappij beter beveiligd was , dan in verec niging met hunne protestantsche halve broeders. Deze zamensmelting van het kerkelijke met de staatkunde , of met andere woorden, de onwankelbare gehechtheid aan de oude godsdienst, aan het eeuwen heugende bijgeloof en aan de voorvaderlijke kerkelijke feesten en gebruiken was van ouds af een voorname karaktertrek van het belgi sche volk. Daarop berustte ook de groote invloed der geestelijkheid en hare onbepaalde magt over het geheel bijgeloovige en bigottische volk. Maar haar gezag steunde ook daarop , dat het grootste ge deelte der vaste goederen zich in het bezit der kerk bevond, en dat de talrijke abdijen , bisdommen en geestelijke prebenden ter verzorging van de jongere zonen van den adel dienden , dat derhalve het belang der gees telijkheid naauw vereenigd was met dat der wereldlijke aristocratie. Het aantal geestelijken was in Belgie grooter, dan in de meeste andere landen. Er waren , behalve de vele monniken en pastoors , niet slechts buiten den te Mechelen gevestigden aartsbisschop nog zeven andere bisschoppen, maar ook niet minder dan honderd en zeven abten, waarvan sommigen een jaar lijksch inkomen van driemaal honderd duizend gulden hadden . De invloed der geestelijkheid strekte zich zelfs tot die klasse des volks uit , die noch tot den adel, noch tot den bigottischen grooten hoop behoorde, omdat alle scholen , zelfs de lands-hoogeschool van Leuven , alleen onder het bestuur van de geestelijkheid stonden , en deze gevolgelijk ook aan regterlijke en administratieve ambtenaren hunne opleiding en rigting gaf. De vermelde omstandigheden en betrekkingen bewijzen klaar en dui delijk, dat de zeden, instellingen, gevoelens en het geheele leven in Belgie een bepaald nationaal karakter hadden ; dat dit land derhalve, even als Hongarije, een afzonderlijke staat van den beheerscher van Oostenrijk was, maar nooit als eene oostenrijksche provincie beschouwd en behandeld kon worden . Daaruit blijkt tevens duidelijk , dat het voor de inwoners van zulk een land gemakkelijk was , aan elke poging, om door politie , solda tengeweld of ambtenaarsheerschappij willekeurige veranderingen in te voe ren , tegenstand te bieden , zonder daarom juist tot muiterij over te slaan . Zelfs het opperbestuur der regering verleende aan de oostenrijksche Neder landen het aanzien van eenen zelfstandigen staat. De algemeene regering te Brussel had namelijk wel eenen keizerlijken minister tot haren voor zitter , maar daar was ook een stadhouder gevestigd, gewoonlijk van vor stelijken stand , die door werkelijke hof houding en door gezanten van vreemde staten omringd was. Onder Jozef II was zijne zuster Christina, de gemalin van den hertog van Saksen - Teschen , stadhouderes. Volgens al deze vermelde bijzonderheden beging Jozef II eene groote onvoorzigtigheid , toen hij zijne welgemeende bespiegelingen over staatsin rigting , bestuur , regtswezen , school en kerk ook in Belgie spoedig en met geweld zocht in te voeren. Hij veroorzaakte daardoor volstrekt onver mijdelijk eenen opstand, en deze was gemakkelijk tot eene werkelijke om wenteling op te voeren , omdat in Belgie alles onderling naauw zamenhing, 2 * 20 Nieuwe Geschiedenis. en ook de overheden zelven aan den strijd tegen den keizer nadruk ver leenden. Maar Jozef beging bovendien nog den grooten misslag , dat hij tot zijnen minister te Brussel den onbekwamen vorst van Stahremberg be noemde, die al de zaken aan eenen listigen geestelijke, Crumpipen , over liet en , door dien bestuurd, verordeningen invoerde, die, zonder dat hij zelf het merkte, aan de hervormingen van Jozef hinderpalen in den weg legden. Jozef begon zijne hervormingen in Belgie met de godsdienstige aan gelegenhedenen het schoolwezen , maar vond reeds bij de eerste schrede tegenstand van de zijde der geestelijken en regtsgeleerden. Zij beletten namelijk in november 1781 , dat zijn edict van verdraagzaamheid ( z . D. XVI. bl. 236) in Belgie bekend gemaakt werd. Jozef liet zich daardoor niet van zijnen weg afbrengen, maar gelastte de intrekking van vele kloos ters, verbood het beroep op den paus, ontnam aan de bisschoppen de be slissing in huwelijkszaken , verbood hun het afkondigen van herderlijke brieven, als die niet vooraf door de regering goedgekeurd waren, vermin derde het aantal kerkelijke optogten en bedevaarten, en veranderde de op de lands-hoogeschool bestaande instellingen . Ook in het regtswezen be proefde hij zeer belangrijke veranderingen ; daarmede hield hij intusschen weder op, zoo dra daarover onlusten dreigden uit te breken. Des te hard nekkiger ging hij daarentegen in kerkelijke dingen voort. Hij ontnam in 1786 aan de hoogeschool van Leuven , die geheel onder de leiding van den aartsbisschop van Mechelen, van den nuntius en de ex-jezuiten stond, haar uitsluitend voorregt van de geleerde opleiding, en rigtte nevens haar eene onder opzigt van den staat staande kweekschool op, waarin alle toekomstige geestelijkenen monniken onderwezen en opgeleid zouden worden, en wel door duitsche, van regeringswege aangestelde onderwijzers, die de leerstellingen en het kerkelijk regtniet in den geest van het roomsche hof en het con cilie van Trente , maar volgens de beginselen en besluiten der vroegere kerkvergaderingen voordroegen. De verbitterde geestelijkheid zag zich daardoor in hare heerschappij over de gemoederen des volks bedreigd. Zij verhief derhalve een erg geschreeuw tegen de geheele zaak , stelde den keizer als eenen vijand der godsdienst voor, en ruide de leerlingen der algemeene kweekschool op . Dezen begonnen in december 1786 eenen wer lijken opstand, en de regering, in plaats van jeugdige onbezonnenheid be daard te beteugelen , liet in haren angst soldaten uitrukken, die op de jonge lieden schoten. Daardoor verkregen de laatstgenoemden het aanzien van martelaren , en daar onder hen zonen der eerste familien waren , ver spreidde zich groote verbittering door het geheele land. Terstond daarna verviel de regering, die het gebeurde al te hard gestraft had , in het te genover gestelde gebrek. Zij staakte hare gewelddadige handelwijze, nam een met onbeschaamde eischen opgevuld geschrift van de studenten aan , trachtte door redeneringen en vermaningen op hen te werken en schonk gedeeltelijk gehoor aan hunne vorderingen, terwijl de studenten, om de opheffing van de algemeene kweekschool af te dwingen , de school verlie ten en die in zekeren zin in den ban deden. Dit alles wekte bij den keizer het oude ongelukkige vermoeden, dat hij geen mensch vertrouwen kon. Hij geloofde,, wat thans werkelijk het geval was, dat hij door zijne eigene land -regering verraden werd, en volgde daarom geheel en al zijn persoonlijk inzigt. Hij jaagde den nuntius weg, liet den aartsbisschop naar Oostenrijk komen, riep den tragen Stahremberg Belgische omwenteling ten tijde van Jozef II . 21 aan. > 9 terug, en stelde eenen wakkeren man , den graaf Belgioso, in zijne plaats Maar hij had de eigentlijke oorzaak van het kwaad zoo weinig in gezien , dat hij den doorslepen Crumpipen niet alleen in zijne betrekking liet, maar hem zelfs later, toen hij ter uitvoering zijner oogmerken eenen keizerlijken raad oprigtte, aan het hoofd daarvan plaatste. Jozef bleef in tusschen niet bij de bloote verandering van personen staan ; hij nam veeleer, omdat de oude aristocratische en kerkelijke instellingen met zijne weldadige oogmerken en met den geest des tijds onvereenigbaar schenen, zelfs tot eenen maatregel van geweld zijne toevlugt. Hij veranderde in januarij 1787 bij bloote verordeningen het geheele regtswezen en het bestuur, en ver deelde, zonder op de bestaande omstandigheden te letten, het land in dis tricten. Deze stap dreef, nadat de groote hoop reeds lang door priesters en monniken opgeħitst was, ook nog den adel, de advocaten en ambtenaren, die zich in hunne oude sleur gehinderd of van hunne vroegere voordeelen beroofd zagen , tot tegenstand . In april kwam het werkelijk tot oproer. Toen namelijk een rijk man , die als leverancier van het leger groote be driegerijen gepleegd had , tot straf naar Weenen weggevoerd zou worden, greep men dit voorwendsel aan tot eenen openbaren opstand. De burgers der voornaamste steden wapenden zich en dienden bij de staten hevige klagten in. Daardoor liet de landsregering , die bovendien niet instemde met de inzigten van Jozef, zich zoo zeer beangstigen , dat zij besloot tot het uitstellen der in bestuur en regtswezen voorgeschreven veranderingen. Deze zwakheid moedigde vervolgens de aanstokers der onlusten tot verdere stappen aan. De steden en staten eischten de onvoorwaardelijke opheffing der door den keizer uitgevaardigde verordeningen , en de raad van Brabant, een der drie hoogste geregtshoven, verklaarde alle vonnissen nietig, die door de nieuwe regtbanken geveld zouden worden. Ter zelfder tijd koelde het gemeen zijne woede aan die mannen , die als verlicht bekend stonden en de bedoelingen des keizers toegejuicht hadden. De regering van den grootsten monarch uit dien tijd was zwak genoeg, om zich door priesters, edellieden en opgehitste volkshoopen eene toestemming te laten afdwingen, waartoe zij niet eens het regt had. Zij stond alle haar gedane eischen toe. De keizer was over het gedrag zijner regering zeer ontevreden, maar besloot toch vooreerst nog met zachtmoedigheid te werk te gaan. Hij vaardigde eene algemeene vergiffenis uit, stond toe , dat zijne verordenin gen ondertusschen geschorst bleven, en ontbood het hoog bestuur en de af gevaardigden der staten van al de provincien naar Weenen, om die, gelijk hij meende, door goede gronden te overtuigen. De opstand duurde des niettemin voort. Men ging eerst laat over tot de afzending van afgevaar digden ; men belette het vertrek der stadhouderes eenigen tijd ; ja de staten van Brabant wilden zich zelfs tot Frankrijk wenden, waardoor hunne staats regeling vroeger gewaarborgd was. Onder deze omstandigheden gevoelde de keizer zich welgenoopt ,om een leger naar Belgie te zenden; maar kort daarna zag hij weder van alle geweldige maatregelenaf en liet slechts een enkel regiment naar Belgie oprukken . Waarschijnlijk bewogen hem on lusten, die in Holland uitgebroken waren, of ook de turksche oorlog , dien hij toen juist beginnen wilde, tot toegevendheid. Bovendien zag hij vol komen in, dat het volk geheel en al in de magt der priesters en van den adel was, en dat het daarom beter was, met deze bevoorregte klassen voor eerst in schikking te komen, om gunstiger gelegenheid af te wachten . Ge 22 Nieuwe Geschiedenis. > noeg , Jozef trof met de belgische afgevaardigden eene overeenkomst, waar bij hij aan de eene zijde de herstelling der oude instellingen , met uitzon dering der reeds ingetrokken kloosters, toestond , en aan de andere zijde zijne verbeteringen voorloopig alleen tot het kerkelijk onderwijs beperkte. Hij besloot derhalve ter wille van den vrede tot halve maatregelen ; doch daardoor ontstond geen vrede, maar blootelijk een wapenstilstand, omdat beide partijen ontevreden en vol wantrouwen bleven. Hierop keerde de hertogin Christina naar Belgie terug, doch zonder den graaf Belgioso, wiens plaats de graaf Trautmannsdorf innam. Als bevelhebber der troepen werd de generaal d’Alton gezonden . Het was een ongeluk, dat de keizer , om niet alles op te geven, van zijne nieuwe inrigtingen alleen de algemeene kweekschool in stand wilde houden , omdat Belgie geen land was voor leerstellig en wijsgeerig on derrigt. Het was een tweede ongeluk , dat Jozef ten behoeve van deze instelling weder tot geweld zijne toevlugt nam, in plaats van voor alles het vertrouwen des volks te winnen. Reeds voor dat Trautmannsdorf en d’Al ton in Belgie aankwamen , hadden de studenten te Leuven ruwen moedwil tegen de duitsche professoren gepleegd ; maar de geestelijkheid , bovenal haar hoofd , de aartsbisschop van Mechelen , had geweigerd deze ongere geldheid te stuiten , omdat die leeraren de wetgevende magt in de kerk niet aan den paus, maar aan de kerkvergaderingen toekenden. Over de algemeene kweekschool werden later met de leuvensche hoogeschool en de geestelijkheid onderhandelingen aangeknoopt, die tot niets anders leidden, dan dat zij in Brussel en andere steden volksopstanden veroorzaakten. Dit moest de verderfelijkste gevolgen hebben , omdat de twee hoofden van het burgerlijk bestuur en van het krijgswezen , Trautmannsdorf en d’Alton, oneenig waren en de keizer zich noch voor de inzigten van den een, noch van den ander verklaren konde. Trautmannsdorf wilde, om de gemoede ren gerust te stellen , eenen middelweg ingeslagen zien ; d’Alton was voor de strenge handhaving der bepaalde maatregelen , en liet derhalve op de woelende volkshoopen vuren. Daarbij kwam nog , dat Crumpipen , thans ondervoorzitter van den nieuw ingestelden staatsraad , den priesters toege daan was en der regering steeds hinderpalen in den weg legde. Overigens was de advocaat van der Noot de eigentlijke aanstoker van alle volksbe wegingen. Hij hadde in augustus 1788 gevangen genomen moeten worden; maar hij was ontkomen en naar Holland gevlugt,waar hij vervolgens met van Eupen en andere vlugtelingen werkelijk een revolutionair comitévormde, en door briefwisseling en aanwijzingen de bewegingen der Belgen bestuurde. In het begin van het jaar 1789 liet de keizer zich door eene weer spannigheid der staten van Brabant en Henegouwen weder tot eene geweld dadig willekeurige wijziging der staatsregeling verleiden. In de vergade ringen dier staten hadden namelijk de burgerlijke afgevaardigden, door van der Noot en de Brusselaars opgezet, tegen het einde van het jaar 1788 de inwilliging der voornaamste belastingen geweigerd, en dit bewoog den kei zer vervolgens in januarij 1789 tot de verklaring , dat hij alleen op eigen gezag eene geheel nieuwe orde van zaken zou invoeren . Hij gaf dit voor nemen wel , toen de staten zich dien ten gevolge inschikkelijk betoonden, vooreerst weder op , maar hij verlangde reeds in mei van de staten van Brabant eene hervorming der vertegenwoordiging van den burgerstand. Daardoor werd vervolgens de twist niet slechts vernieuwd, maar ook wer > Belgische omwenteling ten tijde van Jozef II. 23 kelijk eene omwenteling veroorzaakt. De keizer werd toen door zijne ei gene plaatsbekleeders en ambtenaren verraden ; want Trautmannsdorf en Crumpipen, derhalve deregering zelve, bevorderden in het geheim de drei gende volksbeweging. Dit verklaarde d’Alton in eenen brief van den 21 mei onbewimpeld aan den keizer zelven ; en ook een der eerste toenmalige regeringspersonen, van Berg, heeft het, hoewel in zachter bewoordingen, in zijne gedenkschriften bevestigd. „Trautmannsdorf, zegt van Berg, deed telkens overdrevene bedreigingen , die hij volstrekt niet van zins was uit te voeren en die hij, als hij somwijlen daartoe genoodzaakt was, dan slechts half uitvoerde. Hij bezigde de troepen voorts als schrikbeelden , maar wilde die, als het noodig was, nooit gebruiken , en maakte het krijgsvolk daar door niet slechts gehaat of ook belagchelijk , maar hij bedierf ook hunnen geest. Onder deze omstandigheden kan het niet bevreemden, dat de ont werpen van van der Noot en zijner medestanders gelukten en die van den keizer mislukten. Toen in junij 1789 de staten van Brabant de voorstellen , die Jozef betreffende eene verandering in de vertegenwoordiging der steden en in het belastingstelsel had laten doen , afwezen, werden zij op den 18 junij met geweld ontbonden. Tevens kondigde men hun in den naam des kei zers aan , dat nu de in januarij voorgenomen hervormingen met geweld doorgezet zouden worden. Deze stoute stap werd op hetzelfde oogenblik beproefd, toen de volken van Europa door de fransche nationale vergade ring in de sterkste beroering gebragt waren en van Frankrijk de vestiging van eenen vrijeren , gelukkigeren toestand des menschdoms verwachtten. Overigens kon de weg des gewelds , dien de keizer in junij 1789 insloeg, onmogelijk tot het gewenschte doel leiden. Dit was reeds daarom niet te verwachten , dat de geestelijkheid allerwegen het haar blindelings toege dane volk ophitste. Maar daarbij kwam nog , dat niet alleen het oosten rijksche leger in Belgie slechts uit nagenoeg twintig duizend man bestond en bij den naijver der andere mogendheden niet versterkt kon worden, maar dat ook het geheele gedrag van Trautmannsdorf , zoo wel als het voorbeeld der tooneclen, die toen in Frankrijk voorvielen , den tegenstan ders des keizers moed gaven . Weldra braken in verschillende steden on lusten en werkelijke oproeren uit en benden boeren en landloopers pleeg den in het geheele land daden van roof en geweld. Een regtstreeksch uit werksel der aanvangende fransche omwenteling was dan ook het ontstaan ecner bijzondere partij in Belgie , die men naar haren stichter , den advo caat van der Vonck , die der Vonckisten noemde. Deze partij huldigde de beginselen van mannen als Lameth en Lafayette; zij bestreed derhalve niet slechts de willekeur des keizers, maar zij trad ook, hoewel daarmede juist in Belgie geen opgang te maken was, tegen de beginselen en inrig tingen van geestelijkheid en leenstelsel op. Zij stelde zich nogtans met van der Noot in betrekking , en door hare bemoeijing verzamelde men op de hollandsche grenzen allerlei gespuis, dat door eenen voormaligen oosten rijkschen overste, van der Mersch, zoo goed mogelijk geregeld werd. Nu was ook voor van der Noot, van Eupen en de overige mannen, die in Holland eene commissie van omwenteling uitgemaakt hadden , de tijd tot handelen gekomen, te meer daar Oostenrijk toen juist in spanning geraakt was met Holland, Engeland en Pruisen . De hollandsche regering gaf niet alleen raad aan de belgische vlugtelingen , maar zij ondersteunde van der 24 Nieuwe Geschiedenis. Noot ook in de onderhandelingen , die hij met Engeland en Pruisen zocht aan te knoopen. In Engeland was Pitt te verstandig , om zich met de belgische omwentelingsgezinden in te laten ; te Berlijn daarentegen bragt de hollandsche gezant het zoo ver , dat van der Noot van den minister Herzberg de mondelijke verzekering verkreeg , dat de koning den Belgen, als zij de Oostenrijkers uit het land verdreven hadden, en de staten , maar geene opgeworpen omwentelingsgezinden, zich tot hem wendden, waarschijn lijk gehoor zou geven. Thans kwam het er derhalve op aan, om met de twee of drie duizend man, die van der Mersch als eene soort van revolutionaire militie gedrild had , cenen inval in Belgie te doen. Dit geschiedde ook werkelijk op den 24 october onder aanvoering van van der Mersch; maar de zaak zou bij de lafhartigheid en ongebondenheid van die benden schan delijk afgeloopen zijn, als de oostenrijksche troepen niet zoo slecht aange voerd waren, dat zij alleen door de schuld hunner bevelhebbers op den 27 october eene nederlaag leden. Van der Mersch moest wel terstond daarna weder wijken ; maar eene andere afdeeling zijner militie drong in Gent bin nen en geraakte door nieuwe misslagen, die door de Oostenrijkers begaan werden , zoo wel als door het dubbelzinnig gedrag van Trautmannsdorf, in het bezit van het kasteel dezer stad. Het onmiddellijk gevolg daarvan was, dat de staten van Vlaanderen zich op den 23 november 1789 onaf hankelijk verklaarden en eene republikeinsche regering instelden. Weldra volgden de andere gewesten dit voorbeeld . Zij konden het zoo veel te gemakkelijker doen, daar de oostenrijksche troepen weldra geheel gedemora liseerd waren en in steeds grooter aantal tot de opstandelingen overliepen. Reeds op den 17 december trok van der Noot aan het hoofd zijner om wentelingsmannen zegevierend te Brussel binnen , waar men reeds vier da gen vroeger de onafhankelijkheid van Belgie uitgeroepen had. Op den laatsten dag van het jaar 1789 waren al de gewesten, behalve Luxemburg, dat de generaal Bender bewaarde, door de oostenrijksche troepen ontruimd en tot eene zelfstandige republiek vereenigd. De inrigting dezer nieuwe republiek kostte niet veel tijd en moeite, daar zij, op hierarchie en leen stelsel rustende, reeds van de middeleeuwen dagteekende en zoo noodig in den paus eenen hoogsten wetgever had. Eene vergadering van afgevaar digden, die weldra te Brussel gehouden werd , zorgde, dat alle mannen, die, even als van der Vonck en van der Mersch de vrijzinnige begrippen van den nieuwen tijd huldigden , vervolgd en van allen invloed beroofd werden . Jozef II stierf in februarij 1790, voor dat hij toebereidselen tot het weder ten onder brengen der Belgen had kunnen maken . Doch dit werk werd zijnen broeder en opvolger, Leopold II, door verschillende oorzaken zeer gemakkelijk gemaakt. De aristocratie van Belgie zag weldra in , dat zij zich bij de zwakke regering van den hoogen adel van Oostenrijk , die door Jozef uitgesloten was, maar door Leopold in al de erfstaten terstond hersteld werd , veel beter bevinden zoude, dan onder de heerschappij der priesters, advocaten en gildeburgers. Bovendien beefde zij, wegens de din gen, die toen in Frankrijk voorvielen, reeds terug voor den blooten naam van republiek. Zij trad daarom reeds in den zomer en herfst van 1790 heimelijk toe tot eene schikking met het keizerlijke hof. Twee andere oorzaken, waardoor de nieuwe republiek reeds in dit jaar weder te gronde ging , waren de staatkunde van Engeland , Holland en Belgische omwenteiing ten tijde van Jozef II. 25 Pruisen , die wegens de fransche omwenteling de herstelling der oostenrijk sche heerschappij in Belgie vorderde, en het bekrompen doorzigt van eenen van der Noot en andere hoofden der heerschende partij, die zich door de vreemde diplomaten lieten misleiden en zoo lang ophouden , tot dat Leo pold al de tot de onderwerping van Belgie vereischte toebereidselen had kunnen gereed maken. In julij 1790 namen Oostenrijk , Pruisen, Holland en Engeland op een te Reichenbach gehouden congres het besluit, om in Belgie den ouden staat van zaken te herstellen. Later kwamen de gezan ten van Engeland, Holland en Pruisen te ' s Gravenhage bijeen, en schre ven onder den schijn eener bemiddeling even zulke protocollen , als in onze dagen te Londen over hetzelfde land en over Griekenland opgemaakt zijn. Hadden van der Noot , van Eupen en hunne medestanders slechts eenig doorzigt gehad , dan zouden zij, in plaats van vreemde diplomaten voor hen, of veeleer over hen te laten onderhandelen , de reeds in maart 1790 gedane aanbieding der oostenrijksche regering, om eene volledige vergiffe nis te verleenen en alles weder in den ouden toestand te brengen , aange nomen en zelven met den nieuwen keizer overeen gekomen zijn. Maar daarvoor waren zij te bekrompen en te verwaand. Het haagsche congres stelde den terugkeer van Belgie onder de oostenrijksche heerschappij vast en bewoog den keizer , om de Belgen eenen bepaalden tijd tot vrijwillige onderwerping te stellen. Toen die tijd verloopen was , ontbond zich het ellendige leger der Belgen, waaruit reeds vroeger vele officieren misnoegd hun ontslag genomen hadden, van zelf. De Oostenrijkers konden derhalve, toen zij op het einde van november 1790 uit Luxemburg in Belgie bin nen rukten , het geheele land zonder tegenstand bezetten. Van der Noot en de andere hoofden der republiek namen de vlugt. De aartsbisschop van Mechelen daarentegen , die met hen tot het eindeingestemd had , bleef in het land, omdat hij, even als later de fransche bisschop Talleyrand, de bekwaamheid bezat, al naar den loop der gebeurtenissen van het eene ui terste tot het andere over te gaan. Hij bestuurde zelfs op den 12 decem ber , den verjaardag van de verdrijving der Oostenrijkers uit Brussel, het plegtige Te deum voor de onderdrukking van eenen opstand, die door hem zelven aangestookt was. Voorts vermeerderde men door de vernietiging der belgische advocaten- en priester-republiek het aantal der vrienden van hetgene toen in Frankrijk gebeurde, en bereidde daardoor , zonder het te vermoeden, de verovering van Belgie door de Franschen voor , die binnen twee jaren volgde. Zeer vele misnoegde Belgen vlugtten namelijk naar Parijs, en zij maakten in 1792 den Franschen de verovering van hun vader land gemakkelijk. Terstond na de onderwerping der Belgen werden de keizerlijke troe pen gebezigd, om in het naburige bisdom Luik , dat tot het duitsche rijk behoorde , eenen twist der inwoners met hunnen bisschop ter gunste van den laatstgenoemde ten einde te brengen. Deze luiksche onlusten zijn niet zoo zeer een voorspel, als wel een uitwerksel der aanvangende fransche omwenteling, omdat de Luikenaars, nadat zij lang bij den eeuwig beraad slagenden, nooit besluitenden duitschen rijksdag en bij de geene zaak ten einde brengende duitsche rijksgeregtshoven herstel hunner grieven gezocht hadden, hunne toevlugt namen tot dat natuurregt, hetwelk toen in Frank rijk tegenover het stellige regt aangenomen en als wettig erkend was. De gebeurtenissen te Luik zijn daarom ook vooral belangrijk voor de kennis 26 Nieuwe Geschiedenis. van den staat van zaken in Duitschland. Ten aanzien der algemeene ge schiedenis bestaat hare voornaamste waarde daarin, dat ook te Luik velen zich door de vlugt aan de herstelde priesterregering onttrokken , en dat deze vrijzinnige Luikenaars te Parijs geheel op dezelfde wijze, als de voort vlugtige Belgen ,werkzaam waren. Wij vergenoegen ons uit gebrek aan ruimte met deze algemeene aanmerking over de luiksche onlusten , en gaan over tot de bewegingen, die kort vóór de fransche omwenteling in Holland ontstonden . 2. HOLLAND . De zeven vereenigde gewesten der Nederlanden hadden zich door on ophoudelijke inwendige verdeeldheden zoo wel in hunnen van 1780 tot 1783 met Engeland gevoerden oorlog ( z. boven bl. 7 ) , als ook in hunne twisten met Jozef II ( z . D. XVI. bl . 279 vv. ), groote nadeelen berokkend. Daardoor verkreeg hunne tweedragt vervolgens nieuw voedsel. De geheele twist liep over de vraag, of de algemeene staten en die der bijzondere provincien de regten der opperheerschappij zelven konden uitoefenen, of dat zij die door hunnen stadhouder moesten laten uitoefenen . Deze twist verkreeg door de gemalin van den toenmaligen stadhouder Willem V, Frederica Sophia Wil helmina, de zuster van Frederik Willem van Pruisen, en door zijnen vriend en vroegeren voogd Lodewijk Ernst van Brunswijk (z. bl. 5 vv.) ook nog een persoonlijk gewigt, omdat deze twee bij de vadsigheid en ongeschikt heid van Willem in zijne plaats regeerden , en Engeland ten koste der Hol landers begunstigden . De hertog van Brunswijk werd eindelijk wegens de uitkomst van den engelschen oorlog zoo verdacht , dat hij het, toen de ge schiedenis der acte van consultatie (z. bl. 5 ) ruchtbaar werd en men nem daarover van verraad beschuldigde, noodig achtte, de Nederlanden te ver laten (october 1784) . Detwist der twee partijen, de republikeinschgezinde of patriottische en de oranjegezinde, betrof de belangen van het eigentlijke volk even min , als de strijd der whigs en tories in Engeland. Ja , dehollandsche republikei nen of patriotten namen niet eens , zoo als de whigs in Engeland , den schijn aan, alsof zij met den tijd vooruit gaan wilden . Zij waren bepaald aristocratisch en trachtten al het oude in stand te houden. De oranjegre zinde partij daarentegen was ten minste niet stellig afkeerig van gepaste hervormingen. Eene verandering van staatsregeling was echter inzonder heid in dit eene opzigt noodzakelijk, dat er behoefte was aan eenen beteren zamenhang en meerdere eenheid van regering , als men het verder verval van den vroeger zoo bloeijenden handel en der zeemagt stuiten wilde. Doch juist aan deze hervorming viel niet te denken, omdat zoo wel de algemeene staten of de uit de afgevaardigden van al de gewesten bestaande algemeene regering, als de staten van elke bijzondere provincie naijverig aan hunne souvereine magt vasthielden , en derhalve den invloed en het gezag van den stadhouder zochten te beperken. In beide die vergaderingen heersch ten eigentlijk de magistraten der steden ; want door hen , die zich zelven aanvulden, werd de meerderheid der leden van beide vergaderingen geko zen , en slechts in zeer enkele provincien was de invloed van den stadhou der of van de ridderschap overwegend. Bovendien waren niet slechts de bevelhebbers der vestingen ondergeschikt aan de burgemeesters der steden, Holland kort vóór de fransche omwenteling. 27 maar elke stad en elke provincie kon ook eigen troepen houden . Slechts het gemeenschappelijke leger der zeven provincien stond onder den kapi tein - generaal of stadhouder. Het middelpunt der geheele republiek was om vele redenen de pro vincie Holland, naar welke men haar zelve daarom ook gewoon is te noe men ; maar in Holland zelf had de stad Amsterdam , die voor de Neder landen even gewigtig was als Londen voor Engeland, de beslissende stem. Wij begeven ons niet in den doolhof der verschillen en twisten , die door de staatsinrigting der Nederlanden in het leven geroepen werden. Het is genoeg aan te merken , dat de staten eindelijk aan prins Willem V het opperbevel over de troepen ontnamen, dat deze zich ten gevolge daarvan naar zijne goederen verwijderde, en dat zijne gemalin , Frederica Sophia Wilhelmina haren broeder, koning Frederik Willem II van Pruisen, in de hollandsche zaken mengde. Deze vorstin bestuurde sedert de verwijdering van den prins van Bruns wijk alles geheel alleen , en had reeds sedert lang onderhandelingen met Engeland aangeknoopt , om de patriottische partij te vernietigen. Zij had vroeger ook haren oom , Frederik den groote, getracht te bewegen , om op afdoende en gewelddadige wijze ter gunste van haren gemaal tusschen beide te komen. Maar Frederik was te voorzigtig , om zich daarmede in te laten, hoewel bij ook door zijnen minister Herzberg en door den opper bevelhebber van zijn leger , hertog Ferdinand van Brunswijk , daartoe ge drongen werd . Van deze twee mannen geloofde namelijk de een , dat hij alles met pruisische bajonetten kon doorzetten ; en de ander achtte zich sedert den zevenjarigen . oorlog een der grootste veldheeren ( z. D. XVI. bl. 198 ), en zocht , aangespoord door zijnen oom Lodewijk Ernst van Bruns wijk, zich in Holland nieuwen krijgsroem te verwerven. Frederik stierf in augustus 1786, en zijn neef, Frederik Willem II, volgde hem op. Bij hem bereikte de prinses van Oranje , zijne zuster , weldra haar oogmerk. De nieuwe koning was namelijk het werktuig van den kring, die hemomringde, en deze ondersteunde de pogingen van Herzberg en van Ferdinand van Brunswijk, omdat zij den laatstgenoemde, wiens invloed hun in den weg stond, van Berlijn wenschten te verwijderen . Er zouden derhalve terstond pruisische troepen in Holland binnen gerukt zijn, als men niet beducht was geweest voor de fransche regering. Frankrijk had zich kort te voren naauwer aan de hollandsche repu blikeinen aangesloten , en eene voorzigtige staatkunde scheen der fransche regering zoo veel te meer voor te schrijven, om eene legerafdeeling gereed te houden , omdat door den nieuwen engelschen president, Pitt, dezelfde Harris of lord Malmsbury, die zijne diplomatische bekwaamheid tijdens den amerikaanschen oorlog aan het hof van keizerin Catharina II bewezen had ( z . bl. 4), in het jaar 1784 als gezant naar den Haag gezonden was. Deze held in diplomatische kunstgrepen, die in vereeniging met de prinses van Oranje de aangelegenheden van den stadhouder bestuurde, wist niet slechts door geld en kuiperijen de heerschende republikeinsche partij te ondermij nen en onderling te verdeelen, maar hij wendde ook alle denkbare midde len aan , om de Pruisen tot eene gewapende tusschenkomst te bewegen. Het laatste gelukte hem trouwens niet terstond, omdat Frederik Willem II, die zich door eene buitensporige leefwijze reeds vroeg uitgeput had , voor geen krachtig besluit geschikt was en, zoo lang Vergennes in Frankrijk de 28 Nieuwe Geschiedenis. buitenlandsche zaken bestuurde, den oorlog schroomde. Er geschiedde derhalve in het jaar 1786 niets verder , dan dat Frederik Willem op de grenzen van Gelderland troepen liet bijeen trekken en dat hij den graaf van Görz naar Holland zond, om in gemeenschap met de Franschen eene schikking tusschen de staten en hunnen stadhouder tot stand te brengen. Deze bemiddeling, die naauwelijks ernstig gemeend was , leidde tot geene uitkomst. Daarentegen was het van beslissenden invloed , dat Vergennes in februarij van het volgende jaar ( 1787) stierf, en dat na zijnen dood het fransche ministerie door de toen bijeen geroepen vergaderingen van nota belen te veel bezig gehouden werd , om behoorlijk op de hollandsche za ken te letten. In de eerste maanden van het jaar 1787 werden de partijen in de zeven provincien stouter en driftiger. Op den 9 mei kwam het in de pro vincie Utrecht zelfs tot een gevecht tusschen soldaten en burgers. Op den 26 mei vaardigde de stadhouder zelfs eene soort van oorlogsmanifest uit, waarin hij tegen de staten van Holland eene zeer dreigende taal voerde. Terstond daarna ondernam de prinses eene onder de bestaande omstandig heden zeer in het oog loopende reis van Nijmegen naar den Haag. Zij had in deze stad, die nog daarenboven de zetel der vijandige staten van Holland was, niets te verrigten en moest , om daar te komen , door stre ken reizen, die door de verbitterde vijanden van haren gemaal met gewa pend volk bezet waren . Men beweert derhalve niet zonder grond , dat de prinses door haar verschijnen in den Haag het gemeen tot oproer aanzet ten of door eene persoonlijke beleediging , die zij daar of onder weg ver wachten kon , haren broeder, den pruisischen koning , tot wraakneming wilde dwingen. Tusschen Schoonhoven en Gouda werd zij op den 28 ju nij door eenen winkelier, die bij de gewapende burgers de rol van officier vervulde, aangehouden en lomp behandeld . Andere bijkomende officieren , die meer manieren bezaten, verontschuldigden dit gedrag wel met alle mo gelijke beleefdheid , doch lieten insgelijks de prinses niet verder rei zen , maar hielden haar zoo lang op, tot dat verdere bevelen bij de staten van Holland gevraagd waren . Deze bleven zoo lang uit, dat de prin ses na twee dagen wachtens de terugreis weder aannam . De koning van Pruisen eischte werkelijk voldoening voor zijne zuster. De staten van Holland rekenden op fransche hulp en behielpen zich , terwijl zij die in wachtten,, met het geven van ontwijkende antwoorden op de zeer hevige nota’s van het pruisische kabinet.In Frankrijk stond toen echter de aarts bisschop van Sens , Lomenie de Brienne , die ongeschikt was voor stoute ondernemingen, aan het hoofd van het ministerie, en hij beriep zich ор den treurigen toestand der geldmiddelen , op de dreigende houding van En geland, en de onmogelijkheid om eenen oorlog ter zee te voeren. In sep tember rukte derhalve een pruisisch leger van twee en twintig duizend man in drie afdeelingen , wier sterkste aangevoerd werd door hertog Ferdinand van Brunswijk , de provincie Holland binnen , terwijl tevens de stadhouder zich met zijne troepen in beweging stelde. De Hollanders, jegens welken zich bovendien de algemeene staten reeds vroeger vijandig verklaard hadden , werden niet alleen door de Franschen, maar ook door de andere provincien , behalve Groningen en Overijssel, in den steek gelaten. De Pruisen hadden derhalve eene gemakkelijke taak, te meer daar het gespuis , dat de door Holland in dienst genomen rijn > Holland vóór de fransche omwenteling. 29 graaf van Salm onder den naam van een legercorps bijeen gebragt had, op eene bijna belagchelijke wijze uiteen liep . Binnen eene maand waren de Hollanders reeds weder onderworpen aan den prins van Oranje. De hoofden der patriottische partij, zoo wel als vele democraten, namen ter stond de vlugt. De overige tegenstanders van den stadhouder werden van hunne posten ontzet en door aanhangers van het huis van Oranje ver vangen ; en de prins kreeg niet alleen het opperbevel over al de nederland sche troepen terug, maar hem werd ook meer invloed op de keus der stedelijke overheden verleend, dan hij vroeger bezat. De Pruisen, waar van slechts zes duizendman gedurende zes maanden achter bleven, gedroe gen zich voorbeeldig. Zij moesten dikwerf het oranje - gezinde gemeen be teugelen , dat de democraten en patriotten met rooven en moorden ver volgde. De vlugtelingen begaven zich naar Frankrijk en hielden zich daar even als de ontvloden Belgen en Luikenaars bezig , om eene nieuwe om wenteling voor te bereiden . Al het voordeel der ontknooping viel den Engelschenten deel. Dezen hadden namelijk door de bekwaamheid van hunnen diplomaat Harris te weeg gebragt, dat door middel van pruisische bajonetten de fransche partij in de Nederlanden vernietigd en deze staat op nieuw naauw met Engeland verbonden werd . Het laatste geschiedde door een verdedigend verdrag, dat in april 1788 tusschen Holland, Pruisen en Engeland gesloten werd. In Frankrijk werd de verzuimde bescherming der Hollanders verderfelijk voor de regering; want daar men op de bloote bedreigingen der Engelschen af Holland aan de pruisische troepen prijs gegeven had, gevoelde zich de natie in haar eergevoel en krijgshaftigen trots zeer smartelijk gekrenkt, en hiervan maakte de oppositie vervolgens gebruik , om den overgang tot de omwenteling te bevorderen. Pruisen werd door de ontijdige grootmoedig heid van zijnen koning tot zeer belangrijke uitgaven verpligt, zonder dat de rijke Hollanders tot vergoeding daarvan gedwongen werden, hoezeer toen juist de pruisische geldmiddelen door de verkwisting van den nieuwen ko ning in verwarring geraakten. Een grooter kwaad was nog voor Pruisen de omstandigheid , dat de gemakkelijke onderwerping der Hollanders niet slechts hertog Ferdinand van Brunswijk in den dwazen waan zijner be kwaamheid als veldheer versterkte, maar ook bij de adellijke officieren van het pruisische leger den krijgstrots al te zeer verhoogde en hunne hoog moedige minachting der burgers vermeerderde, wat den hertog en het prui sische leger in 1792 de schande in Champagne, zoo wel als in 1806 die bij Jena veroorzaakte. Koning Frederik Willem II, over wien hier ten slotte nog eene korte aanmerking volgen moet, was even als Lodewijk XV reeds in zijne jeugd door opvoeding en verleiding zedelijk bedorven, en zonk, zelfs nog vroeger dan deze, zeer diep. Hij was even als Lodewijk uiterst zinnelijk van aard en stemde ook nog in twee andere opzigten overeen met dien slechtste van alle fransche koningen. Hij zocht namelijk voor zijn ontuchtig leven rust en troost in blind geloof en uiterlijke godsdienstigheid, en viel geheel onder de magt zijner bijzitten en van hare bloedverwanten. Van het eerste maakten de tijmelaars, waaronder zijne ministers Wöllner en Bischofswerder behoorden, gebruik, om het rationalismus en de godgeleerdheid uit te roei jen en de oude kerkleer in stand te houden. Op hunnen aandrang vaardigde Frederik Willem in julij een religie - edict uit , waarbij elke afwijking van 30 Nieuwe Geschiedenis . de vastgestelde geloofsleer zoo wel op den kansel, als op den leerstoel onder bedreiging van afzetting verboden werd . Deze aanval op den heerschenden geest des tijds was en bleef zoo veel te meer vruchteloos , daar toen zelfs nog onder de hoogere standen de ongodsdienstigheid tot den goeden smaak behoorde. Wat de bijzitten van Frederik Willem betreft , schijnt het ons onbestaanbaar met het doel eener ernstige behandeling der geschiedenis, de zoogenoemde geheime vertellingen van het hof te vermelden. Ter aandui. ding van den toenmaligen toestand te Berlijn is het genoeg aan te merken , dat de vrouw van den kamerheer Rietz als gravin van Lichtenau te Berlijn de rol van Pompadour vervulde, dat de pruisische hofadel even zeer als de fransche, met trotsche verachting tegen al het burgerlijke ingenomen was, en dat in 1792 en 1806 het pruisische volk daarvoor in den strijd tegen de Franschen zwaar moest boeten . 3. FRANKRIJK . In Frankrijk was, nadat Turgot en Malesherbes het ministerie hadden moeten verlaten ( z. D. XVI. bl . 275) , de leiding der buitenlandsche zaken aan den graaf van Vergennes gekomen. Deze bekwame en beproefde staats man had terstond het voornemen opgevat, om gebruik te maken van den afval der Noord - Amerikanen van Engeland, tot het terugwinnen door eenen oorlog, wat in den zevenjarigen oorlog aan dien staat verloren was. Maar men kon bij den geheel berooiden toestand der geldmiddelen geenen oorlog voeren , tenzij of door doortastende hervormingen het belastingstelsel geheel veranderd, of het crediet op de eene of andere wijze ten minste in zoo ver hersteld werd, dat men zich door nieuwe leeningen helpen kon. Het eerste had Turgot vergeefs beproefd ; tot het tweede betoonde zich eenparijsch ban kier, Necker, bereid. Deze geloofde, als hij het bestuur der geldmiddelen op zich nam , het vertrouwen te kunnen herstellen en alzoo leeningen tot stand te kunnen brengen, omdat hij zich als bankier en als schrijver over de staat huishoudkunde den naam van een regtschapen, kundig, bekwaam en schran der koopman verworven had. Hij verkreeg in 1777 het bestuur der geld middelen, zonder daarvoor bezoldiging te genieten, maardaar hij protestant en niet van adel was, gaf men hem niet den gebruikelijken titel van con troleur-generaal,maar den bescheiden titel van directeur der financien. Necker was te Geneve geboren , en had zich te Parijs door schran dere en gelukkige ondernemingen een groot vermogen en aanzienlijk cre diet verworven . Hij had bovendien door geschriften op het gebied der geldmiddelen , inzonderheid door zijnen aanval op het handelstelsel van Turgot ( z. D. XVI. bl. 273 vv.), zeer groot opzien gebaard. Zijne inner lijke geaardheid en zijn uiterlijk voorkomen vertoonden al de eigenschappen, die men zeer gewoon is toe te schrijven aan de te Geneve gevormde man nen , of tegenwoordig aan de zoogenoemde doctrinairen : hij bezat een bui gewoon hoog gevoelen van zich zelven, was op zijn weten en zijne plannen even trotsch, als anderen op hunne geboorte , en bezat die stelselmatige en streng zedelijke vormen , welke volkomen in strijd waren met de aan het fransche hof aangenomen manieren en der koningin vooral mishaagden. Desniettemnin heeft zich Necker , dien zijne dochter, mevrouw van Stael, op belagchelijke wijze vergoodue, als staatsman zeer verdienstelijk gemaakt. Hij heeft bovenal na zijne eerste komst in het ministerie alles , wat men Frankrijk Het eerste ministerie van Necker. 31 in de toenmalige omstandigheden slechts verwachten kon, vervuld en , zon der nieuwe belastingen op te leggen , de voor den oorlog tegen Engeland vereischte sommen bijeen gebragt. Het laatste bewerkte hij door een stelsel van leeningen , dat hij gemakkelijker dan elk ander ten uitvoer kon bren gen, omdat hij niet slechts als bankier de vereischte kundigheden in die za ken volkomen bezat , maar ook door het vertrouwen , dat hij persoonlijk inboezemde , in staat was het crediet van den staat te verbeteren. Het middel, door hem gebezigd, was echter niet in staat, om de wezentlijke ge breken der financien van den staat weg te nemen ; het stuitte veeleer slechts eenen tijd lang de werking dier gebreken, maar maakte die zelven slechts nog erger. Bovendien meende Necker nog , dat het door strenge bezuini ging , die hij het hof dringend aanbeval , mogelijk zou zijn , den staat uit eene ontzettende verlegenheid te redden. Doch juist dit bewijst, hoe weinig hij berekend was tot minister van een groot rijk , omdat eene geheele natie niet duurzaam geholpen kon worden door middelen , die alleen geschikt zijn voor eenen kleinen staat , of voor eene oote bij zondere huishouding. Overigens werd de kort daarna uitbrekende omwen teling niet, zoo als men somwijlen geloofd heeft, door den toestand der geldmiddelen veroorzaakt. De oorzaak lag veel dieper ; want zij was de rijpe vrucht van eenen sedert den dood van Lodewijk XIV van eene ge heele omkeering zwangeren tijd. Necker zou zich reeds wegens zijn persoonlijk karakter en gezindheid aan een hof, als het fransche, niet lang staande gehouden hebben. Hij stond om zijn geheele voorkomen en zijne ijdelheid der koningin en den ho velingen van den beginne af tegen , maakte zich bij de laatstgenoemden ook nog door zijne zedelijke beginselen en door zijn leven gehaat, en was zelfs den koning onaangenaam door zijn protestantismus en zijnen eigen waan. Bij al deze zwarigheden , die zijne positie onhoudbaar maakten , kwam echter bovendien nog, dat al zijne plannen en ontwerpen niet slechs blootgesteld waren aan de beoordeeling van de koningin , van de prinsen en van allen, die hen omringden , maar dat ook de verwezentlijking daar van geheel af hing van den ouden mentor des konings , Maurepas ( z. D. XVI. bl. 270 vv. ), omdat Necker zelfs als bloot directeur van financien de zittingen van het ministerie niet mogt bijwonen, en derhalve alles door Maurepas moest laten voorstellen. Toen Necker derhalve in januarij 1781 eenen stap deed , die in de oogen der hovelingen eene ongehoorde nieu wigheid was en hem zelven een al te groot aanzien bij de natie scheen te bezorgen, rustte men niet, voor dat hij uit zijne betrekking ontslagen was. Deze stap was de uitgave van een boek , getiteld Compte rendu , waarin Necker voor het publiek den geheelen toestand der geldmiddelen onbewim peld bloot legde. Necker wilde, wat hem ook gelukte, de leeningen door dezen maatregel gemakkelijkor maken, maar tevens ook wel een schitte rend licht op zijn bestuur werpen . Toen hij kort na het verschijnen van zijn boek eene plaats in het ministerie verlangde, nam het hof zijn pro testantismus ten voorwendsel, om de weigering van zijn verzoek te bewerken en hem daardoor tot vrijwillig ontslag te dwingen. Dit ontslag, dat in mei 1781 volgde, had twee belangrijke gevolgen. Het bleek vooreerst thans weder , even als bij het ontslag van Turgot, dat de koning uit ge. mis van geestkracht en vastberadenheid heen en weder wankelde en zich tegen beter weten aan door hen liet beheerschen , die hem omgaven , dat 32 Nieuwe Geschiedenis. men derhalve hem en zijn hof slechts door den hevigsten tegenstand tot het goede dwingen kon. Ten tweede verkreeg Necker wegens den haat, waarmede het hof hem vervolgde , en ook wegens zijne onbaatzuchtigheid, wegens zijn ijveren tegen koninklijke verkwisting en wegens den door hem gestelden eisch van openbaarheid in staatszaken een onverdiend groot aan zien bij het volk. Daardoor werd hij tot verkeerde beoordeeling van zich zelven vervoerd. Hij hield namelijk voortaan zich zelven voor een groot staatsman , hoewel daartoe bij de verdorvene zeden en ingewikkelde be trekkingen onzer dagen geheel andere eigenschappen gevorderd werden , dan die van een eerlijk en verstandig man, of van een bekwaam en ervaren bankier. Necker kende zich daarom later nog eens de geschiktheid toe, om het schip van den staat te besturen , maar moest het, omdat hem echt staatkundig doorzigt en bekwaamheid ontbraken , midden in den storm aan zijn lot overlaten . De twee ministers van financien, die achtervolgens de plaats van Necker innamen , Joly de Fleury en d'Ormesson ( 1781-1783) , konden zich niet lang staande houden, daar geen van beiden berekend was voor de gelde lijke aangelegenheden van een rijk , welks uitgaven elk jaar de inkomsten vijftig millioen te boven gingen. Op hen volgde in 1783 een meester in de verkwisting, die in het besturen van zijn eigen met schulden bezwaard vermogen geleerd had, hoe men zich in een oogenblik van nood helpen kon. Deze man was Calonne. Hij had zich vroeger door zijne kuiperijen bij gelegenheid der zaak van La Chalotais ( z. D.XVI. bl. 265 vv.) even bemind bij het hof, als gehaat bij de parlementen gemaakt. Bovendien bezat hij alleen zulke hoedanigheden, die hem misschien onder andere om standigheden als minister en diplomaat hadden doen bewonderen , doch in elken ernstvollen tijd niet slechts onvoldoende, maar zelfs regtstreeks ver derfelijk waren. Calonne was op de schitterendste wijze toegerust met sierlijke gaven en spitsvondige bekwaamheden; hij was een onovertroffen meester in vaardigheid van spreken , wist met groote bekwaamheid alles aan zijne oogmerken dienstbaar te maken , en verstond de kunst om elke zaak spoedig en gemakkelijk te behandelen. Hij had zelfs, even als Turgot, in hooge betrekkingen ondervinding van zaken verkregen en als schrijver over staatsbelangen naam gemaakt. Maar hij behoorde naar zijne gezindheid en overtuiging tot den ouden tijd , en stond als een man uit de school van Aiguillon en der voorname losbollen in volkomen tegenstelling met Turgot en Necker. Deze man greep , zonder zich om de toekomst te bekommeren of op eenig voorschrift van zedelijkheid hoegenaamd te letten , elk middel aan om de noodige gelden bijeen te brengen. Hij sloot leeningen op de be zwarendste voorwaarden , nam vooruit de inkomsten op , misleidde de we reld door de gedurige toezegging eener nabijzijnde aflossing der staats schuld en doornaauwgezette betaling der renten, en wist door allerlei an dere kunstgrepen de inkomsten met honderd millioen te verhoogen . Ter zelfder tijd vermeerderde hij onophoudelijk de uitgaven, omdat de behoeften van het hof hem boven al het overige ter harte gingen , en omdat hij de leer huldigde, dat pracht en verkwisting tot het wezen van het koning schap behooren, en dat nijverheid en kunst bevorderd worden door de weelde der hoven. Hij betaalde de schulden van de broeders des konings, die . millioenen bedroegen en altijd weder op nieuw gemaakt werden ; hij kocht Frankrijk onder Calonne als minister van financien. 33 > > bij de talrijke koninklijke lustsloten nog Rambouillet en St. Cloud aan ; hij bezorgde het geld tot schitterende gebouwen en tot de hoffeesten , die toen menigvuldiger, prachtiger en verkwistender dan ooit te voren waren ; hij verleende der koningin twintig millioen , om hare gunstelingen te ver rijken, en meer dergelijke. Dit alles bragt den ligtzinnigen minister van financien na vier jaren zoo ver , dat hij door de bijeenroeping der sedert 1626 niet vergaderde notabelen een hoogst gevaarlijk middel aangrijpen moest, om nieuwe afpersingen met den schijn van wettigheid te bedekken. In den tijd van Calonne's bestuur der geldmiddelen valt het schan daal, onder den naam van halsketen -geschiedenis bekend geworden. Wij vermelden het slechts zeer kortelijk , omdat het geschiedkundig geene an dere belangrijkheid bezit , dan dat de koningin zich naar aanleiding daar van nog meer gehaat maakte, en dat de koning, onvoorzigtig genoeg was, om door de wijze, waarop hij deze zaak behandelde, een gedeelte der voor name familien en geestelijken juist op het oogenblik tegen zich in te nemen , nu hij bij gelegenheid van de vergadering van notabelen hunne genegen heid het meest noodig had. Zekere prins Rohan, derhalve een man uit de eerste familien van het rijk , die kardinaal, groot aalmoezenier van Frank rijk, bisschop van Straatsburg en als zoodanig duitsch rijksvorst was, had de koningin, naar men zegt, door bijtenden spot, waarmede hij in brieven aan de beruchte minnares van Lodewijk XV, du Barry, håre moeder, Maria Theresia, overladen had, gekrenkt en tot zijne bitterste vijandin gemaakt. Hij kon echter zonder de hofgunst niet leven , en liet zich, om die terug te bekomen, door boeven en boeleersters op eene bijna ongeloo felijke wijze om den tuin leiden . Hij had vroeger den italiaanschen be drieger Balsamo leeren kennen , die onder den naam van graaf Cagliostro geheel Europa door wonderdaden, goudmakerij en andere schelmerijen wist te bedriegen (z. D. XVI. bl . 230) . Deze hernieuwde in 1785 te Parijs de kennismaking met den kardinaal, en maakte van zijne domheid en ijdel heid gebruik , om zich van eene belangrijke som gelds meester te maken. Hij bragt den kardinaal namelijk in aanraking met eene gelukzoekster van geringe afkomst, die zich sedert haar huwelijk met eenen afgedankten of ficier gravin La Motte Valois noemde, en deze bood zich denkardinaal tot bemiddelaarster bij de koningin aan , met wie zij in naauwe betrekking beweerde te staan . Rohan liet zich door haar misleiden , schreef aan de koningin brieven , die La Motte op zich nam te bezorgen, wendde voor daarop antwoorden te ontvangen , en kwam zelfs eens , zonder het bedrog te bemerken , in de schemering met een vrouwspersoon bijeen, die voor de koningin uitgegeven werd. °Eindelijk viel hij in de strikken , die men hem door middel van al deze bedriegerijen gespannen had. Men bragt hem namelijk op zekeren dag weder eenen voorgewenden brief van de ko ningin , waarin het heette : dat zij een halssieraad wenschte te bezitten, dat door twee hofjuweliers voor een millioen en zesmaal honderd duizend livres te koop werd aangeboden ; maar zij wilde niet opentlijk als koopster bekend staan, daarom verzocht zij den kardinaal, het op haren last te koo pen , en zij zou het door zijne bemiddeling in termijnen betalen . Zelfs eene met den naam der koningin onderteekende overeenkomst, die aan de juweliers moest overgegeven worden, werd den kardinaal in handen ge steld . Deze ontving hierop het halssieraad en leverde het over aan La Motte , die vervolgens de edelgesteenten door haren man bij gedeelten in XVI . 3 3+ Nieuwe Geschiedenis. Engeland verkoopen liet. Toen de betaling uitbleef, wendden zich de ju weliers regtstreeks tot de koningin. Deze werd geheel woedend. Ookde koning werd ten hoogste verbitterd. Hij liet den kardinaal in vol plegt gewaad gevangen nemen en zijn proces maken. Ook Cagliostro, La Motte en andere medepligtigen werden in hechtenis genomen ; doch daar de vi caris van Rohan terstond zijne geheele briefwisseling met La Motte ver nietigd had, kon door het onderzoek niet stellig uitgemaakt worden, of de koningin ofde kardinaal aan de bedriegster deaanleiding tot den diefstal gegeven had. Hiervan werd later door de talrijke vijanden der koningin gebruik gemaakt , om eenen blaam op haar te werpen , en boosaardige spotternijen tegen haar te verspreiden . Het parijsche parlement, dat het proces behandelen moest, sprak in augustus 1786 den kardinaal vrij van alle schuld , verbande Cagliostro uit het land , veroordeelde La Motte tot geeseling , brandmerk en levenslange gevangenis, en rigtte uit haat tegen het hof zijn geheele vonnis zoo in , dat eene stille verdenking tegen de ko ningin overbleef. Doch de koning ontnam den kardinaal zijne betrekking als groot- aalmoezenier en verbande hem uit Parijs. Dit was eene dwaze wraakbetooning; want men verhoogde daardoor slechts de verbittering der meeste leden van den hoogen adel, die reeds lang misnoegd waren op de koningin -wegens hare voorliefde voor de Polignacs en andere gunstelingen , en zich wegens de hartstogtelijkheid, waarop men tegen den kardinaal te werk ging,beleedigd gevoelden. Toen Calonne alzijne hulpmiddelen uitgeput had , bewoog hij den koning, de zoogenoemde notabelen op te roepen , of met andere woorden , eene vergadering te houden, bestaande uit prinsen, pairs , hoogere geeste lijken, parlementsleden, afgevaardigden der provinciale staten en aristocra tische hoofden der stedelijke besturen, eene vergadering , die geen wetge vend gezag had en , daar hare leden al de voordeelen der maatschappij onder zich behielden, natuurlijk afkeerig was van elke verbetering. Het is niet stellig uit te maken , of Calonne daarbij de bedoeling had, om door het gezag der vereenigde aristocratie door te drijven , wat op eene andere wijze niet meer te bereiken was, of dat hij slechts een nieuw goochelspel vertoonen wilde. De notabelen zelven beschouwden vóór hunne bijeenkomst de zaak reeds zoo , alsof de minister van financien slechts den schijn van vrijzinnigheid wilde aannemen en den haat over de weigering van alle mo gelijke hervorming op de twee bevoorregte standen werpen wilde. Hunne bijeenroeping kon derhalve ook geen ander gevolg hebben , dan dat de natie aanleiding kreeg, om de sedert 1614 niet meer gehouden vergadering der algemeene staten te eischen. Op den 22 februarij 1787 werd de ver gadering van notabelen geopend. Calonne deed haar, alsof hij in den zin van Necker als hervormer wilde optreden , voorstellen ter verbetering der staatsinrigting , die ten koste der bevoorregte standen zouden inge voerd worden . Hij beging daarbij de groote onvoorzigtigheid , dat hij in de openingsrede het bestuur van Necker met eene stellige onwaarheid aan tastte. Deze draalde niet om hem te antwoorden en door de wijze, waarop hij de logentaal en drogredenen van Calonne bloot legde, olie in het vuur te gieten. Necker had reeds in 1784, toen Calonne over eenen zijner maat regelen met het parlement zeer hevig in twist geraakt was , een geschrift tegen zijn stelsel van geldelijk beheer uitgegeven. Zijn geschrift werd wel terstond verboden , maar hij had , omdat hij de onderdrukking van het Frankrijk. Het ministerie van Brienne. 35 1 boek voorzag , nog eene tweede uitgave in Zwitserland laten drukken , die vervolgens om het uitgevaardigde verbod te meer verspreid en gelezen werd. In hetjaar 1787 liet de zwakke koningzich nog eens door zijnen minister van financien als werktuig gebruiken. Hij verbande namelijk Necker we gens het antwoord op den aanval van Calonne uit Parijs. Daardoor werd Necker een martelaar en eene soort van godspraak ; want men zocht hem nu, om zijn oordeel te vernemen, in de provincie even gretig op, als men vroeger naar zijn verboden boek de handen uitgestoken had. Toen Calonne zag, dat de vergadering van notabelen zijne voorstellen niet aannemen en hem zelven in tegendeel verdringen wilde, liet hij, om zich staande te houden en in de oogen der natie te rijzen , zijne voorstellen en de daartegen genomen besluiten der vergadering opentlijk bekend ma ken, hoewel al de handelingen der notabelen tot dus ver geheim gehou den waren . Dit bewoog vervolgens ook de notabelen , om hunne hande lingen te doen drukken . Daarmede verlieten zij het pad van den ouden monarchalen en aristocratischen tijd, en verklaarden zich voor de baan der omwenteling ; want zij erkenden door zulk eenen stap het regt der open bare meening, zoo wel als de noodzakelijkheid, om den schijn vaneenen streng aristocratischen en behoudenden zin van zich af te werpen. Zij lie ten zich bovendien uit wraak bewegen , om werkelijk eene aanklagt tegen het geldelijk beheer van Calonne ter spraak te brengen. Bij deze gele genheid bleek het, dat zeer aanzienlijke mannen onder de notabelen de noodzakelijkheid van doortastende veranderingen , ja zelfs de onvermijde lijkheid eener omwenteling inzagen. Lafayette verklaarde dit geheel on bewimpeld en stellig in de redevoeringen, die hij hield als lid van de ver gadering van notabelen. De koning gedroeg zich ook toen overeenkomstig zijnen gewonen aard ; lang bleef hij onzeker, wat hij doen zoude , tot dat hij zich eindelijk op den 9 april liet overhalen, om zijnen minister van fi nancien te ontslaan . Calonne achtte het raadzaam, om , toen kort daarna het parlement van Parijs een regtsgeding tegen hem aanving, in Engeland veiligheid te zoeken. Zijn stelsel werd door den koning in stand gehouden, maar zoo misvormd, dat elk nu eerst regt misnoegd werd , voornamelijk de vrienden van Necker en de parlementen. De opvolger van Calonne was de aartsbisschop van Sens , Lomenie de Brienne. Hem werd , daar hij als kardinaal hooger in rang was, dan de andere ministers, bij zijne benoeming tevens de waardigheid van eer sten minister toegekend. Brienne behoorde tot die bekende soort van staats lieden , die veel van vrijheid spreken en den schijn van wijsgeer of men schenvriend aannenien , maar daarbij alle mogelijke dwingelandij plegen en de hunnen ten koste van het algemeen bevoordeelen. Hij sloot op den 25 mei de vergadering van notabelen met eene woordenrijke redevoering, waarin allerlei onbepaalde voordeelen brommend opgeteld , maar slechts zes regt streeks uit te vaardigen wetten aangekondigd werden. Deze wetten hadden betrekking op de reeds door Necker genomen proeve, om ten behoeve eener gelijke verdeeling der belastingen provinciale vergaderingen in te stellen , en eene koninklijke rekenkamer op te rigten , de afschaffing van eenige drukkende bijbelastingen, van alle binnenlandstollen en der heerendiensten, en eindelijk de uitgifte van zes millioen nieuwe lijfrenten. Daar deze laat sten slechts voor korten tijd toereikend waren, en bij het gemis van open baar vertrouwen het sluiten van leeningen al te moeijelijk viel, moest Brienne 3 * 36 Nieuwe Geschiedenis. eene nieuwe belasting bedenken. Hij schreef eene zegelbelasting uit , die alle standen , en onder den naam van subvention eene soort van grondbe lasting, die voornamelijk den adel trof. Maar dit wikkelde den nieuwen minister van financien in eenen hevigen twist met het parlement , dat de verordening betreffende beide belastingen niet inschrijven wilde, en toen in de hevigheid van den strijd tot de voor zich zelf gevaarlijk wordende verklaring kwam , dat alleen de algemeene staten bevoegd waren , nieuwe belastingen toe te staan ( julij 1787). Omstreeks dien tijd ontstonden te Parijs reeds bedenkelijke volksbewegingen, terwijl de parlementsleden , die het ministerie aanhingen , met hoon en spot , maar de tegenstanders met gejuich begroet werden. Men verhaalt zelfs, dat de hertog van Orleans, die om zijn loshandig en buitensporig gedrag door de koningin gehaat werd , en door de erfenis van zijnen schoonvader, den hertog van Pen thièvres, de rijkste man in Europa geworden was, geld gegeven had tot opruijing van het gemeen. Brienne en de koning namen wel tegenover het parlement hunne toe vlugt tot het dikwerf gebezigde middel der kussenzittingen ( z. D. XVI. bl. 266 vv.) ; maar de stemming der geheele natie was reeds zoo gevaar lijk geworden, dat ook zelfs het parlement, dat toch uit leden der bevoor regte standen bestond , zich ten hoogste revolutionair gedroeg. Het par lement verklaarde niet slechts de door dat middel afgedwongen inschrijving der verordeningen voor nietig en van onwaarde, en eischte nog eens op de stelligste wijze de bijeenroeping der staten generaal, maar enkele leden verstoutten zich zelfs, onder de toejuiching der de vergadering omringende volksmenigte, om de ergste smaadredenen tegen het ministerie en het hof te uiten. Toen de tegenstand van het parlement gedurig hardnekkiger werd, meenden de ministers zich door cene verbanning van het parlement te kunnen helpen, omdat zij rekenden , dat de parlementeraden te zeer ge woon waren aan het parijsche leven, om zich den terugkeer niet door toe gevendheid te koopen. Op den 14 augustus werden de raden van het parlement elk afzonderlijk door officieren van de garde naar Troyes ge bragt. Maar thans verklaarden zich alle mindere regtbanken ter gunste vanhet parlement; de hooge regtsspraak stond stil , en de stad Parijs nam zulk een omwentelingszuchtig voorkomen aan, dat de koningin toen reeds niet meer om de stad rijden durfde. De ministers zagen zich echter in hunne verwachting niet bedrogen. In september sloten de oude parle menteraden eene overeenkomst met het hof, ten gevolge waarvan het par lement op den 21 september naar Parijs terug keerde. Daar werd het door het volk met onbeschrijfelijk gejuich als overwinnaar begroet. Dit wist namelijk niet , dat bij de gesloten overeenkomst, wier voornaamste inhoud zelfs voor de jongere leden geheim gehouden werd , het welzijn der natie aan het eigenbelang van den eersten minister opgeofferd was. Aan de an dere zijde zag zich trouwens ook het ministerie weldra bedrogen , omdat de jongere leden van het parlement alles verijdelden , wat in het geheim bepaald was. Men was overeen gekomen, dat het parlement eene achtereenvolgende leening van vier honderd en veertig millioen livres inwilligen zoude. Om dit door te zetten, werd op den 19november 1787 geheel onverwacht eene zoogenoemde koninklijke zitting gehouden, waarin wel , in onderscheiding eener kussenzitting, elk lid spreken mogt, doch eene vrije beraadslaging en Frankrijk. Het ministerie van Brienne. 87 stemming door de tegenwoordigheid des konings onmogelijk gemaakt was. De zitting werd door den minister van justitie , Lamoignon, met eene be driegelijk vriendelijke rede geopend. Daarin werden , om de goedkeuring der Teening te verwerven , twee voorstellen gedaan, die door de vrijzinnige partij reeds lang nadrukkelijk verlangd werden. Vooreerst zouden namelijk na afloop van de vier voor de leening bepaalde jaren de algemeene staten bijeen geroepen worden ; en ten tweede zoude voortaan in Frankrijk gods dienstige verdraagzaamheid heerschen, en dien ten gevolge niet slechts alle strafbepalingen tegen de protestanten in het rijk afgeschaft, maar ook de na de opheffing van het edict van Nantes uitgewekene hervormden terug geroepen worden. Deze twee vrijzinnige aankondigingen konden, daar de eene al de bevoorregten , de andere alle geestdrijvers en jansenisten ver bitterde, alleen ten gevolge hebben, dat het eene gedeelte der natie belee digd en het andere niet bevredigd werd. Ook waren beiden niet opregt gemeend. Dit bleek terstond, daar Lamoignon in dezelfde zitting de leer van een volstrekt goddelijk regt van den koning verkondigde, die in 1766 onder Lodewijk XV vol gehouden en toen vanalle zijdenaangevallen was ( z. D. XVI. bl . 266 ) . Aanleiding daartoe gaf hem het begonnen overluid stemmen der parlementsraden , dat hij door middel van dat koninklijk regt in eene geheime stemming veranderde, om het aantal der toestemmenden naar willekeur gewijzigd , en toch het besluit niet met de bijvoeging „ op uitdrukkelijk koninklijk bevel”, maar als een vrij besluit in het protocol te kunnen inschrijven. Bij deze gelegenheid liet zich de in matelooze lie derlijkheid verzonkene, door lafhartigheid en vuile hebzucht beruchte hertog van Orleans, die later als Philippus Egalité befaaınd werd, door het zelf zuchtige gedeelte van de vrijzinnige partij gebruiken , om als hoofd van den naasten zijtak van het vorstelijk geslacht den tegenstanders daarvan tot steun te dienen . Hij rigtte in strijd met het ingesteld gebruik , dat niemand in tegenwoordigheid des konings zonder diens uitnoodiging spreken mogt, aan hem de vraag, of dit eene kussenzitting was. De koning, in plaats van hem het zwijgen op te leggen , antwoordde: „Neen , het is eene ko ninklijke zitting" . Hierop eischte de hertog, die daardoor nog stouter ge worden was , dat in het protocol de woorden „op uitdrukkelijk koninklijk bevel” opgenomen zouden worden. De koning gaf een onbeduidend ant woord , en geraakte, daar hem tegenwoordigheid van geest ontbrak , 200 zeer in verwarring, dat hij zich verwijderde, zonder vooraf de opheffing der zitting te gelasten. Deze duurde derhalve voort en eindigde daarmede, dat na de allerhevigste beraadslagingen zelfs de oudste leden hunne stem introkken , en dat in het protocol de verklaring, opgenomen werd , dat de vooraf genomen besluiten onwettig waren , en dat het parlement de door den minister voorgenomen leeningniet waarborgde. De koning ging hierop , overeenkomstig zijn zwak karakter , van het eene uiterste tot het andere over. Hij streek het straks vermelde gedeelte van het protocol door , verbande den hertog van Orleans naar een zijner goederen, en liet twee der hevigste redenaars van het parlement, Fréteau en Sabatier , gevangen nemen. Het parlement trok zich echter de zaak zijner leden met den meesten nadruk aan. Het verklaarde aan den koning, dat, indien de hertog schuldig was, al de leden van het parlement dit even zeer waren. Bovendien verzocht het hem, de herinnering eener handelwijze uit te wisschen, die leiden moest tot vernietiging der wetten, tot miskenning 38 Nieuwe Geschiedenis. der regtbanken en tot de zegepraal der vijanden van Frankrijk . Ter zelfder tijd namen niet alleen andere parlementen van hetrijk , maar ook de pro vinciale staten eene dreigende houding aan , en in Bretagne kwam het zelfs tot opentlijk verzet. De koning zocht zich op nieuw door eenen vrijzinnigen maatregel uit zijne verlegenheid te redden; hij beloofde in december 1787 binnen vijf jaren de bijeenroeping der algemeene staten. Daardoor liet zich echter het parijsche parlement niet terug houden, om op den ingesla gen weg voort te gaan. Het verklaarde in januarij 1788 de koninklijke bevelschriften tot gevangenneming ( z. D. XVI. bl. 263 vv. ) en andere in de laatste eeuw genomen maatregelen voor strijdig met de staatsregeling, en eischte op hoogen toon de loslating zijner twee gevangen leden. Nu liet de koning zich door Lamoignon en anderen weder brengen op het in 1770 door Maupeou uitgedachte ontwerp van eene willekeurige verandering van staatsinrigting ( z . D. XVI. bl . 267 vv. ), waarbij de instelling der par lementen door eene nieuwe eigendunkelijke zamenstelling der geregtshoven vervangen zoude worden. Maar terwijl dit ontwerp in het geheim werd gereed gemaakt, bewogen dezelfde personen, die het opgeworpen hadden, den wankelmoedigen koning tot eene daad van toegevendheid. Op den 17 april werden namelijk de gevangene leden van het parlement los gela ten en den hertog van Orleans toegestaan naar Parijs terug te keeren. Deze daad ging echter van eene andere vergezeld, die elke volgende wille keur wettigen kon. De koning verklaarde zich namelijk opentlijk voor de bron van alle magt, en elke wet en de geregtshoven en de staten slechts voor uitvoerende of raadgevende werktuigen van zijnen wil. Tegen deze koninklijke verklaring stelde het" parlement weldra het merkwaardigste gedenkschrift, dat ooit daarvan is uitgegaan. Het reikte namelijk den koning op den 4 mei een geschrift over van gelijken inhoud en uitdrukking als vroeger in Engeland de beroemde Petition of rights ge weest was (z. D. XV. bl. 18 vv.). Ook werd door die verklaring van het parlement even zeer , als in den tijd door de gemelde engelsche acte, aan de geheele wereld bekend gemaakt, dat het willekeurige regeringsstelsel uitgediend had, dat eene werkelijke omwenteling niet alleen op handen was, , maar eenigermate reeds werkelijk uitgebroken was. Deze verklaring behelst namelijk niet slechts eene bloote verdediging tegen het verwijt , dat het parlement eene aristocratie der geregtshoven in de plaats der monarchie opwerpen wilde. Zij beweert veeleer ten aanzien van den reeds bekend geworden maatregel , die weldra alle parlementen zoude opheffen , ronduit, dat door de gewelddadige vernietiging der geregtshoven ook de natie zelve ophield vrij te zijn . Ja, in de verklaring wordt niet slechts van onver vreemdbare regten des volks en van eene grondwettige beperking van het koninklijk gezag gesproken, maar ook bespiegelingen voorgedragen , die volkomen overeen stemden met de latere eischen der algemeenestaten. Even zeer gaf reeds de toon, waarin dit alles voorgedragen en de ministers aan getast werden , het begin der omwenteling te kennen. Ter zelfder tijd van het aanbieden van dit vertoog aan den koning nam het parlement een van die besluiten, welke steeds de voorboden van nakende stormen waren . Het verklaarde zich permanent en verpligtte al zijne leden door eenen pleg tigen eed tot het niet gehoorzamen der tegen het voortduren der parlemen ten gerigte koninklijke verordeningen, die toen reeds gedrukt waren en vier dagen later ook afgekondigd werden. Met deze verordeningen begon der Frankrijk. · Het ministerie van Brienne. 39 halve naar ons inzien de omwenteling van 1789 op dezelfde wijze, als door de julij-ordonnantien van 1830 de toevallige aanleiding tot de nieuwe fran sche omwenteling gegeven werd, hoewel in beide gevallen de oorzaken reeds lang voorhandenwaren. De ministers waren te ver gegaan om terug te kunnen keeren. Nog in den nacht na den dag , waarop het parlement tot die uiterste stappen was overgegaan , zonden zij eenige bataillons grenadiers af, om twee der hevigste leden van hetparlement, d'Epresmenil en Goislard de Monsabert, gevangen te nemen . Deze troepen drongen de vergaderzaal binnen en bleven daar vijf uren lang, tot dat eindelijk de twee genoemde raadsleden, die zij niet persoonlijk kenden, aan den dag kwamen en zich gevangen gaven . Drie dagen later ( 8 mei) werden aan het parlement in eene kussen zitting de gemelde verordeningen bekend gemaakt. Door deze verordenin gen werd de instelling der parlementen als staatkundige ligchamen vernie tigd. Zij hielden namelijk de bepaling in, dat de parlementen voortaan niet meer beslissen zouden over belastingen , vrijheden en regten der burgers, maar eene zoogenaamde cour plenière, die uit den koning , de prinsen , de pairs, vier bisschoppen, zes generaals, den voorzitter van het parlement van Parijs, een aantal staatsraden en slechts eenen vertegenwoordiger uit elke provincie zou bestaan. Bij dezelfde verordeningen werd bovendien niet alleen het gezag der parlementen als de hoogste geregtshoven van het rijk ver zwakt, maar werden ook - wat de belangrijkste inbreuk op de regten van alle Franschen maakte -- de regtbanken afhankelijk gemaakt van de re gering. Dit geschiedde door de oprigting van dn grands baillages of pro vinciale oppergeregtshoven en door de inkrimping van het aantal der par lementsleden. De geheele willekeurige maatregel diende tot niets , dan om de natie steeds meer naar het spoor der omwenteling heen te dringen. Al de par lementen protesteerden tegen het hun aangedane geweld , de regtbanken deden hetzelfde en volhardden , zelfs toen de koning hunne uitspraken ver nietigde, bij hun verzet ; overal braken volksbewegingen en oproeren uit ; een gedeelte der troepen verklaarde zich onbewimpeld tegen de ministers; er vormden zich staatkundige vereenigingen ; en Parijs werd met vlugschriften overstroomd, waarin het woord omwenteling reeds voorkwam . Bovendien sloten zich niet slechts mannen uit de eerste familien des rijks bij den burgerstand aan , en zetten dien tot opentlijken tegenstand op, maar ook toenreeds werd door gewigtige personen geld gegeven , om de zwakke regering door de volksmenigte te beangstigen . Zelfs het heir van bedelaars , land loopers en galeislaven, dat later bij de moordtooneelen in Parijs de hoofd rol speelde , stroomde toen reeds naar Parijs, zonder dat men wist, waar door deze verhuizing veroorzaakt werd. De tegenstand was het hevigste in Dauphiné en in Bretagne. In het eerstgenoemde gewest, waar adel en geestelijkheid reeds vroeger de middeleeuwsche vooroordeelen afgelegd en zich met den derden stand tot eene eenige kamer vereenigd hadden, namen de staten het parlement van Grenoble in bescherming, en burgers en boeren dreven de soldaten terug, waardoor het tot gehoorzaamheid gedwongen moest worden. In Bretagne was de burgerstand, die de beginselen van Rousseau en Franklin aangenomen had, sedert lang met den adel in twist ; en deze twist gaf in 1788 de toevallige aanleiding tot de oprigting van staatkundige clubs, die zich later over geheel Frankrijk verspreidden , doch 40 Nieuwe Geschiedenis. in den beginne slechts den onschuldigen naam van leesgezelschappen droe gen. De adel van Bretagne trok_zich de zaak van zijn parlement even nadrukkelijk als het volk aan . Drie honderd edellieden verklaarden te Rennes elk voor eerloos , die eene plaats in het nieuwe geregtshof zoude aannemen. De soldaten werden , toen men hen tegen het parlement opriep, door het volk gehoond , en de bevelhebbers waagden het niet deze belee diging te vergelden; ja, men moest zelfs al de officieren van een regiment ontslaan en een ander regiment geheel ontbinden . Door al deze verschijnselen werd de regering reeds in julij 1788 zoo zeer verschrikt, dat zij besloot, het ingeslagen pad des gewelds weder te verlaten en zich van de parlementen en provinciale staten , waarmede zij het volstrekt niet eens konde worden , tot de algemeene staten te wenden. Op den 8 augustus verscheen een koninklijk bevelschrift, waarin de bijeen roeping der algemeene staten tegen den 1 mei 1789 aangekondigd, alsmede de oprigting der cour plenière en der nieuwe hooge geregtshoven (grands baillages ) voor onbepaalden tijd uitgesteld werd. Reeds veertien dagen later werdBrienne, en in september de niet minder gehate Lamoignon ontsla gen.. In plaats van den eerstgenoemde werd Necker in het ministerie ge roepen ; want de twist met de parlementen had de staatsinkomsten zoo zeer benadeeld , dat de betalingen deels in papier geschieden , deels geheel uit gesteld worden moesten , en dat men zich slechts door de benoeming van eenen vrijzinnigen minister van financien meende te kunnen helpen. Brienne werd op dat tijdstip, hoewel de haat van het volk tegen hem zoo hevig was, dat hij naar Italie vlugten moest, door bemoeijing der koningin tot kardinaal benoemd. De koningin beging bovendien nog de onvoorzigtig heid, twee vleijende brieven aan hem te schrijven , die in het volgende jaar gedrukt werden en de geheele wereld in de overtuiging versterkten , dat Maria Antoinette haren gemaal geheel tegen de openbare meening zocht in te nemen , en dat de laatste derhalve nooit te vertrouwen zoude zijn. Brienne viel overigens later , wat opmerkelijk in zijn karakter is , als lid der constituerende vergadering van den paus af, waarvoor hij vervolgens met het verlies van den kardinaalshoed gestraft werd. Terstond na het ontslag van Brienne en Lamoignon stookten aan zienlijken , waaronder men zegt dat ook de hertog van Orleans behoorde, het gemeen op tot het plunderen en verbranden der huizen van de twee ministers, alsmede tot andere gewelddadigheden en misdrijven, omdat zij overtuigd waren , dat Necker alleen dan iets zou vermogen , als men het hof en de koningin door voortdurende onlusten in angst hield. Van de bij deze gelegenheid voorgekomen gevallen van doodslag en verwonding van burgers werd gebruik gemaakt, om ook den gehatenminister van oor log , een broeder van den ontslagen minister van financien , uit zijne be trekking te verdrijven en de tweedragt tusschen volk en koning altijd grooter te maken . Het parlement van Parijs stelde eene aanklagt tegen de overheden , die bij de voorgevallen onlusten op het volk hadden laten schieten . Terstond daarna vaardigde hetzelfde parlement ten believe van het hof eene verordening uit tegen de zamenrottingen op openbare pleinen en stra ten. Het deed toen tevens eenen stap , waardoor zijne populariteit en zijn bestaande invloed op de natie voor altijd vernietigd werden. Toen namelijk Necker in september door een koninklijk bevelschrift aankondigen liet, dat Frankrijk. - Begin van het tweede ministerie van Necker. 41 de algemeene staten reeds op den 1 januarij bijeen komen zouden , wilde hij, dat aan den burgerstand eens zoo veel afgevaardigden , als aan elk der beide andere standen toegestaan wierden , waarmede tevens klaar en duide lijk was te kennen gegeven, dat de afgevaardigden van de drie standen in eene enkele vergadering vereenigd zouden worden . Het parlement nam echter dat bevelschrift niet aan, dan met de uitdrukkelijke bijvoeging, dat de algemeene staten zich op de bij hunne laatste zamenkomst ( 1614) ge bruikelijke wijze, d. i. als drie kamers elke met eene stem en met een gelijk getal afgevaardigden, vereenigen moesten. Door dit voorbehoud was Neckers bedoeling verijdeld , om door middel der algemeene staten het uit de mid deleeuwen afkomstige stelsel van belastingen en hare verdeeling te her vormen. Necker zocht derhalve voor zijn door het parlement verworpen plan een ander gezag. Dit geloofde hij met eene verblinding, die alleen bij eenen geheel op bespiegeling steunenden man begrijpelijk is, in de ver gadering der notabelen te kunnen vinden. Hij riep derhalve dezelfde no tabelen bijeen , die een jaar vroeger door Calonne zamen geroepen waren, op den 6 november, en wel uitdrukkelijk alleen met het doel, om hunne meening te vernemen ten aanzien der inrigting der zamen te roepen alge meene staten. De notabelen verklaarden zich, gelijk men had kunnen voor zien, tegen het voorstel van Necker. Nu hadden derhalve parlement en notabelen , of met andere woorden, die standen der natie , welke tot nu alleen invloed in den staat geoefend hadden , opentlijk verklaard, dat zij zich in tegenspraak bevonden met alle leeraren van het staatsregt, met alle schrijvers van naam ; want dezen eisch ten en bewezen eenstemmig , dat naar het voorbeeld der staten van Dau phiné de drie standen van het rijk in één ligchaam vereenigd worden en hoofdelijk stemmen moesten, dat derhalve de twee eerste standen gezament lijk geenen grooteren invloed mogten bezitten, dan de derde. Voorts waren de geschriften over de algemeene staten door de regering zelve uitgelokt. Reeds Brienne had namelijk alle gewestelijke besturen, alle overheden, alle aca demien en alle wetenschappelijke mannen in naam des konings uitgenoodigd, om hunne inzigten over de algemeene staten bekend te maken. De ten gevolge daarvan uitgekomen geschriften hadden bijna algemeen eene her vorming der staatsinrigting en de opheffing der voorregten , door enkele standen genoten, als behoefte van den tijd en als eenig middel ter redding van den metondergang bedreigden staat gevorderd. Daardoor werden juist die klassen der maatschappij zoo zeer verontrust, dat niet slechts vijf prin sen tegen elke verandering bij voorbaat protesteerden , maar dat ook een hunner, de prins van Conty, alle staatkundig geschrijf verboden wilde heb ben. De prinsen kregen wel in de vergadering van notabelen hunnen zin niet, maar deze, die tot den 12 december bijeen bleef, stemde echter tegen de bedoeling van Necker. Bij deze gelegenheid poogde het parlement, hoc wel te laat, deverlorene volksgunst teherwinnen. Het verklaardenamelijk, dat de beslissing over het aantal der afgevaardigden van den derden stand aan het ministerie overgelaten moest worden. De eenige uitwerking van deze uitspraak van het parlement was, dat Necker op den 27 december tot den stap overging, dien hij van het begin af had behooren te doen. Op dien dag werd namelijk de bijeenroeping en inrigting der algemeene staten bij kabinetsbevel geregeld. Diensvolgens moesten de algemeene staten, wier bijeenkomst op den 1 mei 1789 bepaald werd, uit even zoo veel af 42 Nieuwe Geschiedenis. gevaardigden van den derden stand bestaan, als die der beide andere stan den te zamen bedroegen. Ongelukkig werd, naar het schijnt door den in vloed der koningin, de voorname vraag, of de drie standen in drie kamers gescheiden of in eene enkele vergadering vereenigd zouden worden , hun zelven ter beslissing overgelaten : waardoor de regering vervolgens zelve, zonder te letten opde vijandige stemming der openbare meening tegen de twee eerste standen, hunnen twist met den derden stand veroorzaakte . Wij gewagen niet van de onlusten en bewegingen , die de verkiezing der afgevaardigden vergezelden en vooral in Bretagne een zeer bedenkelijk voorkomen hadden. Daarentegen vermelden wij drie , voor den verderen loop der zaken gewigtige fouten , die door de regering bij gelegenheid der verkiezingen begaan werden. Zij bekommerde zich in de eerste plaats weinig over de uitkomst der verkiezingen , terwijl hare tegenstanders allerwegen daarop grooten invloed oefenden . Zij hield ten tweede niet vast aan het beginsel , dat de kiezers na de benoeming weder uiteen gingen, zonder vooraf iets anders te verrigten. Dit had inzonderheid te Parijs de nadee ligste gevolgen, omdat de toenmalige kiezers uit de aanzienlijkste mannen bestonden, en niet alleen het vertrouwen hunner medeburgers bezaten, maar ook de heerschende overdrevene begrippen van hunne burgerregten deelden. De derde fout der regering bestond daarin, dat zij de vergadering niet in eene ver van het opgewekte en ligt nog meer te ontvlammen Parijs ver wijderde stad , maar naar Versailles opriep, waar hare zittingen op den 5 mei 1789 geopend werden. XIV . AANMERKINGEN OVER DE GESTELDHEID EN DEN GANG VAN DE ENGELSCHE, FRANSCHE EN DUITSCHE LET TERKUNDE EN BESCHAVING VAN HET MIDDEN DER ACHT TIENDE EEUW TOT AAN DE FRANSCHE STAATS OMWENTELING. 1. ENGELSCHE LETTERKUNDE EN BESCHAVING . 1. Wijzigingen in den algemeenen toon des levens en der beschaving. Bij de beschouwingen over de letterkunde, die in dit werk voorko men , komt het even min aan op het aesthetisch karakter der geschriften, als op eenige wetenschappelijke waarde van het letterkundige, maar alleen op de in het oog vallende onderlinge werking tusschen het leven en de beschaving, vooral op de veranderingen, die in de inzigten , vormen en be trekkingen des levens opgekomen zijn . Van deze zijde biedt de engelsche letterkunde van de tweede helft der achttiende eeuw slechts twee voorname punten aan, die verdienen opgemerkt te worden. Het eene bestaat inden invloed der fransche beschaving op de letterkunde der Engelschen . Door dezen invloed verdween in Engeland, even zeer als in Frankrijk en Duitsch land, het nationale en klassieke uit de letterkunde en maakte plaats voor eene overeen stemmend een algemeene beschaving, of met andere woorden, er ontstond eene flaauwe, kleurlooze, woordenrijke en dubbelzinnige bescha ving van het groote publiek, in de plaats der zuiver nationale en klassieke van een klein aantal. Het tweede hoofdpunt is het belangrijk verschijnsel, Engelsche letterkunde. Fransche invloed. 43 dat dezelfde denkbeelden van staatkundige vrijheid , die in Frankrijk eene volledige hervorming der dingen veroorzaakte, zich ook in Engeland met den grootsten nadruk deden gelden , zonder echter in den bestaanden toe stand en de erfelijke vooroordeelen verandering te brengen. De verflaauwende invloed der fransche letterkunde op de engelsche vertoont zich reeds in de vroeger (D. XVI. bl. 85) vermelde schriften van Chesterfield, Fielding en Richardson. Ook bemerkt men in de romans van den laatstgenoemde even zeer , als in die van Smollet en Goldsmith, reeds den overgang tot het sentimenteele. Niet minder in overeenstemming inet den geest van een tijdperk , dat het stoute , krachtige en natuurlijke niet meer verdragen kon , maar behoefte had aan gevoeligheid, woorden praal en algemeene begrippen, was de droefgeestige godsdienstige dweepe rij in de Nachtgedachten van Young. Eene andere soort van het senti menteele, het uit eene mengeling van vernuft en gevoel bestaande humo rismus , werd door Sterne uitgevonden . De twee hoofdwerken van dien schrijver, de Tristram Shandy en de sentimenteele reis, behooren reeds ge heel tot de rigting, die toen door de europische volken over het algemeen in de letterkunde werd ingeslagen ; want daaruit blijkt, vooral uit de laat ste, de overgang tot het boven vermelde kleurlooze karakter der algemeen heid, dat de letterkunde der Engelschen , Franschen en Duitschers in den laatsten tijd aangenomen heeft. Uit de goedkeuring, die de schriften van Sterne in Engeland gevonden hebben, mag men ook besluiten tot eene ge wijzigde kerkelijke beschouwing , omdat niettegenstaande het geschreeuw , dat alle stijve Engelschen tegen de ineensmelting van zedepreek en gevoel met vernuft en onkieschheid verhieven , Sterne zich toch staande hield in de gunst van het publiek. Desniettemin bleek ook bij deze gelegenheid, methoe diepe wortels het aristocratische en de gewone kerkelijke vormen in het leven en wezen der Engelschen ingegroeid zijn ; want zoo ver , als in Duitschland en Frankrijk , kon het sentimenteele" in Engeland volstrekt niet indringen. In de beide eerstgenoemde landen werd dan ook de sen timenteele reis van Sterne veel gunstiger ontvangen, dan in Engeland. Zij kwam in Duitschland treffend overeen met hetkarakter van den zooge noemden sentimenteelen tijd , waartoe de Werther , de Siegwart on derge lijke schriften behooren ; in Frankrijk was haar de weg gebaand door het opkomende overgevoelige tooneelspel en de romans van Rousseau. Toen de letterkunde in Engeland steeds meer en meer het karakter van de bloot op gezellig onderhoud gerigte beschaving aannam , moesten daar, even als in Frankrijk ( z. D. XVI. bl. 95 vv .) , ook de dames en de salons eenen overwegenden invloed op het schrijven en de beoordeeling daarvan verkrijgen. Werkelijk werden te Londen , even zeer als te Parijs, zekere dames en zekere door haar bestuurde kringen van beslissend gewigt voor toon, beschaving en letterkundigen naam . Door den invloed dezer dames verkreeg vervolgens de vroeger zoo ernstige en zuiver nationale en gelsche letterkunde allengskens dat karakter der flaauwe en wijdloopige duidelijkheid, der bedaarde, nooit inspannende middelmatigheid , der in het schetsen en schilderen onvermoeide breedsprakigheid, die als gewrocht der algemeene letterkunde nog altijd voortduurt, en waarin onder de Engel schen tot nu alleen lord Byron weder eenig eigen leven bragt. Opmerke lijk is daarbij het verschijnsel, dat ook te Londen, even als te Parijs, het hof geringen of bijna geenen invloed op den toon en de beschaving oefende. 44 Nieuwe Geschiedenis. Dit is in Engeland te meer vreemd , omdat men weet, hoe het hof daar van ouds een veel grooter aanzien genoot, dan in eenig anderland. Voor het overige bleven de letterkundige vrouwen - vereenigingen in Engeland zeer ver beneden de geestvolle kringen (bureaux d'esprit), die te Parijs den toon aangaven . Doch Engeland en Frankrijk waren elkander ten aanzien van letterkunde en beschaving reeds zoo zeer genaderd , dat de letterkun dige vereenigingen te Londen en Parijs hare leden wederkeerig bewierook ten. Garrick en Gibbon b. v. werden te Parijs even zeer geëerd , als Raynal en andere Franschen te Londen. Het tijdperk , waarin de engelsche letterkundige vereenigingen hare voornaamste belangrijkheid bezaten, loopt van 1770—1785. Maar reeds vroeger speelden dames en hare salons-beschaving eene rol in Engeland. Reeds vóór den zevenjarigen oorlog waren de gezelschappen , die lady Wortley Montague te Twickenham hield, bijna even beroemd, als die van du Deffant en andere parijsche vrouwen . Aan het huis van deze daine, die zich door hare pogingen ter invoering van de inenting der pokken en door hare reisbeschrijving in brieven eenen europischen roem verworven heeft, verschenen inzonderheid Addison , Steele , Pope , Young en andere navolgers van de sierlijke woordenpraal der fransche letterkunde. Eene andere dame van denzelfden naam, Elisabeth Moritague, hield in de jaren 1772 tot 1785 te Londen gezelschappen , die daar even zeer , als die van Tencin , Geoffrin , du Deffant en andere dames te Parijs den toon gaven en de voornaamste letterkundigen vereenigden. Deze vrouw bezat reeds den aanmatigenden beslissenden toon , die aan de meeste geleerde dames van Engeland even zeer eigen is , als aan de engelsche touristen. Zij trad ook als schrijfster op en verwierf daardoor zoo grooten roem, dat zoo wel Voltaire in Frankrijk , als Johnson in Engeland, het der moeite waardig achtten, een harer geschriften te wederleggen . De genoemde twee dames hielden in toon , manieren en kleeding nog streng vast aan de oud - engelsche gebruiken. In een ander gezelschap daarentegen, dat zich bij mevrouw Vesey vereenigde, was de verkeering vrijer en de leden haalden zich , door het afleggen van de stijve hofklee ding en den schitterenden opschik, het verwijt van geleerde slordigheid op den hals. Dit heeft vervolgens aanleiding gegeventot het ontstaan van den schimpnaam Blaauwkousen, die sedert in gebruik gebleven is on ge leerde vrouwen aan te duiden . In de vereeniging van mevrouw Vesey speelde de oordeelkundige Johnson de rol van letterkundig gezaghebber en profeet. Deze man was de volmaakte vertegenwoordiger van de bloot verstandelijke, naauwgezette , letterlijke dichtkunst, die door hem in de plaats gesteld werd van de uit reine geestdrift ontsprotene eenvoudige na tuurlijke poezij. Hij was daarenboven, als een geheel onhandelbaar en voor alles, wat niet engelsch was, vreemd wezen, de waarachtige afbeelding en het toonbeeld van den echten John Bull. Hij werd derhalve in Engeland even zeer vergood, als Voltaire in Frankrijk, en zijne oordeelvellingen over letterkunde in de salons werden als godspraken geëerbiedigd. Bovenal be toonde hij zich zeer vijandig tegen allen, die niet als hij het woord koning en kerk tot leus aangenomen hadden en zich niet verzetteden tegen allen mogelijken vooruitgang. In zijne veroordeelingen ontmoeten wij al de ruw heid en den overmoed van eenen eenzijdigen , stokstijven oud - engelschman. Scheldwoorden als domkop, schurk en hond zijn bij hem iets zeer gewoons. Engelsche letterkunde. Robertson en Humc. 45 Het meesterschap, dat Johnson in de vereeniging van mevrouw Vesey oe fende, en de bewondering, die men hem toedroeg , kunnen ons den daar heerschenden toon doen beoordeelen en tevens de beginselen leeren kennen, die dezen kring bezielde. Hetzelfde wat van de salon van mevrouw Vesey gezegd is, geldt ook ten aanzien van het gezelschap, dat mevrouw Thrale reeds vroeger ,, dan lady Montague, in haar huis was gaan vereenigen ; want ook in dezen kring heerschte Johnson. Het gezelschap van mevrouw Thrale was vooral be roemd en door vreemden gezocht, omdat men daar den beroemdsten too neelspeler der eeuw , die tevens de grootste kenner van Shakespeare was, namelijk Garrick, aantrof. In dezen kring, verscheen ook Pulteny, de la tere graaf van Bath , die ten tijde der Walpole’s het hof met scherpe sa tiren had aangetast, doch later, toen hij tot hooge waardigheden verheven was , datzelfde hof zeer voortreffelijk vond. Ook schitterden daar onder scheidene dames, die gedeeltelijk als schrijfsters optraden, en waaronder in zonderheid de als hofdame der gemalin van George III bekend geworden miss Burney op te merken valt. Al deze kringen stonden ver beneden de gelijktijdige gezelschappen , die te Parijs den toon gaven en voor geheel Europa beteekenis hadden. Men zal zich derhalve ook niet verwonderen, dat een Horace Walpole (z. D. XVI. bl . 97 ) daarin als eene zon schitterde, en dat zijne op gemaakte geestigheid berustende brieven en invallen reeds toen door de Engelschen als voortreffelijk geprezen werden. 2. De geschiedschrijvers Robertson , Hume en Gibbon. Ook in het schrijven der geschiedenis bemerkt men de verandering, die door franschen invloed in de engelsche letterkunde werd te weeg ge bragt. Doch van de drie groote engelsche geschiedschrijvers uit dien tijd, Robertson , Hume en Gibbon , behooren slechts de twee laatsten tot de fransche rigting. Robertson daarentegen is naar inzigten, manier en zijne alleen uiterlijk practische bedoelingen steeds gebleven , wat hij was , een echte schot , en zijne verdienste bestaat, in zoo ver er sprake is van den vooruitgang des tijds, meer daarin , dat hij den weg baande voor den geest des tijds, dan dat hij dien geest zelf bezeten en verspreid zou hebben. Wij behoeven ons derhalve ook bij zijne werken, waaronder de geschiede nis van Karel V als geschiedkundig leesboek het nuttigste is , niet op te houden , te meer daar de inzigten van Robertson , zoo wel als zijn stijl, geene eigene gewrochten van den geest , maar de vrucht van de bereke ning en vlijt eener verstandige middelmatigheid zijn. Bij Hume, den landgenoot van Robertson , ontdekken wij eene geheel andere beschouwing der menschelijke zaken en eene geheel andere wijze van voorstelling . Hij was tot eenen diepen denker , tot eenen scherpen, twijfelzuchtigen beoordeelaar geboren . Bovendien werd hij reeds vroeg uit het stille eentoonige leven van zijn vaderland weggenomen en overgeplaatst in het midden der groote bewegingen , die toenmaals staat en letterkunde schokten, terwijl Robertson nooit zijn vaderland verlaten heeft. Hume was uit zijnen aard wijsgeer; hij kwam derhalve niet, even als Robertson, van godgeleerdheid, van, ingeprente levensbeschouwingen of van de behoeften van het leven en even min van de beoefening der bronnen of vreemde ge schriften tot de geschiedenis. Hij heeft daarom alle wijsgeerige stelsels 46 Nieuwe Geschiedenis . doorkropen , alle vroegere meeningen grondig onderzocht, niet de school, maar het leven beoefend , en zich langs dezen weg eene vaste en zelfstan dige overtuiging verworven . De geschiedenis was ook voor hem geen doel, maar middel. Hij bediende zich van haar , om zijne op wezentlijk onderzoek van den mensch rustende beschouwing van staat en regering op geschiedkundige gronden te vestigen en onder de beschaafden te versprei den. Bij deze hem eigene manier om de geschiedenis te behandelen, staat hij echter even hoog boven de drogredenaars onzer dagen, die een bepaald stelsel of de staatkunde eener partij in de geschiedenis overbrengen , als boven de bloote onderzoekers der bronnen , die niet in staat zijn, een beeld van het leven en van zijne wisselingen te geven, maar alleen onzamenhan gende opmerkingen. Ook heeft Hume geenszins, zoo als Voltaire, de ge schiedenis zelve opgeofferd aan zijne wijsbegeerte. Als hij derhalve in het gebruik der bronnen dikwerf oppervlakkig is , heeft hij toch als grondig denker ten minste de zaken, die hem bekend waren, zoo gerangschikt, dat zij eene voorstelling geven van den inwendigen zamenhang der goddelijke en menschelijke zaken. Zijne betrekking tegenover de Franschen is geheel verschillend van die , waarin Gibbontot hen stond , omdat de laatstgenoemde geene eigene wijsbegeerte bezat, maar die der Parijzenaars aannam , en Hume, hoewel ook hij te Parijs in naauwe vriendschap met de leden der encyclopedie en academie gekomen was, geheel zijne eigene inzigten volgde. Hume schreef bovendien niet, zoo als Gibbon , om zich eenen naam te maken , maar uit geestdrift voor de wedergeboorte des menschdoms. Hij voegde zich bij de mannen, die toen de uit de middeleeuwen afkomstige vooroordeelen en mis bruiken zochten te vernietigen, en was ijverig werkzaam, om de tegen elke willekeurige en werktuigelijke godsdienst gerigte nieuwe gevoelens te ver spreiden. Maar hij stelde noch met Voltaire ligtzinnigheid en verfijnde zinnelijkheid, noch metRousseau ongerijmde overgevoeligheid in de plaats van het verouderde. Hume wist en leerde, dat er een God in ons bestaat, die zich in onzen geest, zoo wel als in de wereld openbaart , hoewel ook niet juist op dezelfde wijze, als de regtzinnigen het leerden. Ten aanzien der staatkunde eindelijk was en bleef Hume behoudend en streng monar chaalgezind. Hij werd derhalve door de aanhangers der bestaande kerken niet zoo erg verketterd , als Gibbon , wiens rationalismus en bedekte ver smading hen in woede ontstaken. Gibbon stemt daarin alleen met Hume overeen , dat beiden smaak ge kregen hadden voor de rigting der Franschen , en het naast Voltaire het eerst waagden, de geschiedenis der middeleeuwen met het licht des nieu wen levens op te helderen. Maar Hume ging eerst van de engelsche be schaving , die hij zich geheel had eigen gemaakt , tot de fransche over ; Gibbon daarentegen nam reeds in zijne jeugd eene zuiver fransche rigting aan en bleef over het geheel altijd meer fransch dan engelsch. Gibbon kwam namelijk reeds in zijn zestiende jaar naar Lausanne, waar hij vijf jaren bleef en de parijsche beschaving, hoewel dan ook met eene protestant sche tint, ontving. Hij trachtte verder van jongs af niet naar den zegen der kennis, naar het stille, inwendige leven , maar naar roem en eer. Hij nam het dan ook van den beginne af zoo ligt op met de heiligste belan gen en gevoelens, dat hij reeds als jongeling tweemaal achter elkander van godsdienst veranderde en uit koude zelfzucht eene teedere betrekking met 9 Engelsche letterkunde. Gibbon. 47 een zeer achtenswaardig, maar onbemiddeld meisje verbrak . Gedurende den laatsten tijd van zijn verblijf te Lausanne gaf hij zich als negentien jarig jongeling de grootste moeite, om met geleerden in kennis te komen , en daardoor zoo spoedig mogelijk beroemd te worden. Ook voltooide hij, toen hij naar Engeland terug gekeerd was en zich van daar naar Frank rijk begeven wilde, een boek , dat niet alleen in het fransch geschreven, maar waarvan de inhoud bloot voor fransche lezers berekend was , alleen om daardoor bij de parijsche schrijvers gemakkelijker toegang te vinden . Dit gelukte hem ook volkomen; maar er zou daarvoor niets bijzonders poodig geweest zijn , omdat Gibbon toch geheel en al tot de Franschen behoorde. Fransch was ook de aanleg, de uitvoering en de manier van zijn be roemd werk , de geschiedenis van het verval en den ondergang van het romeinsche rijk. Gibbon stelde zich, even als onze Johannes v. Muller, slechts dit eene ten doel, een beroemd en groot man te worden . Om zijn doel te bereiken , moest hij even zeer schoone woorden en drogredenen te baat nemen , als roemzuchtige veroveraars trouwelooze staatkunde. Hij schreef dan ook zijn beroemd werk , dat in 1776 uitgegeven werd , noch voor het klein aantal waarlijk beschaafden , noch voor het door hem ver achte volk, maar alleen voor het publiek der salons, en rigtte beschouwing, beoordeeling en vorm geheel naar de in de voorname kringen heerschende stemming, die alles , wat de middeleeuwen betrof, haatte en versmaadde. Hij bereikte zijne bedoeling volkomen, daar hij een man vol geest was , en door vlijt, groote belezenheid, berekenende scherpzinnigheid en meesterschap over de taal wist aan te vullen , wat hem aan kracht van denkbeelden en echte geestdrift ontbrak. Deze hoedanigheden van Gibbon , inzonderheid zijne uitstekende gave van schilderen, en de gemakkelijkheid, waarmede hij gebruik te maken wist van vreemde onderzoekingen , hebben hem in de oogen der wereld groot en beroemd gemaakt. Watzijnen stijl betreft, zoo is Gibbon beter dan eenig ander engelschman in staat geweest, om de fran sche manier van behandeling en uitdrukking in engelsche vormen over te brengen . Hij wordt derhalve ook, hoewel zijne voordragt en zijne taal niet in den eigentlijken zin engelsch zijn , met even veel regt tot de klassieke schrijvers van Engeland geteld, als Wieland in spijt van zijne gallicismen tot die der duitsche natie. Wij hebben ons hier noch met eene volledige beoordeeling der schrif ten , noch met de bepaling hunner wezentlijke waarde in te laten, maar het geldt hier altijd slechts de aanwijzing van de verhouding der schriften tot het karakter van hunnen tijd , waarbij dan even min gelet kan worden op andere voortreffelijkheden en verdiensten , als op de gewone beoordeeling in het algemeen . Wij moeten daarom in Gibbon ook van eene andere zijde het onderscheid tusschen waarheid en schijn duidelijk maken. Deze ge schiedschrijver vertoont zich namelijk in handel en wandel als een dier be spiegelende drogredenaars, die het volk door voorgewende geestdrift voor regt en vrijheid misleiden en vooral in den laatsten tijd zoo talrijk zijn. Gibbon was door een zeer ongunstig voorkomen , door geheel gemis van practische bekwaamheden en door moeijelijkheid in mondelinge voordragt niet geschikt voor het werkdadige leven. Hij mengde zich niettemin daarin en offerde daarbij zijne overtuiging op aan ijdele eer . Terwijl hij namelijk in zijn geschiedkundig werk voor licht, vrijheid en regt tegen be 48 Nieuwe Geschiedenis. drog, willekeur en bijgeloof ijverde, liet hij zich, juist toen het eerste deel daarvan uitkwam, door lord North eene plaats in het parlement geven , om als een blind werktuig te stemmen voor de aan alle vrijheid vijandige bedoe lingen van dezen minister. Ter belooning kreeg hij eene betrekking, waarin hij voor veel geld niets behoefde te doen. Zelf verontschuldigt hij in zijne gedenkschriften deze handelwijze met onwaardige uitvlugten. Tegenwoordig zou men helaas het voorbeeld van vele geleerden , die iets dergelijks ge daan hebben, te zijner verontschuldiging kunnen aanvoeren . 8. Staatkundige redenaars en schrijvers gedurende den noord - amerikaan schen oorlog. Veel meer , dan op de boven vermelde schrijvers, was de algemeene opmerkzaamheid gevestigd op de mannen , die door rede of schrift regt streekschen invloed oefenden op het staatkundige leven. Deze mannen streden met denzelfden nadruk en dezelfde hevigheid voor staatkundige vrijheid , waarmede men toen in Frankrijk eene geheele verandering van zaken zocht in te voeren. Ja, zij waren zelfs in hunne aanvallen op ko ning en ministerie niet gematigder , dan later Marat in de fransche om wenteling, en bezaten geene mindere geschiktheid , kundigheden en aanzien bij het volk, dan Mirabeau, Barnave en anderen . Desniettemin leverde het stormachtige tijdperk, dat Engeland van 1763 tot 1783 beroerde, eene ge heel andere uitkomst op; als de in Frankrijk ontstane beweging. De oor zaak daarvan moet niet, gelijk men toen algemeen geloofde, gezocht wor den in den aard der engelsche staatsregeling, maar veeleer daarin, dat in Engeland gebreken, gewoonten en regten entevens de perken tusschen de standen sedert overouden tijd onwankelbaar vast staan. Wij vermelden de mannen, waarvan hier sprake is , slechts in het voorbijgaan , omdat hun karakter en hunne werkzaamheid reeds in het verhaal der staatkundige geschiedenis geschetst zijn . Het eerst moet de dagbladschrijver John Wilkes genoemd worden , een op zich zelven nietig man , doch wien vervolgingen en tijdsomstandigheden , even als in Frankrijk aan den beruchten Marat, eene voorbijgaande beteekenis en eene plaats in de geschiedenis bezorgd hebben (z. D. XVI.bl. 303 en 308 vv. ) . " Hij had zich eerst in eene club van liederlijke gezellen uit den hoogsten stand gedrongen , die zich , even als de regent van Frankrijk en zijne vrienden ( z. D. XVI. bl. 47), aan de schandelijkste zedeloosheden overgaven. Toen hij met deze lieden in onmingeraakt was, werd hij een volksleider, en trad als staatkundig werktuig in dienst eener andere partij, die het meeste nut trok van zijne vuilaardig oproerige schrijfwijze, die geheel berekend was om het gemeen op te zetten . Zijne werkelijke geschiktheid als dagblad schrijver bestond daarin, dat hij goed gebruik wist te maken van de stem ming van het oogenblik. Zijn invloed was, zoo als dit bij volksleiders van die soort gewoonlijk het geval is, kort van duur. Aan zedelijke beginselen of aan eene vaste staatkundige overtuiging viel bij hem niet te denken. Ook ging hij eindelijk van de republikeinen weder tot de partij des konings over, en ijverde daarvoor sedert 1784 als een opregt behoudsman. Een geheel eenzijdig staatkundig schrijver, even als Wilkes, maar een man van veel grootere begaafdheid was de ontwerper der brieven van den zich noemenden Junius, die eerst een voor een in een dagblad opgenomen werden (z. D. XVI. bl . 308 vv. ) . De schrijver dezer brieven, wie hij ook Engelsche letterkunde. Junius , Burke , Fox en Sheridan. 49 geweest zijn moge , is vooral daardoor een merkwaardig verschijnsel, dat hij in het van boven tot beneden volstrekt aristocratische Engeland het democratische bestanddeel der staatsregeling zocht te doen gelden. Zijne belangrijkheid rust echter minder op den inhoud zijner brieven en op hunne wezentlijke waarde, dan veel meer op hunne taal en toon. Deze brieven munten namelijk door eene zoo buitengewone kracht, scherpte, kortheid en zuiverheid van taal uit, dat zij nog heden als een toonbeeld van den echt engelschen stijl erkend en aangeprezen worden. Wat hunnen hoogst bitteren , scherpen , persoonlijken en zelfs onbillijken toon betreft, nemen zij ten aanzien daarvan en van hunnen invloed even zeer , als de met hen te vergelijken Brieven van den berg van Rousseau, eene plaats in de geschiedenis in . Ten aanzien van hunnen inhoud mogt wel het berispe lijkste zijn , dat dezelfde man , die met de grootste onbekrompenheid alle aristocratische vooroordeelen smadelijk verwerpt, toch dezelfde vooroor deelen tegen de Noord -Amerikanen in bescherming neemt, en derhalve lord Chatham over zijnen strijd voor de laatstgenoemden allervijandigst aantast. Bijna even hevig , als de schrijver der gemelde brieven, was Edmund Burke ; maar daarentegen behoort zijn stijl tot eene geheel tegenover ge stelde soort, en hij zelf verschijnt in zijné staatkundige loopbaan als een leugenachtig , zelfzuchtig, slechts uiterlijke voordeelen beoogend wezen. Wij hebben reeds vroeger ( z. D. XVI. bl. 315 vv. ) den aard der wel sprekendheid en schrijfwijze van Burke aangestipt en tevens aangetoond, hoe hij op zijne loopbaan als staatsman van het eene uiterste tot het an dere overging. Wij voegen ten bewijze van het daar gezegde hier nog slechts bij, dat hij in eene der redevoeringen, waarin hij vroeger de de mocratische begrippen verdedigde , zelfs zoo ver ging, om de regering de schuld te geven van elk misnoegen des volks en in den toon der Girondisten den grooten hoop regtstreeks tot oproer aan te zetten. Desniettemin kan men tevens uit zijne toen gehouden redevoeringen aantoonen , dat hij in spijt van zijne republikeinsche hevigheid die leden der aristocratie weet te sparen of zelfs wel te prijzen , die als Rockingham hem zijne loopbaan geopend en in zijne huiselijke behoeften voorzien hadden. Met dezelfde hevigheid en dichterlijke overdrijving eener schelklinkende welsprekendheid, waarmede Burke vroeger de denkbeelden der vrijheid en van den vooruit gang verdedigd had , ja , met nog grooter woede trad hij van 1789 af te gen deze begrippen op. Kenmerkend is het ten aanzien van den aard zijner welsprekendheid, dat hij, om indruk te maken , niet alleen geleerdheid, bloemen, beelden, dichterlijke overdrijving en aangeleerde gebaren bezigde, maardat hij ook eens in het parlement bij eene redevoering tegen de Ja cobijnen met dit oogmerk zelfs eenen medegebragten dolk uittrok. Twee andere staatkundige redenaars, die in karakter , gezindheid en soort van welsprekendheid ware tegenbeelden van Burke waren, Fox en She ridan , behoeven hier slechts aangestipt te worden , daar zij, inzonderheid de eerste , vroeger (z. D. XVI. bl. 315 en D. XVII. bl. 15—18) uitvoerig vermeld zijn. Alleen bij Fox moeten wij met enkele woorden vertoeven, omdat hij de stelligste republikein onder de engelsche staatsmannen ge weest is, en omdat men van het eerste oogenblik zijner staatkundige loop baan af zeer duidelijk inzien kon , in welke verhouding natuurlijke wel sprekendheid en een naar het voorbeeld der ouden gevormde eenvoudige, krachtige, zuivere en bedaarde stijl staan tot ijdele woordenpraal, dichterlijk XVII. 4 50 Nieuwe Geschiedenis. . proza en geleerden uithaal. Fox bezat aangeborene begaafdheid, degelijke vorming, opregte en onwankelbare overtuiging en inzigt, hij sprak in het engelsch, even als Lessing in het duitsch , zonder eenen zweem van navolging of school , drukte even als de laatstgenoemde in weinige woorden vele denk beelden uit, en wekte bij zijne hoorders geene lijdelijke verbazing en oo genblikkelijk welbehagen, maar hij bewerkte inzigt, overtuiging en naden ken. Ook Fox tastte de verdorvenheid der engelsche aristocratie met weg slepend geweld aan, en deed zich bij zijne eerste optrede in het parlement geheel zoo kennen, als Mirabeau later in de fransche nationale vergadering, met wien hij doorgaans in elk opzigt vergeleken kan worden. Hij sprak toen reeds niet alleen tegen de ministers, maar ook tegen den koning zel ven , werd later steeds heviger en geweldiger, en stelde zich , zonder ach terdeur open te houden, volkomen vijandig tegenoverhet monarchale stelsel . Zijn republikeinsche ijver ging zoo ver , dat hij zelfs in zijne kleeding de eenvoudigheid van Franklin , gelijk later den slordigen opschik der Jaco bijnen navolgde. Ook beschuldigde men hem , dat hij bij den opstand van Gordon (z. bl. 3 vv.) dezelfde rol gespeeld had, die Mirabeau naar het beweren zijner vijanden in october 1789 te Versailles speelde . Bij de staatsmannen en redenaars , die tijdens het uitbreken van den strijd tusschen Engeland en Noord -Amerika de wereld door hunne begaafd heden in beweging bragten, rangschikken wij den noord -amerikaan Benjamin Franklin , die zich als staatsman en diplomaat niet alleen voor de nieuwe amerikaansche republiek de grootste verdiensten verworven heeft, maar ook buitengewoon belangrijk voor de europische geschiedenis werd , omdat hij op eene zeer bijzondere wijze de staatkundige denkbeelden van den nieu weren tijd hielp verspreiden. Over den levensloop van Franklin en over zijne staatkundige werkzaamheid in Engeland, Frankrijk en Noord -Amerika is reeds vroeger (D.XVI. bl . 305 vv .) het belangrijkste opgegeven . Ten aan zien van zijn karakter moet men niet uit het oog verliezen , dat het leven van Franklin eene school der democratie was , en wel de beste , die er bestaat, omdat hij, in armoede geboren , eerst door eigene werkzaamheid voor zich zelven zorgen moest en zich zelven leerde beheerschen, voor dat hij als staatshervormer optrad. Daardoor is hij ook vrij gebleven van de ijdelheid en andere gewone gebreken der democraten. " Franklin was tot staatsman en onderhandelaar geboren ; maar hij bezat niet slechts practi schen zin, geschiktheid en koel berekenend verstand, maar ook levendigen ijver voor het welzijn des menschdoms, zoo wel als zachtmoedige, ver lichte godsdienstigheid , en liet zich door beginselen van zedelijkheid en regtvaardigheid besturen. Door middel eener geheel buitengewone be kwaamheid, schranderheid en matiging heeft hij zijne landgenooten niet slechts voortreffelijk geleid op den weg tot zelfstandigheid, maar ook aan hunne zaak in Europa vrienden en bondgenooten weten te bezorgen, en daar te vens het ontwakende nieuwe leven te bevorderen . Hij had een belangrijk aandeel in de vervaardiging dier manifesten en verklaringen, waarin deNoord Amerikanen niet, als de eerste fransche nationale vergadering in hare be roemde verklaring der regten van den mensch , de regten van den burger als bloote bespiegelingen en als onvoorwaardelijke, zonder bewijs geldige stellingen uitgaven, maar die ook uit het oude angelsaksische volksregt af leidden, derhalve practisch en uit stellig regt bewezen ( z . D. XVI. bl. 313 en 316 vv. ). Deze verklaringen maakten in Europa eenen buitengewonen Engelsche letterkunde. Benjamin Franklin , Price en Thom. Payne. 51 indruk, en hebben daardoor voor de staatkundige gezindheid van den laat sten tijd de grootste beteekenis verkregen ; want de met eenvoudige, beschei dene woorden uitgesproken stellingen bevatten het evangelie van het nieuwe staatsleven in zich, waarnaar men van dit tijdstip af in Europa begon te streven. Onder de schriften van Franklin behooren de natuurkundige niet tot het leven, maar tot de wetenschap. Al de overigen daarentegen hebben, even als de geheele practische werkzaamheid van Franklin , regtstreekschen invloed op het menschdom geoefend. Deze werken van Franklin zijn zoo wel volgenshunne bedoeling, als volgens vorm en inhoud wezentlijke volks schriften . Ook was hun zamensteller als een geheel practisch , verstandig, schrander, aan geregelde bezigheid gewoon en geheel op het nuttige let tend man tot volksschrijver geboren . Hij leerde in zijne volksschriften even zeer als door zijn leven, dat voor den burgerman strenge orde en regtschapenheid de eenig zekere middelen zijn omtot onafhankelijkheid in het leven en tot hoop der zaligheid na den dood te kunnen komen , dat door deze hoedanigheden ook zonder herschepping der maatschappelijke orde de arme rijk en de geringe voornaam kan worden. Deze schriften, de almanak van den armen Richard, de spreekwoorden van den ouden Hendrik enz. , hadden derhalve ten doel, zedelijkheid , orde, werkzaamheid te wekken en te verspreiden. Maar hun schrijver komt , omdat hij nooit het werkelijke leven uit het oog verloor en getrouw bleef aan het erfelijk karakter zijner landgenooten , ook altijd terug op de kunst van sparen en verzamelen, die den geldgierigen noord - amerikaan de belangrijkste onder wijzing is. Als volksschrijver vormt Franklin voor ons den overgang tot twee mannen , die als apostelen van het radicalisinus in Amerika en Engeland eenen vermogenden invloed geoefend hebben . Deze mannen waren Price en Thomas Payne. Over hun karakter en werkzaamheid zullen eenige wei nige woorden ter opheldering genoeg zijn. Beiden waren geboren Engel schen, maar werden door den schranderen Franklin , die in hen bruikbare bondgenooten zijner medeburgers zag, uitgenoodigd , om naar Noord Amerika te gaan. Alleen Payne gaf gehoor aan de uitnoodiging. Hij ver wierf zich in Noord -Amerika als republikeinsch schrijver grooten invloed en een aanzienlijk vermogen. Price kwam daarentegen in Engeland als gees telijke, geleerde en schrijver in groote achting en leefde daar in ruime om standigheden. Beide mannen streefden, hoewel zij in gemoedsgesteldheid onderling geheel verschilden, met gelijken vurigen ijver naar hetzelfde doel, en werden daardoor voor Engeland de eigentlijke bron van het radicalismus. Zij begonnen hunne schrijversloopbaan te gelijker tijd met Burke en nevens hem , maar bleven steeds getrouw aan hunne democratische beginselen, en werden daarvoor later door Burke met felle woede aangegrepen. Payne trad, toen hij eens door het noord-amerikaansche congres met eene onder handeling te Parijs belast was, ook met de fransche republikeinen in be trekking , en werd tijdens de fransche omwenteling zelfs in de conventie gekozen. Beide deze mannen rigtten gedurende den noord -amerikaanschen oorlog hunne aanvallen tegen de engelsche staatsregeling zelve, en bewezen op gron dender rede en ondervinding, dat het stellige regt der Engelschen, benevens de daarop gevestigde hierarchie en aristocratie in strijd was met het natuur 4 * 52 Nieuwe Geschiede ni s. en menschenregt. Zij deden verder de gevoelens der menschelijkheid en de eischen der nationale eer zoo wel gelden tegen de bedoelingen , die de ministers tegen Amerika koesterden, als ook tegen de gruwelen , waardoor een Clive en anderen in Indie zich zelven verrijkten en eene bloote han delsgrootheid van Engeland schiepen ( z. bl . 17 ). Payne inzonderheid schreef reeds vóór de fransche omwenteling een werk , dat „gezond men schenverstand ( common sense)” ten opschrift had , en waarin hij met de zelfde uitkomst, als onlangs de schrijver der woorden van eenen geloovige, van het oude testament en het christendom gebruik maakte voor zijne re volutionaire bedoelingen . Dit geschrift wasnamelijk zeer schrander bere kend op de gehechtheid der Engelschen aan den bijbel en hunnen haat tegen het pausdom ; het stelde het koningschap als eene soort van pausdom voor, als eene onder Gods toorn en onder den vloek van zijnen profeet Samuel ingevoerde verbastering der heilige godsdienst en volksregering der Israë lieten . 2. FRANSCHE LETTERKUNDE EN BESCHAVING . 1. Diderot , Marmontél , Raynal en Buffon. Het is reeds vroeger (D. XVI. bl . 271 vv. ) vermeld , dat in de laat ste jaren van Lodewijk XV en in den eersten tijd van Lodewijk XVI eenige staatkundige schrijvers bij de Franschen de verwachting opwekten, dat het door de invoering van een zeker staathuishoudkundigstelsel mo gelijk zoude zijn , om de stoffelijke onheilen , die de volken drukten, weg te nemen en eene steeds aangroeijende welwaart , zoo als de Engelschen die bezaten , tot stand te brengen. Deze zoogenoemde physiocraten of economisten bedoelden wel eene hervorming van het bestaande en waren vooral vijandig tegen alle voorregten , gilde- en leenregten, maar zij stem den daarom toch niet in met de godsdienstige en staatkundige gevoelens der school van Voltaire, hoewel zij ook tegenover het staatsgezag in moeije lijke omstandigheden verkeerden. Bij den wankelenden toestand eener re gering, die altijd meer den grond, waarop zij rustte, zag verdwijnen, werd het schrijven over maatregelen van financien en bestuur en over staat en kerk nu eens verboden , dan weder toegestaan. Evenwel begunstigde Lo dewijk XV in het algemeen de economisten , en zijn opvolger nam zelfs ( 1774) een dier physiocraten, Turgot, in het ministerie . Deze nam vervol gens in vereeniging met zijnen vriend Malesherbes de proeve , om het staathuishoudkundige stelsel van boven af in te voeren en daardoor eene gewelddadige omwenteling te voorkomen. De poging stuitte , gelijk be kend is , af op de doodvijanden van al het nieuwe, op de geestelijkheid, de parlementen en het hof. Daar wij de nieuw uitgevonden wetenschap der staathuishoudkunde en de twee naast elkander opkomende stelsels daarvan reeds in het voor gaande deel vermeld hebben , blijft ons hier slechts overig , eenige andere verschijnselen der letterkunde toe te lichten , die tot het laatste tijdperk voor de omwenteling behooren. Wij bedoelen de romans van Diderot, de even zeer geheel spitsvindige schriften van Marmontel en Raynal, de voor namelijk in stijl en bloemrijkheid uitmuntende , doch geheel in den geest des tijds vallende behandeling van de natuurlijke historie door Buffon , en eindelijk de ten opzigte der nieuwe democratische rigting van Europa zoo Fransche letterkunde. De romans van Diderot. 53 belangrijke Brieven van den berg van Rousseau. Maar het is bij al deze verschijnselen niet mogelijk het kenmerkende, de belangrijkheid en den in vloed door eene bepaalde toelichting van den vorm en inhoud der bijzon dere schriften aan te wijzen, omdat de omvang van dit werk slechts enkele korteaanmerkingen toelaat. De romans van Diderot zijn vooral daarin opmerkelijk , dat zij ons den toon en smaak leeren kennen, die op dat tijdstip in de hoogste krin gen van Europa heerschte. Voor deze kringen alleen waren namelijk de werken van Diderot, even als al de geschriften der sierlijke drogredenaars van Frankrijk, vervaardigd, en slechts door hen, niet door het volk, werden zij gelezen en bewonderd. Uit Parijs werden toenmaals de hoven en salons van geheel Europa even zoo van boeken voorzien, als de kleeding van alle voorname dames uit de parijsche modewinkels kwam. Dit ging zoo ver, dat Catharina II en het hof van Gotha zelfs eenen eigen agent, den tot baron verheven Grimm , te Parijs hielden, om elk nieuw letterkundig artikel , dat daar voor de voorname wereld vervaardigd werd , terstond toegezonden te hebben . De hulde , die de hooge en de hoogste standen van Europa aan de al het oude bespottende schrijvers van Frankrijk toebragten , het ge wigt, dat zij aan fransche woordenpraal en sierlijkheid toekenden , de schriften zelven , die door hen bewonderd werden , vonden hunnen grond slag in de heerschende mode en in de geheele rigting van den tijd. Zij hadden derhalve in zich zelven geene grootere waarde en geen dieperen grondslag , dan de ijver, waarmede thans diezelfde kringen eene geheel tegen over gestelde bedoelingen dienende woordenpraal koesteren en aankweeken.

De romans van Diderot behelzen ten deele zoo erge vuiligheden, dat er een hooge graad van zedelijke verdorvenheid toe noodig is , om daarvoor niet terug te beven. Wij gaan echter deze soort der schriften van Diderot geheel voorbij, en vertoeven slechts bij den roman , die , de non ( la religieuse )” ten titel voert. Deze roman behelst eene in den vorm van bekentenissen eener non ingekleede schildering van de verderfelijkheid der nonnenkloosters. Hij geeft eene op ondervinding rustende schets van het schreeuwende misbruik, dat de kerkelijke dwingelandij van haar gezag maakte, om door bijgeloof, werktuigelijke godsdienst en willekeurige behandeling de vrijheid enzelfstandigheidvan den geest te dooden. Met geschiedkundige trouw en waarheid , met treffende levendigheid en in eenen stijl, die , ten minste in het eerste deel, vrij is van de bij Diderot gewone ligtzinnigheid en slordigheid , wordt het kloosterleven van dien tijd op zulke wijze geschilderd , dat elk lezer, die eenig gevoel bezit, eenen toestand van kerk en staat verfoeijen moet , die het daar medegedeelde mogelijk maakte. In deze werking van den roman ligt dan ook zijne geschiedkundige waarde.

Maar wij mogen de andere zijde van het boek niet verzwijgen , die ken merkend voor den toon en den smaak der toenmalige voorname wereld is. In het tweede deel namelijk vervalt Diderot weder tot zijnen ligtzinnigen toon, en schildert zedelooze tooneelen van het kloosterleven met eene uit voerigheid , op eene aantrekkelijke wijze en eene opzettelijke prikkeling der zinnelijkheid, waarover zelfs een Juvenalis en Petronius ( z. D. IV. bl . 224 v. en 225 vv. ) zich schamen zouden. Het laatste is juist bij eenen man, als Diderot, zeer opmerkelijk. Hij vond namelijk geenen lust in het losbandige leven en de genietingen der hoogere kringen , waarin hij, de zoon van eenen ambachtsman, opgenomen. Hij gevoelde zelfs eenen ernstigen afkeer van de daar heerschende huichelarij, en keerde reeds lang voorzijnen dood daaruit tot het eenvoudige huiselijke leven terug. Vroeger had hij met de zedelooze verkeering,waarin hij toen deel nam , de bewondering voor die gestrengheid en uit gelezen kortheid van uitdrukking vereenigd, die aan de geschiedschrijvers en redenaarsuit de stoïsche school in den tijd der romeinsche keizers eigen was (z. D. IV. bl. 217 vv .), eene zamenvoeging van tegenstrijdigheden , die ook bij den romeinschen hekeldichter Persius ( z. D. IV. bl. 225 vv. ) en bij den tijdgenoot van Diderot, d'Alembert, voorkwam . Ten slotte willen wij nog kortelijk aanvoeren, dat de hevigste ontboezeming van Diderot over het bestaande regeringsstelsel eene eerst na zijnen dood gedrukte dithyrambe was, waarin hij alle mogelijke wetteloosheid predikt en met onzinnige woede,vja bijna met stellige razernij koningschap en geestelijkheid aantast.

Op eene geheel andere wijze , dan Diderot, Holbach en de overige apostelen van het ongeloof en der vrijheid , streed Marmontel tegen het bestaande stelsel in staat en kerk. Deze schrijver bedoelde in zijne poging, naam te maken als letterkundige en dichter . Daartoe had hij Voltaire ge huldigd en zich, wat het noodzakelijk gevolg daarvan . was, aangesloten bij de vijandige en ongeloovige rigting destijds. Maar intusschen had hij zich als schrander drogredenaar wel gewacht, om de voorname wereld aanstoot te geven ; hij had in tegendeel , hoewel hij tot de zoogenoemde wijsgeeren behoorde, eenen Lodewijk XV bezongen en zich in de gunst weten te dringen bij den hertog van Aiguillon en mevrouw van Pompadour. De bekwaamheid voor zulk eene rol in het leven had hij zich reeds vroeg eigen gemaakt; want hij ontving, even als Voltaire, Diderot, Raynal en anderen, zijne opleiding in die jezuitenscholen , die op bloote oefening van het ge heugen en afrigting van den geest tot woordenrijke vaardigheid en rede kunstige gevatheid ingerigt waren, en juist daardoor vele jongelingen , die tot de dienst der kerk afgerigt moesten worden, tot vinnige bestrijders daar van vormden. Marmontel had in deze scholen geleerd , meer op vorm en uitdrukking , dan op het wezen der zaak te letten ; hij was derhalve tot eenen woordenrijken drogredenaar opgeleid. Daar hij nu tevens den hoftoon wist te treffen en de bekwaamheid bezat, om zich gemakkelijk te bewegen in eenen beperkten kring van denkbeelden, bereikte hij in spijt zijner slechts middelmatige begaafdheden zeer spoedig zijn oogmerk om een beroemd man te worden. Van al de geschriften van Marmontel hebben alleen zijne verhalen eenigen invloed geoefend. Dezen hebben om dezelfde reden en goedkeuring gevonden, en schadelijk gewerkt. Marmontel heeft namelijk vooreerst niet, als zijne medeleden van de academie, de deugd gehoond of ook de ondeugd met haar kleed omhangen; maar hij heeft haar gemakkelijk en aangenaam gemaakt, hij heeft weekheid van gevoel en zinnelijke prikkeling, zoo als b. v. het onaangenaam gezigt der lijders, als de bron voorgesteld van het gene voor God en het geweten goed en billijk is. Hij heeft ten tweede, even als Wieland , het vervelende van sentimenteele gevoelens, aandoen lijke stemmingen en deugdzame handelingen door het inmengen van zede looze schilderingen getracht te veraangenamen. Door deze bemoeijingen oefende hij meerverderfelijken invloed op de zedelijkheid en de heerschende levensbeschouwing, dan Diderot door zijne romans. De laatste wekte na melijk bij de betergezinden tegenzin en afschuw . Marmontel daarentegen Fransche letterkunde. Marmontel. 55 verlokte door de onkiesche zedelijkheid, die hij onder de oogen van den le zer bragt , de onschuldigen , en stelde een godsdienstig jezuitismis in de plaats der godsdienst. In twee grootere werken , in den Belisarius en de Incas, heeft Mar montel hetzelfde stelsel op den staat en zijne betrekkingen toegepast. In het eerste maakte hij gebruik van de bekende vertellingvan de onregtvaar digheid van keizer Justiniaan jegens Belisarius (z. D. V. bl . 4 ), omstaat kundige leeringen en raadgevingen, die strijdig waren met de heerschende beginselen van staats- en kerkelijke tucht, onder het volk te brengen. In het tweede werk dienden hem de gruwelen, door de veroveraars van Peru begaan, om de op krijgsgeweld rustende regering en de godsdienstige geest drijverij op eene te gelijk aandoenlijke en schrikwekkende wijze af te schil deren . Beide deze geschriften oefenden geenen invloed op hunnen tijd ; daarvoor waren zij zoo wel wijsgeerig als geschiedkundig van te geringe waarde, en beantwoordden in vorm en toon te weinig aan den toen in Frankrijk heerschenden smaak. Nogtans vonden zij tijdelijk eene schitterende ont vangst bij het publiek , omdat elke aanval op het oude welkom was, en omdat men ter vergoeding van den Telemachus van Fenelon , die allengs kens uit de mode raakte , behoefte had aan andere, meer met den geest des tijds overeen stemmende deugd - romans. Ook werkte daartoe de ont vangst mede, die beide schriften aan de vreemde hoven vonden . De geheel kleurlooze staatkunde, die daarin gevonden werd , beviel inzonderheid aan het russische, zweedsche en oostenrijksche hof. Keizerin Catharina II ver taalde zelfs een hoofdstuk van Belisarius over verdraagzaamheid , en liet dat , wat thans volstrekt niet geduld zou worden , in Rusland verspreiden. Zelfs Maria Theresia liet , in spijt der tegenwerking van den aartsbisschop van Weenen , Belisarius in Oostenrijk nadrukken . De erfprins Ferdinand van Brunswijk was over Marmontel zoo verrukt, dat hij hem eens aan zijne gemalin voorstelde met de woorden : dit is de schrijver van den Belisarius en van de zedelijke verhalen , naar wiens kennismaking gij zoo vurig ver langd hebt! " Alleen Frederik II doorzag de strekking dier romans en den geest des schrijvers. In Frankrijk had de Sorbonne wel in den beginne den druk van den Belisarius niet toegestaan; maar de heerschende stemming was zoo magtig en de regering zelve door de rigting des tijds zoo zeer aan het wankelen gebragt, dat de hertog van Aiguillon Marmontel juist op hetzelfde oogenblik tot koninklijk geschiedschrijver benoemde. Voor ons zijn de geschriften van Marmontel vooral merkwaardig ten opzigte van den zin en smaak der duitsche vorsten uit dien tijd . Zij waren uitsluitend doordrongen van de ijdele woordenpraal en de sierlijke opper vlakkigheid der fransche beschaving. Zij bragten derhalve aan de omwente lingszuchtige parijsche drogredenaars op hetzelfde tijdstip hunne hulde, toen Klopstock zich gedwongen zag, naar Denemarken te verhuizen , toen Schil ler naauwelijks een schamel onderhoud vond, toen Voss in Hadeln school meester moest zijn , toen Lessing , die nooit als Marmontel de ondeugd in het gewaad der deugd hulde , over wijsgeerige en geschiedkundige twijfe lingen vervolgd werd. Te gelijk met Marmontel werd nog een ander schrijver, wiens werken even min innerlijke waarde bezaten , een historisch persoon. Wij bedoelen den vroegeren geestelijke en jezuit Raynal, een der voornaamste leden der vereeniging bij Holbach ( z. Ď. XVI. bl. 109). Hij had dezelfde opleiding 56 Nieuwe Geschiedenis . genoten als Diderot, Marmontel en anderen , en paste even als deze de op zulke wijze verkregene vaardigheid in woordenrijke spitsvindigheid toe ter bevrediging zijner ijdelheid en ter bestrijding van al het oude in kerk en staat. Zijn hoofdwerk was de in het jaar 1770 verschenen geschiedenis der europische volkplantingen in de beide Indien. Dit boek werd door hem zonder vooraf gaande onderzoekingen, zonder een leidend gronddenkbeeld, vol beweringen , die gedeeltelijk onderling in strijd waren, geschreven; want het was den ijdelen man alleen te doen , om een historisch - staatkundig werk in de manier der zoogenoemde economisten te vervaardigen, omdat geschriften van deze soort toen in de mode kwamen. Hij werd daarbij door Diderot ondersteund, die als een waarachtig gecstdrijver voor ieder werkte, die de verantwoording op zich wilde nemen van zijne stoute bewe ringen. Diderot gaf den ijdelen schrijver woorden in de pen , die hij zelf niet openbaar durfde uitgeven. Dit gaf aanleiding, dat het oppervlakkige werk van Raynal het grootste opzien baarde. De goede ontvangst van het boek , dat zelfs door Turgot aanbevolen werd, bragt Raynal het voordeel aan , dat hij met vele aanzienlijke lieden in betrekking kwam , en van alle oorden opgaven over statistiek , handel enz, bekwam , waardoor hij in 1781 aan de tweede uitgave meer wezentlijke waarde bijzetten kon. Door deze tweede uitgave werd het boek een zeer nuttig werk in Frankrijk ; want het verspreidde daar, waar men tot nu ge heel onwetend geweest was in alles, wat aardrijkskunde, staatswetenschap pen en statistiek betrof, bruikbare kundigheden , die het fransche publiek slechts in den tooi van schoon klinkende zinsneden aangebragt konden wor den. Deze invloed strekte zich , daar alles, wat van Parijs uitging, bij voorkeur geacht werd, zelfs tot andere landen uit. Zelfs Frederik de groote schonk het boek en zijnen schrijver de grootste opmerkzaamheid, terwijl hij den vlijtigen, grondigen en naauwkeurigen, maar trouwens ook vervelend geleerden beoefenaar der statistiek, Büsching, die tot zijne eigene ambtena ren behoorde , miskende en afstiet. Overigens rigtte Raynal de tweede uitgave in naar den geest en toonder democratie, omdat die toen te Parijs in de mode gekomen was. De Sorbonne veroordeelde daarom het boek , en het parlement van Parijs liet het niet slechts door beuls handen ver branden, maar het gelastte ook de gevangenneming van den schrijver. Maar juist daardoor bezorgde men het boek en zijnen schrijver nog grooter aan zien. Raynal vlugtte toenmaals uit Frankrijk , waarin hij eerst in 1788 terug keerde. Hij, Marmontel en anderen openden later zelven aan de wereld de oogen over de oppervlakkigheid en de onwaarde hunner bemoeijingen, want zij bekenden in hunne oude dagen opentlijk , dat zij nooit geweten hadden, waarheen zij met hunne wijsbegeerte eigentlijk wilden, en waarheen zij leiden zoude. Marmontel werd zelfs volkomen een berouwvol zondaar, en prees als grijsaard dezelfde instellingen van kerk en staat, die hij als man in zijne voornaamste werken zoo geheel berispelijk had voorgesteld. Zoo min wij de verdienste, die Buffon zich door zijne natuurlijke his toric ten aanzien van wetenschap en beschaving verworven heeft, miskennen of hem met woordenrijke drogredenaars gelijk stellen , oordeelen wij toch , dat hij, even als zij, de heerschende rigting der gemoederen hielp bevorde ren. Hij huldigde den geest des tijds, hoewel hij van nature voornaam , hoofsch en behoudend gezind was, en zich derhalve ook uit den kring van Holbach, Helvetius en Grimm terug trok, zoo dra de bemoeijing dezer man Fransche etterkunde. - Buffon. 57 nen niet aristocratisch en uitsluitend meer was, maar tot het volk scheen af te dalen, en zoo het van ouds bestaande te bedreigen. De geschiedkun dige belangrijkheid van Buffon bestaat daarin, dat hij door middel van een sierlijk geschreven werk over de natuurlijke historie even zoo de godge leerdheid uithet gebied der natuurwetenschappen verdrong, als Montesquieu de staatkundige wetenschappen aan den eenzijdigen invloed van het cano nieke en romeinsche regt ontrukt had. Zoo magtig was derhalve de toon der salons en de geest des tijds, dat zelfs een man, die voornaam, behoed zaam en afkeerig was van alle staatkunde, zoo wel als van elke vijandigheid tegen godsdienst en kerk, in het verlichten en in het ijveren tegen de voor oordeelen der middeleeuwen met Rousseau, d'Alembert en dergelijke schrij vers zamen stemde. Naast deze beteekenis, die de schriften van Buffon voor de algemeene ontwikkeling van den geest hadden, verdienen zij ook onze opmerkzaamheid ten aanzien van den stijl. De werken van Buffon zijn namelijk daardoor hoogst merkwaardig , dat zij ten aanzien van hunnen uiterlijken vorm het gewrocht van de uitgelezenste zorgvuldigheid zijn en toch tevens ernstig, schoon en duidelijk. Buffon is door Condorcet met regt in de tweede der beide klassen geplaatst, waarin hij de fransche schrijvers naar het karakter van hunnen stijl verdeeld heeft. Condorcet zegt namelijk, dat de schrijvers bunnen stijl of, zoo als Boileau , Racine , Fenelon , Massillon en Voltaire, op de overtuiging en het verstand der lezers berekend hadden, of, zoo als Corneille, Bossuet, Montesquieu, Rousseau en Buffon, op overreding, der halve op omkooping des gevoels en op medeslepen des verstands, zonder eigentlijke overtuiging. Buffon heeft, even als F. H. Jacobi, zijnen stijl werkelijk gemaakt of kunstig zamen gesteld. Hij bewerkte namelijk al zijne geschriften zoo, dat hij geene zinsnede opschreef, voor dat hij rond wandelend overwogen had, hoe die het best gesteld en afgerond kon worden. 2. Rousseau's Brieven van den berg. Wij moeten nog eens op Rousseau (z. D. XVI. bl. 98—106 en 112– 114) terug komen, omdat een zijner hevige democratische schriften, de Brie ven van den berg , volgens hunne strekking geheel tot den laatsten tijd vóór de revolutie behooren. Dit werk , dat wij op ééne lijn plaatsen met de hevigste aanvallen op de engelsche staatsinrigting en regering gedurende de amerikaansche omwenteling, was gerigt tegen de te Genève heerschende oligarchie. Het draagt de in het contrat social wijsgeerig en bespiegelend behandelde en gevolgelijk niet voor elken beschaafden lezer verstaanbare verklaring van de democratie op zoodanige wijze voor, dat zij voor elk ge woon burger, als hij slechts van zijne jeugd af de openbare zaken gade geslagen heeft, bevattelijk is. Deze omstandigheid bezorgde daaraan eenen zoo grooten invloed, dat men voluit zeggen kan , dat het oude staatkundige stelsel door de Brieven van den berg even vreeselijk in het hart van Europa geschokt is, als dit ter zelfder tijd door de vrijzinnige redenaars en schrij vers onder George III in Engeland, en door Franklin , Price , Payne en anderen in Noord- Amerika geschiedde. Het ontstaan van dit geschrift hangt zamen met het beroemde boek van Rousseau „ Emile of over opvoeding.” De geneefsche kleine raad had, uit beleefdheid jegens de fransche regering, den Emile door beuls handen 58 Nieuwe Geschiedenis. doen verbranden en tegen den schrijver, wien Frederik de groote toen in het vorstendom Neufchatel eene schuilplaats verleende, een bevel tot ge vangenneming uitgevaardigd. Daardoor gevoelde Rousseau zich bewogen, om zijn geneefsch burgerregt op te geven (mei 1763). Deze stap van Rousseau veroorzaakte te Genève onlusten, deels omdat de handelwijze te gen Rousseau in strijd met de staatsinrigting geweest was, deels omdat de burgerij trotsch was op zulk eenen man en hem niet als eenen misdadi ger behandeld wilde hebben. Het is niet mogelijk, hier de zeer ingewik kelde inrigting van de republiek Genève duidelijk te verklaren, wat echter noodzakelijk zoude zijn, als de aard der toenmalige onlusten te Genève en de nadere zamenhang daarvan met de Brieven van den berg volkomen ver- klaard zouden worden. Wij moeten ons daarom bij de korte aanmerking beperken , dat een der geneefsche aristocraten , de fiscaal - generaal Tron chin, door een meesterlijk geschreven boek, dat hij „ Brieven van het land” noemde, aan de zaak der democratie te Genève eenen gevoeligen slag toe bragt, en dat Rousseau door afgevaardigden van den grooten raad tot eene wederlegging daarvan aangezocht werd. Rousseau gaf gehoor aan de uit noodiging zijner medeburgers en schreef onder den titel „ Brieven van den berg ” negen brieven , als antwoord op dat boek. Zij werden heimelijk in Holland gedrukt en vervolgens geheel onverwacht allerwegen verspreid. Ook de inhoud en de vorm der Brieven van den berg kunnen hier slechts zeer kort en in het algemeen aangestipt worden. Het geheel is door Rousseau zelven in twee boeken verdeeld , waarvan het eerste zes, het tweede drie brieven behelst. De inhoud van het eerste boek bepaalt zich bij de handelwijze der Genèvers tegen Rousseau, en ten gevolge daar van bij de vragen over kerkelijke tucht, staatsgodsdienst, geest des chris tendoms, wezen van het protestantismus en andere kerkelijke of ook god geleerde onderwerpen ; want de door de geneefsche overheid tegen Rous seau en zijnen Emile genomen maatregel was eigentlijk slechts eene ver oordeeling tegen de inhet boek voorkomende rationalistische geloofsbelij denis van eenen savoischen vicaris ( z. D. XVI. bl . 105 ). In het tweede boek of in de drie laatste brieven houdt Rousseau zich bezig met het staatkun dige gedeelte der zaak, en neemt uit de geneefsche aangelegenheden de aan leiding, omde in zijn contrat social voorgedragene theorie der volksrege ring duidelijker te ontwikkelen en tegen de aanvallen der aristocraten te verdedigen . Met andere woorden , in het eerste boek strijdt Rousseau naast eenen Lessing voor de vrijheid van onderzoek en beoordeeling in de godsdienst, derhalve tegen de kerkelijke tucht der middeleeuwen en tegen de godgeleerdheid van het regtzinnige protestantismus; in het tweede daar entegen strijdt hij naast Franklin, Fox, Price en Thomas Payne voor eene nieuweorde van zaken in den staat. Hij heeft wel is waar in beide boeken altijd zijne eigene belangen en het wezen en trachten der kleine geneefsche re publiek voor oogen ; maar hij verstaat even als Lessing de buitengewoon moeijelijke kunst, om ook dat, wat op zich zelf en van een hooger stand punt klein, droog en onbelangrijk schijnt, op eene voor den lezer belang rijke en leerzame wijze te behandelen . De korte inhoudsopgave van eene plaats uit het eerste boek, benevens die van geheel het tweede boek, moge in het algemeen aantoonen, hoe Rousseau de zaak begrijpt en behandelt. In den tweeden brief komt Rousseau tot de vraag, of het als eene mis daad te beschouwen is , wanneer de burger van eenen hervormden staat Fransche letterkunde. Rousseau's Brieven van den berg. 59 aan eenig leerstuk van zijne kerk niet gelooft. Hijwijst bij deze gelegen heid uit het wezen der hervorming aan , dat het elken hervormde , als hij slechts het evangelie als goddelijke aankondiging erkent , geoorloofd moet zijn, den inhoud daarvan naar eigen inzigt op te vatten en uit te leggen. Hij verklaart derhalve ook regtstreeks, dat hij , als men hem in geloofsza ken tot onderwerping aan eenige vreemde uitspraak waagde tedwingen, liever tot de katholieke kerk zou zou overgaan ,, en dat elk krachtigen standvastig man hetzelfde zou doen. Dit brengt hem op het nieuwe paus dom, dat in de zestiende eeuw onder de protestanten ontstaan was, en te vens op de belagchelijke poging , om een door godgeleerden vastgesteld leerbegrip door middel van het staatsgezag in stand te houden , waardoor de hervorming zelve in haren grondslag ondermijnd werd. Hij betuigt bij deze gelegenheid de grootste achting voor Calvijn , ofschoon hij als mensch en , wat nog erger was, als godgeleerde groote gebreken had. Ook betoont Rousseau zich vervuld van waren ijver voor dezuivere leer van Christus, legt een diep doorzigt in het wezen der christelijke godsdienst , die hem eene godsdienst des harten is , aan den dag en ontwikkelt een gematigd rationalismus, dat reeds alles bevat, wat tien jaren later Lessing, en twin tig jaren daarna alle duitsche godgeleerden voordroegen , maar dat thans door hen weder als ketterij veroordeeld en vervolgd wordt. In het tweede boek of de brieven over het nieuwe staatsregt en staat kundige stelsel begaat Rousseau in der daad vele misslagen, gelijk die bij ieder zullen voorkomen, die zonder ernstige beoefening der geschiedenis en zonder de menschen te kennen, zoo als zij waarlijk zijn en eeuwig blij ven zullen, bespiegelingen over staatsregelingen ontwerpt. Maar juist deze eenzijdigheid heeft aan de brieven van Rousseau bij hen , die zich bloot door het gevoel laten besturen en tot geestdrijverij laten wegslepen , eene grootere belangrijkheid bezorgd, dan de voorstelling der wezentlijke waar heid gehad zou hebben. Rousseau vat den inhoud van zijn maatschappe lijk verdrag in weinige stellingen zamen , en wel niet voor de school of voor de beschaafde wereld, maar voor het volk . Tot dit oogmerk maakt hij gebruik van den twist der standen te Genève , ook van zijne eigene veroordeeling en andere onregtvaardigheden tegen andere burgers, en juist op dezelfde wijze, als de schrijver der brieven van Junius uit de gebeur tenissen van den dag aanleiding neemt, om zijn begrip van het wezen van den staat en van de regten der natie te doen uitkomen. Hij toont den Genèvers aan , dat het in den aard van elk mogelijk gezag ligt, om zich ten koste der vrijheid en van het regt te vergrooten, en dat derhalve elke vrijheid zonder waarborg en magt eene misleiding is . Met deze moeijelijk te wederleggen stelling verbindt hij eene andere, die bewijst, dat hij of den grooten hoop niet kende, of ter liefde zijner theorie niet kennen wilde. Hij zegt namelijk, dat regtvaardigheid noodzakelijk verbonden is met den ge hoorzamenden volksstand , maar dat den stand der gebieders de neiging tot gewelddadigheid en willekeur van nature aankleeft. Deze stelling brengt hem vervolgens, zonder dat hij het weet of wil, buiten de grenzen van geoorloofd verzet in den staat op den omwentelingszuchtigen weg van de magogische volksvleijerij. En toch hebben , zonderling genoeg, de Brieven vanden berg het aan het oude gehechte gedeelte der europische bevolking minder verontrust en verbitterd, dan de Emile of de geloofsbelijdenis van den savoischen vicaris. 60 Nieuwe Geschiedenis. 3. DUITSCHE LETTERKUNDE EN BESCHAVING. 1 ) Aanvankelijke invloed van den nieuwen tijd geest op de godgeleerdheid en op de instellingen van hooger onderwijs, en eerste pogingen om die voor het leven der Duitschers vruchtbaar te maken . Toen de duitsche letterkunde door Lessings letterkundige brieven, die wij lager nader vermelden, eene bepaalde en blijvende rigting verkreeg (z. D. XVI. bl . 127 vv. ) , was de geest des tijds reeds begonnen eenen in vloed te oefenen op de zuiver geleerde kringen en hunne instellingen voor onderwijs, die tot nu ontoegankelijk geweest waren voor het nieuw ont waakte leven. Ter zelfder tijd en onmiddellijk daarna breidde de bewe ging , die eerst alleen bij de fraaije letteren bepaald gebleven was , zich ook nog verder naar eene andere zijde uit , daar eenigemannen haar door bijzondere schriften met het leven zelf in betrekking zochten te brengen. In Duitschland hadden tot nu wegens de bekrompenheid van geheel het leven , wegens het gemis van een gemeenschappelijk middelpunt en eener toongevende hoofdstad, wegens den toestand van de letterkunde des volks en de in alle openbare belangen heerschende schoolvosserij, de uni versiteiten eenen grooteren invloed geoefend, dan in eenig ander land. Elk, die niet tot de verfranschte hoogere kringen behoorde, haalde op de univer siteit voedsel voor den geest, en beschouwde dat, wat hij daar geleerd had , als de regelmaat van geheel zijn toekomstig, denken en handelen. Maar de duitsche hoogescholen stonden tot de natie en het leven in geene an dere betrekking , dan dat zij de jonge lieden voor de waardigheden van den staat en de kerk voorbereidden of liever afrigtten. Zelfs de wijsgee rige voorlezingen, die toen door elken student bijgewoond werden , stonden in dienst der broodwetenschappen. Op al, wat men nationale letterkunde noemt, zagen de hoogleeraars, even als op de geheele zuiver menschelijke beschaving, met de grootste verachting neder. Deze toestand van het hooger onderwijs moest eensdeels inenigen hoogleeraar eenen invloed verzekeren , zoo als dit heden nergens meer voorkomt. Maar anderendeels veroorzaakte dit ook , dat eenige degelijke mannen zich beijverden , om nevens de bestaande slaafsche bedrijvigheid der geleerden , die alleen om den broode was of het bloote weten diende, eene vrije, op wezentlijke belangstelling rustende bemoeijing met de weten schap in het leven te roepen. Onder deze mannen behoorden vooral Spal ding en Reimarus , de een predikant te Berlijn , de andere professor aan het gymnasium téte Hamburg. Beiden traden omstreeks het midden der eeuw in geschriften voor het volk zoo wel tegen de dwaze leerstellingen, die door de kerkbesturen in kerken en scholen staande gehouden werden, als mede tegen de huichelarij, waarin het pietismus ontaard was, op, en tracht ten de godsdienst der protestanten weder tot eene zaak des harten te ma ken en met het verstand te verzoenen. Dit deed Reimarus , een in de werken der oudheid, in de natuurkundige wetenschappen enin de wijsbe geerte grondig ervaren geleerde, vooral door zijn geschrift: „ De voornaam ste waarheden der natuurlijke godsdienst.”. Spalding werkte deels door vertalingen van gematigde engelsche werken, deels door zijne gedrukte pre dikatien , deels en vooral door zijn in 1748 verschenen , later zeer dikwijls weder uitgegeven boek over de bestemming van den mensch, dat ook door zuiverheid en kracht van taal veel bijdroeg tot de verbetering van den Duitsche letterkunde. Justus Möser. 61 2 duitschen stijl. Dit boek wekte den toorn der ijveraars, inzonderheid van den hevigsten en vurigsten onder hen , van den hamburger hoofdpastoor Götze, een man, die zich met waarachtige woede tegen elke vrije beweging verhief, eindelijk zelfs het waagde om Lessing aan te tasten , en door de onvergelijkelijke satire en ironie, waarmede Lessing hem ter neder wierp, eenen onsterfelijken naam in de geschiedenis onzer letterkunde verkregen heeft. Naast Spalding en Reimarus waren twee mannen uit den stand der ambtenaren ijverig werkzaam , om den nieuwen geest ook in hunne kringen ingang, te bezorgen. Dit waren Justus Möser en F. K. van Moser. De eerste heeft zich op eene geheel eigenaardige wijze verdienstelijk gemaakt voor de ontwikkeling der duitsche beschaving. Hij was namelijk den be staanden toestand wel van harte toegenegen , maar zag de noodzakelijk heid van zijne ontbinding in , en bevorderde die derhalve. Hij deed dit echter met groote voorzigtigheid en matiging, omdat hij geloofde, dat het nieuwe dan alleen , als het langzamerhand het oude verving, nationaal en duurzaam kon worden. Hij schreef voor de kringen, waartoe hij zelf be hoorde, zocht tusschen hen en het eigentlijke volk bemiddelend op te treden, en bewees den ambtenaren, hoe men zedelijken invloed op het volk moest en kon oefenen , in plaats van het altijd slechts door bevelen te regeren. Men kan overigens noch hooge vlugt van gedachten, noch gloeijenden ijver, noch ook eene niets ontziende vrije taal bij eenen man verwachten, die, uit zijnen aard slechts voor het werkdadige geboren en afkeerig van al het verhevene, zijn geheele leven in Westphalen doorbragt, en niet alleen met prozaische ambtsbezigheden overkropt, maar ook tot den dagelijkschen om gang met trotsche, adelsgezinde heeren uit den geestelijken en wereldlijken stand gedwongen was. Voor deze lieden was de door Möser gekozen hu moristische toon voortreffelijk geschikt, om hun onder scherts en sierlijke bewoordingen het ter ontwikkeling, der natie noodige onderrigt aan te bren gen, zonder dat zij daardoor verschrikten. Eene opheldering van eenige schriften van Möser zal bewijzen , op welke wijze en in welke rigting Möser invloed oefende. In een zijner vroe gere schriften , Harlekijn of verdediging van het grotesk -komieke, treedt Möser op zoo wel tegen de bekrompene verlichting in de letterkunde, als tegen de pietistische vijanden van het tooneel, terwijl hij den voor het volk geschikten vorm en voordragt van de scherts in bescherming neemt , dien Gottsched en zijne volgers geheel van het tooneel gezocht hadden te ver dringen. Een ander geschrift was gerigt tegen Rousseau's geloofsbelijdenis van eenen savoischen vicaris ( z. D. XVI. bl . 105) . Het moest de nood zakelijkheid eener stellige en geopenbaarde godsdienst voor het eigentlijke volk aanwijzen, en maakt als het werk van eenen bekwamen opmerker en menschenkenner eene scherpe tegenstelling met het bloot wenschelijke en denkbeeldige, dat Rousseau geheel alleen op het oog had. Gelijktijdig met dit geschrift ( 1765) verscheen Möser's inleiding, in de osnabrugsche geschiedenis, waarin de beginselen van Bolingbroke, Voltaire en Hume toe gepast werden. Möser heeft in dit werk niet uit kronijken en schriftelijke oorkonden , maar uit de in Westphalen overgebleven oude zeden , wetten en instellingen eene geschiedkundige stof bijeen verzameld, en die zoo be werkt , dat niet alleen de eigentlijke geschiedenis zelve, maar veeleer de grond en zamenhang dier inrigtingen, zeden en toestanden nagevorscht is. 62 Nieuwe Geschiedenis. Nog belangrijker zijn de kleine opstellen, die Möser van 1766 tot 1782 in een plaatselijk blad liet drukken , en later onder den titel „ Vaderlandsche phantasien ” bijeen gevoegd uitgaf. Hunne waarde voor de voortgaande ontwikkeling bestaat daarin , dat door de wijze, waarop hier een ervaren, practisch man geheel bijzondere en plaatselijke aangelegenheden behandeld heeft, de zin gewekt werd om zich bezig te houden met het overwegen van openbare toestanden . F. K. van Moser, die keizerlijk rijkshofraad en minister aan verschil lende kleine hoven was, overtreft ten aanzien van vrijmoedigheid en stout heid zijner schriften alle hoogere ambtenaren van Duitschland tot op onze dagen . Daarentegen behoort hij ten aanzien van stijl en toon , en ook van den geest en vorm zijner godsdienstigheid geheel en volkomen tot den ou den tijd. Moser waagde het , in zijn in 1759 verschenen boek : de heer en de dienaar ” de handelwijze der vorsten en hunner hoven , de zelfzucht en kastengeest der verschillende standen, den slaafschen zin der regtsge leerden en ambtenaren aan te tasten en in het gemoed zijner landgenooten, die sedert den tijd van Luther en Hutten tot slavenzin en loondienst ver nederd waren, op nieuw vaderlandsliefde te wekken. Dat dit boek, in spijt van zijnen smakeloozen , ouderwetschen vorm en taal, in geheel Duitsch land het grootste opzien wekte , en dat de schrijver, niettegenstaande zijne voorzigtige bemanteling der daadzaken , daarover zeer bemoeijelijkt werd, bewijst, hoe streng het toen met de opvoeding en vorming op de scholen en met het staatkundig geschrijf gesteld was. Van de overige geschriften van Moser bezat slechts zijn vaderlandsch archief eenige waarde; doch dit behoort tot de dagblad -litteratuur, waarvan eerst later sprake zal zijn. Wij wenden ons tot de twee gelijktijdige godgeleerden Michaelis en Semler , die tot de latere verlichting in de godsdienst nagenoeg in dezelfde verhouding staan, als Möser en Moser tot de staatkundige. Beiden bleven even als deze mannen met behoedzaamheid bij het oude, en verhieven zich, gelijk Moser, als bloote schrijvers niet boven de middelmatigheid ; evenwel hebben zij een nieuw licht in het duister der joodsche en christelijke ge schiedenis, der bijbelverklaring en der leerstellingen aangebragt. Om dit te kunnen verstaan en beoordeelen , is het noodig , om zich in het alge meen den toenmaligen toestand der protestantsche godgeleerdheid en van het hooger onderwijs duidelijk voor te stellen . Na den tijd van Luther en Calvijn had men , gelijk bekend is , de protestantsche godgeleerdheid aan bepaalde leerstellingen getracht te ver binden en daardoor geheel onafhankelijk te maken van de voortgaande ont wikkeling des geestes. In de hervormde kerk was dit door de besluiten der synode vanDordrecht en doorde negen en dertig artikelen der angli caansche kerk geschied ( z. D. XIII. bl. 92 en D. XV. bl . 176 vv. ) , in de luthersche kerk door de symbolische boeken ( z. D. XIII . bl. 207 en 210 ). Deze geloofsdwang had echter veroorzaakt, dat in Engeland de vrijer denkenden de staatskerk verlieten , en men zich in Duitschland door eene uitvlugt te redden zocht , waardoor men de symbolische boeken slechts in zoo ver als verbindenden regel erkende, als zij met de naar elks inzigt te verklaren schrift overeen stemden. Daardoor was in Duitschland de protestantsche godgeleerdheid van de onderling afwijkende gevoelens der professoren aan de hoogescholen afhankelijk gemaakt. Dezen had den reeds in de zeventiende eeuw eene nieuwe soort van scholastiek in Duitschland. Protestantsche godgeleerdheid. 63 1 gevoerd, of met andere woorden , zij hadden spitsvindigheden en stelsel matige haarkloverijen in de plaats der zuivere bijbelleer gesteld , die door Luther voor den eenigen geloofsregel verklaard was. Omstreeks het mid den der achttiende eeuw kwam doorde leerlingen van denhallischen wijs geer Christiaan Wolf eene nieuwe wijze van wetenschappelijke behandeling der godgeleerdheid op. Wolf had namelijk uit al, wat door den geest rijken en scherpzinnigen Leibnitz bij voorkomende gelegenheid voorgedra gen was, een schoolstelsel gemaakt, maar tevens ook eene nieuwe leerwijze der wijsbegeerte uitgedacht, die door hem de wiskunstige genoemd werd. Krachtens deze leerwijze moesten dingen , die geloofd en gevoeld of ook als redevoorstelling en denkbeeld opgevat, maar nooit als een zinnelijk be grip of beeld bevattelijk en aanschouwelijk gemaakt kunnen worden, geheel als wiskundige onderwerpen begrepen , bewezen en ingedeeld worden . Zij werd door de aanbidders van Wolf op alle vakken toegepast, en verwarde de duitsche hoofden in de grootste mate, te meer daar men de voornaam ste waarde niet in de door Wolf beoogde wetenschappelijkheid zocht, maar in de door hem uitgedachte terminologie en in de aanmatiging , om alle weten zamen te persen in de begrippen van zijn stelsel. Ook in de god geleerdheid bezorgden de leerlingen van Wolf , vooral J. S. Baumgarten, de broeder van den vroeger ( D. XVI. bl . 123 vv.) vermelden uitvinder der schoolsche schoonheidsleer , aan de zoogenoemde wiskunstige leerwijze de heerschappij. Zij veroorzaakten daardoor een zeer wonderlijk verschijn sel . Binnen korten tijd wemelden namelijk niet slechts de voordragt en leerboeken der professoren in de godgeleerdheid van allerlei axiomata , de finitien, divisien, distinctien, demonstratien, enz., maar de predikanten zel ven stelden hunne leerredenen naar de wiskunstige leerwijze en maakten die daardoor tot drooge , voor geest en gemoed volstrekt nuttelooze ver handelingen. Deze afdwaling stond al te zeer in strijd met het wezen van alle gods dienst, dan dat zij lang hadde kunnen voortduren. Ook was de tijd reeds gekomen , waar aan de eene zijde de hoogescholen hun voorregt , om den geest wetten voor te schrijven , verliezen zouden , en ten andere godge leerden als Spalding op het gebruik der rede in geloofszaken aandrongen, of als Mosheim en Jeruzalem de oude leerstellingen ten minste in een sierlijk gewaad zochten voor te doen, of ook als Ernesti voor den bijbel eene verstandige en oordeelkundige woordverklaring verlangden. Nog veel meer dan dit alles , oefende de omstandigheid eenen hervormenden invloed op de protestantsche godgeleerdheid, dat de behandeling der klas sieke oudheid van eenen geheel nieuwen geest doordrongen werd, en dat ten gevolge daarvan een geslacht opgroeide, dat tot de beoefening der ouden , derhalve tot waarachtig onderzoeken en denken en tot eenen bete ren smaak in poëzij en kunst opgeleid was. Deze in de klassieke studien voorkomende verandering was echter niet alleen bevorderlijk voor de her vorming der godgeleerdheid , maar zij oefende ook in veel hoogere mate, dan bij eenig ander volk van den nieuweren tijd , eenen herscheppenden invloed op de letterkunde en beschaving. Wij moeten derhalve eerst de in Duitschland opgekomene verandering der klassieke studien en van het hooger onderwijs gade slaan , waardoor Göttingen vooral ten aanzien der duitsche beschaving eene gelijke belangrijkheid verkreeg , als later Weimar en Jena. 64 Nieuwe Geschiedenis. De bedoelde verandering ging, wat haren eersten oorsprong betreft, van de kritiek en theorie van het schoone uit. Dezen waren door Gottsched, Ramler, Sulzer, Baumgarten en anderen ( z. D. XVI. bl . 123 en 128 vv.) in de dorre regels der Franschen of in de bewijsvoeringen der wolfiaan sche wijsbegeerte geperst. Zij waren en bleven derhalve een beletsel voor den vooruitgang in poëzij en kunst , tot dat Lessing en Winckelmann in verschillende afdeelingen der kunst eenen nieuwen weg aanwezen. Beide deze mannen putteden hunne theorie van het schoone regtstreeks uit de schrif ten en kunstwerken van het grieksche volk , dat in aanleg geheel overeen kwam met de volken van den germaanschen stam en derhalve daarvoor de eenige bron van den waren smaak is . Beiden , en wel Winckelmann het eerst, oefenden daardoor ook tevens eenen hervormenden invloed op de wijziging van het hooger onderwijs. Doch deze werking was geene regt streeksche. De wezentlijke hervorming van het hooger onderwijs werd eerst tot stand gebragt, toen de philoloog Heyne te Göttingen niet alleen in zijne oudheidkundige voorlezingen Winckelmann's geestrijke kunstbe schouwing algemeen bevattelijk voordroeg , maar zich ook in zijne verkla ringen van de schriften der ouden voornamelijk op het verstaan daarvan en op het beseffen van hunne bijzondere voortreffelijkheid toelegde, terwijl men tot hiertoe de jonge lieden bijna alleen met taalkunde en oefening in het latijn schrijven had bezig gehouden. Heyne is op deze wijze een der hervormers van de duitsche beschaving geworden. Uit zijne kweekschool gingen geheele scharen van leeraren uit, die het licht der achttiende eeuw in de scholen verspreidden. Zelfs voor de volmaking der duitsche taal was de nieuwe manier om de ouden te beoefenen bevorderlijk. Men zocht na melijk de vormen der oude talen in de moedertaal terug te geven. Daar door werd trouwens die taal geweld aangedaan, maar zij werd toch tevens meer ontwikkeld , en het publiek verkreeg eene juistere en diepere kennis van de ouden , dan door die geheel smakelooze overzettingen der oude schrijvers, waarmede men zich vroeger had moeten vergenoegen , of door de nieuwerwetsche vertalingen van Wieland , die het eigenaardige grooten deels uitwischten. Indit opzigt heeft zich Voss inzonderheid groote ver diensten verworven. Door zijne vertaling werden de Ilias en Odyssea van Homerus in zekeren zin duitsche gedichten en boeken ter opleiding van de duitsche jeugd. Zij oefende op de duitsche taal, dichtkunst en denk wijze eenen dergelijken invloed als de bijbelvertaling van Luther , omdat de zin van dien van Voss aan Homerus even naauw verwant was , als de geest van Luther met dien der profeten en apostelen. Heyne droeg trouwens ook door de breedsprakige en platte wijze, waarop hij de schriften der ouden verklaarde,niet weinig bij tot de ver spreiding van oppervlakkigheid en flaauwheid. Deze nadeelige invloed werd echter tegengewerkt door den grootsten duitschen philoloog van den nieu wen tijd, F. A. Wolf te Halle, die door eene strenge taal- en oordeelkunde den ernst, de kracht en de wetenschap in de beoefening der ouden terug bragt. De pogingen van Semler en Michaelis, waartoe wij nogmaals terug keeren, vormen eenen zoo merkwaardigen overgang van de oude regtzinnige godgeleerdheid tot de nieuwe wijze van behandeling der godsdienst als we tenschap, dat wij den gang der ontwikkeling en der werkzaamheid van deze twee mannen nader vermelden moeten. Beiden hadden hunne wetenschap Duitsche letterkunde. Semler en Michaelis. 65 na pelijke opleiding te Halle ontvangen, en waren door den daar heerschenden pietistischen zin en bemoeijing zoo zeer bevangen, dat zij ten gevolge daar van wel eenen onoverwinnelijken afkeer van den dwang der vrome tucht en der leerstellige beperking opvatteden, maar in geheel hun leven niet weder vrij ademen konden . Beiden werden later, hoewel zij der oude godgeleerd heid nooit geheel vaarwel zeiden , hervormers in de godgeleerdheid , en maakten het eerst onder de duitsche godgeleerden de nietigheid van het regtzinnige stelsel openbaar. Doch beiden hebben slechts den weg gebaand voor de stoutere hervormingen der zoogenoemde rationalisten , waartoe zij zelven niet behoorden. Zij waren overigens ten aanzien van karakter, ge zindheid en soort van werkzaamheid onderling zeer verschillend. Michaelis streefde naar roem en aardsche voordeelen ; Semler zocht opregt en eerlijk niets dan de waarheid. De eerste was wijdloopig en algemeen verstaanbaar, en maakte aanspraak op algemeene kennis en bemoeijing; de tweede daaren tegen was een man, die gedurende zijn geheele leven met onvermoeide vlijt verder poogde door te dringen, nooit het zuiver wetenschappelijke doel uit het oog verloor en alleen voor de godgeleerden schreef. Semler was daaren boven zoo eerlijk van aard , dat hij geen zijner onderzoekingen en ontdek kingen verborg of achterhield, ook als zijn vroom gemoed daarvan als iets zondigs terug beefde. Semler stond in geene regtstreeksche betrekking tot den van Engeland en Frankrijk uitgaanden nieuwen geest; Michaelis daarentegen was door dezen geest op den door hem ingeslagen weg geleid, en trachtte de bijbel leer daarmede in overeenstemming te brengen. Michaelis liet zich derhalve ook in met de staat- en huishoudkundige wetenschappen en met de sporingen der natuuronderzockers, en waagde het het eerst in de boeken van Mozes iets anders dan messiaansche voorspellingen en afschaduwingen van het nieuwe testament te vinden. Hij beschouwde, geheel in strijd met den geest van de oudheid en het oosten, de mozaïsche wetgeving als een wijs uitgedacht staatkundig stelsel en maakte Mozes tot den Montesquieu der Joden. Ook Semler kwam bij zijne bedaarde, diepe nasporingen zoo ver, dat hij, om zijne innige overtuiging van eene voortdurende buitengewone werking van den goddelijken geest vast te houden, zich met de voorstelling behielp , dat God veel alleen voor eenen bepaalden tijd had ingerigt. Over eenkomstig dit gevoelen verklaarde hij het oude testament onbewimpeld voor een joodsch godsdienstig boek , dat noch uit het christelijke nieuwe testament verklaard , noch als christelijke oorkonde gebezigd mogt worden. Ten aanzien van het christendom zelf kwam hij tot het geschiedkundig juiste besluit, dat het nooit eenen vasten vorm van leer of tucht had gehad, doch dat niettemin zijn wezen , dat niet in leerstellingen, maar in een chris telijk leven gevonden werd , steeds hetzelfde gebleven was. Michaelis heeft het doel zijner pogingen, roem en eer, bereikt. Zelfs d'Alembert, die van hein en zijne bemoeijingen toch wel alleen door anderen kennis kreeg, be wees hem achting. Hij noodigde hem niet alleen uit tot medewerker aan de encyclopedie, maar hij beval hem ook aan bij koning Frederik den groo te ; Michaelis achtte het echter niet raadzaam , Göttingen met Berlijn te verwisselen. Het lot van Semler was ten aanzien van de uiterlijke om standigheden een geheel ander. Wel erkenden de achtenswaardigste god geleerden zelfs in de katholieke kerk zijne vlijt, ernst en verdiensten ; maar hij werd niettemin niet alleen gelijk Michaelis door de aanhangers van het XVII. 5 Nieuwe Geschiedenis. oude verwenscht, maar hij haalde zich ook nog den haat der vrienden van het nieuwe op den hals. Het laatste geschiedde, toen hij verbitterd op Bahrdt en anderen, die Christus en de apostelen als opzettelijke bedriegers voorstelden , aan de nasporingen en onderzoekingen perken gesteld wilde hebben. 2. De letterkundige brieven en de algemeene duitsche bibliotheek. Nicolai en de twee Jacobi's. In het jaar 1759 vernieuwden Lessing en zijne vrienden de poging, om eene oordeelkundige regtbank op te rigten en zich daardoor cene soort van meesterschap te verzekeren, om aan het slechte en middelmatige in de duitsche letterkunde perken te stellen en daarentegen het goede en degelijke het overwigt te bezorgen . Deze proeve werd genomen door de Litteratuurbrieven, die in de jaren 1759--1765 te Berlijn uitkwamen. De voornaamste medewerkers daarvan waren Nicolai en Mendelssohn. Lessing zelf trok zich weldra terug. De beoordeelingen waren buitengewoon ver nuftig, scherp, bijtend en soms zelfs bitter, zoo dat er een luid geroep tegen de letterkundige brieven opging; hunne oordeelvellingen waren echter regt vaardig, en oefenden eenen weldadigen invloed op de letterkunde. Aan het duitsche publiek werden namelijk de dwaalwegen, waarop men vervallen was, aangewezen. De zwakheden en gebreken werden bloot gelegd van schrij vers, die onverdiend als dichters of wijsgeeren bewonderd werden . De letter kundige brieven zochten verder het duitsche volk van de fraai klinkende poëzij der Franschen tot den ernst der Engelschen en tot oorspronkelijk heid te leiden , maakten Shakespeare het eerst in Duitschland als een waarlijk groot dichter bekend , en hielpen daardoor de duitsche poëzij ten minste van platheid bevrijden. Zij bragten bekwame schrijvers , die afgedwaald waren, op den regten weg terug. Zij bewezen eindelijk zoo wel door de wijze hunner beoordeeling , als door den vorm en de taal daarvan, dat er een weg bestond , die tusschen den stijven , loggen stijl der school geleerden, het platte proza van Gottsched en zijne leerlingen en het vroom geteem der navolgers van Klopstocks poëzij heen leidde. De beoordeelingen in de letterkundige brieven werkten vooral zeer weldadig, omdat hunne schrijvers met juist gevoel elke ware voortreffelijk heid wisten te bevorderen en ware verdiensten van schijn leerden onder scheiden . Door deze brieven werden de meeste schrijvers van eenige be teekenis op dat tijdstip in Duitschland eerst l'egt bekend. De beoordeeling dezer brieven drong cenen Wieland van dweepende gevoeligheid en van proeven in het tooneelspel , waarvoor zijn geest niet geschikt was, tot die soort van geschriften, waarin hij een lieveling der natie werd. Door deze brieven werd Hamann, in spijt der groote vijandigheid, waarmede hij die aangetast had , der natie als een oorspronkelijk en geestvol schrijver aan bevolen, en tevens de belangrijkheid van zulke mannen voor de ontwikke ling der letterkunde aangewezen, maar tevens ook het wonderlijke en grillige in de manier en taal van Hamann betreurd . Door de letterkundige brieven werd het eerst de opmerkzaamheid der natie op Winckelmann gevestigd, als een man van buitengewone begaafdheid , die de Duitschers ook ten aanzien der kunst en hare beoordeeling op den regten weg kon brengen. Deze brieven bewerkten eindelijk , dat Kant reeds terstond bij zijn eerste Duitsche ietterkunde. Algemeene duitsche bibliotheek. Nicolai. 67 optreden als een dier enkelen begroet werd , welke nieuwe en groote ge dachten in krachtige en waardige taal wisten voor te dragen. De groote werking der letterkundige brieven en vooral de sterke aftrek, dien zij vonden, bragten den berekenenden Nicolai op het denkbeeld, om van de beweging der gemoederen in Duitschland, even als dit in Frankrijk door de encyclopedisten geschied was (2. D. XVI. bl. 108 ), gebruik te maken tot eene grootsche onderneming, waardoor de nieuwe verlichting over alle vakken van het weten uitgebreid zou worden . Hij stichtte met dit oogmerk de Algemeene duitsche bibliotheek . Daar hij voor deze onderneming de . verlichtste en geleerdste mannen van Duitschland wist te winnen , oefende ook dit nieuwe tijdschrift, in spijt van zijne eigene, bloot winzuchtige strek king , eenen weldadigen invloed op de duitsche letterkunde. Vooral werd daardoor de heerschappij der professoren van sommige hoogescholen ge schokt. Onder de hoogleeraren van deze soort was inzonderheid Klotz te Halle beroemd, een man, die zich door zijne woeste leefwijze, door den ruwen toon zijner voordragten en door zijne aanmatiging als schrijver de toejuiching van den wilden studentenhoop verworven had, en door tallooze beoordeelingen, waarin hij elk schrander en echt wetenschappelijk inan op het smadelijkste hoonde, zich en zijne handlangers tot roem en aanzien hielp. Deze afgod der hallische studenten, die van het begin af als tegen stander van het oordeel van Nicolai opgekomen was, werd later door Les sing en Herder verpletterd, die hem niet alleen in geest, smaak en kundig heden, maar ook in scherpheid en vernuft overtroffen. Ook Nicolai zelf verheugde zich niet lang in zijn aangematigd aanzien als oordeelkundige; want hij werd even zeer weldra ontmaskerd en in zijne naaktheid ten toon gesteld. Hij was een eenzijdig zelfgeleerde en een half weter , die alleen zin had voor het oppervlakkige, handtastelijke en bruik bare, en naar zijnen ijdelen, onnoozelen en prozaïschen aard noch van dweeperij en geestdrift, noch van eene dieper gaande wijsbegeerte iets weten wilde. Daarenboven was hij zoo aanmatigend , dat hij den geest des tijds en het publiek meende te kunnen leiden, en zich verstoutte , over wijsbe geerte , godgeleerdheid , poëzij, in het kort over al het mogelijke zonder eigentlijk doorzigt te beslissen. Hij ging in zijnen bekrompen waan zoo ver, dat hij als redacteur der Algemeene duitsche bibliotheek niet alleen alle ingezonden beoordeelingen willekeurig wijzigde, maar zelfs den beoor deelaars door eene soort van voorschrift, dat hij hun toezond , opgaf, hoe de beoordeelingen uitvallen moesten. Een zijner werken slechts, de roman Sebaldus Nothanker, heeft eenige waarde, en wel ook geene innerlijke, of om de behandeling en stijl, maar alleen omdat dit boek eene den geest des nieuwen tijds helpende hekeling op de regtzinnige ijveraars en huiche laars was. Ook deze satyre droeg echter het merk der haren schrijver eigenaardige bekrompenheid, waardoor Nicolai slechts in staat was zaak van hare uiterlijke zijde te beschouwen, en alles, wat niet handtaste lijk en bruikbaar was, op de plompste wijze vervolgde. Daar een der beste stukken in den Sebaldus Nothanker de schildering der beide broeders Jacobi is , zal het hier de geschiktste plaats tot eene korte aanmerking over beiden zijn. Frederik Hendrik en Johannes George Jacobi waren, wat hun gemoed betreft, nooit buiten den familie- en levens kring, waartoe zij oorspronkelijk behoorden, getreden. Zij bezaten derhalve ook al de karaktertrekken , die zulke menschen gewoonlijk hebben ; zij waren eene 5 * 68 Nieuwe Geschiedenis. zoetsappig, voornaam , op zich zelven en op de lieve bloedverwanten trotsch, maar tevens ook zacht, vriendelijk, goedaardig en in hunne zelfbewondering zonder erg. Deze trekken , waarom zich ook Nicolai's schildering der broe ders beweegt, spiegelen zich in al hunne werken af. De oudste, Johannes George, was een in den geest van Petrarcha zingend , beuzelend dichter, die even voortreffelijk tot zanger voor teedere dames en zoetsappige hee ren , als de jongste broeder , Frederik Hendrik , met zijn gekunsteld proza en de hem eigenaardige soort van wijsbegeerte voor diezelfde kringen geschikt was. De laatste bezat werkelijk wijsgeerige kracht en aanleg ; maar hij verkwistte die aan een publiek , dat geheel onvatbaar is voor ware wijsbegeerte, en liet derhalve ook geen werk na , dat hem eene belangrijke plaats in de geschiedenis der duitsche letterkunde verzekerde. • Als hij daarin echter gedurende zijn leven geene onbelangrijke rol speelde, is dit eensdeels uit zijne sierlijke wijsgeerige liefhebberij, ten andere uit den aard zijner schrijfwijze te verklaren. De stijl was bij hem , even als bij Buffon ( z. boven bl. 56 ), de hoofdzaak . Jacobi bewerkte, even als deze, alles wat hij schreef, ten opzigte van stijl en taal met de uiterste zorg, vuldigheid , en bereikte daardoor ook het beoogde doel , omdat er altijd vele menschen gevonden worden, die alleen behagen scheppen in den schoo nen vorm. Zijne wijze van beschouwing hield het midden tusschen wijs begeerte en poëzij . Deze halſheid en de daarmede vereenigde inbeelding van Jacobi is gemakkelijk te verklaren uit de geschiedenis van zijn leven. Hij was oorspronkelijk half koopman en half geleerde, half door het lezen van duitsche boeken , half door eenen franschen geleerde en door geneef sche bekenden gevormd. Uit zijnen aard goedaardig en vriendelijk, was hij toevallig zeer rijk geworden, en leefde vervolgens gastvrij op zijn landgoed Pempelfort, omringd door zusters, bekenden en beschermelingen , die hem als een wonderbaarwezen beschouwden en vergoodden. Hij kwam derhalve geheel natuurlijk tot eene hooge meening van zich zelven en gewende zich, om in het verkeer des levens zoo wel als in boeken als eene godspraak op te treden , maar verkreeg ook in geen vak eene bepaalde eigenaardig heid, en vervreemdde zich van het natuurlijke, in welks plaats bij hem de kunst gekomen was. 3. Herder , Wieland en Lessing in hunnen eersten tijd. Herder trad stout op tegen de beoordeelingen der letterkundige brieven en van de Algemeene duitsche bibliotheek. Deze man, die zonder in eenige betrekking tot anderen te staan, zich zelven tot beoordeelaar opwierp, bezat juist de eigenschappen , die tot nu den duitschen schrijver het meest ont broken hadden. Hij bezat meer verbeeldingskracht dan practisch doorzigt, meer verscheidenheid dan grondigheid van kundigheden , meer vuur dan degelijke kracht; hij verried derhalve in zijn proza altijd den dichter, en vereenigde door zijne phantasie, wat het verstand gewoonlijk vaneen scheidt. Herder was door zijne natuurlijke geaardheid, door den gang zijner opleiding en door de soort, zoo wel als door de veelzijdigheid zijner studien reeds vroeg op eenen eigenaardigen weg geleid, dien hij later nooit weder verliet. Hij bezat bovendien den moed , om in zijn vier en twintigste jaar reeds als kunstregter op te treden en der natie te zeggen, hoe hare letter kunde opgehevenkon worden. Dit deed hij in zijne fragmenten tot de Duitsche letterkunde. Herder en Wieland. 69 duitsche letterkunde, waarvan in 1767 de eerste en tweede verzameling verscheen. Door de regels , die Herder in dit boek voordroeg, zou de duitsche natie wel even zoo weinig vooruit gegaan zijn , als door vele andere theo rien ; maar de eigene manier van behandeling van Herder en zijne taal, zoo wel als de fijne, edele en gemakkelijk door hem aangeslagen toon en het juiste in zijne uitspraken maakten eenen verrassendenindruk op het duit sche volk , dat gewoon was aan platte langdradigheid, aan geleerden ernst en beuzelende wijdloopigheid. De fragmenten werkten vooral daardoor weldadig , dat de daarin voorkomende beoordeelingen voornamelijk tegen lieden als Nicolai en Klotz gerigt waren. Maar daarentegen oefenden zij ook van den beginne af eenen nadeeligen invloed. Herderheeft namelijk, hoewel hij als man van geest en doorzigt en als prozaschrijver al zijne tijdgenooten behalve Lessing overtrof, deduitsche ontwikkeling benadeeld, door dien hij reeds de taal van eenen bezielden ziener en wetgever voerde, en behagen schiep in grillige gevoelens en vergelijkingen , of met andere woorden , door dien hij dien orakeltoon aansloeg, dien later ook Fichte en de gebroeders Schlegel, gelijk ook in onze dagen alle jonge staatkundigen en letterkundigen aangenomen hebben. Niet door beoordeelingen en bespiegelingen , maar door dichterlijke voortbrengselen van geheel eigene soort heeft Wieland zich jegens de duit sche letterkunde en beschaving verdienstelijk gemaakt. Hij was het vooral, die onder dat gedeelte der natie, dat tot nu geheel en al de fransche be schaving huldigde, belangstelling en deelneming in de duitsche letterkunde opwekte. Dit gedeelte van het publiek moest tot het lezen van duitsche boeken gebragt en daardoor weder met de andere standen ten aanzien van den geest in betrekking gesteld worden , als Duitschland wezentlijk eene nationale letterkunde zou verkrijgen. Bovendien moest voor het groote pu bliek de toegang geopend worden tot de uitkomsten van de nieuwe fransche wijsbegeerte. Beide kon slechts geschieden, als de Duitschers in plaats der tot nu drooge en smakelooze leerboeken schriften ontvingen , die op eene aangename en verstandige wijze eene wereldbeschouwing mededeelden, welke voor den beschaafden stand geschikt was, en dat voor hen, die tot nu alleen fransche boeken gelezen hadden , eene gemakkelijke, bevallige poëzij in het leven geroepen werd, die vrolijk en onderhoudend. was en zonder inspanning gelezen kon worden. Dit alles is door de geschriften van Wieland bereikt. Ook was Wie land onder al de duitsche schrijvers en dichters de eenige , die voor zulk een werk de vereischte hoedanigheden bezat. Wieland was geen genie, geen oorspronkelijk scheppende geest, maar hij was een man van begaafd heid , bezat groote vlugheid en eenen fijnen smaak, wist zich te schikken naar de behoeften zijner lezers, en was reeds vroeg in de gelegenheid ge weest , om zich gemeenzaam te maken met de voortbrengselen van den nieuwen tijd en met den smaak van de zoogenoemde groote wereld. Hij trof derhalve den alleen voor deze soort van lezers geschikten toon , en schreef boeken , die gemakkelijk , geestig , onderhoudend en somtijds ook gevoelig waren, even als de stand, waarvoor zij bestemd waren. Wieland heeft daardoor tevens zeer veel tot de ontwikkeling der taal medegewerkt. Deze werd toen door het gelijktijdig, maar geheel onderscheiden proza van Wieland , Lessing en Herder los gemaakt van de tot nu bestaande lang 70 Nieuwe Geschiedenis. dradige en smakelooze schoolvosserij, en verkreeg drie geheel nieuwe soor ten van uitdrukking en stijl. Lessing schreef in eene edele , krachtige en tevens beknopte en streng juiste taal voor lezers, die gewoon waren aan ernstig onderrigt en strenge bewijsvoering. Herder met zijne wel even zeer edele,maar weekere en in beelden , wendingen en sprongen rijke taal was geschikt voor bewegelijke, veranderlijke lezers , die minder onderrigt , dan opwekkend onderhoud zochten. Wielands taal eindelijk was wel niet zuiver en herinnerde steeds aan fransche voorbeelden , maar zij was gemakkelijk , liefelijk, helder en levendig. Wieland begon zijne loopbaan met vrome en dweepende gedichten , maar zag als een zijn voordeel berekenend man weldra in , dat hij langs dezen weg zijne fortuin niet maken zoude ; hij veranderde daarom van rigting en wendde zich tot het doel , dat wij zoo even aangeduid hebben . Het is slechts te bejammeren , dat hij niet alleen de nieuwe fransche en italiaansche, maar ook de oude grieksche beschaving voor het door hem gekozen publiek behandelde, omdat zijne taal daardoor nog meer in zui verheid en gelijkmatigheid verloor. Dit deed hij vooral in den roman Agathon , die Wieland's eigen inwendige, volstrekt duitsche geschiedenis in een grieksch kleed behelst. Wieland heeft in den Agathon dweeperij en nieuwmodisch overgevoel bestreden ; doch het is niet daardoor belang rijk voor de duitsche letterkunde geworden, maar omdat het de Duitschers op de aangenaamste wijze met de uitkomsten van de nieuwe fransche wijs begeerte des levens bekend maakte , en zoo de fransche boeken uit het duitsche leven hielp verdringen. Dit is de hoofdzaak. Nicolai en zijne medewerkers hebben zich daarom ook , toen zij den maatstaf hunner ver velende zedeleer op den Agathon toepasten , in hooge mate belagchelijk gemaakt, te meer , daar de toongevende stand van het duitsche volk de Franschen alleen eerde en voortrok, omdat hunne eigene landgenooten hen met zedepreken vervolgden. Overigens is de in den Agathon voorgedragene wijsbegeerte niets anders, dan de in grieksch gewaad gedoste leer van Helvetius, wier aard en doel men uit dezen roman beter en gemakkelijker kan leeren kennen , dan uit de werken van Helvetius zelven. In de gelijktijdige gedichten van Wieland , vooral in de in 1765 ver schenen schertsende vertellingen , werd den Duitschers voor het eerst eene den Franschen nagemaakte soort van ligte en ligtvaardige poëzij gegeven, die geheel onverwacht de bovenaardsche droomen en het smachtend gekir van christelijke zangers stoorde. Door deze schertsende vertellingen , die overigens hier en daar plat, gemeen en zedekwetsend zijn , werd Wieland een lieveling der natie. "Onder de overige geschriften uit zijnen vroegeren tijd verdient vooral de Musarion opgemerkt te worden , niet alleen om dat in dezen roman taal en toon iets zuiverder zijn , maar vooral omdat daarin buitengemeen bevallig een geluk geschilderd en aanbevolen wordt, dat het midden houdt tusschen het bloot zinnelijk genot en de het leven zelf vijandige sombere dweeperij. Hoe zeer in dien tijd , toen Wieland de genoemde werken schreef, taal en beschaving reeds gewijzigd waren , bewijst een klein boek van ze keren van Thümmel, die noch geleerde, noch, als Wieland, schrijver van beroep was. Wij bedoelen de idyllische vertelling Wilhelmine. Dit boek , welks inhoud, taal en stijl wij hier niet nader vermelden kunnen , is tevens geschiedkundig merkwaardig door de omstandigheid , dat het even als de > Duitsche letterkunde. Lessing als hervormer daarvan. 71 Louize van Voss en de Herman en Dorothea van Göthe , eene treffende schildering van den maatschappelijken toestand der duitsche burgers en ambtenaren behelst , en wel uit een gedeelte der vorige eeuw, waarin nog niet , zoo als in den door Göthe en Voss gekozen tijd , de burger zich eindelijk ook eens gevoelde, maar waarin adel en hovelingen nog op ouden trant schitterden , predikanten en ambtenaren kropen en de boer verdroeg. Wij wenden ons tot Lessing, die in den tijd, waarvan hier sprake is , door onovertreffelijke meesterstukken van redenering en poëzij, zoo wel als door eene nog niet bestaan hebbende en welligt nooit terug keerende soort van oordeelkunde de duitsche beschaving voltooide en bevestigde. In de zen man waren niet slechts de in eenen hervormer van het geestelijk leven der Duitschers vereischte begaafdheden vereenigd , maar hij was ook , wat zeldzaam daarmede gepaard gaat, door karakter en gezindheid voor zulk eene taak berekend. Lessing was door eenen heiligen ijver voor de waar heid bezield. Daarom bleef hij altijd vrij van aanmatiging en ijdelheid, de hoofdgebreken der duitsche geleerde wereld. Hij vernederde zich nooit tot het bezigen dier middelen , waardoor ijdele en kleingeestige menschen zich roem en aanzien trachten te verschaffen : hij vormde nooit eene partij, vleide nooit magt of rijkdom , streefde nooit naar den lichtkrans der voor naamheid of naar de heerschappij in geleerde kringen . Hij behoorde ver der tot de hoogst zeldzame geleerden , die zich , als zij grooten roem ver kregen hebben , niet verhoovaardigen en niet buiten hunnen natuurlijken kring gaan. Hij begreep b. v. zelf, dat hij meer smaak en oordeel dan dichterlijken aanleg bezat , en trad derhalve, alleen om de door hem ge stelde regels door voorbeelden aan te dringen , als dichter op , bepaalde zich echter daarin bij zulke soorten van poëzij, die geene hooge vlugt en geestdrift vereischen. Hij had eindelijk zijnen geest niet ontwikkeld en gevoed door de werken der duitsche letterzifterij en boekengeleerdheid of van fransche woorden praal en eenzijdigheid , maar aan de zuivere bron der ware menschenbeschaving, aan de schriften der klassieke oudheid. Ten aanzien der krachtvolle werking van Lessing op de ontwikkeling en de letterkunde der Duitschers is vooreerst de invloed merkwaardig, dien deze groote man alleen door den vorm en de taal zijner schriften heeft geoefend. Lessing heeft het eerst en tot nu alleen zijne taal zoo weten te gebruiken , dat hij volkomen juist , grondig , leerzaam en toch ook onder houdend, levendig , geestig en schoon schreef. Hij was zelfs de mocije lijke kunst meester , om zuiver wijsgeerige en geleerde onderwerpen zoo te behandelen , dat elk beschaafd mensch hem niet slechts verstaan kon, maar zich ook aangetrokken gevoelde door de wijze van voorstelling. En toch daalde Lessing, om dit te bereiken, nooit tot kunstgrepen en aardig heden af, of trachtte door schilderingen, verrassende wendingen en andere kunstenarijen de verbeelding gaande te maken. Daarenboven onderscheidde hij zich boven vele anderen , die na hem de duitsche taal uit de schriften der oudheid verrijkten en verbeterden , daarin , dat hij wel naar het voor beeld der Grieken altijd eenvoudig, beknopt, bedaard en bezonnen schreef, doch nooit der taal geweld aandeed. Het werk, waarmede Lessing zijne hervormende pogingen begon, was het in het jaar 1766 uitgegevene geschrift „ Laokoon of over de grenzen van schilder- en dichtkunst”. Dit geschrift bewees den Duitschers klaar en duidelijk, dat de door hen als dichtkunst beschouwde poëtische schildering ' 72 Nieuwe Geschiedenis. en rijmelarij slechts woordenpraal, geene poëzij was. Terwijl alzoo in den zelfden tijd door de geschriften van Winckelmann de antieke kunst in ge heel Europa op eene andere wijze beoordeeld werd , dan tot nu geschied was , wijzigde de Laokoon van Lessing de in Duitschland heerschende be krompene theorie van het schoone in de poëzij. Een jaar later verwierf Lessing door zijn tooneelspel Minna van Barn helm onsterfelijke verdiensten voor de opwekking der duitsche natie tot achting voor zich zelve en een eigen nationaal leven. Dit tooneelspel bevat namelijk alleen duitsche verhalen , gebruiken en gezindheden. Zijne kleur heeft het aan den nationalen zin ontleend, die door den zevenjarigen oor log eindelijk weder eens gewekt was; want het stuk beweegt zich niet slechts om dezen oorlog, dien geheel Duitschland als eenen duitschen hel denstrijd tegen vreemde overmagt en tegen den geest der duisternis be schouwde, maar Lessing gaf daaraan nog eene bijzondere nationale zijde, daar hij door het ten tooneele voeren van eenen belagchelijk voorgestelden franschman lucht gaf aan het misnoegen van het duitsche volk over die vreemdelingen, welke toen aan alle hoven, in alle voorname gezelschappen hun voordeel ten koste der natie zochten en vonden . Eindelijk wekte het stuk naast de algemeene ook nog eene bijzondere belangstelling , omdat de hoofdpersoon een dier wakkere pruisische krijgslieden was , die na bet sluiten van den hubertsburger vrede allerwegen een bestaan zochten , en wier lot algemeene deelneming wekte. Ten aanzien van het tooneel in het algemeen koesterde Lessing in den beginne het denkbeeld , om het tot eene instelling ter vorming voor het leven en voor eene vrijere beschouwing der beperkte betrekkingen te maken. Daartoe zou echter de goedkeuring der regeringen noodig geweest zijn , en deze was noch te verwachten, noch te verkrijgen. Lessing stelde zich derhalve een ander doel. Hij poogde namelijk dat, wat hij door het tooneel van het staatkundige leven der natie niet volbrengen kon, langs den weg der oordeelkunde naar de duitsche letterkunde te volbrengen . Hij was in 1767 als schouwburgdichter naar Hamburg beroepen , waar toen het Ackermannsche genootschap, Eckhof en anderen het beste duitsche too neel tot stand gebragt hadden. In deze betrekking schreef hij, om het gemelde doel te bereiken , zijne hamburgsche dramaturgie, een tijdschrift, dat van den beginne af geen gewoon dagblad, maar eene uit ernstige, we tenschappelijke en nationale bedoelingen ontsproten onderneming was, en der halve nog altijd tot de klassieke werken der duitsche letterkunde behoort. Het heeft ор den smaak en tevens op leven , zeden en gevoelens van de kern der natie den grootsten invloed geoefend. Lessing verdreef namelijk door dit tijdschrift niet alleen het laatste overblijfsel der platheid van Gottsched, en toonde zijnen landgenooten het onderscheid aan tusschen woordenpraal en poëzij, tusschen valsche en ware kunst , maar hij vergeleek ook de fransche tooneelkunst met die der Grieken , Spanjaarden en Engelschen, en hunne theorie met die van Aristoteles, en veroorzaakte door eene fijne, onwederlegbare beoordeeling, dat de Duitschers terstond daarna den on overtreffelijk geachten Voltaire en de tot hiertoe eeniglijk geëerbiedigde fransche manier den rug toekeerden , en daarentegen in de werken van Shakespeare het voorbeeld hunner tooneelpoëzij zochten. Om dit alles nader aan te toonen , zouden wij, wat hier niet mogelijk is, den gang der beoordeelingen in de dramaturgie van Lessing moeten volgen. Duitsche letterkunde. Herder en Lessing. 73 Wij gaan Lessings treurspel Emilia Galotti voorbij, hetwelk in 1771 ver scheen en alleen methet doel geschreven was, om te bewijzen, dat een duitsch treurspel niet volstrekt onmogelijk was, al kon men de hoogte van het griek sche niet bereiken. Daarentegen vestigen wij onze aandacht op een ander werk van Lessing, dat in de gevolgen ook hoogst belangrijk was. Lessing geraakte namelijk over zijnen Laokoon met den bekenden hallischen pro fessor Klotz (z. bl . 67 vv .) in twist en schreef tegen hem in het jaar 1768 zijne oudheidkundige brieven. Door dit geschrift werd onze letterkunde met een meesterstuk van aanvallend hekeldicht verrijkt, een werk , dat de meesterstukken van alle tijden en volken in die soort , de philippische re devoeringen van Demosthenes, de catilinarische van Cicero , de twistschrif ten van Luther, de strijdzuchtige manifesten van Hutten , de brieven van Junius en den brief van Rousseau aan den aartsbisschop van Parijs even aart. Klotz had eerst moeite gedaan, om Lessing door loftuiting tot zich te trekken. Toen hem dit mislukt was , had hij het gewaagd , den grooten man aan te vallen. Lessing schreef tegen hem en zijne helpers de oudheidkundige brieven , waardoor de geheele aanhang van al zijn aanzien beroofd werd. Deze uitwerking der oudheidkundige brieven is echter noch de eenige, noch de belangrijkste geweest. Lessing heeft na melijk van de bestrijding van eenen ellendigen aanhang gebruik gemaakt, om tevens over sommige gedeelten der oude kunst eennieuw licht te ver spreiden , en een nooit weder geëvenaard toonbeeld der behandeling van wetenschappelijke onderwerpen voor alle eenigzins beschaafden te leveren. Dezelfde onvergelijkelijke kunst van Lessing, om elk hoe vreemd en droog onderwerp der wetenschap op eene zelfs voor ongeleerden belangrijke wijze te behandelen, blijkt uit de in 1770 verschenen verhandeling over den scholastieker Berengarins van Tours , waarvan reeds vroeger ( D. VI. bl . 198 vv. ) melding is gemaakt. Tegen den Laokoon van Lessing was in 1769 ook Herder met een afzonderlijk geschrift opgekomen, dat hij Kritische wouden betitelde. Dit twistschrift heeft voor ons zuiver geschiedkundig doel beteekenis , niet wegens het gevoelen betreffende de kunst, dat Herder tegen Lessing zocht te doen gelden, maar omdat in de taal en den vorm daarvan de ont wikkeling en de vooruitgang der duitsche beschaving aangewezen kan wor den . Herder en Lessing poogden het beschaafde publiek over de wijsbe geerte der kunst te onderrigten en deden dit op eene in toon en stijl ge heel verschillende wijze. Lessing bleef bij alle levendigheid en geestigheid altijd bedaard , naauwkeurig en beknopt. Herder daarentegen gebruikte den zoogenoemden bloeijenden stijl, en verliet als schrijver reeds vroeg den weg der natuur en der bezonnenheid, om een ander pad in te slaan, waarop hem later Johannes van Müller en meer nog Jean Paul gevolgd zijn. Hij offerde namelijk het eenvoudige, natuurlijke en verstandige op aan het streven naar het onbereikbare, en schiep door verfraaijing eene bij de ou den onbekende manier, die nu eens het raadselachtige, dan weder het on gerijmde beoogde. Doch hij verloor daarbij noch , zoo als Johannes van Müller, den aard der duitsche taal en het doel der welsprekendheid geheel uit het oog , noch klom de geestdrift bij hem , zoo als bij Jean Paul , tot dolheid. Overigens rigtte Herder in de Kritische wouden zijne aanvallen ook tegen Klatz, en hielp even als Lessing diens aanzien vernietigen. Ook in dezen strijd bewees hij zich als een man , die noch ten aanzien van 14 Nieuwe Geschiedenis. taal en uitdrukking, noch ten opzigte van grondige kennis der oudheid de hoogte van Lessing bereikte. - Door de kritiek van Lessing was de duitsche natie bepaald op de baan der nieuwe rigting gebragt. Dit blijkt ten duidelijkste daaruit, dat zelfs een man als Klopstock, die meer dan eenig ander dichter geëerd en zelfs werkelijk vergood was geworden , eindelijk zijn aanzien en zijnen in vloed verloor. Klopstock had, toen hij in de jaren 1769–1773 het laat ste deel van zijnen Messias en de meesten zijner lierzangen uitgaf, het top punt van den roem bereikt. Zijn aanzien was tot nu toe zoo groot ge weest, dat Lessing, zoo wel als Herder, hoewel deze twee mannen in zaken van smaak en oordeel boven al hunne tijdgenooten uitmuntten , zich ge dwongen gezien hadden, om zeer voorzigtig voor den dag te koinen ten aanzien van eenen dichter , dien men zonder den minsten schroom met Tasso, Virgilius en zelfs Homerus vergeleek. Lessing zou gaarne reeds in de letterkundige brieven den vromen Klopstock op dezelfde wijze door eene scherpe beoordeeling van tranen , weemoed , engelen , godsvrucht en leerstellingen tot dichterlijke waarheid , tot levensvreugde en tot krachtvolle bedrijvigheid terug geroepen hebben, gelijk hijdoor zijne bittere berisping den teergevoelig en vroomachtig geworden Wieland terug gebragt had op den voor hem geschikten weg. Hij had dit toch toen niet durven wagen, en derhalve zijne berisping van den Messias alleen tot den vorm van het gedicht moeten bepalen. Herder had zich wel in de fragmenten tot de duitsche letterkunde met eene naauwkeurige beoordeeling der Messiade in gelaten, maar hij had dit zeer bescheiden gedaan en dat werk voortreffelijk Heden toegekend , die men thans moeijelijk zoude toegeven. Nogtans was eene algemeene klagt opgegaan over de hardheid van zijn oordeel. Zoo wel de toon, dien Klopstock aansloeg, alsmede de hem eigenaar dige soort van vroomheid en overspannen geestdrift konden geene voort durende werking op den tijd oefenen, omdat zij in strijd waren met den geest van vooruitgang. Ten aanzien van vorm , versbouw en taal is het niet te loochenen , dat Klopstock zich voor de ontwikkeling der duitsche taal en het geleerde gedeelte des volks onsterfelijke verdiensten verworven heeft. Ook de tooneelpoëzij, waarvan hij sedert 1757 proeven gaf, behoor de niet tot het krachtige nieuwe leven , maar tot den ouden kerk- en schooltijd. Klopstock bragt geschiedenissen van het oude testament in too neelmatigen vorm ; maar de wereld wilde toen op het tooneel andere hel den zien, dan die gewoonlijk van den kansel geprezen werden. Even min kon Klopstock belangstelling wekken voor de oude Germanen , die hij in andere tooneelstukken trachtte te verheerlijken. De dapperheid der ge worvene en gedeeltelijk verkochte duitsche soldaten was in dien tijd even ver van heldenmoed, als van vrijheid verwijderd ; en het volk nam er zeer weinig deel in , dat, zoo als men het verhaalde, Herman de Romeinen voor twee duizend jaren eens geslagen had. De tijd van Klopstock eischte eene met het nieuwe leven in verband staande poëzij en eene geschiedenis, die in waarheid onderwijzeres des levens kon zijn . 4. A anmerkingen betreffende de hervorming der duitsche wijsbegeerte. De sterke beweging in de duitsche letterkunde moest, als er een nieuw leven ontstaan zoude, volstrekt een einde maken aan de heerschappij van Duitsche letterkunde. Hervorming der wijsbegeerte. 75 de professoren der hoogescholen en hunne bekrompen stelsels der wijsbe geerte vernietigen. De beschaafde wereld had behoefte aan eene wijsbe geerte, die niet , als de heerschende schoolstelsels , in onverstaanbare uit drukkingen vervat was en niet, vreemd aan het leven , slechts stelsel, spits vondigheid, bepaling en geleerde schoolvosserij inhield . Ja, zelfs voor het wetenschappelijke leven was , als het niet geheel in stijve kleingeestigheid wegsterven zou, de invoering eener volkomen gewijzigde bespiegelende en stelselmatige wijsbegeerte noodig. Deze laatste behoefte werd het cerst door Kant duidelijk ingezien en volledig bevredigd. Doch de door den tijd vereischte wijsbegeerte voor het volk was reeds vroeger door Reima rus, Lessing, Herder, Mendelssohn en anderen in het leven geroepen. Deze nieuwe wijsbegeerte was echter geene eigentlijke wetenschap , maar alleen een zinrijk overwegen , beoordeelen , vergelijken en onderscheiden van de letterkunde en hare onderwerpen , waardoor eindelijk elke ernstige poging zich in ijdel gebeuzel dreigde op te lossen. Zij maakte derhalve slechts den overgang van de oude versletene wijsbegeerte der scholen tot de door Kant bewerkte omwenteling van het wetenschappelijke leven . Het tijdperk van dien overgang was de tijd van eenen strijd , die Duitschland uit de banden zijner waanwijzen verloste, en door opwekking des levens en oefe ning der krachten de algemeene duitsche letterkunde buitengewoon be vorderde. De wijsbegeerte , die bij het begin van dit tijdperk op de hoogescho len bloeide, was die van Wolf ( 2. bl . 63 vv. ) . Echter hadden zich toen reeds twee beroemde professoren , Darjes in Frankfort aan den Oder en Crusius te Leipzig, van Wolf los gemaakt en de laatste had zelfs een stel sel ontworpen , dat vijandig tegen dat van Wolf overstond. Deze twee mannen konden intusschen, hoe beroemd en bezocht ook hunne voorlezin gen waren , den geest des tijds even weinig voldoen, als Wolf vroeger. Ook strekte zich hunne werkzaamheid niet buiten den kring van het leven der hoogeschool uit . Even weinig kon Feder, die van 1768 af te Göttin gen leerde en eene soort van eclectische of liever liefhebberij-wijsbegeerte in zwang bragt, het aanzien en den invloed der wijsbegeerte herstellen, hoewel hij reeds besefte , dat de Duitschers hun heil niet langer zoeken wilden in stelsels en spitsvondigheden, en dat, bij de groote belangrijkheid der poëzij en der klassieke studien , de wijsbegeerte, gelijk hij zich uit drukte, zich voor den geest des tijds toegevend moest betoonen . De wijs begeerte der school bevond zich derhalve gedurende de jaren 1760—1780 in eenen toestand van volkomen verval. Zoo veel te grooter was daaren tegen de invloed en het gezag van al wat toen in hare plaats niet van den leerstoel in drooge leerboeken en in voor den geleerde alleen verstaanbare uit drukkingen , maar in leesbare, smaakvol geschreven boeken, ja gedeeltelijk zelfs onder de gemakkelijke gedaante van romans en brieven voor dames aangeboden werd. Zulke boeken waren de veel gelezen schriften van Les sing, Herder, Mendelssohn , Wieland , F. H. Jacobi , J. G. Schlosser en anderen. Daarin waren wel geene wijsgeerige stelsels voorgedragen , doch hunne schrijvers werden daarom niet minder als wijsgeeren erkend . De wijsbegeerte was derhalve van de letterzifters tot de letterkundi gen overgegaan . Daardoor wonnen aan de eene zijde poëzij , kunst , let terkunde en taal der Duitschers buitengewoon veel ; maar aan de andere zijde kwam de wijsbegeerte als wetenschap in gevaar, om geheel te niet te 76 Nieuwe Geschiedenis. n gaan . Er moest derhalve een weg gevonden worden , die van schoone woorden en wijsgeerige liefhebberij tot dieper denken en tot eene nieuwe en waarachtige wijsgeerige ontwikkeling voerde. De fransche wijsgeeren of ook alles , wat Wieland aan hen ontleend en in een grieksch gewaad gestoken had, konden daartoe onmogelijk dienen. Even weinig werd zulk een weg geopend door het ruwe, onbeschaafde, geheel in het zinnelijke be vangen rationalismus, waardoor Nicolai en zijne medewerkers toen godsdienst, letterkunde en kunst mishandelden. Wel waren echter Herder, F. H. Ja cobi, Schlosser en vooral Lessing en Hamann in staat, om dezen overgang te bevorderen en de later door Kant bewerkte invoering eener nieuwe waarlijk wetenschappelijke stelselmatige wijsbegeerte voor te bereiden. De behoefte aan herschepping der wetenschappelijke wijsbegeerte werd het eerst in de verre landen aan de kusten der Oostzee gevoeld. Daar was het inzonderheid Hamann, die ter bevrediging daarvan ijverde en niet alleen door geschriften , maar vooral ook door zijne bijzondere briefwisse ling op de eerste verspreiding der kantiaansche wijsbegeerte eenen zeer belangrijken invloed oefende. Deze door oorspronkelijkheid van aard en door zelfstandigheid van oordeel uitstekende man wendde zich wel in eenen tijd , die geheel het tegenover gestelde eischte en noodig had , naar het mysticismus en eene zeer wonderlijke, duistere en verwarde schrijfwijze, maar hij bezat eene buitengewone begaafdheid als oordeelkundige en he kelschrijver, en verkreeg door zijne betrekking tot de voornaamsteschrij vers eenen zeer belangrijken invloed . Daar hij namelijk even zeer het ge brekkelijke eener verstandelijke godsdienst , als het ongenoegzame eener alleen op zinnelijke waarneming rustende wijsbegeerte inzag, en aanwees, stond hij niet slechts bij de dweepers en mystieken, maar ook bij de ver standige mannen in groot aanzien . Bovendien hadden de brieven , die hij met al deze mannen wisselde en die , onderscheiden van zijne boeken , in duidelijke en eenvoudige taal geschreven waren , eene zeer buitengewone uitwerking. Zij waren het , waardoor aan de kantiaansche wijsbegeerte spoedigeropkomst verzekerd werd, dan dit door gedrukte schriften hadde kunnen geschieden. De hervormer der geheele wijsgeerige wetenschap, Immanuel Kant te Koningsbergen, had de behoefte eener wetenschappelijke omwenteling even zoo vele jaren vooruit begrepen , als Rousseau en Montesquieu die eener staatsomwenteling van het fransche rijk. Dit gaf hij reeds in zijne eerste schriften te kennen. Maar hij verklaarde het inzonderheid in de voorle zingen , die hij aan de afgelegenste duitsche hoogeschool hield. Hij was derhalve ook in zijne woonplaats door eenen Herder , eenen Hamann en anderen lang als een groot man erkend , dat hem in Duitschland eenige opmerkzaamheid schonk. Zelfs toen hij reeds ja ren lang door voorlezingen en geschriften blijk gegeven had van zijn meesterschap in weten en denken , en eindelijk in 1781 de beroemde kritiek der zuivere rede uitgaf, waardoor de omwenteling der duitsche we tenschap en letterkunde veroorzaakt werd , duurde het nog vele jaren, eer de kantiaansche wijsbegeerte algemeen verspreid werd en zoo haren krach tigen invloed deed gelden. Dit zoude zelfs toen nog niet geschied zijn, indien niet twee toevallige omstandigheden daartoe hadden medegewerkt. De eene bestond daarin , dat Reinhold ( z. D. XVI. bl . 212 ) , die in 1783 naar Weimar kwam en de kantiaansche leer als eene oplossing van de voor men Duitsche letterkunde. Kant. 77 > > hoofdvraag van alle wijsbegeerte, als eene soort van evangelie beschouwde, van 1787 af als professor te Jena door zijne voorlezingen en door een aantal geschriften geheel Duitschland daarvoor in beweging, bragt. De tweede omstandigheid was de groote invloed , dien toen nog letterkundige tijdschriften in Duitschland hadden . Twee tijdschriften namelijk , wier uitspraken als orakelspreuken golden, de Berlijnsche algemeene bibliotheek en de kortelings nieuw gevestigde jenasche Literaturzeitung, kondigden der geleerde wereld de kantiaansche wijsbegeerte als een nieuw licht aan. Bovendien werd die ook nog in den door Wieland, den schoonvader van Reinhold, uitgegeven duitschen Mercurius, die voor de voorname wereld be stemd was en een zeer groot publiek had , der lezende wereld aanbevolen. Er kan hier geene sprake van zijn , om een denkbeeld te geven van Kants leer, daar het eenē wijsbegeerte betreft, wier inzien eene streng we tenschappelijke opleiding vereischt. Ook is voor ons doel eene aanwijzing van den buitengewonen invloed genoeg , dien de kantiaansche wijsbegeerte op de ontwikkeling ,der duitsche beschaving geoefend heeft. In dit opzigt is de korte opmerking genoegzaam , dat de door Kant veroorzaakte om wenteling van onze geheele letterkunde zich geenszins bij eene hervorming der heerschende leerbegrippen en stelsels bepaalde , maar dat zij veeleer bestond in eene geheele verandering der denkwijze zelve, in eene strenge beoordeeling en schifting, der van ouds bestaande uitdrukkingen, begrippen en leerwijzen , in eene kritiek van het menschelijke kenvermogen zelf en in eene zorgvuldige bepaling der daaraan gestelde grenzen . De schriften van Kant maakten, zoo dra zij de belangstelling der ge heele beschaafde wereld opgewekt hadden , meer indruk en opzien, dan eenig ander boek der vorige eeuw. Zijne wijsbegeerte werd weldra op allehoogescholen aangenomen, zij riep ontelbare tijdschriften in het leven, en bevoegden, zoo wel als onbevoegden , mengden zich in den strijd voor eene zaak, die slechts door weinigen beoordeeld kon worden , hoewel de uitkomst allen aanging. Ook de voortreffelijksten onder de zoogenoemde rationalisten van de godgeleerde wereld begroetten met blijdschap eene wijsbegeerte, die den mensch zelfstandig maakte en het geloof aan de be voegdheid van den mensch , om zich boven het zigtbare te verheffen , niet langer op eene bloote theorie der openbaring vestigde. Op de fraaije let terkunde oefende Kant, die reeds in 1764 in zijn geschrift over het gevoel van het schoone en verhevene den grondslag tot eene nieuwe schoonheids leer gelegd had, den belangrijksten invloed uit door zijne in 1790 versche nen kritiek der oordeelskracht. Zelfs de toenmalige meesters in de duit sche poëzij, Göthe en Schiller, huldigden , ook zonder Kantianen te wor den, de nieuwe leer over het schoone, en volgden de door Kant uitgespro ken beginselen. 5. Lavater, Basedow en de hervorming van opvoeding en onderwijs. De omwenteling , die in de vorige eeuw de duitsche letterkunde en beschaving geheel veranderde, werd spoediger ten doel geleid, toen Duitsch land in detweede helft der eeuw een middelpunt voor zijn geestelijk leven verkreeg. De twee steden Jena en Weimar namelijk werden , omdat in de eene de toongevende godgeleerden en wijsgeeren , in de andere de eerste dichters en prozaschrijvers vereenigd waren, voor de letterkunde en weten schap van Duitschland gedurende eenigen tijd geheel hetzelfde, wat Londen > 78 Nieuwe Geschiedenis. en Parijs voor Engeland en Frankrijk zijn. In Jena werd de protestant sche godgeleerdheid op eene wijze hervormd, die in overeenstemming was met den vooruitgang der beschaving. Daar en te Weimar werd ter zelfder tijd, door middel van de kantiaansche wijsbegeerte, aan de geheele duitsche letterkunde eene door alle volken van Europa bewonderde waarde en vlugt gegeven. Deze voltooijing van de letterkundige omwenteling in Duitschland werd nog vooraf gegaan door eenige onderling zeer verschillende bewegingen, die daarom hier eerst vermeld moeten worden. Wij vestigen onze opmerkzaam heid eerst op de houding der mystieke partij, wier hoofd en woordvoerder in dien tijd Lavater was. Het zal daaruit blijken , dat zelfs een zoo streng geloovig man als Lavater in den geest des tijds instemde, hoewel trouwens alleen op zijne wijze. Lavater was en bleef altijd een dweepzuchtig aan hanger van die kleingeestige godsdienstigheid, welke elken uiterlijken vorm van geloofsoefening tot de zaligheid noodig acht en elk middel ter opwek king eener kunstmatige godsvrucht aangrijpt. Hij was uiterst bijgeloovig, en liet zich door elken vromen dweeper ofbedrieger, door eenen Gassner, Mesmer, St. Martin, ( z. D. XVI. bl.230 ), Jung- Stilling medeslepen. Des niettemin was hij tevens een leerling en apostel der vrijheidsleer van Rous seau , een opregt vriend der door hem gepredikte natuurlijke opvoeding, en noch een " kettervervolger , noch een huichelaar en kerkelijk regtzinnige, maar een waarlijk vroom en verdraagzaam man, die de heerschende kerke lijke, kansel- en catechismus- godgeleerdheid haatte. Lavater, die in 1741 te Zurich geboren was en later daar predikant werd, had als jong mensch eenigen tijd te Berlijn doorgebragt, was daar met het nieuwe leven des geestes in Noord- Duitschland en met de voor gangers daarvan bekend geworden, en had zich door zijne begaafdheden, opleiding en karakter in geheel Duitschland een zeker aanzien verworven. Hij verhoogde later (1767) dezen roep door zijne veel gezongen zwitsersche liederen en ( 1768)door een stichtelijk boek, dat hij Uitzigten in de eeuwig heid ” noemde. Met het laatste nam hij reeds in zijn zeven en twintigste jaar de rol op zich van eenen apostel en verkondiger der godsdienstige dwee perij. In het jaar 1769 vertaalde hij een werk van den geneefschen Bonnet, waarin het onderzoek der natuur gebruikt was ter bevestiging der regt zinnige leer. In de voorrede dezer vertaling riep Lavater den hem van Berlijn bevrienden jood Mozes Mendelssohn op , om of de bewijsvoering van Bonnet te wederleggen, of tot het christendom over te gaan. Daardoor veroorzaakte Lavater eenen twist, die het grootste opzien wekte. Mendelssohn had reeds in 1755 door een in vereeniging met Lessing bewerkt geschrift ( z. D. XVI. bl. 125) , zoo wel als later door andere ge schriften grooten roem verworven . Hij had vooral de wijsbegeerte niet al leen uit de school in het leven gezocht terug te brengen , en haar tevens in eene waardige en verstaanbare taal weten voor te dragen, maar ook veel mede gewerkt om de fransche wijsbegeerte in Duitschland plaats te doen maken voor dieper denken en edeler bespiegeling. Al de partijen eerbie digden hem als eenen onderzoeker, die even eerlijk en wetenschappelijk , als bescheiden en vlijtig was. Alleen de regtzinnigen haatten hem en maakten hem als jood verdacht. Hun was vooral zijn klassiek geschrift: „ Phaedon of over de onsterfelijkheid der ziel " aanstootelijk, omdat dit werkelijk eene ver dediging der natuurlijke godsdienst was, en door zijne edele zuivere taal, zoo wel Duitsche letterkunde. Lavater en Mendelssohn. Basedow. 79 als door den zachten, van alle hatelijkheid vrijen toon grooten indruk gemaakt had. De Phaedon van Mendelssohn was derhalve ook het eigen tiijke onder werp van den twist, dien Lavater als verdediger der onontbeerlijkheid van het christelijk openbaringsgeloof door de gemelde uitnoodiging verwekte. Mendelssohn antwoordde den vromen ijveraar voorzigtig en vriendelijk, maakte op het belagchelijke van zulken eisch opmerkzaam , en bediende zich van deze gelegenheid , om het publiek aan te toonen , dat men met de verouderde godgeleerde redeneerkunst, zoo als die door Bonnet gebezigd was , even goed den goddelijken oorsprong van het buddhaismus of van den islam , als dien des christendoms onwederlegbaar bewijzen kon. Lavater trok hierop wel, omdat hij inzag, dat hij onverdraagzaam geweest was , zijne uitnoodiging weder in ; maar hij werd voortaan door de mys tiekers , dweepers en letterknechten, die hunne regtzinnigheid altijd meer bedreigd zagen, als opperhoofd en aartsvader erkend. In en buiten Duitsch land beschouwde men hem als een der hechtste steunsels der oude gods dienst en raadpleegde hem als eene godspraak. Dit maakte hem tot eenen hoofdpersoon in de zoo geheel buitengewone beweging der gemoederen van dien tijd. Hij zelf ging op den ingeslagen weg altijd verder voort. In het jaar 1772 gaf hij zelfs, ofschoon naauwelijks eerst dertig jaren oud, cen dagboek van zich zelven uit , waarin hij eene aanwijzing tot kunst matige godsvrucht mededeelt, en eene aan het kloosterleven grenzende soort van godsdienstige oefeningen leerde, maar tevens toch ook vrijzinnige, met den geest des tijds strookende gevoelens voordroeg. Deze tweezijdigheid van Lavater en de onbepaalde invloed , dien hij cven als een heilige op alle teedere gemoederen oefende, droegen er zeer veel toe bij, om de geheel omwentelingszuchtige denkbeelden van Basedow over opvoeding en onderwijs bijna overal ingang te doen vinden ; want La vater was een der eersten , die zich ter gunste van de zonderlinge plannen van dezen man verklaarden. Basedow , wiens pogingen tot de merkwaar digste verschijnselen in dezen buitengewonen tijd behooren , was een in zijne opleiding geheel verwaarloosd, daarenboven uiterlijk slordig, aan dron kenschap verslaafd en twistzuchtig man, die vroeger als bediende, student en huisonderwijzer rond gezworven had. Hij had ook niet eens een faauw denkbeeld verkregen van eigentlijke beschaafdheid en grootheid van den menschelijken geest, en was derhalve tot hervormer van de opleiding der jeugd even weinig geschikt, als Rousseau tot hervormer van staat en kerk. Nogtans gelukte het hem door zijne begaafdheid, onbeschaamdheid en onvermoeiden ijver, in Duitschland eene geheele verandering van onderwijs en opvoeding te bewerken, terwijl de hem als denker en schrijver ver over treffende Rousseau dit noch in zijne vaderstad , noch in Frankrijk tot stand kon brengen. Basedow is derhalve te gelijk met Rousseau, Mirabeau, Marat, Danton en anderen een schitterend bewijs voor de leer der onder vinding , dat radicale hervormingen door zedelijke werktuigen niet volbragt kunnen worden, maar dat daartoe of mannen van misdadigen ondernemings geest als Danton, of lieden van grenzenlooze onbeschaamdheid als Basedow noodig zijn . Basedow vond, toen hij opentlijk optrad, het duitsche schoolonderwijs in denzelfden toestand , waarin Mirabeau in 1789 de fransche monarchie vond ; de huiselijke opvoeding was zelfs nog slechter. Hij trachtte eerst het hooger onderwijs te verbeteren , maar gevoelde zich toch weldra voor zulk 80 Nieuwe Geschiedenis. - eene taak niet berekend, en keerde zich derhalve geheel alleen tot de ver betering der lagere en middelbare scholen en der huiselijke opvoeding. Van 1763 af overstroomde hij Duitschland jaren lang met geschriften over godsdienst en godsdienstig onderwijs, waarin hij zich met onbeschaamde vrijmoedigheid tegen het regtzinnige stelsel uitliet. Hij werd daarover door regtgeloovige predikanten , kerkeraden en overheden vervolgd , maar ver kreeg juist door deze vervolgingen het aanzien van eenen martelaar en eenen grooten aanhang. Omstreeks het jaar 1765 kwam hij op het denkbeeld , om een groot werk zamen te stellen, waardoor het geheele stelsel van opvoeding en het schoolwezen op geheel nieuwe grondslagen gebouwd zou worden . Hij gaf in 1768 eene aankondiging van dit zoogenoemd elementair -werk uit, die men als een werkelijk manifest over de aanstaande redding der menschheid door eene nieuwe soort van opvoeding en onderwijs beschouwen moet. Basedow riep daarin de geheele wereld tot dekking der kosten op, die de door hem als eene aangelegenheid der menschheid voorgestelde uitgave van zijn groot werk vereischte. Dit manifest droeg belangrijke vruch ten , die slechts dan te begrijpen zijn , als men bedenkt , dat in dien tijd die verhevene gezindheid en die groote en algemeene geestdrift voor menschenveredeling heerschte, waaraan wij onze geheele nieuwe let terkunde verschuldigd zijn. Het eerste gevolg der opeisching van Base dow bestond in aanvragen en brieven van edele mannen en vrouwen uit alle standen. Dit werd vervolgens de aanleiding , dat Basedow, in plaats van de brieven afzonderlijk te beantwoorden , een dagblad liet drukken, waarin hij het plan zijner geestelijke wonderkuur verder ontwikkelde. De inteekening op het elementair-werk ging spoedig vooruit, te meer daar Ba sedow in zijne opregte, van eigenbaat geheel vrije geestdrift zelfs de rol van rondreizend kwakzalver niet versmaadde. Vorsten en ministers , de aanzienlijkste geleerden in Duitschland , Denemarken en Zwitserland , de academien van Berlijn en Petersburg keurden het elementair - werk goed en bevalen het aan. Dit werk gelukte volkomen , hoe zeer ook zijn ont werper door de regtzinnigen verketterd werd . Reeds in mei 1771 was eene van 15.000 daalders bijeen , waartoe keizerin Catharina II alleen 1.000 daalders bijgedragen had. Als voorlooper en proeve van het elementair -werk maakte Basedow in 1769 en 1770 drie kleine, met schoone platen versierde boeken bekend, die alle drie reeds door hunne titels de aanstaande omwenteling der op voeding aankondigden. Deze geschriften boden den ouders het blijde voor uitzigt , dat hunne kinderen zonder arbeid en inspanning deugdzaam en wijs zouden worden; want naar de toezegging van Basedow zou alles spe lende geleerd worden . Zij werden derhalve door het duitsche publiek , dat toen in eene geheel overspannen rigting gevangen was, en zich nog daar enboven het kwellende, ten aanzien van wezentlijke ontwikkeling onvrucht bare onderwijs der latijnsche scholen herinnerde, met de grootstetoejuiching ontvangen. Vergeefs verhieven zich eenige mannen, zoo als b. v. Schlözer tegen den windigen ophef, en trachtten den Duitschers te bewijzen, dat van Basedow en zijne prentenboeken nooit eene ware en degelijke opleiding der jeugd te verwachten was. Zij predikten voor doove ooren . De onveree nigbaarheid van het leven des nieuweren tijds met de oude manier van opvoeding en onderwijs bezorgde eenen man, die noch wetenschappelijke, som Duitsche letterkunde. Basedow. 81 noch huiselijke en maatschappelijke ontwikkeling bezat, de magt van eenen wetgever of van een willekeurig gezaghebber op het gebied der opvoeding. Zelfs mannen van wezentlijke bekwaamheid werden door de algemeen heer schende overtuiging van de noodzakelijkheid der hervorming van de ver ouderde betrekkingen aangespoord, om zich de zaak van Basedow met ijver aan te trekken. Onder deze mannen tellen wij niet slechts den dweep zieken Lavater, maar ook zijnen landgenoot Iselin, een door ware menschen liefde bezield schrijver, die als staatsgeleerde in groot aanzien stond , en bovenal den edelen J. G.Schlosser, die geheel wars was van planmakerij. Men verwachtte toen het heil der menschheid met even groot vertrouwen van eene gevoelvolle opvoeding, als dat men nu van den stoffelijken vooruit gang verwacht. 9 Eindelijk verscheen het elementair -werk in 1774 ; Basedow had echter, daar bij hem het eene plan het andere in het leven riep , toen reeds een nieuw ontwerp bedacht. Hij wilde namelijk eene groote philanthropische school vestigen , waarin de jeugd niet alleen naar de nieuwe leerwijze on derwezen en opgevoed, maar ook leermeesters daarvoor gevormd en tevens eene boeken -fabriek voor de hervorming der opvoeding aangelegd zouden worden. Ter vestiging eener zoodanige inrigting stelde de menschlievende vorst van Dessau den hervormer op eene bezoldiging aan, die in dien tijd voor eenen geleerde buitengewoon hoog was , terwijl tevens de deensche regering, in wier dienst Basedow tot nu gestaan had, hem zijne jaarwedde bleef uitbetalen. De nieuwe schoolinrigting, of, zoo als Basedow die noemde, het Philanthropium , werd in december 1774 te Dessau geopend. De titel van het programma, waarmede Basedow het aangekondigd had, toont beter , dan elke verklaring , den geest van zijnen stichter en den aard der heerschende geestdrift, waarop Basedow zijne nietswaardige stichtingen bouwde. Het luidt: „ Het te Dessau opgerigte philanthro pium , eene school van menschlievendheid en goede kundigheden voor leerlingen en jonge leermeesters , armen en rijken . Een fideicommis van het publiek ter volmaking der opvoeding in alle plaatsen naar het plan van het elementair -werk . Aan de onderzoekers en volbrengers van het goede onder vorsten, menschlievende vereenigingen en bijzondere personen aanbevolen door Basedow .” Daar de inrigting in den beginne niet regt gedijen wilde, had Basedow de onbeschaamdheid, om opentlijk te dreigen, dat hij zijne hand van de menschheid aftrekken zou , als men hem niet voor paschen 1776 tien duizend dukaten voor het philanthropium uitbe taalde. De geschiedenis van het philanthropium te Dessau, waarmede weldra een ordesverbond van jonge onderwijzers als propaganda voor het nieuwe schoolstelsel vereenigd werd, moeten wij hier even zeer onvermeld laten, als de twisten van Basedow met zijne ambtgenooten, de later zoo beroemd geworden opvoedkundigen Campe en Salzmann , de beide wakkere geleer den Simon en Schweighäuser, enz. Ook een ander philanthropium , dat de graaf van Salis reeds vóór het dessausche opgerigt had , kan slechts in het voorbijgaan vermeld worden. Deze te Marschlinz in Graauwbunderland gevestigde instelling is vooral opmerkelijk , omdat de beruchte, toen reeds als ketter vervolgdeBahrdt daarvan bestuurder werd, en als zoodanig door den vromen Lavater bevestigd werd , die derhalve ter wille van den voor uitgang der menschheid zijne godsdienstige vooroordeelen ter zijde stelde. XVII. 6 82 Nieuwe Geschiedenis. Wij blijven bij de voorname uitkomsten dezer geheele zonderlijke beweging staan. De duitsche wereld legde toen , in geestdrift gebragt door de schrif ten van Rousseau en de kwakzalverijen van Basedow, een gedeelte van de oude stijfheid af, en verloochende vooral de tot nu gevolgde manier van opvoeding. In plaats dat men als tot nu in de jeugd bovenal de zinne lijkheid , die als eene vrucht van Adam's zondeval beschouwd werd , met geweld had getracht te dooden , viny men thans aan, meer op de natuur dan op de tucht te vertrouwen . Men zocht bovendien slechts dat , wat onmiddellijk vrucht droeg , in de ziel van het kind te planten , en alleen dat, wat regtstreeks blijkbaar was, aan zijnen geest voor te stellen . Ernst, gestrengheid , wezentlijke ontwikkeling van den geest, bondigheid, gewen nen aan inspanning en werkzaamheid werden derhalve van de jeugd ver wijderd gehouden . Deze nieuwe soort van opvoeding en onderwijs was trouwens even eenzijdig en verkeerd , als de oude ; maar zij bereidde toch ten minste de volledige verandering voor, die het schoolwezen in onze eeuw ondergaan heeft. Bovendien won bij deze opvoedkundige omwenteling burger en boer , derhalve dat gedeelte des volks, dat bij omwentelingen gewoonlijk bedrogen uitkomt, even zoo veel, als dehoogere klassen en de stand der geleerden aan grondige, wetenschappelijke opleiding verloren ; want er ontstonden allerwegen duitsche scholen, waar het zedelijke onder wezen en burgers , zoo als hetleven van onzen tijd die eischt , gevormd werden. Ookvoor het vrouwelijk geslacht was de door Rousseau en Ba sedow opgewekte geest ter hervorming voordeelig; want in plaats dat men tot nu de vrouwelijke jeugd ten aanzien der vorming geheel verwaar loosd had , werd zij thans uit den staat der vernedering, waartoe zij ver oordeeld was , verlost. Zelfs de ondergang der inrigting van Basedow, die reeds na den afloop van de eerste tien jaren plaats greep, had de be langrijkste gevolgen. Zij werd namelijk voor de duitsche opvoeding het zelfde, wat de spraakverwarring bij den torenbouw te Babel voor de eerste beschaving van Azie wordt gezegd geweest te zijn . De onderwijzers van Des sau verspreidden zich naar alle streken van Duitschland, rigtten opvoedings gestichten op , en bragten elk op zijne wijze de denkbeelden van Basedow in toepassing. Van de ontelbare inrigtingen, die toen even als fabrieken gesticht werden, waren die van Campe bij Hamburg en de nog heden be staande van Salzmann te Schnepfenthal bij Gotha de beroemdsten. Basedow had door zijne poging om het opvoedingsstelsel te hervormen de geheele duitsche wereld in oproer gebragt. Deze beweging duurde, ook nadat zijn denkbeeld de proef slecht had doorgestaan, nog eenigen tijd voort en er ontstond eene geheel nieuwe soort van letterkunde, de opvoed kundige. Tallooze boekenwerden over opvoeding en onderwijs geschreven, en nog grooter was het aantal der kinderschriften , waarmede sedert den tijd vanBasedow de duitsche wereld onophoudelijk is overstroomd. On der de vele mannen , die toen voor de verbetering van opvoeding en on derwijs werkzaam waren, hebben er zich twee door waarachtige verdiensten eene eervolle plaats verworven . Zij waren de badische ambtenaar, later frankforter stadssyndicus J. G. Schlosser en de erfheer van Rekahn , van Rochow . De eerste werkte , hoewel hij een platonist was , alle utopische droomerijen der ingebeelde ijveraars tegen , en gaf in eene in 1771 ver schenen zedeleer voor de landlieden een voorbeeld , hoe men het volk zon der omwenteling helpen kon. Dit in den geest van Turgot en der econo Duitsche letterkunde. Hervorming van het schoolwezen. 83 misten ( z. D. XVI. bl. 271 vv. ) gesteld geschrift behoort tot de voor treffelijkste volksboeken onzer natie. Rochow zocht door schriften , die voor de kinderen der landlieden bestemd waren , nuttige kundigheden en welvaart te verspreiden. Hij verwierf zich bovendien groote verdienste door op zijne goederen de eerste modelscholen voor dorpsschoolmeesters op te rigten. Over de nieuw opkomende letterkunde der kinderboekjes, die algemeen genoeg bekend zijn , is slechts eene korte ophelderende aanmerking noodig. De beroemdste vervaardigers van zulke schriften waren Campe en Salz mann, twee mannen, die tevens als onderwijzers der opvoedkunde belangrijk zijn geweest voor het duitsche leven en zijne geschiedenis. In het laatste . opzigt hebben beiden aan de eene zijde medegewerkt om de oude stijve en kwezelachtige wijze van opvoeding te doen ophouden ; maar aan de andere zijde hebben zij ook aan de oppervlakkigheid en de aanmatiging den weg gebaand en den zin voor ware poëzij en voor deugdelijke ontwikkeling verzwakt. Hetzelfde geldt van hunne schriften voor de jeugd, zoo wel als van de geschriften uit dat tijdperk in het algemeen. Aan deze geheele letterkunde lag een beginsel ten grondslag , dat lang heeft voortgeduurd en nadeelig gewerkt op den geest der natie. Men leidde namelijk den geest der jeugd altijd slechts op het handtastelijke en op al , wat in den engen kring van het bijzondere leven werkelijk bruikbaar was. Aan het inwendige leven daarentegen werd of slechts eene koude , vervelende, ont zenuwende zedeleer geboden , of men zocht die goedaardige , tot den hui selijken kring beperkte gevoelens op te wekken, die bij het voormalige geslacht even zeer voor deugden golden, als het vroegere bidden, zingen en geregeld kerkgaan voor godsdienst gegolden hadden . Als derhalve ook deze kin derschriften de verdienste bezeten hebben , dat zij, in plaats van het on bruikbare weten van den vroegeren tijd , eene levendige kennis wekten, hebben zij toch tevens den jeugdigen geest in de boeijen van het onbewe gelijke begripsleven en der stoffelijke belangen gekneld, en uit het huis en de school de bijbelsche geschiedenis verdrongen, die ten minste den dich terlijken zin opgewekt en godsdienstige vlugt verleend zoude hebben . Boven al deze geschriften munt in innerlijke waarde een in 1781 ver schenen hoek uit , dat niet zoo zeer voor kinderen, als wel voor het volk geschreven was. Dit boek is de Lienhard en Geertruida van Pestalozzi. Daarin heeft Pestalozzi, zonder te overdrijven , maar met eene eenigzins overgevoelige tint, zoo als die aan dien tijd behoorde, op meesterlijke wijze eene zwitsersche dorpsgemeente, naar alle daarin voorkomende wijzigingen van gezindheid en denkwijze, geschilderd. Ook de tot eenen anderen stand behoorende inwoners van het dorp, de predikant en de landheer , zijn ge trouw naar het leven geteekend ." Wat den stijl betreft, was Pestalozzi wel den volkstoon geheel meester , maar hij moest zich ten aanzien van juistheid en zuiverheid der taal van vreemde hulp bedienen. Dit deed in het begin aan het wezen des boeks geen nadeel; maar bij de latere uit gaven hielp iemand , die het eigentlijk karakter van dit uit innige deelne ming met het lot der armste volksklassen gesproten boek veranderde. Het verhaal werd daardoor gerekt en het boek tevens tot een magazijn van de verschillendste onderrigtingen gemaakt , wat daaraan zijne voornaamste voortreffelijkheid, spoedige handeling en korte zedeleer ontroofde. 6 * 84 Nieuwe Geschiedenis. 6. Do speculatien op den geest des tijds door Bahrdt. > Ook de grootsche omwenteling in het duitsche leven des geestes werd door de winzucht voor hare lage bedoelingen misbruikt. Reeds vele van de vroeger vermelde geschriften waren eene vrucht van het winstbejag ge weest , dat schrijvers en boekhandelaars op de veranderde opvoeding en levensbeschouwingen vestigden. Het ergst echter werd de ontwaakte be hoefte aan nieuwe inzigten en nieuwe vormen des levens door Bahrdt ten behoeve van eigenbatige bedoelingen gebezigd. Het leven en trachten van dezen karakterloozen, in lage zedeloosheid verzonken, alleen door inhalig heid en genotzucht bestuurden man kan ons het tastbaarste bewijs geven, hoe vurig de wereld toen verlangde, om eindelijk de verdrukking van den geest te ontgaan en vrijer te ademen. Bahrdt was volstrekt niet goed wetenschappelijk ontwikkeld ; maar hij wist zich van het in den smaak ge komen ongeloof op eene handige wijze te bedienen , om onder het mom van een vrijzinnig, voor de menschheid in geestdrift gloeijend man voor deelige speculatien op den geest des tijds te vestigen. Dezen gelukten hem telkens, omdat hij stout tot aan het onbeschaamde was, en niet slechts in den volkstoon, maar ook zedelijk en zelfs gevoelvol wist te schrijven. Hij begon zijn schandelijk werk reeds te Erfurt, waar hij reeds in zijn acht en twintigste jaar ( 1768) professor der wijsbegeerte geworden was. Dewijl de geschriften , die hij daar uitgaf, zich nog binnen de perken der zede lijkheid hielden , herkende zelfs de goede Semler den wolf in schaapsklee deren niet , en beval hem aan tot de betrekking van hoogleeraar in de godgeleerdheid te Giessen ( 1772) . Hier schreef Bahrdt de verschillendste godgeleerde boeken, trad gedurig onbeschaamder tegen de protestantsche kerkleer op, en gaf eindelijk zijne beruchte vertaling van het nieuwe tes tament uit. In deze vertaling of liever misvorming vernietigde hij elken zweem van het oostersche, wischte hij elke nationale kleur uit , verstikte elk godsdienstig gevoel , verbande alle in het kerkelijk leerbegrip van ouds bestaande, door eene geheimzinnige betrekking het gemoed dierbaar geworden uitdrukkingen en wendingen, en verving die door een uit louter nieuwerwetsche woorden zamen gevat koud , naakt, breed , slepend, sma keloos proza. Deze stoute ontheiliging van het gene tot hiertoe der ge heele wereld heilig geweest was verwekte eenen vreeselijken storm te gen Bahrdt. Hij werd weldra in zijne betrekking geschorst , en zou toen door alle vrienden van godsdienstige verlichting los gelaten zijn , indien niet de ijveraars, waaronder zich ook de bekende pastoor Götze bevond, al te erg tegen hem geraasd hadden. Hoe sterk overigens de haat te gen den druk van stijve regtzinnigheid en de ijver voor de verspreiding van een verstandig godsdienstig inzigt was, kan men nagaan uit de om standigheid , dat de vertaling van Bahrdt, hoewel hij zich daarin zelfs te gen het gezond verstand bezondigd had, in negen jaar driemaal op nieuw uitgegeven werd. Bahrdt kreeg, juist toen men hem te Giessen werkelijk afzetten wilde, eene aanstelling als bestuurder vanhet philanthropium te Marschlinz. Hier speelde hij vervolgens de rol van Basedow , zonder ook slechts eene enkele vonk te bezitten van diens opregte geestdrift. Reeds een jaar later ( 1776 ) werd hij door graaf Leiningen als superintendent- generaal naar Dürkheim beroepen, om in het bij deze stad gelegen Heidesheim een philanthropium Duitsche letterkunde. Bahrdt. 85 van te stichten. Hij bewees zich ook daar , even als overal , een door vuile win- en genotzucht gedreven man . Nogtans werd hij steeds als man bekwaamheid en als martelaar der verlichting geprezen , omdat hij met den toon des tijds instemde, en omdat de partij der oudgeloovigen hem op eene geheel onverstandige en nog daarenboven onregtvaardige wijze ver volgde. In het jaar 1779 werd Bahrdt op aandrijven dezer partij door den rijkshofraad schuldig verklaard aan ongodsdienstigheid, van zijn ambt ontzet en zelfs op straffe van verbanning tot herroeping veroordeeld . Dit vonnis was zonder behoorlijk regtsgeding en zonder dat men vooraf den vorst van den aangeklaagde en het corpus evangelicorum gehoord had, geveld. Het was derhalve eene schending van het regt der protestanten en een gevaar dreigende aanval op het vrije gebruik der rede; en de zaak van Bahrdt was ten gevolge daarvan eene aangelegenheid des rijks , zoo wel als eene levensvraag voor alle verstandige en vrijzinnige mannen . De vervolgde wendde zich tot de twee beroemdste verdedigers van onbevoor oordeeld bijbelonderzoek , tot Teller te Berlijn en Semler te Halle. De eerste trok zich in den persoon van Bahrdt de vervolgde zaak der vrijheid aan , en bewerkte bij de pruisische regering, dat Bahrdt met geld onder steund en als privaat - docent der wijsbegeerte toegelaten werd. Semler daarentegen, die toen reeds van de wijsbegeerte des tijds gevaar voor het wezen des christendoms vreesde, ijverde tegen de toelating van Babrdt te Halle , en klaagde hem opentlijk als een vijand van het geloof aan . Semler, die nu als duisterling gesmaad werd, had zich bij zijn verzet tegen Bahrdt inzonderheid door twee plaatselijke bedenkingen laten leiden. Hij vreesde namelijk eerst voor de hoogeschool te Halle, waar de bekende Klotz ( z. bl.. 67 vv.) eene school van zedeloosheid gesticht had, het ergste van eenen man, wiens tegenwoordigheid als eene zedelijke pest beschouwd werd. Bovendien koesterde hij den schroom, dat Bahrdt het deismus be vorderen zoude , dat juist toen door professor Eberhard te Halle verkon digd werd. Deze geleerde, dien wij hier met eenige woorden vermelden moeten, werkte niet zoo zeer wetenschappelijk op denkers en onderzoekers, als wel welsprekend op het groote publiek , en had als een veelzijdig ont wikkeld, bedaard en gematigd man, en juist omdat hij minder in de diepte dan in de breedte ging, groot aanzien verkregen. Hij droeg in een op zettelijk met dit doel uitgegeven tijdschrift, zoo wel als in een bijzonder boek, de Apologie van Socrates, eene zuiver deistische leer voor, en tastte al de oude leerstellingen op dezelfde oppervlakkige wijze aan , als de fran schę wijsgeeren en als Nicolai en zijne medgezellen. Hij werd daarover later door Lessing te regt gewezen , die te veel geest en echte wijsgeerige ontwikkeling bezat , om niet hetdoor juiste gevolgtrekking uitmuntende oude leerstelsel te verkiezen boven het flaauwe , zinledige deismus. Ten aanzien der latere lotgevallen van Bahrdt valt nog op te merken, dat hij tot het einde voortging het leven van eenen gelukzoeker te leiden, in het jaar 1789 op grondvan het pruisische religie- edict ( z. bl. 30) tot eenjarige gevangenis veroordeeld werd, en in 1791 aan de gevolgen zijner uitspattingen stierf. 7. Het göttingsche dichterverbond. Wat de stad Dessau naar het plan van Basedow van opvoeding en onderwijs hadde moeten worden, werdGöttingen door een aantal naauw ver 86 Nieuwe Geschiedenis. bonden jonge dichters en door een tijdschrift, den door Boie geredigeer den muzen -almanak, voor de duitsche poëzij. De jonge dichters, die zich omstreeks 1772 te Göttingen bij elkander bevonden , waren door eenen edelen ijver voor ware beschaving en door warme vaderlandsliefde bezield . Zij leidden in plaats van de gewone leefwijze der studenten een jeug dig dichterlijk leven, en streefden met elkander naar het schoone doel, om zich en de natie van broodstudien en geleerde spitsvondigheid tot de dicht kunst en tot geestdrift voor liefde, vriendschap en natuur, van stijve regt zinnigheid tot godsdienstigheid , van slaafschen zin, bekrompenheid en winst bejag tot vrijheidsliefde, zelfachting en nationaal gevoel te verheffen . Daar zij nog jong en nieuw in het leven waren en derhalve noch ondervinding, noch wijsbegeerte bezaten , vervielen zij tot dichterlijke dweeperij. Het was derhalve ook geheel natuurlijk , dat zij voor hunne bedoelingen eene afgezonderde vereeniging , den zoogenoemden Hainbund, vormden, en ook dat zij in hunne voorliefde, zoo wel als in hunnen afkeer, alle matiging vergaten , en b. v. aan de eene zijde met overspannen geestdrift Klopstock als hunnen leermeester en leidsman vereerden , maar aan de andere zijde in hunnen afkeer tegen Wieland te ver gingen, die toch de belangstelling der menigte voor de nieuwe letterkunde gewekt en hun zelven zoo den weg gebaand had. Nogtans is het verbond dezer jonge dichters , zoo wel als de muzen - almanak , waarin zij hunne gedichten mededeelden , voor de geschiedenis der duitsche letterkunde even belangrijk , als de geestige da messalons te Parijs voor die der fransche letterkunde. De invloed der göttingsche dichters strekte zich wel niet over de geheele natie uit , maar slechts over bepaalde standen en kringen ; doch juist dit was van het grootste belang. De middelklasse der natie namelijk , dat is de burger lijke kringen, die nog heden den trots der door den adel en de zich daarbij aansluitende rijkaards verraden natie uitmaken , verkregen eene voor hun nen toestand geschikte poëzij. Deze was wel niet verheven en oorspron kelijk , maar daarentegen zinvol, vormend en veredelend. Van de leden van het göttingsche dichterverbond moeten bij voorkeur Hölty, Voss, de twee Stolberg's, Miller uit Ulm en Leisewitz genoemd worden. Ook de in jaren oudere Boie en de hoogleeraar in de wiskunde Kästner, die door zijne puntdichten als dichter bekend geworden was, sloten zich bij deze jongelingen aan . De laatste werd hunner zaak in zonderheid door zijnen beroemden naam bevorderlijk , deeerste stelde voor hen zijnen eerst eenige jaren vroeger begonnen muzen - almanak open , die daardoor eene zeer groote beteekenis verkreeg. Claudius en Bürger, hoe wel geene medeleden, waren met hen bevriend. De laatste had het on geluk gehad, om te Halle in de woeste bende der volgers van den geheim raad Klotz opgenomen en reeds vroeg in den poel der zedeloosheid mede gesleept te worden. Daardoor werd de natie van den eenigen man be roofd , die in staat geweest zou zijn, om het eigentlijke zoogenoemde volk voor de nieuwe burgerlijke dichtkunst te winnen. Daar wij hier alleen spreken over de verhouding der göttingsche dich ters tot het leven en de ontwikkeling der natie, maar niet over de aesthe tische waarde hunner werken , zijn weinige woorden over hen genoeg. Hunne bemoeijing kan namelijk , wat de hoofdzaak betreft , reeds in twee hunner, in Voss en Hölty, opgehelderd worden. Beiden waren zangers van > Duitsche letterkunde. Het göttingsche dichterverbond. 87 het landelijk en burgerlijk leven der middelstanden in Noord -Duitschland, die toen nog levendig en teeder gevoel en meerdere beschaving met een voudigheid der leefwijze verbonden. Toch was het elk van beiden op zijne wijze. Hölty had veel meer dan Vossvan den scandinavischen en germaan schen trek der zwaarmoedigheid (z. D. I. bl . 138 ), en was daardoor nader aan het oostersch - christelijk gevoel van de nietigheid van alle men schelijk pogen en streven, dan Voss. Deze was in tegendeel afkeerig, van het oosten en blijmoedig gestemd, omdat hij in de Grieken en Romeinen, door welken hij steeds in ontwikkeling voortging, het heldere en blijmoedige gezocht en gevonden had. Hij was daarbij trouwens, omdat de eigentlijke wijsbegeerte, d. i . elke poging om het innerlijk wezen der dingen te door gronden , hem vreemd gebleven is, niet in staat, zich boven eene zekere hoogte in de dichtkunst te verheffen en den dichterlijken, symbolischen en wijsgeerigen geest van het christendom naar waarde te beseffen. Maar hij was daarom in zijnen kring niet minder groot , en oefende eenen zeer be langrijken invloed op de natie. Hij heeft vooral het leven van den mid delstand, die bij geringe middelen van bestaan vele genietingen ontberen moet, van de dichterlijke zijde geschilderd en door zijne tot het proza van hun leven naderende dichtkunde dezen stand met het bestaande ver zoend. Van de groote verdienste , die Voss zich verwierf door de invoe ring van Homerus in het duitsche leven , is reeds vroeger ( bl . 64) sprake geweest. Ook Claudius bepaalde, even als Voss, zijne poëzij bij het leven en wezen van den burgerstand. Maar hij heeft als gemoedelijk godsdienstig dweeper meer in den geest der onder het volk voortbestaande soort van godsdienstigheid gedicht, terwijl Voss dit meer in den geest des tijds deed. Eenigen zijner gedichten zijn daarom ook volksliederen geworden, en zullen dit wel blijven . Later dwong Claudius zich tot eenen geestigen en ge maakten schrijftrant , maar hij oefende daardoor slechts geringen en voor bijgaanden invloed. Tot de wezentlijke ontwikkeling der natie stond Clau dius volstrekt in geene betrekking. Ook had hij reeds in 1775 aan elken vooruitgang den oorlog verklaard. Later verzonk hij zelfs tot de geheel ongerijmde mystiek van St. Martin en der Martinisten ( z. D. XVI. bl. 230 ). 8. De tijd van Werther en Sieg wart en het begin van het romanschrijven. Claudius en Hölty waren reeds zeer genaderd tot die soort van over gevoeligheid, die zich kort voor 1780 als eene zenuwkoorts over Duitsch land verspreidde en ook door een der göttingsche dichters, Miller , zeer bevorderd werd. Deze zonderlinge, nagenoeg de geheele natie doordrin gende gemoedsstemming werd door de verkeerde opvatting van een der eerste meesterstukken van Göthe in hooge mate opgevoerd . Wij moeten derhalve vooreerst onze opmerkzaamheid wijden aan de eerste optreding van dezen dichter. Göthe, die in 1772, drie en twintig jaar oud , onafhankelijk van elke partij zijne loopbaan opende, werd binnen weinige jaren reeds bijna zon der tegenspraak door alle partijen als de grootste geest der natie en als hare hoop erkend. Een zijner eerste werken, de in 1773 verschenen Götz van Berlichingen, bragt geheel Duitschland in beweging. De jeugdige vrienden der natuur en van den griekschen heldenmoed te Göttingen be 88 Nieuwe Geschiedenis. nen. groetten dit tooneelstuk als den overgang tot een nieuw tijdperk van het duitsche tooneel, zoo wel als diens schrijver als hunnen bondgenoot in den strijd met de berlijnsche kritiek en aesthetiek en tegen de fransch - griekschema nier van Wieland. Ook had Göthe zich over den laatstgenoemde reeds zeer hard in een schimpdicht uitgelaten . De invloed van den Götz van Berli chingen en van de bespotting der kracht- en geurlooze navolgers der Fran schen bleek terstond in het opkomen der zoogenoemde kracht-geniën. Er verhief zich namelijk een aantal ultraliberale jonge lieden, die in spijt van tucht, stijfheid en oud gebruik elken regel, alle orde en beperking als ver ouderd versmaadden, zich tegen alle gevoeligheid verzetteden en zoo wel te gen de stijve, waanwijze bemoeijingen der duitsche geleerden , als ook te gen de Berlijners, tegen de dichterschool van Gleim en Klopstock , en te gen deligtvaardigheid van Wieland eenen strijd op leven en dood begon Hun wild optreden was zeer heilzaam , omdat het eene volstrekt noodzakelijke terugwerking tegen den heerschend geworden laffen, zoetsap pigen , temenden toon der navolgers van Petrarcha was. Deze geheel on natuurlijke toon was zelfs het leven binnen gedrongen. Men vindt dien in de brieven van Klopstock, Wieland, J. G. en F. #. Jacobi , die daardoor som wijlen eenen walgelijken indruk maken . Hij heerschte zelfs in alle slechts eenigzins beschaafde familien en veroorzaakte, even als vroeger de vrome toon, huichelarij. Onder die krachtgeniën , waarvan Lenz en Klinger de beroemdsten waren, werd ook Göthe in het begin gerekend , maar hij nam aan hunne pogingen slechts in zoo ver deel, als hij van elk verschijnsel, van iedere beweging des tijds voor zijne dichterlijke bedoelingen partij trok. Dit laat ste was het ook, dat hem in 1774 tot het vervaardigen van het tooneel stuk Clavigo bewoog, waarin hij tot verbazing van het publiek even zeer aan de strenge eischen der stijve fransche tooneelkunst beantwoordde, als hij in den Götz door zielvolle onregelmatigheid de bewonderaars van Sha kespeare verrukt had. Geheel op denzelfden grond rustte het ontstaan van den eersten ro man van Göthe, het in 1774 verschenen lijden van den jongen Werther; • want ook in dit boek werd van eene toevallige gebeurtenis en eene daar door veroorzaakte stemming. des publieks gebruik gemaakt, om een kunst gewrocht te scheppen. Bij gelegenheid van de uitgave van den Wer ther bleek het zeer duidelijk, hoe weinig het publiek in staat is , om eene dichterlijke schepping in zuiveren geest te begrijpen. De groote hoop na melijk ziet den vorm ter oorzaak van de stof voorbij, vereenigt met elk boek het denkbeeld van een leerzaam doel, en kan daarom de echte kunst niet beseffen. Niemand doorzag de verhevene kunst in Göthe's schildering van de magt der hartstogt, die eenen zwakken geest, juist omdat hij zwak was, vernietigde, of ook de meesterlijke wijze, waarmede aan de hard en ruw geachte taal de grootste zachtheid, buigzaamheid en gemakkelijkheid verleend werden. Daarentegen stelde men de grootste waarde in het ge schiedkundige van het verhaal, maakte den zwakken held van den roman tot eenen martelaar, hield elke in het boek voorkomende persoonlijkheid en elk voorval voor werkelijk , geraakte over Werther , alsof hij als een voorbeeld was geschilderd, in verrukking en liet zich in eenen tuimel weg slepen , gelijk die bij het duitsche volk nog nooit was voorgekomen . De regtzinnige partij trad met hevigheid tegen Werther op, omdat zij Duitsche letterkunde. De Werther en de Siegwart. 89 meende, dat de kerk door zulk eene poëzij bedreigd werd. Haar voor name woordvoerder was de bekende pastoor Götze te Hamburg , die be geerig elke gelegenheid aangreep , om voor het oude geloof op te komen. Götze vaardigde, even als vroeger de aartsbisschop van Parijs tegen den Emile van Rousseau, eene soort van herderlijken brief tegen den Werther uit , waarin zijn schrijver als volksverleider, zede- en tuchtbederver voor gesteld, het boek zelf als de bron van alle mogelijke onheilen veroordeeld, en in het voorbijgaan ook de goede oude Semler als de oorzaak van al zulke ongodsdienstigheid afgestraft wordt. Het woeden en razen van den hamburgschen sionswachter was niet vergeefsch. Dit bewees onder anderen de overheid van Frankfort aan den Main , die een aldaar onder de mede werking van Göthe, Schlosser en Merk uitkomend tijdschrift bedreigde en beperkte, en daarvoor eene aandoenlijke schriftelijke dankzegging van Götze ontving. Van eene andere zijde en uit andere gronden verhieven zich te gen het lijden van Werther de naar fransche en berlijnsche wijze prozaisch oordeelende recensenten en oppervlakkige zedekundigen. Hun voorganger en paus, Nicolai, beproefde, om het boek van Göthe door eene veranderde voorstelling belagchelijk te inaken , maar vergiste zich daarin zoo zeer, dat velen zijner vrienden zich werkelijk over het slechte voortbrengsel schaam den, endat ook Wieland, wien de partij van Nicolai als den grootsten dich ter vereerde , zich daartegen uitliet, hoewel hij kort te voren door Göthe in het boven vermelde schimpdicht beleedigd was. In een geheel ander misverstand over het meesterstuk van Göthe wa ren velen bevangen , die in overeenstemming met de heerschende rigting genot vonden in teedere, smeltende gevoelens, en wier sentimenteelheid door Klopstock en door de in de manier van Petrarcha zingende minnedichters, zoo wel als door de elegien en idyllen der göttingsche barden tot zwart galligheid opgedreven was. Hun vertegenwoordiger was een der götting sche dichters, Miller te Ulm. Deze bragt namelijk het zielvolle dichtstuk van Göthe over in de taal en de gevoelens van den burgerstand, bij wien kermend proza en gemaakt gevoel voor poëzij doorging ; d. i . hij schreef naar het voorbeeld van Götheeenen roman, die ook uit de heerschende stem ming ontsproot, maar geheel tot de göttingsche elegische rigting behoorde. Deze roman verscheen in 1776 onder den titel „ Siegwart , eene klooster geschiedenis”, en maakte in alle gedeelten van Duitschland een onbeschrij felijk opzien . Uiterlijk was hij, zoo als uit het gezegde blijkt, gelijk aan Werther ; naar het inwendige daarentegen stonden beide romans elkander juist als gemaaktheid en natuur tegenover. De zinnelijkheid is in den Siegwart, geheel strijdig met hare natuur, niet op het genieten , maar op het aanschouwen gerigt. De ouderdom is zonder rijpheid , de jeugd van baar natuurlijk karakter beroofd. Alles heeft eene duistere, zwaarmoedige tint. De taal zelve is zuiver en vloeijend , hoewel het noch proza , noch poëzij is. Overigens oefende het boek de heilzame uitwerking, dat het in vele kringen zin voor poëzij wekte, en door gevoelens van menschelijkheid de onbeschaafdheid hielp verdringen . De latere romans van Miller behoorden reeds tot de soort der fabriek matig voor den verkoop veryaardigden , die kort daarna een bijzonder ge deelte opzer letterkunde begonnen uit te maken en tot op den huidigen dag eene pest van het duitsche leven gebleven zijn. Deze romans werden door lieden geschreven , die zich van den nieuwen smaak bedienden , om 90 Nieuwe Geschiedenis. beroemd te worden of geld te verdienen. Zij bedierven de vaders en moe ders even zoo , als door de vereerders van Rousseau en Basedow de kin deren verkeerd opgevoed werden ; want zij stelden aan de ernstvolle en doortastende ontwikkeling eenen onoverkomelijken hinderpaal in den weg, omdat hunne schrijvers tot de lezers afdaalden, in plaats van hen te nood zaken zich tot hen te verheffen, en omdat zij het publiek gewenden, over gevoel en droomerij met poëzij en oorspronkelijkheid te verwisselen. Tot deze fabriekanten van romans behoorden , behalve Miller uit Ulm, vooral J. G. Müller te Itzehoe, de opvoedkundige Salzmann en de later zoo bekend geworden tooneeldichter Kotzebue, die in 1785 zijne loopbaan met eenen sentimenteelen roman opende. Ook de tooneeldichters Iffland , Jünger , Bretzner en Grossman moe ten onder deze soort van schrijvers gerangschikt worden , omdat zij voor het door romans gevormde publiek naar het voorbeeld vanDiderot zooge noemde aandoenlijke tooneelspelen vervaardigden , waarin de door Campe en Salzmann gepredikte soort van zedeleer, zoo wel als de valsche gevoe ligheid der laffe romans , handelend voorstelden en beiden op het tooneel door oog en oor den gemoederen opdrongen. 9. Bemoeijingen van Lessing en Herder ten aanzien van zedelijk en dichterlijk christendom . In den tijd , toen de opvoeding op geheel nieuwe grondslagen geves tigd werd en een van het geleerde geheel verschillend onderwijs ontstond, onderging ook de protestantsche godgeleerdheid eene doortastende veran dering. Deze nieuwe godgeleerdheid ging , in zoo ver daarbij van hooge scholen en hoogleeraren sprake is , van Jena uit. Daar werkte voor den vooruitgang der godgeleerde wetenschap de in den geest van Semler voor zigtige Griesbach , die ook in eeneveel gelezene algemeen bevattelijke ge loofsleer godsdienst zonder leerstellig begrip trachtte te leeren, maar voor al Paulus en Eichhorn , waarvan de laatste echter weldra naar Göttingen verhuisde. De twee laatstgenoemden volgden de beweging van den tijd en trachtten een van alle bijvoegselen gezuiverd christendom in te voeren , dat aan de eischen der rede beantwoordde. Zij deden vooral eerst in de uit legkunde den grondregel gelden , dat men op den bijbel dezelfde kritiek, als bij de schriften der Grieken en Romeinen, toepassen , op taalkunde, volkszin en gebruiken des lands letten en de meening vaneene woorde lijke ingeving der heilige schrift geheel opgeven moest. Hoe belangrijk intusschen deze pogingen ook voor de godgeleerdheid waren , hadden zij toch slechts invloed op het uiterlijke, geleerde en geschiedkundige gedeelte van de godsdienstleer. Van het eigentlijke' wezen daarentegen maakte zich • de nieuwe wijsbegeerte meester. Onder de mannen, die toen niet als godgeleerden , maar van het stand punt der algemeene beschaving en geestontwikkeling eenen hervormenden invloed op de wetenschap der godsdienst oefenden , was Lessing , naast Göthe de grootste hervormer onzer letterkunde, de belangrijkste. Om de godgeleerde en wijsgeerige pogingen van dezen man te kunnen verstaan en beoordeelen , moeten wij eerst eenen blik werpen op de drie partijen, waarin het vrijzinnige gedeelte der godgeleerden gescheiden was. De eene dezer partijen wilde alle godsdienst tot bloote zedeleer zonder eenige de > Duitschland, Verandering der godgeleerdheid. 91 minste opwekking der verbeelding en van hooger gevoel terug brengen . Zij omvatte al die voorstanders der kritiek en hervormers der opvoeding, die even als Nicolai, Campe en Salzmann alleen zin hadden voor het prac tische. De tweede partij, waartoe vooral Eberhard te Halle behoorde, be ijverde zich om te bewijzen , dat het christendom een zuiver deismus en eene bloot verstandelijke godsdienst was. De derde partij wilde door oor deelkundige en wijsgeerige schifting van de geloofsleer een zoogenoemd oorspronkelijk christendom tot stand brengen, dat in overeenstemming zou kunnen zijn met de voortgaande ontwikkeling van den menschelijken geest. Daartoe behoorden, hoewel in geheel afwijkende rigtingen , Griesbach, Eich horn, Paulus, Planck en Spittler. Lessing trad met de grootste vastberadenheid tegen al deze drie soor ten van verlichting op . Deze scherp en helder denkende man vond de po ging der rationalisten, om het christendom te vervangen door eene kunst matig uitgedachte nieuwe godsdienst, niet minder dwaas, dan het grove onverstand der voorvechters van het oude geloof, die geen licht, geenen aan de behoeften des tijds beantwoordenden vooruitgang wilden toelaten , wat toch zelfs de oude kerk tot aan het concilie van Trente gedaan had. Les sing was niet onbepaald tegen het uit de scholastiek der middeleeuwen ont sproten godgeleerde stelsel ; hij gevoelde veeleer zelfs achting voor de juist heid zijner gevolgtrekking , en hield alles voor onhoudbaar , wat de voor standers van hetnieuwe in zijne plaats wilden stellen . Hij begon derhalve de oude leer, die als stelsel zekere wijsgeerige waarde bezat en wetenschap pelijk bruikbaar was, tegen de oppervlakkigheid der deisten en de uitvin ding eener zoogenoemde zedelijke godsdienst , of met andere woorden, van eene van alle poëzij, van elk zinnebeeld, van elke betrekking tot het hart los gerukte godsdienst op voortreffelijke wijze te verdedigen . Ook zou de werkzaamheid van Lessing op het gebied der godgeleerdheid, zelfs als hij zich tot het bestrijden van de aanhangers der oude leer genoodzaakt zag, der ware godsdienstigheid voorzeker groot voordeel gedaan hebben ; want hij wilde niet omver werpen , maar alleen verbeteren enhet misvormde, mis bruikte , miskende christendom weder in aanzien bij denkende menschen brengen. Dit lieten echter de drijvers in hunnen blinden ijver niet toe. Zij vielen in tegendeel met blinde verwoedheid op Lessing aan, en begon nen tegen hem , den vriend van vrede en matiging, den hevigsten strijd . Lessing rigtte daarop de scherpste wapenen van den geest tegen den over moed en het onverstand der protestantsche geloofsonderzoekers. Door de zen twist werd de eigentlijke volksgodsdienst veelzins zeer benadeeld. Maar daarentegen oefende die ook in dubbel opzigt eenen hoogst weldadigen in vloed . Vooreerst werd door eenen man , die met diepen wijsgeerigen zin , met grondige geleerdheid en uit zuivere, opregte liefde voor de waarheid het oude leerstelsel aantastte, dit geheel anders geschokt, dan het door de eenzijdige en oppervlakkige bewijsgronden der engelsche deisten , of door de bloote versmading en bespotting der ingebeeldeparijsche encyclopedis ten ooit hadde kunnen geschieden . Ten tweede heeft Lessing, de schepper der nieuwe duitsche taal, bij gelegenheid van dien twist , door zijn mees terschap in het schrijven en in de behandeling van moeijelijke onderwer pen , de kracht en den adel der duitsche taal in het licht gesteld en zich jegens haar even verdienstelijk gemaakt, als Hutten en Luther vroeger in hunnen strijd tegen de pausgezinden. 92 Nieuwe Geschiedenis. Lessing trad in den beginne slechts als uitlegger van anderen op , daar hij in zijne bijdragen tot de letterkunde handschriften liet afdrukken, die hij in de onder zijn bestuur staande wolfenbuttelsche boekerij gevon den had, doch hij voegde daar aanmerkingen bij, die zijn eigen gevoelen behelsden. Vooreerst deelde hij twee kleine verhandelingen van Leibnitz mede. Hij maakte daarvan gebruik, om zijn boven vermeld gevoelen ten aanzien der deisten en van hen , die zich" in spitsvondigheden verdiepen of bij flaauwe zederegels bepalen, te doen kennen. Vooral wees hij op eene zeer schrandere wijze het onderscheid aan , dat tusschen de godgeleerdheid of de godsdienst als wetenschap en de godsdienst als eene zaak des gemoeds, van elk in het bijzonder en van een geheel volk bestaat. Hij veroorzaakte daardoor eenen geweldigen storm van de zijde van Götze en andere ijve raars , die in de te Hamburg uitkomende Geleerde Berigten hunne dolle woede aan hem koelden. Dit noodzaakte hem vervolgens, zijne wapenen tegen het andere uiterste der godgeleerde wereld te keeren. Daartoe be zigde hij de zoogenoemde Wolfenbuttelsche Fragmenten , die hij in 1774 stukswijze begon uit te geven . De schrijver dezer oordeelkundige be schouwingen van de leerstellingen des christendoms en der kerk, die eerst in onze eeuw bekend geworden is, was Reimarus. Deze had zijn misnoe gen over het in zijne vaderstad Hamburg , heerschende dweepzuchtige lu therdom in een afzonderlijk geschrift zoo hevig uitgesproken , dat hij zich zelfs tot wezentlijk onregt jegens het christendom liet wegslepen . Maar hij had, omdat hij bij het duitsche publiek niet als een tweede Bahrdt wilde aangezien worden, zijn boek geheim gehouden en in de bibliotheek te Wol fenbuttel geplaatst. De uitgave daarvan door Lessing was een vreeselijke slag voor de ijveraars en hun papieren leerstelsel ; want dit boek was het werk van een der bekwaamste en geleerdste mannen van zijnen tijd , die niet slechts groote geschiktheid als wijsgeer, maar ook grondige kennis der godgeleerdheid bezat. Lessing stelde zich bij de bekendmaking ten doel, om den vooruitgang , dien hij in kunst en poëzij opgewekt en bevorderd had, ook in de godgeleerdheid te wekken. Hij gebruikte echter in het begin de voorzigtigheid, om een geschrift, dat niet voor het volk bestemd was en daarvoor alleen schadelijk kon zijn , te laten afdrukken in zijne slechts aan geleerden bekende Bijdragen tot de letterkunde. Ook verze kerde hij bij het uitkomen van het eerste fragment, dat hij daardoor al leen wetenschap , inspanning en onderzoek wilde bevorderen , want dat hij het, wat hem betrof, niet eens was met den schrijver. Ja, hij voegde zelfs bij elk door hem uitgegeven fragment aanmerkingen, waarin hij te kennen gaf, hoe en waardoor het gevoelen van den ongenoemden schrijver weder legd kon worden. Maar de ijveraars, vooral Götze, lieten zich door hunne blinde woede wegslepen om de zaak voor het groote publiek te brengen. Zij waren daardoor oorzaak , dat deze geleerde twist, even als vroegerdie van Luther met Eck en Emser (z. D. XI. IV. 4. ) eene zaak van het duit sche volk werd. Het is niet mogelijk, hier den loop van den twist te volgen. De hoofd zaak was , dat de ijveraars , omdat hunne wijsheid tegen eenen man als Reimarus te kort schoot, den uitgever der fragmenten op allerlei wijze hoonden , dat zij zelfs de staatsmagt tegen hem ophitsten en dat zij hem danrdoor tot het uiterste dreven. Lessing zag zich namelijk ten laatste genoodzaakt, om niet slechts den hevigen aanval van den ongenoemde op 1 Duitschland. Lessing en de godgeleerdheid. 93 het christendom zelf , die welligt niet eens ernstig gemeend was, bekend te maken , maar ook zelf de pen op te vatten , om de ijveraars door eene reeks van vlugschriften te verpletteren. De vlugschriften, inzonderheid de onder het opschrift Anti -Götzeuitgegeven verklaringen tegen den hoofdpas toor van Hamburg , zijn het volkomenste, wat onze letterkunde in die soort van twistschriften weet aan te wijzen. Zij behooren tot de grootste meesterstukken der duitsche letterkunde, omdat zij in de zuiverste , dui delijkste taal , treffend en vernuftig, maar zonder schimp of smaadredenen, zonder vertooning en woordenpraal geschreven zijn. In deze omstandig heid en in de betrekking van den twist tot den ontwikkelingsgang des tijds bestaat zijne belangrijkheid voor Duitschland en voor de geschiedenis. Aan het oude leerstelsel werd door den strijd der regtzinnigen met Lessing den doodsteek toegebragt, zonder dat hij echter, even als zijn on genoemde vriend , de achting en den eerbied vergeten had , dien elk be schaafd en bezadigd mensch voor de christelijke godsdienst hebben zal en moet. Dat een vrijheid zoekend geslacht, hetwelk in onderscheiding van het tegenwoordig levende zeer goed wist, wat het zeggen wil, onder het gezag der papen te staan , den inhoud der twistschriften van Lessing geheel an ders , dan hij zelf bedoeld had , verstond, was de schuld der blinde aan hangers van het oude , die hem door smaad en vervolging tot het uiterste gedreven hadden, en van geene wijsbegeerte hooren , geenen raad aannemen , geen woord van hun leerstelsel opgeven wilden . Voor het overige moet men de hevigheid van Lessing voornamelijk uit zijnen warmen ijver voor de waarheid en uit zijne hartelijke liefde voor het duitsche volk verklaren. Hij gevoelde smartelijker dan iemand anders, dat de duitsche staatsrege ling elke vrije uiting over staatkundige belangen onmogelijk maakte; daarom geloofde hij, dat elk duitscher zoo veel te hardnekkiger de vrijheid van denken en schrijven in godsdienstige en wetenschappelijke zaken verdedigen en alle tegenstanders daarvan als vijanden der menschheid bestrijden moest. Maar bovendien gevoelde hij ook , zoo goed als elk denkend mensch , dat het wezen des menschen niet in het weten of gelooven van het geleerde, maar in het streven en worstelen naar kennis , derhalve niet in het hebben en vasthouden, maar in het zoeken en nasporen der waarheid bestaat. Hij zegt in een zijner eerste twistschriften : „ Als God in zijne regter hand de ge heele waarheid, in zijne linker het altijd levendige streven naar waarheid, hoewel met de bijvoeging, dat ik mij altijd een weinig vergissen zou, be sloten hield, en Hij sprak tot mij: kies ! dan vatte ik ootmoedig zijne linker aan en zeide : Vader, geef! De zuivere waarheid is slechts voor U alleen. De invloed van Lessing op de godsdienstige gevoelens van zijnen tijd werd nog verhoogd , toen hij in den Nathan, het meesterstuk zijner too neelpoëzij, de tegenstelling van werktuigelijke godsdienstoefening en ware godsdienstigheid des harten voor het publiek ook door zinnelijke voorstel ling duidelijk maakte. Dit stuk stelde namelijk in eene voor het gemoed en verstand aantrekkelijke en belangwekkende handeling en in de schoon ste, edelste taal het hatelijke van een leven voor aller oogen voor, waarin de een den ander naar zijn geloof, niet naar zijnen wandel beoordeelt. Het heeft derhalve ook wezentlijk medegewerkt, om de oude regtzinnige leer en de onverdraagzaamheid uit het duitsche leven te verbannen . - Door eene wonderbare schikking der Voorzienigheid gebeurdehet, dat naast de bezonnenheid van Lessing van het begin af de hooge vlugt van 94 Nieuwe Geschiedenis. eenen man als Herder aanwezig was , die geheel geschikt was, om het midden te houden tusschen de wijsbegeerte van Lessing en de dweeperij van Lavater. Lessing erkende ook wel de waarde, die eene stellige gods dienst voor de rigting des inwendigen levens en voor den strijd tegen het uiterlijke leven had ; maar er was toch naast hem een man noodig, die als Herder in staat was, ook het poëtische in de godsdienst te bewaren. Her der is door ons reeds aangeduid als het hoofd eener bijzondere aesthetische school en als meester in eene geheel eigenaardige wijze van opvatting en voorstelling ( z. bl. 70 en 73). Hij keerde zich , toen hij in 1770 hof prediker te Bückeburg geworden was, tot de godgeleerdheid, en verkreeg, door hetgene hij in dit opzigt deed, eene nieuwe beteekenis voor den loop der geschiedenis van de duitsche beschaving: Zijne betrekking tot de god geleerde vraagstukken , die toen de beschaafde wereld daar bezig hielden, was even eigenaardig , als geheel zijn wezen en trachten. Herder was veel meer een dichterlijk dan een wijsgeerig karakter, en bovendien hoogst prik kelbaar, hevig en gebiedend van aard , daarom wilde hij overal alleen poëzij dulden , en erkende geene waarheid , die niet in overeenstemming te bren gen was met de scheppingen zijner eigene verbeelding. Daarenboven was ħij echter nooit een huichelaar of staatkundig godgeleerde, en stond nooit in de dienst eener heerschende meening. Zulk een man kon zich noch bij eene der bestaande partijen aanslui ten, noch tusschen hen door zijnen weg kiezen. Hij geraakte in tegendeel met allen in twist, omdat hij zijne eigene rigting volgde, en omdat hij bij zijne hevigheid en dichterlijke overspanning elke bedenking ter zijde stelde. De regtzinnigen waren bijna even ontevreden met hem , als met Lessing, hoewel hij over de nieuwigheidszoekers van zijnen tijd even misnoegd was, als zij, en zelfs het betere gedeelte der berlijnsche rationalisten, inzonder heid Spalding, bestreed. Daar namelijk zijn poëtisch gemoed even min het proza der regtzinnigen als dat der rationalisten dulden wilde , en daar hij bovendien als oordeelkundige eenen weg insloeg, waarop men even goed tot het oude oostersche pantheismus, als tot de eenheid en persoonlijkheid van eenen christelijken God komen kon, moest hij aan de regtzinnigen als een man voorkomen, die naast de rationalisten en naast de verstandige ketters in den geest van Lessing eene gemeente van dichterlijke of hoogvliegende ketters zocht te stichten. De strekking en uitwerking der godgeleerde geschriften kunnen in weinige woorden zamen gevat worden . Hij nam de volksgodsdienst tegen de heerschende rationalistische en practische gevoelens en hun koud, nuchter proza in bescherming. Hij bediende zich echter, om die staande te houden, noch van drogredenen, noch van dweeperij en huichelarij, maar hij trachtte door zijne rijke verbeelding aan de oude leer eene geheel nieuwe gedaante en daarbij tevens eenen nieuwen steun te geven . Met dit oogmerk deed hij de poëzij der godsdienst als hare wijsbegeerte gelden, zocht door haar in de godgeleerdheid geest, smaak en leven op nieuw aan te wakkeren, en geloofde op deze wijze de oude geloofsleer met de ver anderde rigting des tijds te kunnen verzoenen . Zijne voorstelling van het christendom vond derhalve vooral onder de hoogere standen en bij hen allen ingang, die den wolfenbuttelschen fragmentist voor ligtzinnig, Bahrdt voor eenen man zonder smaak, de rationalisten voor onbezonnen en opper Duitsche letterkunde. – Herder en de godgeleerdheid. 95 vlakkig , de verdedigers van het oude geloof voor flaauw en vijandig tegen de behoeften en den geest des tijds hielden. Wij kunnen niet vertoeven bij elk zijner geschriften , waarin Herder op de gemelde wijze oud en nieuw dichterlijk vereenigd , en dejoodsche en christelijke oorkonden, zoo wel als de practische godgeleerdheid niet als wijsgeer en geleerde , maar als dichter behandeld heeft. Deze geschriften (over de oudste oorkonde van het menschelijk geslacht, over de beoefening der godgeleerdheid, over den geest der hebreeuwsche poëzij, enz. ) konden natuurlijk de wetenschap zelve niet verder brengen ; daarentegen werkten zij, even als alle geschriften van Herder, opwekkend, verlevendigden onder de godgeleerden den dichterlijken zin, en werkten veel mede, om onder de Duitschers eenen geest te onderhouden , die hooger streefde dan tot het tastbaar nuttige , en die het goddelijke in den mensch erkende. Dit was vooral zeer verdienstelijk in eenen tijd , waarin zoo wel geschiedkundigen , wijsgeeren en staatkundigen, als Nicolai, Eberhard en de göttingsche hoog leeraar Meiners, alsmede opvoedkundigen en godgeleerde rationalisten, zoo als Bahrdt, aandrongen , dat predikanten, volksonderwijzers en opvoeders volstrekt prozaische menschen moesten zijn en zich alleen op het uitwen dige en regtstreeks bruikbare toeleggen zouden. Maar daarentegen kan men echter ook niet ontveinzen , dat de godgeleerde werken van Herder , zoo wel als zijne schriften in het algemeen, voor de algemeene ontwikke ling, der natie nadeelig waren . Door zijne manier van onderzoeken en be oordeelen namelijk , waarbij hij steeds meer dichter dan onderzoeker was, door zijn streven , om overal poëzij te vinden , en dingen , die door eene wijde klove van elkander gescheiden waren , met elkander te vereenigen, werd tevens de poëzij, de godsdienstigheid en het burgerlijke leven bena deeld. Zelfs door de hem eigenaardige schrijfwijze verkreeg de zucht on zer natie , om zich uit het rijk der werkelijkheid en dat des verstands in het land der droomen en der verbeelding te verplaatsen , nieuw voedsel. Dit was het ook in Herder , wat hem , te gelijk met de hem eigene voor liefde voor elke soort van oorspronkelijkheid, reeds vroeg met de mystieken en dweepers, als Hamann, Claudius, Lavater, Jung - Stilling, in aanraking bragt. Behalve zijne godgeleerde werken leverde Herder een der belangrijk ste meesterstukken der duitsche letterkunde, de verzameling en vertaling der meest geliefde en eigenaardigste nationale liederen van alle volken en tijden. Tot zulk een werk was hij, juist omdat hij meer dichterlijk, door het gevoel beheerscht, dan wijsgeerig en koel bezonnen van aard was, geheel bijzonder geschikt. Later (sedert 1784 ) gaf hij onder den titel „Denkbeelden tot de wijsbegeerte van de geschiedenis der menschheid ” eene algemeene geschiedenis uit, waarmede hij even zoo eene nieuwe soort van geschiedenis schiep , als hij eene nieuwe soort van poëzij en wijsbegeerte geschapen had. Dit werk voorzag duidelijk, daar het veel gelezen en dik werf als voorbeeld gebezigd werd, in eene behoefte van het groote publiek; maar geschiedkundig en wetenschappelijk is het niet. Herder handelt daarin met de geschiedenis, alsof hij een beldendicht had willen schrijven. Deze wetenschap moest hem namelijk dienen , om ten aanzien der ont wikkeling van het menschelijk geslacht en van de voortplanting vanzekere denkbeelden of overleveringen eenen zamenhang aan te toonen , dien hij noch bewezen heeft, noch bewijzen kon. Daarbij spreekt hij met de stellig 96 Nieuwe Geschiedenis. heid en het zelfvertrouwen van eenen profeet, gaat gebeurde dingen , die bij zijne denkbeelden en godspraken niet passen, zonder aarzeling voorbij, weet door zijne poëzij ook het historisch gescheidene onderling te vereeni gen , en schrijft zelfs der natuurkunde, waarvan hij slechts eene opper vlakkige kennis bezat, de wet voor. Herders wijsbegeerte der geschiede nis staat overigens, zoo als uit het aangemerkte blijkt, in de naauwste betrekking met de heerschende humoristische en geestrijke manier. Het is derhalve ook zeer begrijpelijk , dat in onze dagen een man als Quinet, die alle wezentlijke kennis mist , en die zelfs , toen hij Herder vertaalde, naauwelijks duitsch verstond , door zijne vertaling der ideën van Herder de romantisch, humoristisch en pantheistisch gestemde Franschen in ver rukking kon brengen. Dezen erkenden in het op goed geluk in hunne taal overgebragte werk van Herder een licht in de duisternis en begroetten het vrolijk. Het publiek van Herder bestond in het algemeen uit dezelfde menschen , die later Jean Paul vergoodden. Dezen lazen met geestdrift zijne poëtisch geschreven werken. Doch juist daardoor oefenden de werken van Herder eenen zeer grooten invloed uit. Deze duurde echter slechts tot het tijdstip , dat de wijsbegeerte van Kant ingang vond , en Herder alleen onder de hervormers der duitsche letterkunde tegen den stroom meende te kunnen opzwemmen ; want toen verloor hij al zijnen invloed. 10. De gelaatkundige dweeperij van Lavaler , de hekelschriften van Lich tenberg en Jung - Stilling. Voor godsdienstige geestdrift, voor overspannen inzigten en pogingen, voor een weten , dat nietop bedaarde waarneming, maar op stoute spron gen en vernuftige godspraken berustte, ijverde behalve Herder ook Lavater. Maar beiden hadden met hunne geschriften geheel verschillende soorten van menschen op het oog. Het publiek van Herder bestond uit hen , die het oude geloof onder de door eenen Götze voorgestelde gedaante niet meer verduwen konden , maar toch ook de in de jeugd aangenomen vormen niet los laten wilden . Allen , die poëzij voor godsdienst aannamen , huldigden hem. Lavater daarentegen was het orakel voor allen , die het mode ge worden overgevoel, even als de vrienden van Klopstock, met godsdienstige dweeperij vereenigen, of, zoo als de vereerders van Jung - Stilling, deze in de plaats der gevoelvolle dweeperij stellen wilden . Het karakter en de manier van Lavater zijn door ons reeds vroeger ( bl . 78 vv.) aangeduid. In den tijd , waarvan hier sprake is , verkreeg hij door eene nieuwe wetenschap , die hij uitvond , zijnen grootsten naam . Deze wetenschap was de leer der physiognomie of de in een stelsel ge bragte kunst , om uit het uiterlijke van den mensch zijn aard en karakter te leeren kennen. Zij was van ouds en allerwegen bij ondervinding beoe fend, maar altijd toch slechts als een werk van vermoeden en raden. La vater verhief haar tot den rang eener onfeilbare wetenschap , en maakte daardoor een opzien , waarmede de beweging der phrenologie, van het magnetismus en van den tafeldans in onze dagen ook op verre na niet te vergelijken is. Tot deze uitkomst werkte zijn vriend en landgenoot van Zimmermann grootelijks mede , die als een beroemd geneesheer van voor name lieden , als ridder van vele orden en lid van vele academien, als een man , die door oppervlakkige schrijverij opzien gemaakt had en zelfs met Catharina II en Frederik den groote briefwisseling hield , die ver gevor Duitsche letterkunde. Lavater , Zimmermann , Lichtenberg. 97 derd was in de kunst, om met gunstige uitkomst wind te maken en aan de eene of andere zaak in zijnen kring bijval te bezorgen . Het duurde niet lang , of de geheele voorname wereld was niet alleen in Duitschland, maar ook in andere landen , even zeer voor het plan van Lavater, om een groot prachtwerk over physiognomie te schrijven, als voor het opvoedkun dige elementair -werk van Basedow met geestdrift ingenomen, en teekende even ijverig daarop in . Toen nu het werk van Lavater eindelijk ( 1775– 1778) uitgekomen was, maakte het in alle voorname kringen het hoofd onderwerp der gesprekken uit ; en de grooten der aarde gingen in bedevaart naar Lavater als naar eenen profeet, of zonden hunne silhouetten naar Zurich , om zich door hem voor geniën, edele menschen , voorbeelden van deugd te doen verklaren.. De gelaatkundige dweeperij werd weldra even algemeen heerschend, als de siegwartsche teergevoeligheid. Zelfs in kleine steden woedde de lavatersche koorts. Lavater zelf verkreeg daardoor ge durende eene reeks van jaren eenen naam, welke bij eenen man, die alleen als burger , als mensch, als godsdienstleeraar, en als lierdichter van den tweeden rang achting verdiende, onbegrijpelijk zijn zou , als hij toen niet reeds het partijhoofd geweest was van allen , die vijanden waren van elken vooruitgang. Wegens den verbazenden ophef, dien de zaak maakte, en wegens den ootmoedig trotschen , in magtspreuken rijken, opgeblazen en tot het be lagchelijke gemaakten toon, waarin Lavater schreef, achtte het de grootste hekelschrijver der Duitschers , Lichtenberg , de moeite waardig , om zich met alle kracht tegen de bemoeijingen van Lavater te verzetten. Lichten berg was een geestverwant van Hogarth, en heeft zich als zijn verklaarder eene plaats onder de voortreffelijkste schrijvers van Duitschland verworven. Hij vereenigde alles in zich , wat noodig was, om door echte satire den heerschenden onzin der overgevoeligheid , der dweeperij en der windmakerij weg te zweepen. Hij trad met kleine geestige stukjes tegen de gelaatkunde als wetenschap op , maar tastte niet zoo zeer Lavater zelven, als meer de ijdele manier aan, waardoor hij en Zimmermann zich in geheel Duitschland voordeden. Hij wilde den gevaarlijken invloed tegenwerken van het gene beiden door groote woorden en wederkeerige lofprijzing aan de natie als eenen grooten zegen opdrongen, handelde derhalve ook in het algemeen over de letterkundige bemoeijingen van zijnen tijd, en wees der natie aan , hoe men hare vooroordeelen en eenvoudigheid misbruikte. Zimmermann, die tegenover eenen Lichtenberg niet in staat was, gronden aan te voeren voor zijne zaak en die van zijnen vriend, behielp zich met een antwoord vol smaadredenen en onbeschoftheden. Dit bezigde Lichtenberg vervolgens als aanleiding, om in eenen korten hekelbrief, die zoo goed als de Anti-Götze van Les sing een meesterstuk is , het geheele doen van eenen Zimmermann en der gelijken , de voorname aanmatiging, het pralen met roem , titels, ridderor den en hooge betrekkingen , de geleerde vennootschappen te brandmer ken. Het ging trouwens met zijne satire even als met die van Lessing: noch Lichtenberg, noch Lessing konden de zucht der Duitschers, om zich te laten bedriegen en bij den neus te laten leiden , uitroeijen . Lavater en Zimmermann bleven dan ook , tot dat andere kwak zalvers hen over troffen en verdrongen , de bewonderde scheppers eener nieuwe wetenschap voor voorname , ijdele en dweepzuchtige lieden. Elk aanzienlijk reiziger, . die door Hannover kwam , zocht daar bovenal Zimmermann te leeren kennen, XVII. 7 98 Nieuwe Geschiedenis. en naar Zurich gingen eenigen tijd lang bedevaarten naar Lavater, als naar den paus te Rome. Sedert dien tijd stonden de partijen veel scherper tegenover elkander, dan vroeger. Lavater en zijne aanhangers neigden zich zelfs tot de room schen en jezuiten . Onder de mannen zijner partij is vooral Jung - Stilling als een in zijne soort merkwaardig verschijnsel op te merken , omdat hij door Göthe, Herder en Lavater , alzoo door mannen van geheel verschil lende rigting, in naam gebragt is. Jung - Stilling was in Westphalen gebo ren, en had de daar algemeen aangenomen voorstelling van eenen ligcha melijk en zinnelijk regerenden God , die de wereld juist zoo geschapen heeft en regeert , als de mensch een horologie maakt of den staat en de huishouding regelt, met de moedermelk ingezogen . Hij was . in het begin kleermaker geweest , en na merkwaardige lotgevallen , waarin hij steeds de regtstreeksche medewerking van Gods hand meende te erkennen , ein delijk hoogleeraar geworden. Zijne zonderlinge lotgevallen , zijne eigen aardige voordragt, zijne opregte vroomheid , het vertrouwen , waarmede hij in zijn geloof vast stond, de wijze, waarop hij de wegen der Voorzienigheid begreep , dit alles maakte hem voor mannen als Güthe en Herder tot een belangrijk verschijnsel. Door hen werd hij vervolgens overgehaald om zijn leven te beschrijven ( 1778) . Deze levensbeschrijving is wel in eenen slechten stijl en in eene min edele taal geschreven , maar zij bragt als eene uit waarheid en verdichtsel gemengde, vroorgevoelige idylle eenen welda digen indruk te weey, daar zij den lezer uit de verwrongene volzinnen en gekunstelde aandoeningen en verwikkelingen der tallooze romans , uit de wonderlijke sprongen der krachtgeniën en uit de misvormingen der humo risten weder in het natuurlijke verplaatste. Het boek maakte onder eene zekere klasse naam , en Jung -Stilling verkreeg daardoor weldra veel meer gewigt, dan hij naar de mate zijner geestvermogens, kundigheden en schrijf wijze verdiende. Dit gaf hem vervolgens aanleiding tot het schrijven van mys tieke romans, die even zeer als die der vroeger vermelde romanfabriekanten van geene beteekenis zijn voor de geschiedenis van de letterkunde der natie. 11. Geschiedschrijvers, Onder de duitsche geschiedschrijvers in de tweede helft der vorige eeuw was Pütter de echte vertegenwoordiger der van het leven vervreemde universiteitsbeschaving en van va de geleerde geleerde en aanmatigende handelwijze, die ook nog op de hoogescholen in stand bleef, toen de omwenteling in letterkunde en beschaving reeds lang begonnen was. Pütter hield te Göt tingen druk bezochte voorlezingen over duitsche regtsgeleerdheid en rijks geschiedenis, en verspreidde in honggeleerde werkengeschiedkundig - regts geleerde wijsheid. Zijn werk over de Juitsche rijksgeschiedenis werd met regt beschouwd als het model der eenige soort van nationale geschiedenis, die toen in Duitschland bestond , de alleen op oorkonden en regtskennis rus tende ; van het opsporen der inwendige ontwikkeling, van bezielde voor stelling van het leven en van de menschen was toen nog geene spraak. Naast Pütter leerde Gatterer te Göttingen . Deze heeft zich vooral door het gene hij voor de aardrijkskunde deed wezentlijke verdiensten jegens de ontwikkeling der algemeene beschaving in Duitschland verworven. Twee andere göttingsche hoogleeraren , Schlözer en Spittler , waren door de wijze, waarop zij leerden en schreven, veel belangrijker, dan Pütter Duitsche letterkunde. Schlözer, Spitt er. 99 en Gatterer. Schlüzer heeft zich vooral door een tijdschrift , waarover eerst later gesproken zal worden , verdienstelijk gemaakt jegens den voor uitgang vanDuitschland tot meerdere vrijheid in het leven. Van zijne geschiedkundige werken is alleen zijne algemeene geschiedenis van eenige beteekenis voor de algemeene letterkunde . Dit boek staat tot de nagenoeg gelijktijdig uitgegeven wijsbegeerte van de geschiedenis der menschheid door Herder juist in dezelfde verhouding , als proza tot poëzij. Schlüzer bezat namelijk alleen zin voor het uitwendige , stoffelijke des levens; hij zag slechts op het verschijnsel, op de zinnelijke grootte en de natuurlijke kracht, en liet verbeelding, gevoel, grootheid van ziel naauwelijks als we zentlijke eigenschappen van den mensch gelden. Bij zijne beoordeeling lette hij derhalve eeniglijk op de deugdelijkheid van het bestuur, op orde, veiligheid, regtspleging. Hij had daarom ook eenen waarachtigen afkeer van het woelige, zich aan alle tucht onttrekkende grieksche volk , hield Chinezen , Mongolen , Turken en Russen eene meer zorgvuldige beschou wing waardig , prees Peter den groote, Lodewijk Ernst van Brunswijk, lord North , en schold daarentegen op Franklin , Lafayette en de holland sche patriotten . Voor het overige heeft Schlözer zich , bij alle eenzijdig heid van inzigt , toch zeer verdienstelijk gemaakt. Hij behoorde namelijk onder de mannen, die aan de voor onzen tijd vereischte geschiedenis den weg baanden, door de beginselen van Bolingbroke en Voltaire ( z. D. XVI. bl. 82 vv. en 88) op onze geleerde beschrijving der geschiedenis toe te passen, en daarenboven met beider oordeelkunde dat , wat beiden ontbrak , gron dige kennis en geleerd onderzoek, vereenigden. Op eene geheel andere wijze dan Schlözer heeft Spittler de geschie denis met het leven zelf in betrekking gebragt en daarvoor vruchtbaar ge tracht te maken . Terwijl namelijk Schlüzer de verschijnselen alleen van de uitwendige zijde opvatte, schreef Spittler in den geest van eenen tijd, die behoefte gevoelde aan vrije staatsinrigtingen. Hij begon met naspo ringen over kerkelijke geschiedenis en canoniek regt , en gaf reeds vroeg een handboek der kerkgeschiedenis uit , dat , even als al zijne werken , voor het beschaafde publiek bestemd was. In dit boek stelde hij bevat telijk en smaakvol de bedriegelijke kunstgrepen der geestelijke heer schappij in het licht , en bestreed niet slechts het pausdom , maar den priestergeest in het algemeen, derhalve ook de geestdrijverij der protestant sche geestelijken en hun streven, om het volk onveranderlijk bij het geloof aan de symbolische boeken te bewaren . Later wijdde Spittler zich geheel aan de staatkundige geschiedenis. Hij schreef voornamelijk de bijzondere ge schiedenis van sommige duitsche vorstendommen , en wel zoo, dat hij die geheel van de staatkundige zijde voorstelde en dienstbaar trachtte te ma ken aan eene vrijere beweging in het staatsleven , hoewel hij als een man, die reeds vroeg het minister -worden op het oog had , bij alle waarheids liefde niet buiten zekere grenzen ging. Hij wees vooral door de geschie denis aan , hoe de duitsche burgers het aanleggen moesten , om overeen komstig het voorbeeld hunner voorvaderen hunne regten zoo wel tegen vorsten en ambtenaren , als ook tegen het meesterschap der bevoorregte standen te beschermen . Op dezelfde wijze ging Spittler te werk in zijn handboek van de europische geschiedenis; want hij wees ook hier bij voor keur den vooruitgang of teruggang van het leven naar staatkundige vrij heid aan . In al zijne schriften wist hij als een helderdenkend man met 7 . 100 Nieuwe Geschiedenis. vasten blik en ingeschapen tact de wezentlijke hoofdzaak van elk tijdperk te treffen . Daardoor, en ook door edelen stijl heeft hij de baan gebroken voor het goed schrijven der geschiedenis; want hij heeft den Duitschers klaar en duidelijk aangetoond , dat niet alles afgedaan is met het wroeten in bronnen en oorkonden . Op dit voetspoor werd hij gevolgd door Dohm, die helaas te vroeg ge heel tot het practische leven overging, die onsdaarom alleen één werk, de ge denkwaardigheden over de geschiedenis van zijnen tijd, nagelaten heeft. Dit boek, derhalve eene geschiedenis, bij wier zamenstelling de schrijver niet uit oorkonden en geschreven bronnen, maar uit regtstreeksche ervaring putte, is bij de Duitschers in zijne soort eenig; want er bestaat geen ander, waarin een duitsch staatsman over de staatkundige aangelegenheden van zijnen tijd eenvoudig, duidelijk, open en eerlijk geschreven heeft. Van schoone woorden is bij Dohm even min eenig spoor te vinden, als van drogredenen. De ge schiedenis wordt van het standpunt van eenen vrijzinnigen duitschen staats man voorgesteld en geenszins, in de manier der doctrinairen, achter gesteld bij het onderrigt over staatkunde, maar gaat daarmede hand in hand. Dohm was eenigen tijd te Kassel aan de instelling van hooger onder wijs werkzaam geweest, die daar nieuw opgerigt was en weldra weder te niet ging. Aan dezelfde inrigting waren ter zelfder tijd twee in karakter, streven en levenslot onderling geheel verschillende mannen, George Forster en Johannes van Müller. De eerste , een der uitstekendste mannen van Duitschland, op wien wij onmiddellijk terug komen , was edel en vrijheid lievend, maar leefde ongelukkig en stierf jammerlijk, omdat hij den schoo nen droom van menschenregten gedroomd had en te laat de naakte wer kelijkheid inzag. De ander leefde als spitsvindig en woordenpralend ho veling, werd als geschiedschrijver vergood en koesterde zich in de terug kaatsing van de gelukzon der vorsten , priesters en van den hoogen adel. Müller heeft eene angstvol bewerkte, van geleerdheid en aanhalingen opge propte geschiedenis van Zwitserland geschreven , die niet alleen ten aan zien van den inhoud, maar zelfs in stijl, gelijk men dit met eene nieuw uitgevonden uitdrukking noemt, geheel objectief gehouden was ; want hij bezigde eenen uitsluitend voor dit zijn werk gevormden stijl, die geheel ver schillend van den hem gewone. Dit boek , waarin Müller den lof der zwitsersche vrijheid verkondigde, en de instellingen , zeden en wetten der middeleeuwen in een nieuw, zeer schitterend licht stelde, verwierf hem eenen buitengewoon grooten roem bij de geleerden en in de voorname wereld. Dit had vervolgens en daarin ligt de voorname beteekenis van het boek -. voor de ontwikkeling van den tijd eene zeer nadeelige wer king. De roem van Müller bewoog namelijk een nieuw geslacht van schrij vers, om zijne manier en taal na te volgen of hem ook hierin nog te over treffen . Ten aanzien van Müllers karakter is de bijzonderheid nog op te merken, dat dezelfde man , die de vrije Zwitsers en hunne vrijheidshelden geprezen had , later te Mentz , Weenen en Berlijn, ja eindelijk zelfs als minister van Hieronymus Bonaparte de rol van eenen hoveling speelde, en in de laatstgenoemde betrekking even zeer het bonapartismus, als vroe ger hierarchie en leenroerige aristocratie verdedigde. 12. Verhouding der letterkunde tot de regeringen en tijdschriften. Aan vrijheid van drukpers , openbaarheid, en een van slaafschen zin was Duitsche letterkunde. Verhouding der regeringen tot haar. 101 bevrijd leven was niet te denken in een rijk , welks geheele inrigting en gesteldheid eene waarachtige tegenstelling met dit alles uitmaakte. Het was derhalve een geluk , dat vele vorsten en ministers, naar het voorbeeld van Jozef II en Frederik den groote, den vooruitgang der natie begun stigden . Enkele voorbeelden zullen genoegzaam zijn om te bewijzen, welk aandeel men toen van boven af nam aan de pogingen naar verlichting, en naar het afwerpen der oude banden. Dat de pruisische regering, zoo lang Frederik de groote leefde , den vooruitgang begunstigde en bevorderde, behoeft naauwelijks bijzondere aan wijzing. Onder hare bescherming verscheen b. v. te Berlijn , tot groote ergernis van alle duisterlingen , de Algemeene duitsche bibliotheek . Het was dezelfde regering, die den deist Eberhard als professor te Halle aan stelde, en den vervolgden Bahrdt daar eene schuilplaats verleende. Ook de regeringen der kleinere staten , behalve die der rijkssteden, begunstigden, of uit ontzag voor den keizer, of voor den pruisischen koning, of, zoo als de vorsten van Dessau en Baden, uit edelen innerlijken aandrang elk voor stel tot verbetering: In Brunswijk werden Lessing en de als illuminaat en omwentelingsgezinde Mauvillon door den hertog zelven beschermd, zoo lang de omstandigheden het slechts eenigzins veroorloofden. In Weimar vereenigde de hertogin -weduwe , Anna Amalia, en haar zoon , Karel Au gustus , mannen als Göthe, Herder en Schiller rondom zich , die eene waarachtige poëzij schiepen , en juist door hun leven aan het hof in staat gesteld werden , om alle klassen der natie voor de nieuwe duitsche letter kunde in te nemen . Zelfs in de katholieke landen trok men zich de vooruit strevende ge leerden aan en betoonde men ijver voor verlichting en verbetering. In het duistere land van Munster trachtte de edele Fürstenberg als minister eene nieuwe orde in wereldsche en geestelijke zaken te vestigen. In de Paltz werd onder Karel Theodoor , die daar geheel andere raadgevers had dan later in Beijeren, gedurende langen tijd Mannheim een hoofdzetel van de duitsche muzijk en der duitsche tooneelkunst. Te Erfurt , dat toen nog tot het keurvorstendom Mentz behoorde, werd de hoogeschool uit eene ze telplaats van duistere voorvechters der misbruiken veranderd in een toe vlugtsoord der stoute verdedigers van het nieuwe licht. Zelfs Bahrdt was daareenigentijdprofessor .Deze stad werd door Karel vanDalberg, die sedert 1771 vele jaren als keurvorstelijk stadhouder in haar doorbragt, opgeheven , omdat ook zelfs Wieland korten tijd daar woonde. Dalberg verwierf zich in dien tijd den roen van eenen duitschen Maecenas en mu sageet, werd als edel en vrijzinnig man vergood en verbond zich met dat gedeelte der illuminaten, dat de katholieke godsdienst tot hare oorspron kelijke zuiverheid wilde terug brengen. Te Mentz zelf waren de twee voorgangers van Dalberg op den aartsbisschoppelijken stoel , Emmerich Jo zef en Karel Jozef, ernstig bezig, om den geest der middeleeuwen uit hun keurvorstendom te verbannen. De laatste vereenigde, om op de hoogeschool van Mentz een nieuw leven te wekken , aldaar een aantal beroemde man nen, die, zoo als Johannes van Müller en George Forster, gedeeltelijk zelfs protestanten waren. Ook te Keulen en te Tricr, zoo wel als te Bamberg en te Würzburg, vertoonde zich de invloed van het ingedrongen nieuwe licht. - Wat de tijdschriften betreft, wij hebben boven (bl. 69) reeds van de Algemeene duitsche bibliotheek gesproken. Gelijk dit tijdschrift het orgaan 102 Nieuwe Geschiedenis. was van Nicolai voor de geleerde vakken, zoo stichtten Wieland en F. H. Jacobi in 1773 er een voor de fraaije letteren. Het nieuwe tijdschrift was, zoo als reeds de titel „ Duitsche Mercurius" te kennen gaf, de nabootsing van een fransch tijdschrift (Mercure de France), en even als dit voor het voorname gedeelte van het publiek bestemd. Zijne oprigting was bloot eene zaak van winstbejag; want Wieland versmaadde, zoo ver dit met zij nen overigens volstrekt eerlijken aard te vereenigen was , geene soort van koopmansslimheid, om aan zijne voortbrengselen een groot publiek en daar door zich zelven en zijn gezin uiterlijke onafhankelijkheid te bezorgen. Het plan, waarnaar Wieland en Jacobi bij hun tijdschrift te werk gingen, bestond daarin, dat zij door dit middel hunne werken altijd eerst als proe ven onder het publiek brengen wilden , en dat Wieland door zijnen alge meen beminden naam de voortbrengselen der beide broeders Jacobi zou helpen verspreiden, waartegen F. H. Jacobi op zich nam, om niet alleen me dewerkers te werven , maar ook het mogelijke te kort te dekken. Reeds uit dit ontstaan van den duitschen Mercurius kan men opmaken, dat daarvan geen hervormende invloed op staat , leven en letterkunde te verwachten was. Wij behoeven derhalve ook niet verder over dit tijdschrift te spreken . Geheel anders is het gelegen met het tijdschrift, dat Schlüzer van 1775 af onder den titel van Briefwisseling , en van 1782 onder den nieuwen titel van Staatsberigten uitgaf. Schlözer was wel hevig , een zijdig en niet geheel onbevangen in zijn oordeel, maar hij was tevens bij zijn sterk gevoel voor regt een vijand van alle dwingelanden en duisterlingen , een ijverig voorstander der natuurlijke regten en van het gezond verstand. Hij bezat bovendien den vereischten moed, om in eenen tijd, waarin elk den magthebbers aanstootelijk woord gevaarlijk was , toch tegen hen op te komen . Hij wijdde eindelijk zijn tijdschrift niet aan de wetenschap en geleerdheid, maar aan het leven zelf, en wel zoo , dat hij de verbetering van diens gebrekkige leiding tot het doel zijner werkzaamheid maakte. Overigens bezat Schlözer, hoewel hij driftig en hevig van aard was, ook de bij den toenmaligen toestand der duitsche drukpersvereischte voorzigtigheid. Dit bewees hij reeds in het begin door geene hannover sche zaken aan te roeren. Zijn tijdschrift deed eene geheel buitengewone werking en werd voor alle groote en kleine dwingelanden eene geduchte magt, te meer daar Schlüzer zorgde, alleen gebeurde dingen mede te dee len . Hij tastte nu eens de stedelijke aristocraten, dan weder de hoog ge boren rijksridders, vervolgens de vorstelijke heeren van den wereldlijken of geestelijken stand aan. Vergeefs wendden zich de aangevallenen tot den opperheer van Schlözer, koning George III van Engeland; deze was zijn tijdschrift genegen, omdat Schlözer nadrukkelijk partij gekozen had tegen de Noord-Amerikanen. Ook keizer Jozef II liet zich zeer gunstig uit over den strijd van Schlözer tegen de jezuiten en over zijne aanwijzing van geestelijke misbruiken. De overheden zelven zagen langzamerhand in , hoe nuttig het was, dat van tijd tot tijd ook eens aan het licht gebragt werd, watetot nu door ambtenaren en kanselarijen in geheimzinnig duister ver borgen was gebleven. Gelijktijdig met het tijdschrift van Schlözer ontstond een ander, voor de nationale letterkunde bestemd, het door Dohm gestichte en eerst door hem en Boie, vervolgens door den laatste alleen bestuurde Duitsche Mu seum. Dit is ongetwijfeld het beste tijdschrift van het groote publiek, dat Duitsche letterkunde in de 18de eeuw. Tijdschriften. 103 ooit in Duitschland uitgekomen is. Het was het Duitsche Museun , waarin onze uitstekendste prozaschrijvers even zoo de eerste proeven van hun werk plaatsten, als de door Boie geredigeerde muzenalmanak de beste gewroch ten uit het gebied der ligtere poëzij bevatte. Om deze reden geeft het Duitsche Museum eenigermate een chronologisch overzigt van al de pogin gen,, waardoor onze letterkunde en taal op dezelfde hoogte met de fransche en engelsche gebragt zijn . De medewerkers waren ten aanzien van rig ting, ontwikkeling en denkwijze onderling zeer verschillend; maar allen kwamen in één punt , in den ijver voor de geestelijke wedergeboorte der natie, overeen. Boie en Dohm bezaten al de tot het besturen eener zoo danige onderneming vereischte eigenschappen : zij waren in geheel Duitsch land geacht en bezaten eenen gezuiverden smaak , groote en veelzijdige kundigheden en , wat onder de duitsche geleerden zeer zeldzaam is, eenen juisten practischen tact. Het werk werd hun gemakkelijker gemaakt door de innige vriendschap, die toen al de voor de verheffing en veredeling der natie met ijver bezielde mannen , ook zonder persoonlijke bekendheid, onderling verbond. Zelts de aristocratie der göttingsche geleerden achtte het noodig, hare trotsche afzondering van de nationale letterkunde op te geven entot de ontwikkeling van een nieuw algemeen leven van den geest mede te wer ken. Zij gaf onder de leiding van George Forster en Lichtenberg het Göttingsche Magazijn der wetenschap en letterkunde uit, een tijdschrift, dat even als het Duitsche Museum nog heden als afzonderlijk werk waarde bezit. Hoofddoel daarvan was, om enkele gedeelten der wetenschap voor het geheele volk toegankelijk te maken en daarbij tevens de mode gewor den gevoeligheid, beuzelarij, schijnvroomheid en dolle overspanning tegen te werken. Al de göttingsche hoogleeraars, die zich bekwaam gevoelden, om in den geest enin de geheel nieuwe taal van den tijd te kunnen schrij ven , leverden bijdragen tot dit tijdschrift; en zij bewezen zich daarin prac tisch degelijker, dan de geprezen Basedow en Campe en de sentimenteele boekenmakers van dien tijd. Zelfs de geheel achter oorkonden en folian ten verschanste rijksgeschiedschrijver en regtsleeraar Pütter en de oude god geleerde Michaelis sloten zich bij hunne ambtgenooten aan. Kästner gaf eene verhandeling over Kepler , waarin hij de noodzakelijkheid van eenen vrijeren toestand der Duitschers trachtte aan te toonen. Forster leverde stuk ken over Otaheite en over Buffon, die tot de merkwaardigste stukken van onze prozaische letterkunde behooren. Schlözer trad ook in dit tijdschrift, even als in zijn eigen, met de sterkste uitdrukkingen op tegen het misbruik van het gezag der regering in kleine staten . Heyne schetste het verval van het engelsche schoolwezen , om den Duitschers te bewijzen , hoe noodig het was, dat de geleerde scholen van tijd tot tijd hervormd werden. Lich tenberg deelde onder anderen eene zijner beste satires mede, namelijk zij nen zendbrief van de maan aan de aarde , waarin de gevoelkoorts der laatste tijden op eene hoogst fijne en treffende wijze wordt aangetast. Ook de vriend vanLessing, Reimarus, leverde bijdragen tot dit tijdschrift. Een ander te Göttingen uitgegeven tijdschrift, dat trouwens eerst in 1787 aangevangen werd, was het door Meiners en Spittler bestuurde Güt tingsche geschiedkundige magazijn. Het eerste deel daarvan bewees reeds, hoe voortreffelijk Spittler de beginnende fransche omwenteling vruchtbaar wist te maken voor de staatkundige verlichting der Duitschers, en hoe zeer 104 Nieuwe Geschiedenis. het te betreuren was, dat zulk een man terstond daarna zijne letterkundige werkzaamheid opyaf en zoo wel zich zelven, als zijn vaderland ontrouw werd. Reeds eenige jaren vroeger ( 1784) had K. F. van Moser ( z. bl. 62) door zijn Patriottisch Archief op dergelijke wijze getracht te werken. Hij had echter minder, dan Schlüzer en Spittler, de staatswetenschappen in ruimeren zin en de geschiedenis des tijds op het oog. Moser bragt met de grootste stoutheid de zedelijke gebreken der hoven, de geweldenarijen der regeringen en geregtshoven en andere schreeuwende misbruiken in de duitsche staten aan het licht, niet om geschiedkundige berigten mede te deelen, maar om te verbeteren . Bovenal was hij bedacht, om het alleen dienen voor het geld, de algemeene valsche voorstelling van de betrekking der staatsburgers tot de overheid, den slaafschen , elk vaderlandsch gevoel missenden geest der ambtenaren te bestrijden en ook de spitsvondige regts geleerden en geschiedonderzoekers te brandmerken, die in dienst van hun nen heer eene zaak als regt verdedigden , die zij als dienaren van eenen anderen heer onregt zouden genoemd hebben . Moser trachtte ook de hoofil oorzaak aan te wijzen , waaruit deze slaafsche zin en karakterloosheid , zoo wel als het heerschend gebrek aan vaderlandsliefde en zedelijken moed , ontstond. Hij geloofde, die te moeten zoeken in den toestand der hooge scholen en van het wetenschappelijke leven, en tastte daarom ook de ijdel heid en den kastegeest der professoren, het ruwe studentenleven, het werk tuigelijk en alleen geheugenwerk bedoelende studeren allerhevigst aan. Dit alles deed een man, die geen nieuwigheidszoeker, geen bijtendºhekelschrij ver of geestdrijver, geen vrijzinnig droomer, maar een droog, stijf, prac tisch, historisch -staatkundig bedrijvig man van den ouden tijd was, die als ambtenaar en zelfs als minister van kleine vorsten zijne ondervinding op : gedaan had. Moser behoorde zelfs geheel tot den ouden tijd ; want hij had dien niet eens in zijnen stijl kunnen te boven komen , was de ijverig ste aanhanger van de oude regtzinnigheid en kerkelijke leerstellingen en deelde dan ook midden onder zijne hevige bestrijdingen van oude misbrui ken vrome artikelen mede, die eer in een stichtelijk boek , dan in een va derlandsch archief op hunne regte plaats zouden geweest zijn. Daardoor benadeelde hij ook zijne eigentlijke bedoelingen en kon niet volbrengen , wat hij wenschte en de tijd eischte. Bijna gelijktijdig met Moser begon de heer van Göckingk zijn Jour naal van en voor Duitschland, dat even zeer alleen aan duitsche belangen gewijd was. Hierin zoude naar het voorbeeld van engelsche bladen de in wendige geschiedenis der duitsche landen op zulk eene wijze besproken worden, dat de bijzondere personen meer dan de maatschappij het onder werp der beoordeeling zouden uitmaken en dat alles , wat op regtsgronden niet aangetast kon worden , voor de regtbank van het onbevooroordeelde menschenverstand gebragt worden zou. Zulk eene proeve was zelfs hoogst moeijelijk voor cenen man, die als lid der ridderschap, als vaderlander en dichter wijd en zijd geacht was en nog daarenboven als zeer rijk de ver eischte middelen bezat, om voor zijn tijdschrift groote geldelijke offers te kunnen brengen. Göckingk had reeds bij het begin zoo veel verdriet van zijne stoute onderneming, dat hij in 1785 reeds terug trad en die geheel aan zijnen vriend , den wakkeren domheer en president van Bibra te Fulda, overliet, met wien hij vroeger gemeenschappelijk de redactie geleid had. Deze zette nu de onderneming voort in den geest des oprigters. Overi Fransche omwenteling. De Etats - généraux. 105 gens had Göckingk het blad met een artikel geopend, dat niet beter ge kozen hadde kunnen worden. De eerste stukken van het nieuwe tijdschrift bevatten namelijk eene briefwisseling, die een vrijheer van Münster -Land egge met de regering van eenen kortelings tot vorst verheven graaf van Hohenlohe over eenen belagchelijken rangtwist voerde. Deze briefwisseling was niet alleen merkwaardig door den lompen kanselarijstijl der ambtena ren van dien tijd, maar zij stelde ook regt duidelijk in het licht den voor ons bijna onbegrijpelijken trots en hoogmoed der toenmalige rijksridders, die nu weder te herleven schijnt en die van de kleine rijksvorsten, zoo wel als de daaruit ontspringende belemmeringen voor de bespreking van staatkundige belangen. Met den spoedigen voortgang der fransche omwenteling hield zoo wel dit orgaan der openbare meening in staatkundige zaken, als het tijdschrift van Schlözer op ; want de behoudende angst, die zich toenmaals van de vorsten , edellieden, bevoorregten en toongevende geleerden meester maakte, veroorzaakte eene terugwerking, waarmede eene vrijmoedige beoordeeling der duitsche belangen volstrekt onverdragelijk was. XV. DE FRANSCHE OMWENTELING TOT AAN HET UIT BREKEN VAN DEN OORLOG IN 1792. 1. TOT DE BESTORMING DER BASTILLE ( 14 julij 1789) . Op den 5 mei 1789 werd de vergadering der algemeene staten geo pend. De omstandigheden , waaronder zij hunne werkzaamheden aanvin gen, waren in de hoogste mate ernstig en bedenkelijk. Dit zou , zoo het , al niet uit den geheelen zamenhang der inwendige geschiedenis van Frank rijk onder Lodewijk XV en XVI volgde, reeds daaruit blijken , dat zich gedurende de verkiezing der afgevaardigden overal een omwentelingszuch tige geest en toon geopenbaard had, en dat reeds acht dagen voor hunne bijeenkomst met de plundering en verbranding der woning van eenen rij ken parijschen aristocraat die woeste omwentelingstooneelen begonnen , die later bijna dagelijks voorkwamen. Onder de afgevaardigden der drie stan den bevonden zich onbetwistbaar de uitstekendste mannen van Frankrijk, mannen , die in de oude strenge scholen van Frankrijk hunne opleiding genoten hadden en niet slechts met degelijke kundigheden, maar ook met kennis van zaken toegerust waren . De vergadering was uit de beide uiter ste partijen , die toenmaals bestonden , zamen gesteld ; want aan de eene zijde had de adel , behalve een klein aantal vrijzinnigen , de hevigste tegen standers van elke verbetering gezonden , en aan de andere zijde de bur gerstand bij voorkeur vrienden van doortastende verbeteringen gekozen . Toch was het democratische bestanddeel in meerderheid aanwezig . Er be vonden zich namelijk, geheel buiten de vertegenwoordigers van den derden stand, onder die der geestelijken twee honderd en vijf pastoors, die meest al door geboorte en gezindheid tot den burgerstand behoorden, en van den adelstand huldigden aan de eene zijde velen , zoo als Lafayette , de heer schende staatkundige denkbeelden , en aan de andere zijde ontbraken de een en twintig afgevaardigden van Bretagne, omdat de adel aldaar, uit verbittering over den loop der zaken , geene keuzen gedaan had. 106 Nieuwe Geschiedenis. Onder de afgevaardigden van den derden stand bevonden zich niet minder dan twee honderd advocaten , ongetwijfeld een te groot getal , om dat die soort van menschen gewoon en genoodzaakt is , om ook aan de slechtste zaak eene goede zijde te zien en die door spitsvondigheid en fraaije woorden te verdedigen. Onder deze advocaten behoorde ook Robespierre de oude van Arras , die echter in de eerste nationale vergadering slechts eene zeer ondergeschikte rol speelde. Nog schadelijker , dan de vele ad vocaten , waren misschien juist de edelste leden der vergadering, namelijk de met geestdrift voor regt, deugd en vrijheid vervulde mannen, die dwee pend en droomnend onder wakenden gekomen waren. Deze mannen werden te gemakkelijker op een dwaalspoor geleid, naar mate zij opregter en reiner van zin waren, hoe grooter gewigt zij aan spreekwijzen en stelsels toeken den en hoe minder zij de menschen doorzagen. Zij werden als onpracti sche mannen, zonder dat zij zelven het bemerkten, de speelpop van lieden, die geheel alleen op het uiterlijke bedacht waren en wier soort thans bij uitsluiting als die der practische menschen geprezen wordt. Onder de edele idealisten van den eersten tijd der fransche omwenteling is Lafayette ons reeds als een man bekend geworden, die bereid was, alles voor zijne over tuiging op te offeren. Hij bleef den droom zijner jeugd tot aan het einde des levens getrouw , wat voor hem zelven hoogst roemrijk , maar voor de goede zaak meermalen zeer nadeelig was. Door eene even sterke dwee pende geestdrift en door even onwankelbare trouw aan zijne idealen on derscheidde zich de pastoor, later bisschop Gregoire , een ijverig jansenist. Hij kwam als een man van edel gemoed en opregte geestdrift, maar zon der eenige wereld- en menschenkennis, van zijne eenzame dorpspastorij naar de verdorvene parijsche wereld en sloeg daar in zijn vroom ijvervuur tegen hof, pausdom en zedeloosheid van het begin af ecne geheel demo cratische rigting in . Een derde uit de klasse der geestdriftigen, Barnave, keerde zich reeds op het tijdstip, toen koning Lodewijk eene mislukte po ging ter ontvlugting beproefde en door hem op last der nationale verga dering naar Parijs terug gebragt werd ( junij 1791 ) , van republikeinschge zindheid tot koningsgezinde gevoelens. Hij moest daarvoor onder het schrikbewind met het leven boeten . Hetzelfde lot moest Bailly ondergaan voor de philanthropische ijdelheid en de sentimenteele gecstdrift, waardoor hij zich uit het studeervertrek in het practische staatsleven had laten me deslepen. Bailly was een zeer geleerd sterrekundige en had zich boven dien door een geschrift over den oorsprong der kunsten en wetenschappen beroemd gemaakt , waarin hij even zeer voor het verledene, als later als afgevaardigde van de stad Parijs in de nationale vergadering voor het te genwoordige, bespiegelend dweepte. De tot de klasse der geestdrijvers behoorende afgevaardigden werden, zonder dat zij het bemerkten , door de mannen van geheel tegenover gestelde soort gebruikt en bedrogen , die schranderheid , menschenkennis en stout heid genoeg bezaten , om boven de beweging te staan en die naar hunne bedoeling te besturen . Onder deze mannen waren graaf Mirabeau en de bisschop van Autun, Talleyrand Perigord, de belangrijksten. Beiden wa ren elkander volkomen gelijk ten aanzien van wereldkennis en der midde len om invloed te oefenen, en ook ten opzigte der zedelijkheid ; daarente gen onderscheidde de eerste zich boven den tweede door edeler bedoelin gen en waarlijk nationale gezindheid . Zij behoorden beiden tot de hooge > Fransche omwenteling. De Etats - généraux. 107 aristocratie en waren zoo met schulden overladen , dat zij de gewone uit gaven van voorname heeren niet langer konden volhouden. Beiden waren geheel practische menschen, belachten alle mogelijke zedelijke of staatkun dige geestdrift en bezigden hunne bekwaamheid, ondervinding en betrek kingen, om zich door het bevorderen van nieuwe toestandende middelen tot nieuwen glans en genietingen te verwerven. Mirabeau was de zoon van den bekenden ijveraar voor het staathuishoudkundige stelsel van Quesnay ( z. D. XVI. bl . 271 vv. ) , en had zijn vroeger leven in uitspattingen en ondeugden der ergste soort doorgebragt, maar daarbij ook tevens zijnen geest door ingespannen werkzaamheid gesterkt en zich niet uit boeken, maar in het verkeer des levens eene diepe kennis der menschelijke harts togten, zwakheden en slinksche wegen verworven. Door uitspattingen en verkwistingen had hij zijnen zeer hartstogtelijken, tegen vrouw en kind willekeurigen vader zoo zeer verbitterd , dat deze hem door middel van een koninklijk bevelschrift ( lettre de cachet) gedurende langen tijd had doen ge vangen zetten. Later had de jonge Mirabeau eene aanzienlijke gehuwde dame verleid , en was met haar naar Holland gevlugt, waar zij vervolgens schandelijk door hem verraden en verlaten werd. In Holland had hij als schrijver in zijn onderhoud voorzien. Zijn vader had hem intusschen als ecne schandvlek der familie vervolgd , en in 1777 was de jonge Mirabeau ten gevolge daarvan gevangen genomen , naar Frankrijk gebragt en daar weder vele jaren lang in de gevangenis gehouden. Nadat hij weder los gelaten was, had hij zich door de regering als voornaam spion aan vele hoven , bijzonder aan het pruisische, laten gebruiken. Daardoor werd hij naauwkeurig bekend met de hoven , het staatsregt en de instellingen van Duitschland , een toen in Frankrijk zeer zeldzaam voorregt, dat ook de vriend van Mirabeau , Talleyrand , sedert zijne studentenjaren te Straats burg bezat. Toen de verkiezingen voor de algemeene staten gehouden werden, hadde de regering Mirabeau even gemakkelijk kunnen winnen , als hij zich later door haar winnen liet ; maar de adellijke kiezers van Pro vence ( waar hij te huis behoorde) , door welke hij tot afgevaardigde hoopte verkozen te worden, stieten hem zelfs als onbevoegd uit hun midden. Door den adel versmaad , nam Mirabeau de rol op zich van kampvechter voor de regten van den burgerstand. Hij verwisselde derhalve, om als burger lijk afgevaardigde van de stad Aix gekozen te kunnen worden, zijnen gra felijken titel met den naam van eenen burger en lakenkooper. Ook werd hij daar werkelijk gekozen , hoewel zeker niet om de zoo even vermelde omstandigheid, maar omdat zijne familie te Aix zeer bekend was en hij zelfs als bekeerling een groot persoonlijk vertrouwen inboezemde. Behalve Mirabeau en Talleyrand onderscheidde zich onder de zooge noemde practische mannen in de rijksvergadering vooral de abt Sièycs. Deze had zich vroeger door geleerde werken als spitsvondig redekunstige doen kennen , maar eindelijk door onderscheidenestaatkundige geschriften den grootsten roem verworven. Bovenal had hij tijdens de vergadering der notabelen van 1788 onder den titel „ Wat is de derde stand ?” een gescriſt uitgegeven, waarin het lievelingsdenkbeeld des tijds, dat alleen de burger stand de natie was, helder en verstaanbaar voorgesteld was. Dit geschrift was door rijke lieden in tallooze afdrukken vorspreid geworden en had zijnen vervaardiger zulk een groot aanzien verschaft, dat hij door de stad Parijs tot eenen harer afgevaardigden verkozen werd. Sièges speelde als zoodanig 108 Nieuwe Geschiedenis. 1 en ook in den geheelen verderen loop der omwenteling, de rol van eenen hoogst bekwamen sophist. Hij won inzonderheid daardoor groot aanzien en gewigt , dat hij de kunst verstond, om midden onder de lang gerekte redevoeringen van anderen en bij het weifelen der gevoelens het regte punt of het juiste woord te vinden, en dat hij door denverheven nevel, waarin hij zich hulde, het aanzien van eene godspraak verkreeg, wier korte spits vondige uitspraken dikwerf beslissend waren . Naast Sièyes , Mirabeau en Talleyrand is de hertog van Orleans naauwelijks te noemen , ofschoon men hem van tijd tot tijd even zeer groote beteekenis heeft toegekend. Zijn ge heele invloed op de omwenteling bepaalde zich in der daad daartoe, dat de sommen , die men hem wist te ontlokken , anderen als middel dienden, om de beweging altijd meer vooruit te brengen. Eenen partijaanhang heeft de hertog van Orleans nooit gehad. Even min was bij hem sprake van een vast plan. Ook zou hij, zelfs als hij het gehad had, niet in staat geweest zijn, om dit standvastig op te volgen. Wenden wij onzen blik van de hoofdpersonen der vergadering naar de regering, dan vertoont zich tegenover de alles met zich medeslepende magt van den tijdgeest niets dan zwakheid, tweedragt en weifeling. Daar door bevorderden het hof en de regering zelven de beweging. Necker, toen de belangrijkste man in het ministerie ,moest dit zelfs bewust en opzette lijk doen, omdat hij bij den haat, dien het hof tegen hem koesterde, slechts door het overwigt van den derden stand zijn doel bereiken kon ; hij was echter natuurlijk niet in staat , om de beweging weder te doen ophouden. De koning zelf was een van die zoogenaamde goede menschen, die elken indruk volgen , alle gevoelens willen bevredigen , en ten gevolge daarvan de speelbal worden van vrouwen en huichelaars. Hij wankelde altijd heen en weder, al naar dat of zijne gemalin, de prinsen en de hovelingen, of de magt der gebeurtenissen en de vrees voor de alles vooruit drijvende hoofden dervergadering den meesten indruk op hem maakten. De laatsten wisten reeds sedert lang, dat men van hem door volhouden en schrik alles, maar op andere wijze niets verkrijgen kon. Hoe weinig inzigt de koning en die hem omringden van den waren staat van zaken hadden , bleek reeds op den dag voor de opening van de vergadering. In plaats van namelijk het onder scheid der standen en de voorregten, waarover zoo hevig geschreven werd, ten minste op dit oogenblik te verbergen, maakte men die bij het gehoor, dat men den afgevaardigden op den 4 mei verleende, nog regt in het oog vallend. Den adel werd voor deze audientie eene prachtige kleeding, den derden stand eene eenvoudige voorgeschreven ; de twee eerste standen wer den in eene andere kamer ontvangen, dan de derde; voor de eersten werden beide de vleugeldeuren , voor de laatste slechts eene geopend. Overigens kan men uit de voorschriften (cahiers ), die door de kiezers aan de afge vaardigden gegeven waren, den verwarden toestand der zaken en de alge meene ontevredenheid op de duidelijkste wijze inzien . Men doorziet daaruit tevens, hoe de natie in den tuimel, die alles had aangetast, zich reeds toen tot het onbepaalde , denkbeeldige, bespiegelende en daarom onbereikbare liet wegslepen, en hoe weinig de regering ook bij de grootste standvastig heid en volharding in staat geweest zou zijn, om den stroom des tijds tegen te houden . Terstond na de opening der vergadering ( 5 mei ) ontstond bij gelegen heid van het onderzoek der volmagten een twist over de vraag, of elk der Fransche omwenteling. De Etats - généraux. 109 drie standen op zich zelven en met afzonderlijke stem beraadslagen en be slissen, of dat alle drie zich in eene enkele vergadering vereenigen zouden. Deze twist bragt de magteloosheid der regering en het zedelijk overwigt van den derden stand op schitterende wijze aan den dag. De ministers hadden het namelijk in hunne openingsrede niet gewaagd , de vereeniging der drie standen te gelasten , zij hadden die veeleer slechts als iets wen schelijks aangeduid. Daarentegen wisten de afgevaardigden van den derden stand hunnen wil spoedig door te zetten. Zij schiepen zich van den aan vang af een gezag , waardoor zij der regering altijd op nieuw vrees aan joegen en te gevolge daarvan alles verkregen. Tot het bekomen van dit gezag was de regering zelve hun reeds vroeger behulpzaam geweest, door den kiezers toe te staan, bijeen te blijven ennog andere zaken behalve de verkiezingen af te doen. Er waren derhalve wezentlijke staatkundige clubs tot stand gebragt, die zich als vertegenwoordigers hunner medeburgers be schouwden en als zoodanig handelden. De parijsche kiezers - vergadering van den derden stand verstoutte zich zelfs reedsop den 8 mei tot een bepaald protest tegen een besluit van den staatsraad. Twee dagen later verklaarde zij zich permanent, of met andere woorden, zij besloot eene soort van tweede of parijsche nationale vergadering uit te maken. Reeds in junij werd eene deputatie uit haar midden, in spijt van het daartegen uitgevaardigde verbod der regering, door de wezentlijke nationale vergadering eervol ontvangen. Behalve dekiezers - vergaderingen namen de aanvoerders van den derden stand van het eerste begin af hunne toevlugt ook tot ruw geweld , omdat zij zeer goed wisten, dat daardoor alleen de tegenstand der versteende aris tocratische gemoederen gebroken kon worden . Reeds op den 9 mei liet de parijsche kiezers- vergadering eene deputatie der vischwijven, en ook terstond daarna eene andere der fruitvrouwen en eene derde van de dames der halles in hare zitting toe, om zich door haar te laten bedanken en de zorg voor het zoogenoemde volk aan te bevelen. Deze vrouwen ontvingen zelfs geld van de vergadering, en werden daardoor aangemoedigd tot nieuwe vertooningen. De waarlijk vaderlandsgezinde en edele mannen, die dit deden , vermoedden in hunne opgewondenheid de verschrikkelijkegevolgen hunner handelwijze niet. Ook de openbaarheid der zittingen en het drukken der handelingen van de staten werkten reeds in mei mede ter bereiking van de oogmerken der hoofden van den derden stand. De toehoorders in de vergadering, der staten , die reeds spoedig daarna uit omgekocht gemeen bestonden, juichten elk stout woord toe, terwijl tevens de aristocratisch gezinde leden buiten de zaal beleedigd werden . Het drukken der beraadslagingen bragt dag bladen , die in den hevigsten toon geschreven waren , in aller handen, en het onderhoud bepaalde zich voortaan zelfs in de bijzondere kringen tot de staatkundige partijvragen. De twist over hetafzonderlijk of gemeenschappelijk onderzoek der vol magten duurde eene geheele maand. Het hatelijke daarvan viel geheel alleen op de gehate meerderheid van de afgevaardigden der twee hoogere standen, omdat de minderheid van beiden, door Talleyrand, Gregoire, La fayette en den hertog van Orleans aangevoerd, elken stap van den derden stand krachtig ondersteunde. De twist eindigde eerst, toen de burgerlijke afgevaardigden zich genoeg verzekerd hadden van de stemming des volks en van de zwakheid der regering, om geheel veilig eenen beslissenden stap te kunnen doen. Deze stap bestond daarin , dat de derde stand op den 110 Nieuwe Geschiedenis. > 10 junij het besluit nam, om zich als volksvergadering te constitueren , als de andere standen zich niet met hem vereenigden tot het onderzoeken der volmagten. De uitvoering van dit besluit , dat reeds twee dagen daarna doorging , werd gemakkelijk gemaakt door de scheuring , die onder de geestelijkheid en den adel bestond. Reeds op den 13 voegden zich drie geestelijken en in de volgende drie dagen nog zestien andere bij de ver gadering van den derden stand. Op den 16 en 17 sleepten nu Sièyes en Mirabeau, de eigentlijke aanvoerders van den derden stand , haar tot den laatsten stap mede, waardoor de omwenteling in vollen gang gebragt werd. De afgevaardigden van den burgerstand verklaarden namelijk , dat eene uit de vertegenwoorders van zes en negentig honderdste deelen der natie be staande vergadering zich niet langer door de afgevaardigden van zekere klassen van staatsburgers in werkeloosheid kon laten houden , dat zij zich derhalve onder den naain van nationale vergadering plegtig als vertegen woordigster van het fransche volk constitueerde, en niet voor de voltooijing van de wedergeboorte des rijks uiteen zoude gaan . Om zich tegen eene mogelijke ontbinding door de regering in veiligheid te stellen , nam men nog een ander besluit, waarbij ook de tot hiertoe alleen der regering toe komende uitdrukking décréter gebezigd werd. Alle tot hiertoe, zoo luidde het , gehevene belastingen waren onwettig, omdat zij niet door de natie toc gestaan waren ; zij zouden verder nog wel geheven mogen worden , maar slechts tot op het oogenblik , dat de nationale vergadering , uit welke oor zaak ook , ontbonden werd . Deze verklaring werd , om het volk en de mannen van geld in het belang der vergadering te trekken , met de bij voeging vermeerderd, dat de nationale vergadering niet slechts de oorzaken der bestaande duurte opsporen , maar ook tot aan de invoering van cene nieuwe staatsregeling zorg dragen zoude voor de betaling van de renten der staatsschuld . De koning verschrikte over deze besluiten en gaf zijne afkeuring daar van te kennen . De beweging was echter niet meer te stuiten , en de door den derden stand gedane stap had , onder luide toejuiching der natie, het hoogste gezag van den koning op de volksvertegenwoordigers overgebragt. Aan de zijde van het hof kwam men nu op het denkbeeld , om zijne toe vlugt te nemen tot het houden eener zoogenoemde koninklijke zitting van de drie standen , en daarin geheel onverwacht eene door de regering ont worpene staatsregeling voor te schrijven. Wegens de voor zulk eene zitting noodzakelijke toebereidselen zouden de zittingen op den 20 en 21 junij uitgesteld worden. Van dit bevel ontving echter onbegrijpelijk genoeg do voorzitter der nationale vergadering , Bailly, eerst zeer kort voor het uur, waarop de door hem tegen den 20 junij aangekondigde zitting geopend moest worden, officiele kennisgeving: Ten gevolge daarvan was de mecr derheid der afgevaardigden reeds bij den ingang van de zaal der zittingen aangekomen, die de regering had doen sluiten en met eene wacht bezetten . Het was niet te betwijfelen, dat de regering maatregelen van geweld in den zin had ; de afgevaardigden besloten derhalve, om aan eene zwakke regering het hoofd te bieden. Zij begaven zich , omringd door eene groote volks menigte, naar de zaal der koninklijke kaatsbaan, hielden daar staande ceno van groote woorden rijkelijk voorziene beraadslaging en namen met alge meene stemmen tegen ééne een besluit, waardoor de overmagt ( les volke bepaaldelijk verkondigd werd. Dit door de afgevaardigden plegtig bezwo Fransche omwenteling. Constitutionele nationale vergadering. 111 ren en onderteekend besluit luidde: „ De nationale vergadering, die aan het rijk eene nieuwe staatsregeling geven moet, mag zich door niets in de voort zetting harer beraadslagingen laten belemmeren ; hare leden verpligten zich derhalve door eenen eed, om niet uiteen te gaan, maar zoo lang steeds weder op cenige plaats zamen te komen , tot dat de staatsregeling voltooid en op vaste grondslagen gevestigd is.” Reeds op den eerstvolgenden dag na dit gewigtige besluit gingen honderd en veertig afgevaardigden van de geeste lijkheid tot den derden stand over, zoo dat nu de meerderheid der geeste lijken met hem vereenigd was. Hetzelfde deden twee leden van den adel ; vier en veertig andere leden protesteerden echter onmiddellijk daarna tegen de besluiten der meerderheid van hunnen stand. Op den 28 junij werd de koninklijke zitting gehouden. Het ontwerp van staatsregeling , dat de koning daarin aan de standen voorstelde , was wel door Necker opgesteld , maar de koningin en haar aanhang hadden daarin zoo veel veranderd, dat Necker het niet meer als zijn werk erkennen wilde en, om dit opentlijk te toonen, de koninklijke zitting niet bijwoonde. Van deze omstandigheid waren de hoofden der vergadering reeds vooruit door vrijzinnige adellijke heeren verwittigd. De voorgestelde staatsregeling werd vooraf gegaan door vijftien gebiedende artikelen, die tegen de nieuwig heidszucht gerigt waren, en eene doortastende wijziging der staatsinrigting regtstreeks verboden. In de rede echter, die de ministers den koning deden uitspreken, lag cen dreigende toon, die bij zijn bekend zwak karakter vol strekt niet paste, en dien zich zelfs een Lodewijk XV niet tegen het par lement veroorloofd zou hebben. De koninklijke redevoering eindigde met de woorden : ,, Ik beveel u, mijne heeren , terstond uiteen te gaan , morgen vroeg u in de voor elken afzonderlijken stand bestemde zaal te begeven en daar uwe zittingen weder aan te vangen. Ik beveel derhalve tevens mijnen opper -ceremoniemeester, de zalen in orde te doen brengen." Deze woorden,, na welke de koning de vergadering terstond verliet, werden het teeken der omwenteling; want zij dienden slechts om der natie te bewijzen , dat uit haar eene sterkere magt voortgekomen was , dan die des konings. Zij zouden alleen dan gedwee geweest zijn , als men , gelijk Bonaparte op den 19 brumaire deed , niet slechts de zaal der zittingen door soldaten omringd, maar ook door dezen de afgevaardigden werkelijk weggejaagd had. De burgerlijke afgevaardigden bleven in spijt van het koninklijke bevel in de zaal. Voor dat, wat van hunne zijde thans gebeuren moest, was hun voorzitter Bailly met zijne academische spreekwijzen en zijne gevoelvolle vaderlandsliefde volstrekt de man niet. Mirabeau nam derhalve, even als of hij voorzitter was, het woord en bezigde eenen geheel nieuwen toon tegen de regering. Hij riep den ceremoniemeester met zijne donderende stem toe : ,,Gij, mijnheer , kunt niet in naam des konings tot de nationale vergadering spreken ; gij hebt hier noch zitting , noch stem , noch ook het regt, om ons aan het door den koning gesproken woord te herinneren. Zeg uwen heer, dat wij hier door den wil des volks vergaderd zijn , en dat men ons slechts door het geweld der bajonetten uit de zaal verwijderen zal!" De koning, wien overigens deze woorden, misschien wel eenigzins veranderd, overgebragt werden , gedroeg zich toen even zwak en flaauw , als in 1787 in het parlement tegenover den onbeschaamden hertog van Orleans ( z. bl. 37 ). Hij gaf , toen men hem den tegenstand der afgevaardigden tegen zijn bevel mededeelde, ten antwoord : „ Welnu , als de heeren van den derden 112 Nieuwe Geschiedenis. > stand de zaal niet verlaten willen , moet men hen daarin laten !” Dit be moedigde vervolgens de republikeinschgezinde afgevaardigden , om de ver gadering tot een uittartend besluit mede te slepen, waardoor alle schroom vallige leden stout gemaakt zouden worden. Alle afgevaardigden werden namelijk onschendbaar verklaard , en over alle burgerlijke en militaire beambten, die eenig koninklijk bevel tegen hen ten uitvoer zouden leggen, eene soort van vogelvrijverklaring uitgesproken. De koning verleende aan den hardnekkigen overmoed, wat hij vroeger aan vriendelijke verzoeken geweigerd had ; hij was derhalve zelf oorzaak, dat het volk en de soldaten voortaan noch vertrouwen op de regering, noch vrees voor haar hadden. Hij verzocht Necker, die het ministerie had willen verlaten , de zaken weder op te vatten , en liet zich vervolgens tot eenen maatregel overhalen, die zijne eigene magteloosheid nog duidelijker in het licht stelde. Nadat namelijk op den 24 , 25 en 26 junij weder een aantal geestelijke en adellijke afgevaardigden , en daaronder ook de hertog van Orleans en de bisschop Talleyrand, tot den derden stand overgegaan waren , noodigde de koning op den 27 junij door een schrijven het overige gedeelte van de geestelijkheid en den adel uit, om hetzelfde te doen. Dit geschiedde op hetzelfde oogenblik, dat de nationale vergadering, zoo wel als haar voor zitter Bailly en de gedurende eenigen tijd tot afgod des volks geworden Necker, door luid gejuich , door verlichting en vuurwerk en door den lof der dagbladen verheerlijkt werden. Hoe weinig Bailly , Necker en dergelijke bespiegelend of stelselmatig denkende mannen voor de onderneming opgewassen waren , die hun toen maals door de tallooze vlugschriften en dagbladen opgedragen werd, toont hun gedrag in dien tijd . Bailly verleende aan eene deputatie van de parijsche kiezers detoelating , ja zelfs eene eereplaats in de nationale vergadering, zonder ook slechts te vermoeden, waarheen dit gevaarlijk voorbeeld voeren zoude. Necker, die in zijne zelfbehagelijkheid even min een besef had van den werkelijken staat van zaken, zag rustig toe, dat men te Parijs het volk door allerlei middelen steeds meer in beweging bragt en zelfs de soldaten tot ongehoorzaamheid verleidde. Toen kort daarna elf soldaten, die dienst geweigerd hadden , in hechtenis gebragt werden, bevrijdde het volk die met geweld; de nationale vergadering kwam in het midden voor hen , en de regering liet de oproerige soldaten werkelijk ongestraft. Necker kwam zelfs op het denkbeeld, om de in zijne vaderstad Genève bestaande instel ling der burgergarde op Parijs over te brengen , of met andere woorden, aan de Parijzenaars, die zich reeds in hunne kiesvergadering eene soort van afzonderlijke nationale vergadering geschapen hadden , ook nog een afzonderlijk leger te bezorgen, dat uit hun midden gevormd en gevolgelijk ook van hen afhankelijk was. Toen kort daarna bekend werd, dat het hof op het ontslag van Necker doelde en aan maatregelen van geweld dacht , verspreidde men in het geheele rijk het gerucht van rondtrekkende roover benden , en bewoog daardoor allerwegen de burgers, om zich van wapenen te voorzien . Vervolgens bewerkte men , dat van de nationale vergadering een adres aan den koning uitging, waarin de oprigting van burgergarden in geheel Frankrijk verlangd werd, en voor dat de koning nog geantwoord had, ging men tot de uitvoering over. De oprigting eener burgergarde werd dubbel haastig doorgezet, nadat het door het hofin het geheim ontworpen plan, Fransche omwenteling. Constitutionele nationale vergadering. 113 om troepen rondom Parijs zamen te trekken en door hen de nationale ver gadering uit elkander te jagen ,verraden was. Op den 11 julij liet zich de zwakke koning door zijne omgeving over halen , om Necker Lenevens zijne ambtgenooten te ontslaan en hen tot het oogenblikkelijk verlaten van Frankrijk te dwingen. In de plaats der ont slagen ministers drongen hem de onverbeterlijken van het hof mannen op, die bereid waren , de vurig gewenschte geweldige maatregelen ten uitvoer te brengen. Deze stap des konings bragt geheel Parijs in de grootste opschudding. In alle straten trokken woelende volkshoopen rond, en geest drijvende vrijheidsdweepers stelden zich aan hun hoofd of traden als rede naars op, om de ontroerde menigte tot werkelijken opstand aan te sporen. De trotsche en in hunnen overmoed blinde mannen van het hof namen daarentegen niet dan zeer zwakke tegenmaatregelen. Zij zorgden niet eens voor hetonderhoud en de soldij der troepen, en verbitterden toch het volk nog meer door hunne onverstandige en onbeschofte handelwijze. Zelfs de lijfwachten werden door de lompheid hunner adellijke aanvoerders en door de verschijning van regimenten, die uit vreemdelingen bestonden, welke het hof naar Parijs liet komen, tot misnoegen gewekt. Het is dan ook niet te verwonderen, dat de bedachtzame en gematigde vrienden van den vooruit gang toen vooreerst ter zijde weken en den dweepers de plaats inruim den ; want zij zagen in , dat het ééne uiterste slechts door het andere ver nietigd kon worden, dat het ruwe geweld en het vooroordeel der grooten alleen voor het ruw geweld en de woede van het opgewonden gemeen week. Onder de geestdrijvers, die het volk toen door democratische rede voeringen aanhitsten, bezat de advocaat Camille Desmoulins den grootsten invloed. Deze vurige, geestrijke jonge man schreef niet slechts de hevigste vlugschriften, maar hij was ook in dien tijd de voornaamste redenaar in den tuin van het Palais royal , het hoofdvereenigingspunt van alle klassen der Parijzenaars. Desmoulins was de eerste, die luide verkondigde, dat de vrijheid slechts door moord en bloed verworven en bevestigd kon worden ; maar hij was bij dit alles een edel geestdrijver, die tot zijnen dood alleen door wezentlijke geestdrift voor de vrijheid bestuurd werd. Hij riep op den 12 julij, van een in het midden der stoelen van het Palais royal opgerigt redenaarsgestoelte, het volk te wapen en stelde zich vervolgens aan het hoofd der scharen , die door de straten trokken en weldra met de troepen in bloedigen strijd geraakten. Desmoulins gaf toen ook een onderscheidings teeken op , dat alle vaderlanders daardoor innig vereenigde, dat men hunne meerderheid overal van de minderheid der slaafschgezinden op het eerste gezigt onderscheiden kon. Dit teeken bestond eerst in een groen blad of een groen lint. Daar groen echter de kleur van den ergsten volksvijand, den graaf van Artois, was, verruilde men die terstond daarna met de drie kleur ( tricolore ), die uit rood en blaauw , de kleuren der stad Parijs, en uit wit, de kleur van het koninklijke huis , zamen gesteld was . Reeds in den nacht van den 12 op den 13 julij voegden zich eenige honderd garden bij de benden gewapende burgers. Met ditovergaan, dat weldra navolging vond, begon de ontbinding van het oude fransche leger , te meer, omdat niet lang daarna de adellijke officieren misnoegd het land verlieten. De aanvangende afval der troepen bragt de steeds weifelende regering zoo zeer in angst, dat zij de vreemde troepen, wier komst en gedrag de garden beleedigd had, juist op het gevaarlijkste oogenblik uit de stad verwijderde. XVII. 8 114 Nieuwe Geschiedenis. > Overigens had de later steeds toenemende overgang van soldaten het be langrijke gevolg , dat de nieuwe parijsche nationale garde door die onder officieren van het geregelde leger georganiseerd werd , onder wier leiding de geheele werktuigelijke dienst stond , en waaruit later de grootste generaals van den omwentelingstijd voortgekomen zijn. Van het oogenblik der beginnende ontbinding des legers en de daardoor opgewekte vrees van het hof maakte de parijsche kiezersvergadering gebruik, om zich meester te maken van de regering harer stad. Zij dwong de over heid , wier hoofd tot hiertoe een door den koning benoemd voorzitter ( prévôt des marchands) geweest was , mannen uit het volk in haar midden op te nemen, en deze nieuwe stedelijke raad benoemde vervolgens eene aan blijvende commissie van veiligheid , die onmiddellijk aan het hoofd van de zestig districten der stad geplaatst werd en vóór alles de regeling der na tionale garde bezorgen moest. De nieuwe burgermagt, die zestien legioenen uitmaken en uit acht en veertig duizend man bestaan zou , werd op den 13 julij opgerigt. De nationale vergadering keurde zoo wel de oprigting der parijsche nationale garde, als ook de in het stedelijk bestuur gebragte verordening goed. Zij verzocht ook den koning ombeider bekrachtiging, zoo wel als om de verwijdering, der troepen uit Parijs, en nam , toen zij geen gehoor vond, een vijandig besluit, waardoor nu de wacht der stedelijke sergeanten, te gelijk met al de te Parijs liggende garden bewogen werden , om tot het burgerlijke leger over te gaan. In den morgen van den 14 julij deden de gewapende benden van het parijsche volk eenen aanval op het huis der invaliden , en dwongendaar de uitlevering af van dertig duizend geweren en twintig kanonnen. Tegen den middag stroomde de volksmenigte op de bastille los . Dit was het eenige punt, waaruit men de stad zou hebben kunnen verontrusten en den aan val der voor de poorten op het marsveld gelegerde troepen ondersteunen. Dit gebouw moest derhalve vernield worden. Dat was het hoofdgrond, waar mede men het volk tot den aanval op de bastille bewoog. Doch hierbij werkte ook de nevenbedoeling mede, om door het slechtenvan den dwang burg , waarin vroeger tallooze menschen door willekeurige brieven van in hechtenis neming gevangen gehouden waren , aan het geheele rijk bekend te maken , dat het tijdperk der dwingelandij voorbij was. Indien de bastille met wakkere soldaten bezet ware geweest, zou het gemeen zich wel gewacht hebben, die aan te tasten ; maar de geheele bezetting bestond slechts uit twee en dertig Zwitsers en twee en tachtig invaliden . De aanval ge schiedde niet door de burgergarde, maar door gewapend gemeen , waarbij zich een aantal overgeloopen koninklijke garden gevoegd had . De gouverneur, de markies de Launay, gedroeg zich juist zoo, als de koning gewoon was zich te gedragen. Hij waagdehet even min, de hem toevertrouwde staats gevangenis met opoffering van zich zelven en zijner soldaten te verdedigen, als de sterkte zonder dralen over te geven. Hij liet de digt opeen ge drongen volkshoopen tot op de binnenplaats komen. Toen dit geschied en de inneming niet meer te beletten was , werd uit misverstand gevuurd, waardoor men zegt, dat nagenoeg honderd menschen het leven verloren hebben. Dit had toen ten gevolge, dat de gouverneur met drie soldaten en vier officieren op gruwelijke wijze vermoord werden. De hoofden der vermoorde officieren werden op pieken gestoken en als zegeteekenen rond gedragen. Deze onmenschelijke gewoonte bleef later in stand en gaf aan Fransche onwenteling na den 14 116 1 julij 178 9 . leiding , dat onder de woeste volksmenigte bloedgierige moordenaars ont stonden , die als tijgers lust in het moorden vonden, en voortaan bij elken nieuwen oploop hunne afgrijselijke rol speelden. Binnen de eerste acht dagen werden reeds de voorzitter van de parijsche overheid, Flesselles, de staatsraad Foulon en zijn schoonzoon Berthier op schrikwekkende wijze vermoord en ook hunne hoofden rond gedragen. Wat overigens de inge nomen bastille betreft, hare geheele sloping werd eerst later uitgevoerd. 2. VAN DE BESTORMING DER BASTILLE TOT HET FOEDERATIE -FEEST ( 14 julij 1790.) Terwijl moord en verwoesting te Parijs woedden , nam de nationale vergadering te Versailles den schijn eener spartaansche onverschilligheid aan, en gaf zich het aanzien , alsof zij bedaard aan de nieuwe staatsrege ling voortwerkte. Maar het hof leefde in zulk eene onbegrijpelijke gerust heid, dat in den nacht van den 13 op den 14 julij zelfs groot bal ten hove was . In den avond van den 14 , toen het eerste berigt van het gebeurde te Parijs aankwam , en de nationale vergadering den koning met twee de putatien bestormde, was deze alleen tot de toezegging te bewegen, dat de troepen uit de nabijheid van Parijs verwijderd en de nieuwe parijsche over heid erkend zou worden onder voorwaarde, dat de koning haren voorzitter benoemen inogt. In den morgen van den 15 julij daarentegen, toen het hof de afgrijselijke gebeurtenissen van den vorigen dag volledig vernam , werd een geheel andere toon aangeslagen, en de zwakke koning deed eenen stap, die hem van alle aanzien berooven moest. Hij verscheen, alleen door zijne twee broeders vergezeld , zonder eenige formaliteit, die hij juist nu hadde moeten handhaven , in de nationale vergadering, sprak die voor het eerst met dezen revolutionairen naam aan, en gafzijne eigene magteloosheid te kennen, door aan haar het nemen der tot herstelling der rust noodzakelijke maatregelen over te laten , die toch van hem zelven hadden behooren uit te gaan. De nationale vergadering zond hierop acht en tachtig afgevaardigden naar Parijs, aan wier hoofd Lafayette en Bailly stonden . Deze deputatie werd door de Parijzenaars , wien zij op het stadhuis de verootmoediging des konings en zijne bereidvaardigheid om toe te geven aankondigde, met luid gejuich ontvangen. Nog op denzelfden dag werden de twee hoof den der deputatie aan het hoofd der reeds in eene republiek veranderde stad Parijs gesteld. Bailly werd onder den nieuwen titel van maire voor zitter van den grooten raad van Parijs, en Lafayette verkreeg het bevel over de nationale garde of het leger van deze republiek ( 15 julij). Op den volgenden dag werden de nieuwe ministers door den koning ontslagen en Necker door een besluit, dat van eenen brief van de nationale vergadering vergezeld was, terug geroepen . Op den 17 julij begaf zich dekoning zelf naar Parijs, zonder te bedenken , dat hij daardoor den afval van het volk van het tot nu bestaande regeringsstelsel goedkeurde en zich aan versmading bloot stelde. Hij verscheen daar slechts vergezeld van eenige weinige personen, en moest het zich laten welgevallen , dat hij aan de poort door den nieuwen maire en den nieuwen opperbevelhebber der nationale garde als zoodanig ontvangen werd , hoewel beiden nog niet door hem bevestigd waren , en dat de eerste hem eeniger mate als eenen gevangene behandelde, daar hij hem overluid zeide, dat eens Hendrik IV zijn volk , maar nu het volk zijnen koning weder had veroverd . 8 * 116 Nieuwe Geschiedenis. men Ook al het overige was vernederend voor den koning. Men geleidde hem onder eene uit nationale garden bestaande bedekking naar het stadhuis, Bailly drong hem daar de zonder de koninklijke goedkeuring als nationale leus verklaarde nieuwe kokarde op, en Lodewijk moest, nadat hij de nieuw ingestelde magten bevestigd had , met die kokarde op den hocd zich uit het venster aan het volk vertoonen. Hij zag voortaan alles , wat hij be loofde, bloot als afgedwongene toezeggingen aan , die slechts zoo lang van kracht waren , als de dwang voortduurde; en daar hij zijn misnoegen over de nieuwe orde van zaken en hare onheilen niet verbergen kon , vertrouwde van dit oogenblik af noch zijne woorden , noch de maatregelen van zijn hof en der ministers. In den nacht vóór het bezoek van Lodewijk te Parijs vertrokken reeds uit Versailles al de prinsen en hovelingen, die als onverbeterlijke aanhan gers van het leenstelsel en als overmoedige verachters van den burgerstand den haat des volks op zich geladen hadden , Lodewijk's jongste broeder, de graaf van Artois, de prins van Condé, de Polignac's en anderen; zij begaven zich naar het buitenland. Zij maakten daarmede het begin dier emigratie, die drie jaren lang voortduurde en door de kuiperijen, welke de vlugtelingen in den vreemde ter gunste van het oude koningschap smeed den , den haat van alle vrijzinnige partijen tegen den koning verhoogde. Bij den koning bleven toen , behalve zijne gemalin en zijne kinderen, nog zijne twee ongehuwde tantes, zijne zuster Elizabeth en zijn oudste broeder, de graaf van Provence. Hij werd voortaan nog meer , dan tot nu , door zijne gemalin op het dwaalspoor geleid, daar zij den grootsten afkeer van elke soort van verandering koesterde en , zoo als zij zelve op den 24 junij aan cene deputatie van edellieden verklaard had, den ouden leenadeſ als den hechtsten steun van den troon beschouwde. Op den 30 julij kwam Necker te Parijs terug. Hij werd , omdat het volk het onmogelijke van hem verwachtte en bij de afgod was der on practische stelselmakers en geestdrijvers, met eeneuitbundigheid ontvangen, die hem geheel bedwelmde. Hij en zijne dochter, van Staël, waren geheel verrukt over deze ontvangst ; want zij vermoedden niet , dat die niet den terug gekeerden minister, maar aan het denkbeeld der vrijheid, niet aan de in de salons gangbare staatkundige leer, maar aan het beginsel der volksmagt werd toegewijd. Voor die leer, welke op halfheid, woorden praal en cene geheel onuitvoerlijke stelselmatige hervorming rustte, was de tijd voorbij. In hare plaats was de vurige zielskracht der zuiver practische democraten gekomen , die ingezien hadden , dat eene duizendjarige staats inrigting zonder vreeselijke gewelddadigheden niet vernietigd kon worden. De helderdenkendste, schranderste en ondervindingrijkste van deze mannen, Mirabeau, greep derhalve reeds op den dag van den terugkeer van Necker de eerste de beste gelegenheid aan , om den ijdelen man eene vernedering te doen ondergaan en hem te bewijzen , dat zijn tijd voorbij was. Mirabeau bewerkte namelijk , dat de nationale vergadering een op voorspraak van Necker genomen besluit der kiezers en van den parijschen raad vernietigde,, waarbij de als vijand des volks gevangen generaal Besenval vergiffenis ont vangen en los gelaten zou worden. Mirabeau, die nooit het zuiver practische uit het oog verloor, handelde bij deze gelegenheid als waarachtig staatsman, want hij liet als beweegreden van het besluit der nationale vergadering aanvoeren, dat de kiezers van Parijs als blootelijk eene club en de vertegen mevrouw Fransche o inwenteling na den 14 julij 178 9. 117 woordigers der parijsche gemeente , als eene instelling van bloot bestuur geen regt hadden om buiten den kring der stedelijke aangelegenheden te gaan, en voor lijfstraffelijke misdaden vergiffenis te verleenen. De dagen van den 12 tot den 17 julij maken een belangrijk keerpunt uit in den loop der fransche omwenteling. De vrees voor het hoog gezag was verdwenen , en de oude orde van zaken was ontbonden ; maar eene nieuwe orde van zaken kon niet dan na geruimen tijd geboren worden. Er ontstond derhalve een stilstand in de burgerlijke tucht en regtsbedeeling, en de van hare gewone banden losgemaakte hartstogt gaf zich van nu af aan alle gruwelen over , waarvoor de menschelijke natuur in den staat van ongebondenheid, woestheid en verbastering vatbaar is. Dit was de voor naamste oorzaak van het vreeselijk karakter , dat de fransche omwenteling aannam , en dat in het verloop der eerstvolgende vijf jaren steeds vreese lijker werd. Doch nog andere oorzaken oefenden invloed op den gang der omwenteling: Nu vertoonden zich namelijk voor het eerst de gevolgen der verwaarloosde ontwikkeling en van den jammerlijken toestand der tot nu blootelijk als slaven behandelde lagere klassen van het fransche volk , Op haar had ook bovendien de godsdienst haren invloed verloren. Zelfs de zede lijkheid en het eergevoel werden van boven af van alle aanzien en invloed beroofd , omdat voortaan elke der twee tegenover elkander geplaatste par tijen zich ter bereiking hunner oogmerken ook van slechte middelen be diende. Eindelijk droegen ook de dagbladen , wier aantal talloos werd, het hunne bij tot de spoedig toenemende verbastering van het fransche volk. De menigte en de verscheidenheid daarvan bewijzen ten duidelijkste , hoe veel moeite gedaan werd om op het volk te werken . Dag aan dag ver scheen toen reeds een groot aantal van vliegende blaadjes en aanplakbillet ten ; het getal der dagelijksche of wekelijksche bladen nam toch ook van maand tot maand toe . Deze dagbladen werden door Mirabeau , Barère, Brissot, Maret, Camille Desmoulins, Gorsas, Marat, Prudhomme, Fréron en anderen geredigeerd , en waren op dadelijke uitwerking berekend. In welken toon zijgeschreven waren , kan men onder anderen daaruit reeds opmaken , dat Camille Desmoulins het ophangen zonder vonnis en regts pleging onbewimpeld aanprees en zich zelven den procureur- generaal van de lantaarn noemde. In de provincien was de uitwerking der vernietiging van de oude orde van zaken en de prediking des gewelds nog verschrikke lijker, dan te Parijs, omdat daar het leenstelsel drukkender was geweest. In Provence b. v. , in Franche Comté, den Elzas en Lotharingen herhaalden zich de tooneelen van den duitschen boerenkrijg : de dwingelanden werden met moord en brand vervolgd en hunne sloten verwoest. In Dauphiné alleen verbrandde het volk binnen drie maanden zes en dertig adellijke kasteelen . Kort daarna werd de vervolging der zoogenoemde aristocraten zelfs stelselmatig doorgezet. Er vormden zich namelijk niet slechts ' aller wegen democratische politie- vereenigingen, die elken reiziger onderzochten , maar ook de nationale vergadering zelve benoemde eene politie, die brieven openen, papieren in de huizen onderzoeken en verdachten gevangen nemen liet.. De nationale vergadering hield zich van den 14 julij af bijna uitsluitend bezig met de zamenstelling eener nieuwe staatsregeling. Bij dit werk werd de meerderheid der afgevaardigden op het dwaalspoor geleid door den geest der wetten van Montesquieu (z. D. XVI. bl. 92–94) en door de denkbeelden der vrienden van Franklin en Washington . Hunné aanzienlijkste 118 Nieuwe Geschiedenis. hoofden , Lafayette, Larochefoucauld - Liancourt en anderen, behoorden wel tot de edelste mannen van Frankrijk , maar zij sleepten de nationale ver gadering mede tot eene onpractische geestdrift of tot dat , wat Napoleon ideologie noemde , en wierpen , zonder het te vermoeden, door drie in au gustus genomene besluiten alles omver, wat zij hadden willen in stand hou den. Deze besluiten waren : de verklaring der regten van den mensch, de opheffing van alle leenregten en de afschaffing der geestelijke tienden . Door het eerste besluit werdde vraag, die geschiedkundig en practisch beantwoord moest worden, over de verbetering van het bestaande met eene afgetrokkene bespiegeling vermengd, waarbij men noch op den maatschap pelijken toestand van Europa , noch op de gesteldheid van de tot hiertoe bestaande regering vanFrankrijk lette, maar naar het voorbeeld der Noord Amerikanen (z. D. XVI. bl. 318 vv.) tot aan de uiterste grenzen der maatschappelijke betrekkingen terug ging. Vergeefs trachtte Mirabeau als man van ondervinding te verkrijgen , dat men met de beraadslaging over deze regten tot na devoltooijing der nieuwe staatsregeling wachten , of met andere woorden, dat men die onbepaald uitstellen zou. De bespiegelende geestdrijvers der vergadering versmaadden zelfs den raad van den even als zij dweependen Gregoire, die ten minste te gelijk eene verklaring der plig ten van den mensch uitgevaardigd wilde hebben. In de ochtendzitting van den 4 augustus werd besloten, de staatsregeling door die verklaring te doen vooraf gaan, en op het einde der maand waren de zeventien artikelen gereed. In de nachtzitting van den 4 op den 5 augustus werd het tweede der gemelde besluiten genomen. De vergadering liet zich daarin besturen door de uit de provincien ingekomen berigten over het verbranden en verwoesten van de eigendommen der grondeigenaars. Graaf Noailles, de zwager van La fayette, deed het voorstel, om rust en orde te herstellen, door het opheffen van de drukkende leen -belastingen en heerendiensten, als de eigentlijke oorzaken dier verwoestingen. Met hem wedijverden in dergelijke voorstellen Montmo rency , Lafayette, de broeders Lameth, Larochefoucauld - Liancourt en anderen . De vergadering werd door eene onvergelijkelijke geestdrift bevangen , en de geestelijke, zoo wel als de wereldlijke afgevaardigden overtroffen elkan derin de poging, om hunne tot nu bezeten voorregten als offers op het altaar des vaderlands neder te leggen. Nog in denzelfden nacht keurde men alle voorstellen goed , die voorschreven , dat elke soort van stoffelijk voordeel, door bijzondere personen of vereenigingen tot nu bezeten , zou de ophouden. Deze besluiten werden terstond daarna , op bevel der nationale vergadering, in alle kerken van het rijk bekend gemaakt. Slechts weinige dagen na den 4 augustus hadden de meeste afgevaardigden berouw over den overijlden stap. Men had dien in de koortshitte van de geest drift gedaan, zonder zijne uitvoerlijkheid en de gevolgen onderzocht of ook slechts dit ééne bedacht te hebben, dat de leden der vergadering uit groot moedigheid wel hunne eigene bezittingen en regten weggeven , maar geens zins anderen tot dezelfde grootmoedigheid dwingen mogten. Met deze daad van zelfopoffering, gelijk die nooit eenige andere ver gadering van standen bewezen heeft, hing de op den 10 augustus besloten onvoorwaardelijke afschaffing der geestelijke tienden zamen , waarop later nog veel harder besluiten tegen de geestelijkheid en haar eigendom volgden . Vergeefs verzette Sièyes zich tegen de afschaffing der geestelijke tienden , terwijl hij bewees, dat daardoor alleen de grondeigenaars of rijken winnen Fransche omwenteling. De 4 augustus 178 9 . 119 > zouden , omdat voortaan de staat of het geheele volk in hunne plaats de priesters zou moeten bezoldigen , terwijl de staat, als men de grondeige naars tot aflossing der geestelijke tienden noodzaakte, eene hoogst belang rijke som gelds bekomen zoude. Onmiddellijk na de drie genoemde besluiten werden de zes fundamen tele artikelen der nieuwe staatsregeling door de nationale vergadering in beraadslaging genomen. Bij de behandeling daarvan bleek ten duidelijkste de scheuring der vergadering in eene omwentelingsgezinde, en eene' ko ninklijk - constitutionele partij. De eerste , waartoe Mirabeau , Barnave, de afgevaardigden van Bretagne en anderen behoorden, hadden zich eene vol komene verandering van het leven der Franschen ten doel gesteld. De tweede, onder wier hoofden Necker, Mounier, Lally de Tollendal, Clermont Tonnerre en anderen waren , trachtte dit te verhinderen en daarentegen, in den geest van Montesquieu, eene met de engelsche overeen stemmende constitutionele staatsregeling tot stand te brengen. De laatste partij dolf het onderspit bij de hoofdvragen, waarover in het tijdsverloop van 28 au gustus tot 12 september besloten werd. Er werd namelijk vastgesteld, dat de ten behoeve der wetgeving door het volk te kiezen afgevaardigden niet in twee kamers gescheiden worden , maar een enkel ligchaam vormen, zoo ook dat zij altijd bijeen blijven en alle twee jaren vernieuwd worden zou den, maar bovenal, dat de koning tegenover hunne besluiten geen volstrekt, maar bloot een tot vier jaren beperkt tijdelijk veto hebben mogt. Boven dien onttrok men ook nog aan het opperhoofd van den staat elken invloed op de nieuwe staatsregeling, daar men verklaarde , dat hare artikelen niet, zoo als de wetten, zijne bekrachtiging behoefden. De gewapende magt had men den koning reeds vroeger ( 10 augustus ) gedeeltelijk onttrokken door te besluiten , dat de troepen niet alleen aan hem , maar ook aan de natie en de wet den eed moesten doen , en slechts op verlangen der gemeente besturen tegen het volk gebezigd mogten worden . Dit alles verhoogde het onderling wantrouwen van het hof en de na tionale vergadering, en wekte vooral bij de koningin eenen toenemenden afschuw tegen vrijzinnigheid en vrijzinnigen. Maar het werd ook, in ver eeniging met de omstandigheid , dat Necker reeds allen invloed verloren had enMaria Antoinette hare gezindheid niet in het geringste verborg, door de omwentelingagezinden gebezigd, om de zaak nog meer te verwar ren en in troebel water te visschen. Deze partij , die in de districtsverga deringen en in den gemeenteraad van Parijs meester was, werkte vooreerst daarop , dat koning en nationale vergadering van Versailles naar Parijs, of met andere woorden, onder hunne magt gebragt werden . Tot dit doel werd gebruik gemaakt van de bestaande duurte en van eene door het hof op den 1 october begane onvoorzigtigheid. Ten aanzien der duurte bragt men namelijk het gemeen in den waan , dat de tegenwoordigheid des konings te Parijs die wegnemen zoude. Wat de andere omstandigheid betreft, had de koningin , die toen reeds bijna dagelijks door het gemeen gehoond werd , met haren aanhang het plan ontwerpen , om de omwenteling door krijgsgeweld te onderdrukken. De uitvoering van dit plan was daarmede begonnen , dat men bij de soldaten eene koningsgezinde geestdrift zocht op te wekken, en dit had vervolgens aanleiding gegeven tot den vermelden onbedachten stap. Toen namelijk op den 1 october de garde aan het ter versterking van het garnizoon van Versailles aangekomen regiment Vlaan 120 Nieuwe Geschiedenis. gegeven had. deren een feest gaf, beging de koningin de onvoorzigtigheid , om niet al leen met haren gemaal op dit feest te verschijnen , maar ook hare blijd schap over de luid geworden koningsgezinde stemming der soldaten te kennen te geven . Dit werd terstond door hare vijanden , Mirabeau, den hertog van Orleans en anderen , gebruikt, om door dagbladartikelen en redevoeringen de meening te verspreiden , dat te Versailles tegen de na tionale vergadering zamen gezworen en voorbereidselen tot hare onderdruk king beraamd werden. Tevens wekte men bij het parijsche gemeen het denkbeeld, omgezamentlijk naar Versailles te trekken en het hof tot ver huizing naar Parijs te dwingen. Op den 5 october werd dit reeds ten uitvoer gebragt, nadat de hertog van Orleans het daartoe noodige geld In den morgen van den 5 october woelde door de straten van Parijs eene overgroote menigte van het ruwste gepeupel , aangevoerd door eenen der helden van de bastille, Maillard, en door den vleeschhouwer Jourdan, die eene eer stelde in den bijnaam van kopafsnijder (coupe-tête),en door de in schoonheid uitmuntende amazone Theroigne de Mericourt , die later ook bij andere gruwelen eene rol speelde. Dewoelende menigte bedreigde eerst de bakkerswinkels, trok dan naar het voor het stadhuis liggende plein de Greve op, drong het stadhuis zelf binnen, nam de voorhandene wapenen, benevens drie op het plein staande kanonnen weg , en ging tegen elf uur op weg naar Versailles . Daarheen verlangde ook de intusschen opgeroepen nationale garde gebragt te worden. Vergeefs trachtte Lafayette haar daar van terug te houden . Toen hij zag , dat zij ook zonder hem naar Ver sailles optrekken zoude, liet hij zich , om zijn aanzien te bewaren, door den gemeenteraad het bevel geven , om ter voorkoming van onheilen de nationale garde derwaarts te geleiden . Des avonds ten vijf ure brak hij op. Hij kwam eerst ten elf ure aan , terwijl het gewapende uitvaagsel van Parijs reeds ten drie ure was aangekomen. De voornaamste hoop de zer woeste horde had zich te Versailles eerst naar het gebouw der natio nale vergadering begeven ; een klein gedeelte was echter naar het slot ge trokken en daar met de wacht handgemeen geworden. Op het verlangen der eersten had de nationale vergadering den voorzitter Mounier afgezon den , om den koning te bewegen tot de dus ver hardnekkig geweigerde aanneming van de artikelen der staatsregeling en van de verklaring der regten van den mensch , en ook om maatregelen ter wegneming van den te Parijs heerschenden nood te verzoeken . Mounier had in het slot eene uit twaalf vrouwen en meisjes bestaande deputatie uit de vele onder het gemeen aanwezige vrouwen aangetroffen, die den koning uitnoodigen zoude om maatregelen te nemen , welke in het gebrek aan brood konden voorzien. De koning had reeds in alle gedane eischen schriftelijk toegestemd. Juist toen dit der nationale vergadering en der volksmenigte aange kondigd was , verscheen Lafayette met de parijsche nationale garde. had zijne troepen onder weg nog eens trouw en gehoorzaamheid laten zwe ren, en gaf terstond na zijne aankomst zoo wel aan den voorzitter der na tionale vergadering, als ook aan den koning zijn woord , dat, als men alles aan hem overliet , niets te vreezen was voor de koninklijke familie. Hij liet terstond daarna al de wachtposten van het slot, behalve de binnenpos ten , die aan de garden du corps en de Zwitsers toevertrouwd bleven, door de soldaten der garde bezetten , die de kern van zijn burgerleger uit > Mij Fransche omwenteling. De 5 October 1789. 121 maakten . Ten drie ure in den morgen sloot de nationale vergadering, die tot zoo lang bijeen gebleven was , hare zitting. Toen bleef alles rustig tot kort voor het aanbreken van den dag: Maar tegen zes uur stroomde plotseling het parijsche gepeupel , dat zich grootendeels in de ledige zaal der nationale vergadering gelegerd had, naar het slot, en drong door eene zijpoort , die op onbegrijpelijke wijze onbezet gebleven was, daar binnen. Nu voegden zich ook nationale garden bij de menigte. De woedende hoop doodde of wondde de garden du corps, stak de hoofden van eenigen op pieken , droeg die voor de vensters van den koning rond , drong hierop, met de opentlijke bedoeling om de koningin te vermoorden , naar hare slaapkamer door en brak de deur open . De koningin werd slechts daar door gered, dat een garde du corps de deur tot aan zijnen dood verdedigde, en de kamerdienaressen haar haastig naar de kamer van haren gemaal droegen. Daar werd later de geheele koninklijke familie in doodsangst op gesloten gehouden , terwijl de woeste menigte in en voor het slot de sol daten vermoordde. Eindelijk verscheen Lafayette met een gedeelte der nationale garde, dat hij haastig bijeen verzameld had. Hij redde wel ruim dertig soldaten het leven; maar den koning zelven kon hij niet veel nut aanbrengen. Deze bleef nog altijd in gevaar en gevangene van het gemeen. Lafayette begaf zich tot hem , en bewoog niet slechts hem , maar , toen het volk dit eischte, ook de koningin, om zich op het balkon aan het ge meen te vertoonen. Men ontving den koning met het geroep : „ Naar Parijs”; en hij bewilligde niet slechts in dien dollen eisch , maar hij beloofde ook, nog denzelfden dag te gelijk met het gemeen naar Parijs te zullen trekken . Lafayette zelf had hem dit openbare bewijs van lafhartige angstvalligheid aangeraden. Hierop volgde nog het schandelijke tooneel, dat de koning, La fayette en de tot de nationale garde behoorende voormalige soldaten der koninklijke garde op het balkon het beneden staande gemeen om genade smeekten voor de geredde garden du corps en hun leven van het woeste gepeupel afbedelden. Ook de nationale vergadering droeg op dien dag het hare bij, om den koning en zijne waardigheid te verguizen. De voorzitter Mounier wilde de ten elf ure geopende zitting , overeenkomstig den wensch van het hof, naar het slot overbrengen ; maar Mirabeau bewerkte , dat de meerderheid zich verzette. Men zond derhalve slechts eene deputatie aan den koning. Terstond daarna werd op voorstel van Mirabeau en Barnave de verklaring afgelegd, dat de nationale vergadering onafscheidelijk verbonden was met den persoon des konings, en derhalve ook naar Parijs vertrekken zou. Teneen ure begon reeds de vernederende togt der koninklijke fanıilie naar Parijs. De koning en zijne familie reden als gevangenen in het midden van eenen uit minstens twintig duizend menschen bestaanden hoop gepeupel, die niet alleen tusschen de veertig en vijftig ontwapende garden du corps als krijgsgevangenen met zich voerde, maar (le hoofden van onderscheidene vermoorde soldaten in zegepraal rond droeg. Bij deze woeste scharen had zich de nationale garde der beschaafdste hoofdstad van Europa even als eene militaire eerewacht aangesloten . Honderd leden der nationale ver gadering vergezelden den koning als deputatie. Deze was met zijne familie langs den geheelen weg prijs gegeven aan den smaad van het gemeen. Eerst ten zes ure in den avond bereikte de optogt het stadhuis teParijs, en eerst ten negen ure vond de koning met de zijnen rust in de Tuilerien. 122 Nieuwe Geschiedenis. Op den 19 october werd ook de nationale vergadering naar Parijs ver plaatst. De 5 en 6 october waren onheilvolle dagen voor het constitutionele koningschap en voor den roem van zijnen stichter, den hooghartigen La fayette. Daarentegen werd het doel , waarvoor men den togt van het pa rijsche gemeen naar Versailles veroorzaakt had , volkomen bereikt. De luister van het koninklijk gezag verdween geheel ; de straalkrans der heer lijkheid van vele eeuwen spatte uiteen ; de groote hoop hield op, in den koning het koningschap te zien , en beschouwde hem voortaan slechts als een gewoon mensch . Lafayette bewoog wel is waar , toen hij op den 6 october tegen zijne bedoeling de oogmerken van Mirabeau en Orleans had moeten bevorderen , de nationale vergadering tot het besluit , dat de aan leggers van den togt naar Versailles geregtelijk opgespoord en gestraft zouden worden. Ook noodzaakte hij door bedreigingen den hertog van Orleans, om Frankrijk voor eenigen tijd te verlaten . Maar het onderzoek leidde tot geene uitkomst. De nationale vergadering verklaarde zelfs, dat er geen grond voor eene aanklagt bestond ; en in julij van het volgende jaar keerde ook de hertog van Orleans terug. Toen de nationale vergadering naar Parijs verplaatst was , begonnen aan de eene zijde de zamenzweringen der hovelingen, der prinsen , der ko ningin en des konings met de uitgewekenen en met vreemde vorsten ; aan de andere zijde werd de regeling eener parijsche volksregering voltooid, en die, of veeleer de mannen, welke het parijsche genieen bestuurden , tot opzigters der nationale vergadering gemaakt. De regeringloosheid was reeds in augustus zoo groot geweest, dat de nationale vergadering, alleen om daaraan een einde te maken, zich gehaast had, om de grondtrekken der nieuwe staatsinrigting tot stand te brengen. Te Parijs had zich na melijk elke stand een deel der volksoppermagt aangematigd; de soldaten der garde, de kleedermakersgezellen, de bedienden enz. maakten afzonder lijke beraadslagende genootschappen uit. Ook hield niet slechts elke der zestig stadswijken zijne afzonderlijke volksvergadering, maar allen matig den zich ook wetgevende magt aan , en hadden hunne verschillende com missien , die even zeer als de stedelijke raad bevelen geven en als revolu tionaire volkspolitie sommige burgers vervolgen en gevangen nemen lieten. De politie en de regtspleging waren derhalve in de handen der ruwste volksklasse gekomen , die het zoogenoemde Lynchregt oefende , en zich daarin door boosdoeners uit de hoogere klassen besturen liet. Diezelfde woeste hoop deed zijne volksoppermagt ook in de nationale vergadering, en tevens in verschillende clubs door teekenen van goedkeuring of mis noegen gelden. Weldra werd ook in de Jacobijnen - club werkelijk een nevenbestuur geregeld . Deze vreeselijke club ontsproot uit de zoogenoemde breton sche club, die dadelijk na de opening der staten - generaal te Versailles door afgevaardigden uit Bretagne gesticht was . Zij bleef, toen de natio nale vergadering naar Parijs verplaatst was, ook daar bestaan en nam ter stond daarna, behalve de afgevaardigden dezer vergadering, ook vele andere burgers als leden op. Zij ontleende haren naam aan de gehuurde verga derzaal, een voormalig jacobijnen -klooster. Spoedig verkreeg zij eene ver bazende uitbreiding , omdat het weldra zoo ver kwam , dat men een jaco bijn moest zijn , om voor eenen vaderlander door te gaan. Eenigen tijd Fransche omwenteling na den 5 october 1789. 123 lang gaven daarin nog die afgevaardigden den toon aan, welke, door hunne dweeperij weggesleept, toen reeds van eene republiek droomden , zoo als Pethion , Buzot, Gregoire en Thuriot. Al deze afgevaardigden bestemden als mannen van opvoeding en beschaving de club der jacobijnen zekerlijk niet tot het doel , dat die later beoogde. Met hen waren in den beginne ook Lafayette en zijne vrienden vereenigd. Eerst toen in mei 1790 de jacobijnen - club te talrijk , bare taal te hevig , hare zittingen te stormachtig geworden waren , stichtten de beschaafde en voorname mannen van de con stitutionele partij eene afzonderlijke vereeniging, de zoogenoemde club van 1789. Deze verkreeg van een bernardijner- klooster , waarin zij ver gaderde, den naam van club der Feuillanten . Van het begin af werd zij zeer vijandig behandeld en verhief zich eerst in julij 1791 voor korten tijd, oin daarop weder geheel te verdwijnen. De hoofdaanvoerders der jacobijnen van de hevigste soort waren reeds tegen het einde van het jaar 1789 twee dagbladschrijvers, de redacteur van den sedert den 12 september 1789 verschijnenden Volksvriend, Marat, en de redacteur van een ander dergelijk blad , Fréron . Tevens voerde Ca mille Desmoulins in het palais royal en in de wijkvergaderingen reeds de taal van den lateren tijd des schrikbewinds. Tot deze hevigste partij be hoorde ook Danton , die door natuurlijke begaafdheid , door vreeselijke stoutheid, door eene geheel eigenaardige soort van volkswelsprekendheid en door de alles te boven gaande kracht zijner stem eenen even voorbeelde loozen invloed oefende, als Marat door den onbeschoften toon van zijn dagblad. Hij en andere gelijkgezinden , die allen leden van de club der jacobijnen waren en bleven, vereenigden zich bovendien nog in een afzon derlijk genootschap, omdat de meer gematigde democraten gedurende lan gen tijd door hunne welsprekendheid in de jacobijnen - club de overhand behielden. Deze nieuwe vereeniging werd naar het franciscaner - klooster, waarin zij hare zittingen hield , de club der Cordeliers genoemd. Zij be vatte de vreeselijkste soort der republikeinen, of al die mannen, welke van het gevoelen uitgingen , dat zonder volkomene vernietiging van het oude nooit eene nieuwe inrigting der burgermaatschappij tot stand gebragt kon worden . Overigens sloegen toen reeds ook Gregoire, Lanjuinais en andere zeer regtschapen mannen eenen dergelijken zeer hevigen toon aan , omdat zij met regt vreesden, dat het gezag der regering uit de verblijven der hovelingen naar de zalen der bankiers en van den vrijzinnigen adel mogt overgaan, waarbij, zoo als de ondervinding onzer dagen bewijst, weinig gewonnen kon worden. Om zich een denkbeeld te vormen van den vreeselijken toon , waarin de aan de uiterste zijde van de revolutionaire partij staande mannen spra ken en schreven , willen wij twee plaatsen uit den Volksvriend van Marat bijbrengen . Op den 1 november 1790 vindt men in dit blad de volgende aanspraak aan het volk : „ Gaat niet naar uwe laffe sectievergaderingen, waar schelmen ( fripons) u met hun misdadig gebabbel bedwelmen en lig telijk uwen gloeijenden ijver uitdooven konden ? Verzamelt u slechts ор de openbare pleinen, en wel om eenen krijgstribuun te benoemen . Bekleedt hem, hoewel alleen voor drie dagen, met het hoogste gezag , om u aan te voeren en zonder barmhartigheid de misdadige hoofden neder te werpen, die sedert vijftien maanden tegen uw geluk zamenzweren ! Maar snelt bovenal naar St. Cloud, voert den koning en den dauphin terug binnen uwe muren, 124 Nieuwe Geschiedenis. sluit de Oostenrijksche, haren zwager, den maire en den generaal ( d. i . Bailly en Lafayette) op , slaat alle ministers in ketenen , maakt u meester van hunne papieren en leert daaruit den geheelen afgrond der helsche kuiperijen kennen , die tegen u gesmeed worden !" Op den 22 junij 1791 liet Marat het volgende artikel over de vlugt des konings drukken : „ Lo dewijk XVI is dezen nacht plotseling met zijne geheele familie ontvlugt. Deze meineedige koning zonder trouw en eerlijkheid , zonder schaamte en zonder geweten, deze den troon onwaardige monarch liet zich niet door de vrees terug houden, om voor een eerloos mensch door te gaan. De dorst naar onbeperkt gezag , die zijn hart verteert , zal hem weldra tot eenen bloedgierigen moordenaar maken ; hij zal zich weldra in het bloed zijner medeburgers baden, die zich onder het juk zijner dwingelandij niet buigen willen ! Maar tot zoo lang belacht hij de domheid der Parijzenaars, die zijn woord geloofd hebben ." De nationale vergadering, waartoe wij terug keeren, begon hare werk zaamheid wel met het uitvaardigen van de zoogenoemde krijgswet tegen regeringloosheid en oproer ; maar dit kon zonder soldaten en politie niets baten, te meer , daar in de nationale vergadering zelve eene magtige partij was, die onrust en verwarring noodzakelijk achtte . De zamenstelling eener nieuwe staatsregeling werd door de nationale vergadering met onvermoeiden ijver voortgezet; en in het tijdperk van october 1789 tot 1790 vallen vele der belangrijkste nieuwe instellingen . Op den 2 november 1789 nam de nationale vergadering een besluit, waardoor de oude kerkelijke heerschappij even zoo van al hare uiterlijke steunselen beroofd werd, als de leenadel op den 4 augustus en het koning schap op den 6 october. Toen werden namelijk, op een voorstel van den bisschop Talleyrand, alle kerkelijke goederen tot staatseigendom verklaard en de zorg voor de kosten van de eeredienst, de bezoldiging der geeste lijkheid en de armenverpleging aan de wereldlijke besturen opgedragen, Bij dit het staatkundige aanwezen der geestelijkheid vernietigende besluit werden in de eerste helft van het volgende jaar nog anderen gevoegd, die bewijzen, dat de meerderheid der afgevaardigden dezelfde geringe gedachte van het gewigt der zedelijk godsdienstige instellingen koesterde, welke zich later tijdens de restauratie indemeestezuid -duitsche stenden vergaderingen vertoond heeft. In februarij 1790 werden de kloostergeloften verboden en al de geestelijke orden, behalve die aan de opvoeding en ziekenverzorging gewijd waren , opgeheven verklaard. In april begonnen de beraadslagingen over den stand en de inrigting der kerk, en in julij en november ontsproten uit deze beraadslagingen de onder den naam van burgerlijke kerkregeling bekende, in gevolgen rijke besluiten. De nationale vergadering zag bij deze overhaaste besluiten geheel en al voorbij, dat de eeredienst eene zaak van overtuiging is , dat men die derhalve niet als burgerlijke dingen door ge boden en voorschriften , maar slechts door eene vaste beperking omgeven kan. Maar de vergadering mengde zich bovendien ook onbedacht in de aangelegenheden eener kerk , die alleen eene goddelijke wetgeving erkent; zij wekte daardoor de godedienstige geestdrijverij op, en vernielde te gelijk de godsdienstigheid van den grooten hoop, die altijd met de gewoonte en zekere gebruiken verbonden is. Trouwens verkregen aan de andere zijde door de berooving der kerk en den later gevolgden verkoop van geestelijke en wereldlijke goederen duizenden , die tot hiertoe slechts daglooners of Fransche omwenteling. De constitutionele nationale vergadering. 125 pachters geweest waren , grondeigendom ; en dit was alleen daardoor mo gelijk geworden , dat men gewelddadig te werk ging en gedurende eenige jaren de orde van zaken omkeerde. Overigens bestonden de voornaamste punten van de wet ' over de kerk in de volgende bepalingen. De keus der geestelijken werd aan het volk overgelaten . De geestelijken werden voor gemeente-ambtenaren verklaard en, onder bedreiging van gestrenge straffen, tot den eed van trouw jegens natie, koning en wet, of met andere woorden, jegens de nieuwe orde van zaken verpligt. Al wie uit hen dezen eed wei gerde, moest ontslagen en , als hij zijne geestelijke werkzaamheden voort zette , als rustverstoorder lijfstraffelijk vervolgd worden. De gestrengheid, waarmede men den eed op de nieuwe zuiver burgerlijke wetgeving der kerk eischte , zou op elk ander tijdstip de nationale vergadering hare geheele volksgunst hebben doen verliezen; maar de eeredienst had toen reeds lang hare inwendige beteekenis verloren, en de weigering der meeste geestelijken, on dien eed af te leggen, vermeerderde slechts den haat der talrijke spotters met de godsdienst in Frankrijk. Daardoor ontstonden vervolgens in stre ken, waar de godsdienstige geestdrijverij nog heerschte, onlusten en bloedige twisten ; beide partijen werden ten hoogste verbitterd en de nationale ver gadering moest de strengste verordeningen tegen de onbeëedigde priesters uitvaardigen , wat vervolgens weder andere bezwaren van de ergste soort veroorzaakte. Voor het overige legden van al de bisschoppen slechts vier, en van de priesters ook slechts zeer weinigen den gevorderden eed af. Ook het regtswezen werd door de nationale vergadering geheel her vormd , omdat het zich in zijne tot nu bestaande inrigting op geenerlei wijze met de nieuwe orde van zaken verdroeg. In november 1789 werden de parlementen reeds voorloopig buiten werking gesteld. In maart 1790 echter begonnen de beraadslagingen over eene nieuwe inrigting van het regtswezen, en in september werd die volledig tot stand gebragt, waardoor nu de parlementen en alle andere tot nu bestaande geregtshoven voor altijd ophielden. Frankrijk kreeg regtbanken van gezworenen en cene voor het geheele rijk gelijkvormige nieuwe regtsbedeeling. In maart 1790 werden , nadat men reeds vroeger de gelijkheid van alle burgers bij de wet verklaard had , ook alle titels , wapens en verpligte eerbewijzingen afgeschaft en verboden. Onder de voornaamste voordeelen , die Frankrijk aan de staatsregelende nationale vergadering verschuldigd is, rekenen wij de in januarij 1790 vast gestelde nieuwe verdeeling van het rijk in de partementen, districten ( sedert het consulaat arrondissementen genoemd), cantons en gemeenten , en ook de op deze verdeeling rustende re geling van het bestuur. Beide is, met uitzondering van hetgene uit de ten grondslag liggende theorie der volksoppermagt en volksregering ontsproten was, later steeds in stand gebleven. Eindelijk werden niet slechts de municipaliteiten of gemeentebesturen en hun beheer naar het beginsel der democratie en zelfregering geregeld , maar men maakte ook in mei 1790 voor Parijs eene afzonderlijke gemeente-inrigting ,die eenige jaren later, toen de gemeenteraad van Parijs de conventie en dit Frankrijk wil lekeurig beheerschte , voor Frankrijk in zoo hooge mate verderfelijk ge worden is . Wat de nieuwe inrigting der parijsche gemeente aangaat, zoo werden de zestig districten of wijken, waarin Parijs tot nu verdeeld was, tot acht en veertig ingekrompen. Aan deze wijken , die men voortaan sectien noemde, 126 Nieuwe Geschiedenis. werd verboden, vergaderingen te houden , behalve ten behoeve der verkie zingen of ter zamenroeping van het stedelijk bestuur. Het laatste werd uit eene kanselarij, eenen stedelijken raad en eenen grooten raad zamen gesteld. Zestien bestuurders , aan wier hoofd als voorzitter der republiek Parijs de maire stond , maakten de kanselarij (bureau ) uit en regelden de za ken. De hun bijgevoegde stedelijke raad (le conseil municipal) bestond uit twee en dertig leden, maar de groote raad ( le conseil général) , die in ge wigtige omstandigheden werd bijeen geroepen, uit zes en negentig notabe len. Deze inrigting had, even als die der overige gemeentebesturen en der departementale regering, wel is waar eenen schijn van monarchie en aristocratie ; maar alles berustte toch op eene volstrekte volksregering, die haren zetel in die sectievergaderingen had , waarin alles naar het getal, niet naar de waarde der stemmen werd beslist, en zoo wel de ambtenaren der gemeente, als ook de afgevaardigden tot de nationale vergadering geheel op gelijke wijze gekozen werden. Gelijk men door de gemelde besluiten al het aristocratische trachtte te vernietigen , zoo werd in maart 1790 door de openbaarmaking van het zoogenoemde Roode boek ook het koningrijk op erge wijze voor de natie ten toon gesteld. Dit boek , dat Necker te vergeefs gepoogd had aan de nationale vergadering te onthouden, bevatte de geheime uitgaven van Lo dewijk XVI en zijnen laatsten voorganger, en ook voor de familie en de hof houding van beide koningen. Het stelde ook overigens vele bijzondere personen , die zich door de regering hadden laten omkoopen of gebruiken, in hunne naaktheid ten toon . Zoo was b. v. uit dit boek te zien, welk eene slechte rol Mirabeau in zedelijk opzigt reeds vroeger gespeeld had; want het bleek b. v. , dat hij niet slechts in 1776 aan de regering het handschrift van een tegen haar gerigt geschrift verkocht, maar dat hij zelfs ook in het jaar 1789 honderd vijf en negentig duizend livres voor de op zijn woord van eer gegevene belofte ontvangen had , dat hij de ontwerpen der natio nale vergadering tegenwerken zou . Wat overigens het karakter en de bedoelingen van Mirabeau betreft, zoo beloont het na de zoo even vermelde opgaven de moeite niet, om dezen man op den weg te volgen, dien hij in den beginne als volksleider, en vervol gens als huurling van den koning insloeg, of ook te onderzoeken, hoe ver de vaderlandsgezindheid van Mirabeau ging, en waar die aanving veil te zijn. Mirabeau veranderde namelijk omstreeks het begin van het jaar 1790 van rigting ten aanzien van zijne bemoeijing met de omwenteling, en trachtte de aanvallen op al het bestaande, die altijd stouter en heviger werden, te beperken. Toen trad hij ook met het hof in geheime betrekking, ontving daarvan op nieuw geld, en gaf daarvoor plannen aan de hand, die tegen de nationale vergadering gerigt waren. Wij betwijfelen zeer , dat Mirabeau, hetwelk het hof verwachtte, de monarchie hadde kunnen redden. Zeker is in allen gevalle dit eene , dat Mirabeau , hoewel hij zich had la ten omkoopen , te verstandig was, om bij deze gelegenheid eenig wezentlijk voordeel hoegenaamd, dat Frankrijk sedert mei 1789 verkregen had , ten offer te brengen. De geheele vraag kwam overigens volstrekt niet tot wer kelijke beslissing , daar Mirabeau reeds in april 1791 stierf. Fransche omwenteling. Foederatie - feest. 127 S. VAN HET FOEDERATIE - FEEST TOT DE SLUITING DER STAATSREGELENDE NATIONALE VERGADERING (20 SEPTEMBER 1791 ) . het oog De in het geheele rijk heerschende verwarring, het onstuimige der gevolgde handelwijze, de onbehagelijkheid , die verbonden was met den tusschentoestand van ontbinding en herstelling der orde, hadden der na tionale vergadering tegen het midden van het jaar 1790 menige bittere berisping op den hals gehaald, en de natie scheen koeler te worden. Men besloot derhalve, de geestdrift door eene nationale plegtigheid weder aan te wakkeren. Dit was de zin van het onder den naam van foederatie - feest beroemd geworden schouwspel, dat op den 14 julij 1790 op het maartveld bij Parijs vertoond werd. Daaraan ging een tooneel vooraf, dat zeer in vallend het onderscheid aantoont tusschen duitsche en fransche be schouwing en manier. Wij bedoelen de door den baron Cloots op den 19 junij in de nationale vergadering vertoonde klucht. Deze man , die in de pruisische stad Cleef geboren , maar te Parijs opgevoed was , en ophef maakte van atheistische en republikeinsche gevoelens, kwam op den inval, om aan de nationale vergadering door een zoogenoemd gezantschap der menschheid den dank van het menschelijk geslacht te doen toebrengen. Hij bragt tot dit oogmerk zestig menschen van verschillende natien bijeen, die door hem grootendeels te Parijs zelf gehuurd werden. De nationale vergadering ontving dit gezantschap op eervolle wijze , en geheel Parijs juichte over deze zaak; maar bezonnen en verstandige mannen, die de too neelmatige vertooning mede aanschouwden , kenmerken die als eene bloote klucht. Geheel anders was het gesteld met het verbondsfeest van den 14 julij, want dit had in der daad een grootsch karakter. De uitgedrukte bedoeling daarvan was, dat de foederatie of verbroedering tusschen volk, leger en na tionale garde op plegtige wijze bekend gemaakt en door eenen eed beze geld zou worden. Tot dit oogmerk riep men te Parijs afgevaardigden van alle regimenten van het leger op , zoo wel als éénen man van elke twee honderd burgergarden en zes afgevaardigden van elk canton. De zaak wekte zulk eene geestdrift, dat de geheele bevolking van Parijs zonder onderscheid van stand bij de aardwerken , die op het maartveld aangelegd werden , medewerkte. In het midden van dit veld was een heuvel opge worpen en daarop het vijf en twintig voet hooge altaar des vaderlands op gerigt. Rondom den heuvel maakte men opgaande zitplaatsen voor de af gevaardigden der natie en van het leger , als ook voor het volk , waarvan bovendien nog nagenoeg honderd duizend menschen plaats vonden. Aan de eene zijde werden overdekte zitplaatsen voor den koning, zijne familie en de nationale vergadering gereed gemaakt , en wel zoo , dat in het midden een troon voor den koning, maar ter regter zijde daarvan en geheel op gelijke hoogte, de stoel van den voorzitter der nationale vergadering ge plaatst werd. Het was een ongunstig voorteeken van het lot der nieuwe staatsrege ling, dat gedurende den geheelen dag een hevige regen viel, gelijk het voor het lot der godsdienst een kwaad teeken was, dat de met het feest veree nigde mis door den bisschop Talleyrand bestuurd werd , die geheel en al dacht, leefde en handelde als Mirabeau. Dit feest begon met eene muzi kale uitvoering, waaraan twaalf honderd kunstenaars deel namen, vervolgens > 128 Nieuwe Geschiedenis. wijdde Talleyrand als priester des vaderlands, aan het hoofd van drie hon derd met driekleurige sjerpen versierde priesters, de vaandels der drie en tachtig departementen , en hield onder het geklank van drie honderd trommels de mis. Daarna trad Lafayette naar het altaar des vaderlands en deed den burgereed gemeenschappelijk met de afgevaardigden, die hem de woor den van den eed nazeiden. Hierop zwoeren ook de koning en de voorzitter van de nationale vergadering, beide van hunne plaats af. Algemeene toe juichingen , het gedonder der kanonnen , het schetteren der trompetten en het roffelen der trommels vergezelden deze afzonderlijke gedeelten van het feest. De eigentlijke bedoeling van de plegtigheid werd volledig bereikt, want de Franschen werden daardoor werkelijk op nieuw met geestdrift be zield . Maar ook de ellendige hertog van Orleans had helaas van het foe deratie- feest gebruik gemaakt, om naar Frankrijk terug te keeren , waar hij terstond weder begon met het spelen van zijne oude rol. Kort voor en na het foederatie- feest zagen zich de jacobijnen door de woelingen der uitgewekenen en door het gedrag der buitenlandsche rege ringen en aristocraten in hunne poging , om de zaken tot het uiterste te drijven , zeer bevorderd. De uit het verdorvenste gedeelte des adels be staande uitgewekenen , inzonderheid de graaf van Artois, smeedden eerst uit Turijn, vervolgens uit Worms en Coblentz kuiperijen, waaraan ook de koning, zijne gemalin en het constitutionele ministerie niet vreemd waren. De duitsche vrijhecren en vorsten, die in den Elzas en in andere provincien van Frankrijk goederen bezaten en door het besluit van den 4 augustus 1789 van al hunne leenregten beroofd waren , riepen de bescherming van het duitsche rijk in ; en keizer Leopold II , die in 1790 zijnen broeder Jozef II opvolgde, beraadslaagde met den koning van Pruisen, op welke wijze men in Frankrijk het oude koningschap, den adel en de priesters in stand zou kunnen houden , hoewel hij volstrekt niet dacht aan dadelijke hulp. In Engeland vond Pitt het wel nog geraden , om eene voorzigtige onzijdigheid in acht te nemen ; maar de geheele aristocratie aldaar waseven zeer, als de vorsten in Duitschland , over de gebeurtenissen in Frankrijk verschrikt, en haar client Burke, die toen met de whigs brak, bezigde zijne welsprekendheid tot de hevigste prediking van kruisvaart tegen de Fran schen. Dit alles schonk aan de parijsche volksleiders eene groote staat kundige beteekenis en vergemakkelijkte hun het bereiken hunner oogmerken. Zij kregen nu namelijk het voorkomen van ware vaderlanders, terwijl hunne tegenstanders verraders schenen, die hunne betrekkingen , hunnen rang en hun eigendom zochten te bewaren door in verbond met de vreemdelingen hun vaderland met den ondergang te bedreigen. Bovendien kregen de jacobijnen door de woelingen hunner tegenstanders gelegenheid , om het volk met schrik te vervullen en zijnen moordlust op te wekken. Door dit alles nam het aanzien , de invloed en de magt der jacobijnen in hooge mate toe. Lid van hunne club te zijn , was toen reeds bloot in het belang der persoonlijke veiligheid voor elk geraden. Hunne hoofdclub te Parijs telde reeds ver over de duizend leden,en vormde, daar zij reeds vóór de sluiting der nationale vergadering zes honderd zusterclubs in de provincien had, eene geregeld ingerigte magt, wier leger het gemeen van geheel Frankrijk was . De constitutionelen en hunne club (de feuillanten ) werden in 1790 reeds herhaaldelijk door het opgehitste gemeen bedreigd en door de voorgangers De fransche omwenteling in het jaar 1790. 129 van de jacobijnen -club en der parijsche volksgemeente, Desmoulins, Danton, Marat, Fréron en anderen onophoudelijk in redevoeringen en dagbladen aangetast. Desniettemin bleef de meerderheid der nationale vergadering en zelfs die van de parijsche gemeente getrouw aan het constitutionele begin sel . Dat bleek bij verschillende gelegenheden . In augustus 1790 werd Bailly op nieuw tot maire van Parijs verkozen . In september, toen Necker voor den haat des volks wijken en uit Frankrijk vlugten moest , werd hij onder weg vast gehouden ; doch de nationale vergadering bewerkte door een afzonderlijk besluit zijne loslating. Ditzelfde geschiedde, toen op het einde van februarij 1791 de tantes des konings op hare vlugt aangehouden werden. Omstreeks denzelfden tijd, waarin regt en regtspleging begon te verdwij nen en het volk de in zijne handen gekomene politie ter onderdrukking en ver moording der meer gegoeden begon te bezigen, werd ook het staatsvermogen en daarmede de welvaart van tallooze familien door het uitgeven van pa pieren geld vreeselijk geschokt. Op den 19 december 1789 had de na tionale vergadering besloten , om assignaten of aanwijzingen op de verbeurd en als nationaal eigendom verklaarde goederen der kerk uit te geven. Dezen waren nog op bepaald genoemde goederen aangewezen, en moesten bij hunnen verkoop in betaling aangenomen worden. Maar slechts weinige maanden later maakte men assignaten , die maar geheel algemeen op de nationale goederen uitgegeven waren, en derhalve onophoudelijk vermenig vuldigd konden worden. Daarmede was nu een werkelijk papieren geld in gevoerd en het begin tot eene teugellooze vermeerdering daarvan gemaakt. Dit nieuwe middel van onloop had het lot van alle papieren geld : het werd langzamerhand zonder waarde. Daardoor werden vervolgens honderd dui zenden in armoede gestort, en het eigendom der oude grondbezitters in de handen eener andere klasse van burgers overgebragt. De nieuwe staatsregeling bleek reeds tegen het einde van het jaar 1790 , nog voor dat zij voltooid en ingevoerd was , onhoudbaar te zijn, omdat bij het van het buitenland dreigende gevaar, bij de ontbinding van alle orde binnen het land en het duidelijk te voorzien staatsbankroet, geene andere , dan revolutionaire maatregelen helpen konden. De koning was eerst op het einde van 1790 te bewegen, om zijne goedkeuring te geven aan de besluiten betreffende de kerk ; maar hij deed dit alleen gedwon gen, en gaf, door elken beëedigden priester van zich af te houden , aan de democratischen aanleiding, om hem eenen verrader te noemen en zijne verklaringen als huichelarijen af te schilderen. Dedemocraten hadden toen in Danton eenen aanvoerder , die met Desmoulins en andere cordeliers magtiger was , dan Lafayette , Bailly en hunne gelijkgezinden. Danton was in zekeren zin na den dood van Mirabeau opvolger. Hij had als deze de omwenteling noodig om zijne schuldeischers te ontgaan en zich de middelen van nieuwe verkwistingen aan te schaffen ; maar hij bewoog zich, verschillend van Mirabeau , in eenen lageren kring , en had wegens zijn gebrek aan kundigheden en hoogere beschaving zulk een gering aanzien bij de hoogere standen, dat het hof hem eerst zocht om te koopen , toen het te laat was. Danton stak toen het geld op, zonder daarvoor iets te doen. Tot leider der lagere, ligchamelijk sterke volksklasse der vleeschhouwers, smeden , slo tenmakers enz. was hij reeds door de hem eigenaardige soort van welspre kendheid en zijn vreeselijk donderen en schreeuwen meer dan eenig ander geschikt. Daarenboven bezat hij in Camille Desmoulins , die even als hij XVII. 9 130 Nieuwe Geschiedenis. met dolle woede al het oude trachtte te vernietigen, den besten medehelper en vriend . Deze vurige jonge man was een schoolmakker van Robespierre en vroeger met hem bevriend geweest; later had echter de wel hevige en zedelooze, maar ook gemoedelijke aard van Danton hem veel meer aan getrokken , dan de koude, stroeve, afgunstige, heerschzuchtige geest van Robespierre. Overigens maakten de democratische of republikeinsche jaco bijnen drie partijen uit, die in 1790 nog eensgezind waren en het nog drie jaar lang bleven. De eene bestond uit de wijsgeerige, welsprekende en bespiegelende republikeinen , die men later Girondisten noemde. De tweede bevatte de begunstigers eener oplage hartstogt gevestigde regering van het gemeen; hun voorganger was Marat , hun redenaar Robespierre. De derde partij eindelijk maakten de vurige bestormers, vernielers en twijfel zuchtigen van de club der cordeliers uit. Al de drie partijen verkregen omstreeks dezen tijd in mevrouw Roland eene beschermster en in haar huis eenen gezelschapskring, gelijk de hoofden der constitutionele partij bei den in Neckers dochter, mevrouw van Staël, en haren gezelligen kring vonden. Van de laatste en andere salondames onderscheidde zich de re publikeinsche mevrouw Roland , die door haar salon een geschiedkundig persoon geworden is , in elk opzigt. Zij wilde niet schitteren door vernuſt en het regeren der mannen , maar zij zocht , door waarachtige geestdrift bezield, de rondom haar vereenigde mannen voor haar denkbeeld, of veeleer voor haren droom van vrijheid en republiek te bezielen. Zij was verder edel , eenvoudig en bescheiden , verloochende nooit haar karakter als vrouw, had niet slechts romans en gedichten , maar ook ernstige boeken gelezen, en was door de den Franschen eigene verhevene opvatting der oude ge schiedenis voor denkbeeldige helden en staten in geestdrift ontstoken , die op de wereld nooit te vinden waren of gevonden zullen worden. Zij werd later, terwijl mevrouw van Staël doorsloop, een offer van hare dweeperij, maar verdient in den dood onze hoogste bewondering , omdat zij, in spijt van hare gruwzame teleurstelling , getrouw bleef aan het geloof in een hooger doel des levens, en haren blijden moed noch voor den regterstoel van af grijselijke menschen, noch in den kerker en op het schavot verloor. Dat de jacobijnen bij den dood van Mirabeau ( 2 april 1791) de over magt reeds bezaten , bleek zeer in het oog loopend, toen de geheele nationale vergadering te gelijk met de geheele, op dat oogenblik reeds tot 1800 leden aangegroeide clubder jacobijnen de lijkstaatsie vergezelde en de voorzitter van de eerste dien van de laatste den voorrang laten wilde , wat deze echter afwees. Nog in dezelfde maand bewezen de jacobijnen ook , dat hun leger magtiger en gehoorzamer was, dan dat der constitutionelen. Op den 18 april wilde Lafayette namelijk, om aan de wereld te toonen , dat koning. Lodewijk geen gevangene van het parijsche gemeen was, hem met de nationale garde naar St. Cloud begeleiden , waar Lodewijk het avond maal van eenen onbeëedigden priester wilde ontvangen. Maar de jacobijnen riepen het gemeen op , dit hield den koninklijken wagen aan , en de na ţionale garde weigerde , toen hun generaal hun gelastte tusschen beide te komen, te gehoorzamen. De koning moest onikeeren , en Lafayette legde diep gegriefd het bevelhebberschap voor drie dagen neder. De commissien van de jacobijnen - club hadden ook eene volledige po litie met goede verspieders geregeld, zoo dat zij zelfs naauwkeurig kennis droegen van het gene aan vreemde hoven ter gunste van den koning ver De fransche omwenteling in het jaar 1791 . 131 handeld werd. Dit bezigden zij om het aanzien van het koningschap altijd meer te bekrimpen , terwijl tevens de raadgevers des konings hem door hunne dwaasheden in de hand werkten . Lodewijk XVI werd namelijk toen door dezelfde soort van menschen en gedeeltelijk door dezelfdle fa milien tot het verlies van zijnen troon gebragt, als Karel X in onzen tijd . Het waren ook dezelfde lieden, die den koning reeds sedert october 1790 zochten te doen ontvlugten, en die zich daarin zoo onvoorzigtig gedroegen, dat later , toen de zaak tot uitvoering kwam , elk niet alleen over zulk een voornemen van het hof gesproken had , maar ook de vlugt zelve alleen door de verkeerde maatregelen mislukte . Ook keizer Leopold II , met wien de graaf van Artois en Calonne in mei te Mantua afspraken maakte, benadeelde den koning, daar hij door het uitvaardigen van een hoogst on voorzigtig manifest den vijanden van het koningschap in de hand werkte. Dit manifest, dat trouwens eerst in julij 1791 bekend werd , verklaarde de zaak van Lodewijk XVI voor die van alle monarchen , bedreigde de Fran schen met de wraak der vreemde mogendheden, en trok de binnenlandsche belangen van Frankrijk voor den regterstoel van vreemde koningen. Lo dewijk XVI zelf stelde bij gelegenheid van zijne vlugt zich en de monar chen in zulk een ongunstig licht voor, als de democraten ooit wenschen konden. Hij bekrachtigde , toen het plan tot zijne vlugt reeds ontworpen was , op den 2 junij de besluiten der nationale vergadering, maar stelde op den 10 daartegen een protest, dat na zijne vlugt aan de nationale ver gadering moest medegedeeld werden. Devlugt zelve, die in den nacht van den 20 op den 21 junij begon nen werd, toont ons de volkomene verblinding en onverbeterlijkheid der hovelingen van den ouden stijl, die niet eens in staat zijn , hunne knoeije rijen , hunnen hoogmoed en stijve pligtplegingen in zulk een geval te ver loochenen , hoewelin een land , waar toen de voorname lieden door elken burger met bespiedende blikken gade geslagen werden, de zaak slechts bij de grootste voorzigtigheid gelukken kon. Zoo werd b. v. de vlugt om nietige beuzelingen twee dagen na den bepaalden tijd verschoven . Zoo verkreeg de gouvernante der koninklijke kinderen , alleen omdat het hof gebruik dit eischte, de plaats , die vroeger voor eenen krachtigen kapitein van de garde bestemd was. Verder wasmet Bouillé, den opperbevelhebber der troepen in Lotharingen, afgesproken , dat hij van Chalons sur Marne af op alle stations tot Montmédy, het doel der reis , wachtposten ter be scherming der vlugtelingen zou plaatsen ; maar toen de reis twee dagen uitgesteld was , had Bouillé de wachtposten weder moeten intrekken en nog eens uitzetten , waardoor de inwoners eerst regt oplettend gemaakt waren. Even dwaas was het, den koning, wien elk aan zijn beeld op de munten zoo gemakkelijk herkennen kon, in een opzienbarend prachtrijtuig te laten reizen, dat daarenboven zeer zwaar was en onder weg herstelling behoefde. Voorts reisde Lodewijk met den pas cener russische barones als haar kamerdienaar, en een gunsteling zijner gemalin, de zweedsche graaf Fersen, had den wagen bezorgd. Lodewijks broeder, de graaf van Pro vence , ontvlugtte ter zelfder tijd , maar sloeg eenen weg in , die de helft korter was en waar langs hij gelukkig naar Belgie ontkwam . Te Chalons herkende de postmeester den koning reeds ; hij zweeg echter, daar hij welgezind was, stil . De postmeester van St. Menchould daarentegen, Drouet, die de vlugtelingen insgelijks herkende, zond spoedig zijnen zoon 9 * 132 Nieuwe Geschiedenis. af, om langs eenen korteren weg naar Varennes, het naaste station, te rijden en daar de in hechtenis neming des konings te bewerken . Toen derhalve de vlugtelingen te Varennes kwamen , hadden de burgers daar reeds de brug versperd. Lodewijk had zich nogtans kunnen redden , als hij den hem vergezellenden garden du corps toegestaan. had, om zich met de wa penen eenen weg te banen . Daartoe kon hij echter niet besluiten. Hij werd derhalve te Varennes door het volk aangehouden, dat daarvan nů terstond berigt deed toekomen aan de nationale vergadering. Te Parijs werd de vlugt des konings reeds ten zeven ure des morgens van den 21 junij bekend. Lafayette, wiens nationale garde de wacht aan het slot had, geraakte terstond in verdenking van medepligtigheid, omdat het geheel onbegrijpelijk scheen , dat hij in den laatsten tijd niets zoude bemerkt hebben van het rustelooze gewoel der bedrijvige hofbedienden. De aristocraten beschuldigden hem , dat hij de vlugt niet ongaarne gezien had, om den koning later geheel in zijne magt te hebben ; de democraten gaven hem na , dat hij ten gevalle van zijnen neef Bouillé niets had willen zien. Hij zond, onmiddellijk nadat hij de vlugt des konings vernomen had , hem zijnen adjudant-generaal Romeuf na ; maar de nationale verga dering zond, toen zij het berigt van Varennes ontving , drie harer leden , Latour -Maubourg, Petion en Barnave, af, omde vlugtelingen af te halen en onder weg tegen het volk te beschermen. De wijze, waarop deze com missie de koninklijke familie naar Parijs terug bragt, was een noodlottige slag voor het koningschap; want de drie afgevaardigden gaven aan de terugreis het aanzien van eene overbrenging van gevangenen, daar zij zelven en Romeuf mede in den Wagen zaten en de garden du corps, die met levensgevaar hunnen pligt gedaan hadden, gebonden op den bok der koetsen naar Parijs medevoerden. Deze laatsten werden te Parijs erg door het gemeen mishandeld. De mislukte vlugt had twee zeer nadeelige gevolgen . Eerst had men door het protest , dat Lodewijk achterliet, een stuk in handen , waaruit schriftelijk bleek , dat de koning zich noch door zijn woord , noch door zijnen eed gebonden achtte; en ten tweede nam men onmiddellijk na de vlugt de vervolgens voor de republikeinen voordeelig geworden proef, hoe men zonder koning regeren kon. De eerste werking werd nog verhoogd door eene schriftelijke verklaring, waartoe Barnave na de vlugt den koning overhaalde. Deze verklaring was een mengsel van spitsvondigheid en logen , waardoor het vroegere protest verontschuldigd en terug genomen werd. De koning zelf beroofde zich niet slechts van alle vertrouwen, maar hij legde ook zijne zwakheid en angstvalligheid voor de geheele natie bloot. Dit kwam den dweepzuchtigen republikeinen , maar nog meer den predikers der regeringloosheid ten goede. De laatsten , Marat, Danton en anderen, verkregen voor hun vroeger woest getier daardoor eenen schijn van waar heid . De eersten, mevrouw Roland en hare vrienden , Petion, Buzot, Brissot en anderen , geloofden thans hunnen droom van eene volmaakte republiek zoo veel te ligter te kunnen verwezentlijken . Het tweede verderfelijke gevolg van de vlugt bestond daarin, dat men den koning eenigen tijd ter zijde schoof en het rijk als eene republiek bestuurde. De nationale vergadering besloot namelijk op den 25 junij tot de schorsing van het koninklijk gezag; en dit besluit werd tot september, toen de werkzaamheden der nationale vergadering ten einde liepen , in Fransche omwenteling na de vlugt des konings. 133 stand gehouden . Het wetgevend gezag trok de geheele regering, zelfs wat den uiterlijken vorm betrof, aan zich, daar het de ministers onder zijn bevel en toezigt nam en de afzonderlijke takken van bestuur door commissien liet beheeren. De lijfwachten werden afgeschaft, de leden der koninklijke fa milie voortaan door de nationale garde geheel als gevangenen bewaakt en een geregeld regterlijk onderzoek tegen den koning aangevangen . Het volk kreeg derhalve den tijd , om zich te ontwennen aan het koninklijk gezag. Doch de koninklijke constitutionele partij werkte den democraten in de hand door het zwaard boven het hoofd des konings te laten zweven , tot dat hunne taak voleindigd was. Ter zelfder tijd dreef zij ook de vrienden des konings in de nationale vergadering tot eenen onvoorzigtigen stap. De laatsten , waartoe ook sedert de vlugt des konings Barnave overhelde, weigerden namelijk niet slechts deel te nemen aan de beraadslagingen over den koning, maar zij protesteerden ook tegen alle gedurende den tijd zijner schorsing uitgevaardigde besluiten. Deze stap van twee honderd een en negentig afgevaardigden gaf der hevigste partij zulk een overwigt, dat men toen reeds moeite had , om eene aanklagt tegen den koning te beletten. De meerderheid besliste wel ten voordeele des konings, doch zeven afge vaardigden, die met groote hevigheid als republikeinen optraden, Gregoire, Petion , Buzot , Vadier , Robespierre , Putraint en Hébrard , werden alleen als mannen des volks geprezen en geëerd , en de constitutionele meerder heid zag zich , om de openbare gunst niet geheel te verliezen, genoodzaakt, eenige beperkingen te voegen bij de vrijspraak des konings. De den koning gunstige beslissing van de nationale vergadering werd door de hoofden der democratie even zoo gebezigd , als men zich op den 5 october 1789 de duurte had ten nutte gemaakt. Zij lieten een verzoek schrift aan de nationale vergadering verspreiden , dat door Brissot en La Close , een makker van den hertog van Orleans , opgesteld was en het verlangen bevatte , dat het geheele fransche volk stemmen zoude over de voortduring der heerschappij van Lodewijk. Dit verzoekschrift werd den 17 julij ter onderteekening neder gelegd op het altaar des vaderlands, dat een jaar vroeger op het maartveld was opgerigt. Het eigentlijke oogmerk daarmede was, om onder voorwendsel der onderteekening van het verzoek schrift het gemeen in groot aantal bijeen te brengen enhet dan even zoo tot gewelddadigheid tegen de nationale vergadering op te hitsen , als men het op den 5 october 1789 tot mishandeling van den koning te Versailles aangespoord had. De mannen , die de geheele zaak bestuurden , waren later de hoofden der woedende republikeinen, Danton, Petion , Buzot, Brissot, Legendre, Fabre d'Eglantine, Fréron, Robert, Marat, Chaumette en Camille Desmoulins. Op het maartveld liet men op den 17 julij eerst , om het gemeen door het zien van bloed moordzuchtig te maken, twee onschuldige nieuwsgierigen als verraders vermoorden. Vervolgens vuurde men door aanspraken de woede van den ruwen hoop tegen de constitutionelen aan en trachtte de geheele menigte te bewegen, om stormend op de nationale vergadering los te gaan. Maar eindelijk verschenen Lafayette en de maire Bailly met de nationale garde. Zij eischten de menigte volgens de in de krijgewet voorgeschrevene vormen op, om uiteen te gaan ; en toen hunne op eisching door het werpen met steenen beantwoord werd , gaf Bailly bevel om te vuren. Dit geschiedde, en in eenen oogwenk liep de geheele ontelbare menigte, door eenen doodelijken schrik bevangen, uiteen, nadat veertien of 134 Nieuwe Geschiedenis. > volgens andere berigten meer dan honderd menschen gevallen waren. Van het laatste maakten de raddraaijers later gebruik , om het gemeen tegen Lafayette en Bailly te verbitteren ; beiden waren van dit oogenblik af ge haat, en Bailly moest later zijne gestrengheid met het levenboeten. Deze gestrengheid had overigens de onmiddellijke uitwerking, dat vele jacobijnen uit angst hunne club verlieten en dat van al de afgevaardigden der na tionale vergadering, die jacobijnen waren , slechts omstreeks zes in die club achterbleven . Al de overigen begaven zich tot de feuillanten . De nationale garde zou op dit tijdstip gaarne aan het geheele drijven der jacobijnen en cordeliers door vernieling hunnervergaderplaatsen een einde gemaakt hebben ; maar de constitutionelen hadden de demagogen te zeer noodig tegen de blinde voorstanders van het oude , dan dat zij hadden kunnen besluiten, om de bronnen der woelingen te dempen. Om dezelfde reden liet de nationale vergadering de gelegenheid ter onderdrukking van het wilde woelen ongebruikt voorbij gaan. Er werd wel tot beperking der clubs en hunner bemoeijing besloten , het schandelijk dagblad van Marat door het wegnemen zijner persen onderdrukt , eene nieuwe oproerwet uit gevaardigd en een regterlijk onderzoek aangevangen ; maar deze gestreng heid duurde slechts kort , en weldra waren de jacobijnen geduchter dan ooit. Kort daarna voltooide de nationale vergadering hare staatsregelende taak. Maar eerst nadat de staatsregeling in augustus nog eens herzien was, verklaarde de nationale vergadering zelve haar voor voltooid en bood haar den koning ter aannemingaan . De koning nam de nieuwe staats regeling aan, en bezwoer haar vervolgens op den 14 september in de na tionale vergadering zelve met eenen plegtigen eed. Daardoor eerst eindigde de schorsing van zijn gezag en de gevangenschap , waarin hij en zijne fa milie tot hiertoe gehouden waren. De door de nationale vergadering vervaardigde staatsregeling was niet alleen wegens den geheelen staat van zaken onhoudbaar, maar zij hadde ook reeds daarom niet lang kunnen in stand blijven , dat zij een derling mengsel was van amerikaansche democratie en engelsche aristo cratie . Desniettemin is Frankrijk aan deze staatsregeling en deze natio nale vergadering zeer wezentlijke voordeelen verschuldigd, die den Fran schen eerst later ten goede kwamen en met een tienjarig veelsoortig lijden gekocht moesten worden. Het belangrijkste dezer voordeelen bestond daar in , dat eene bepaalde wettige regeling in de plaats der militaire willekeur en der onbestemde oude regelen gesteld werd. De Franschen werden ver der eerst door de nieuwe verdeeling van hun rijk en door de za mentrekking hunner regering in één punt tot eene natie gemaakt. Boven dien werden alle leenregten, alle tollen in het binnenland, benevens de tien den , afgeschaft. De verkoopbaarheid der betrekkingen hield op. De geld middelen werden op vasten voet geregeld en eene aan het vermogen der bijzondere personen geëvenredigde gelijkheid van belastingen ingevoerd. De verkoop der geestelijke goederen en der staatseigendommen bezorgde aan duizenden een aandeel in den grondeigendom en onttrok hen aan den bedelstaf. Eene volledige verdraagzaamheid werd ingevoerd. De klooster geloften werden even zeer als de gilden opgeheven. Regtspleging en regt werden verbeterd , maar inzonderheid al de barbaarsche straffen , die nog uit de middeleeuwen afkomstig waren , afgeschaft, de regtbank van gezwo zon Fransche omwenteling. Einde der constitutionele vergadering. 135 renen ingevoerd , de vrijheid van drukpers aangekondigd , de persoonlijke vrijheid verzekerd, de brieven van gevangenneming geheel afgeschaft, het regt der eerstgeboorte en de in de plaats stelling bij uitersten wil opge heven. Aan de beide laatste punten schrijft men het geheel alleen toe, dat in de volgende twintig jaren de bevolking van Frankrijk, in spijt van ontzettend menschenverlies, een vijfde is vooruit gegaan . Door eene onoverdachte daad van grootmoedigheid had de nationale vergadering op den 16 mei 1791 reeds op voorstel van Robespierre beslo ten, dat al hare leden van de verkiezing in de wetgevende vergadering, die volgens de nieuwe staatsregeling terstond na haar moest bijeen komen, zouden uitgesloten zijn. Dit verligtte hun , die eene nieuwe omwenteling wenschten, het bereiken van hun doel. Bovendien zorgde de parijsche bur gerij, dat de democratische afgevaardigden opandere wijze grooten invloed verkregen. In junij was Robespierre reeds door haar tot openbaar aan klager bij de parijsche lijfstraffelijke regtbank, en tevens Pethion tot voor zitter en Burot tot vice -president daarvan gekozen. Niet lang na de slui ting der staatsregelende vergadering ( 16 november ) benoemde men Pethion in de plaats van Bailly tot maire van Parijs. Omstreeks denzelfden tijd werd een ander lid van de partij des gewelds, Manuel , als procureur of syndicus, en Danton als zijn plaatsvervanger woordvoerder van den parij schen gemeenteraad. De betrekking van Lafayette als opperbevelhebber der parijsche nationale garde was nog door de staatsregelende vergadering zelve opgeheven. Men had namelijk het burgerleger van Parijs in zes le gioenen verdeeld en daarover zes bevelhebbers benoemd, die bij afwisse ling gedurende eene maand het opperbevel zouden voeren. Van deze zes bevelhebbers was de brouwer Santerre , een vriend van den hertog van Orleans , de gewigtigste , omdat hij op de bewoners der voorsteden , wier vuisten men gebruiken wilde, denzelfden invloed bezat, dien Lafayette bij den middelstand had gehad. Bij den aanvang der nieuwe nationale ver gadering was derhalve al het gewigt en aanzien, dat tot hiertoe Lafayette, Bailly, de Lameth's en andere constitutionele leden bezeten hadden, op de democraten overgegaan. Eindelijk kwamen ook nog de keuzen voor de wetgevende vergadering geheel in handen van de tegenstanders der nieuwe staatsregeling. Ook dit was de schuld der afgetreden vergadering ; want zij had eenekieswet uitgevaardigd , volgens welke alle keuzen in de han den van den onwetenden volkshoop gesteld en derhalve van de jacobijnen clubs afhankelijk gemaakt werden. Dit alleen zou de reeds elf maanden later gevolgde omver werping der nieuwe staatsregeling begrijpelijk maken. Maar men moet bovendien nog bedenken , dat volgens deze staatsregeling de wetgevende vergadering , hoewel zij geen hoogerhuis nevens zich had, niet ondergeschikt aan den koning , maar hem ter zijde gesteld was , dat de koning haar niet ontbinden mogt, dat geen zijner ministers daarin zit ting en stem en hij zelf geen regt tot voorstellen had, enz. Het was der halve geheel natuurlijk, dat de nieuwe nationale vergadering van het begin af de staatsregeling, benevens hare grondleggers zocht te vernietigen. Ja, onder de nieuwe afgevaardigden bevond zich naauwelijks een eenige, die genegen zou geweest zijn , om den op de nieuwe staatsregeling afgelegden eed onvoorwaardelijk te houden. 136 Nieuwe Geschiedenis. 4 . HET TIJDPERK VAN DE WETGEVENDE VERGADERING TOT OP DE AAN STELLING VAN EEN MINISTERIE VAN GIRONDISTEN (MAART 1792) . De wetgevende nationale vergadering opende hare zittingen op den 1 october 1791 onder omstandigheden , die voor het behoud der nieuwe constitutionele regering en voor hetherstel der orde enrust zeer beden kelijk waren. De koning haatte eene staatsregeling , die hem met geweld opgedrongen was, hoewel hij slechts door hare toepassing gered hadde kun nen worden. Het hof, dat in vereeniging met de koningin den zwakken vorst bestuurde, smeedde zelfs eene geregelde zamenzwering tegen de staats regeling. Ook de uitgewekenen woelden bij de vreemde mogendheden tegen den nieuwen staat van zaken. Zij werden daarin door den koning en door allen , die hem omringden , heimelijk ondersteund. Zelfs bestond er aan het hof werkelijk eene naauwere vereeniging , die onder de leiding van den minister Bertrand de Molleville de staatsregeling zocht te onder mijnen en die spottender wijze het oostenrijksche comité genoemd werd. Deze eeuwig onverbeterlijke lieden ondersteunden in hunne kortzigtigheid zelfs de plannen der demagogen ; want zij hoopten, dat men, als de staats regeling maar eerst door de jacobijnen vernietigd was , in de algemeene verwarring de oude monarchie weder zou kunnen oprigten . Zij verkwist ten derhalve, gelijk uit de stukken te bewijzen is, nutteloos millioenen voor omkoopingen , zoo wel als voor dagbladartikelen en voor het onderhoud van spionnen. Daarbij hadden zij zoo weinig besef van vaderlandsliefde en geestdrift, dat zij niet slechts mannen zonder eer en geweten , zoo als Danton , maar ook de eerlijkste dweepers voor de vrijheid onder de afge vaardigden door geld meenden te kunnen winnen. Wat de constitutionele partij betreft, zij had, als bekend is , zelve ver oorzaakt, dat hare hoofden en woordvoerders uitgesloten werden van de deelneming aan de nieuwe nationale vergadering. Zij had bovendien ook nog het gezag in den parijschen gemeenteraad verloren , die in november 1791 reeds politie en regtspleging geheel aan zich trok en een afzonder lijk met regterlijk gezag bekleed comité van politie aanstelde, dat de con stitutionelen als de ergste vijanden vervolgde . Alleen het parijsche depar tementaal bestuur bestond nog, gelijk al de anderen in het rijk , wat de meerderheid betreft, uit constitutioneel gezinde mannen. Ook deze partij was, even als het hof, in eene onheilvolle zelfmisleiding bevangen en stortte daardoor zich zelve in het verderf. Hare aanvoerders hoopten , zelfs als de terugkeer van het oude slechts door eene geheele omverwerping van het bestaande verhinderd kon worden, het monarchale stelsel in stand te kunnen houden , maar zij streden met stompe wapenen tegen eenen vij and , die met krachtvolle stoutheid elke bedenking ter zijde stelde en al de woede der lagere volksklassen tot den strijd bezigde. Zoo verloren dan reeds in october 1791 deze voorname aanhangers der vrijheid, behalve La fayette en eenige weinige anderen, den moed, en in het volgende jaar wa ren zij, in het gedrang tusschen de beide uiterste partijen , zelfs genood zaakt, zich bij den koning of bij hare vroegere doodvijanden, de uitgewe kenen, aan te sluiten. De heerschappij kwam derhalve aan de republikeinen , die, in spijt van de verscheidenheid hunner eindoogmerken , toen onderling nog vereenigd waren, en er ontstond, zonder dat iemand hoegenaamd daartoe een bepaald Fransche omwenteling. Wetgevende nationale vergadering 137 . plan ontworpen had, door den loop der omstandigheden zelven eene nieuwe soort van regeringsmagt. Dit zuiver ochlocratisch gezag had zijnen voor naamsten steun in de jacobijnen -club en in den woesten hoop der hoofd stad . De jacobijnen - club , die met de overeen stemmende clubs van alle oorden des rijks stelselmatig verbonden was, werd in zekeren zin de hoog ste overheid. Maar het gepeupel van Parijs was voor die overheid vol maakt hetzelfde, wat politie en leger vroeger voor de koninklijke regering geweest waren. Het bezorgde de jacobijnen- club met de vuist gehoor zaamheid, en vervulde de tegenstanders der democratie met schrik en ont zetting door den moedwil en de boosheid, die het dagelijks pleegde. Zelfs de stedelijke gemeente van Parijs, die reeds eene soort van democratische republiek geworden was , moest ten behoeve van het gemeen de bedoelin gen der boosdoeners bevorderen. Dat dit mogelijk kon zijn, was de schuld van het voornamer gedeelte der parijsche burgerij. De rijken en aanzien lijken trokken zich namelijk reeds in de eerste maanden der wetgevende vergadering terug. Zij lieten niet alleen de stedelijke betrekkingen en werkzaamheden aan de lagere volksklasse over , maar zij bragten ook de gewapende magt in hare handen, omdat zij, in plaats van zelven de dienst bij de nationale garde waar te nemen, zich door lieden uit het gepeupel deden vervangen . Uit denzelfden woesten hoop vormde men nog daaren boven in februarij 1792 eene bijzondere gewapende afdeeling, de piekeniers, nadat reeds de nationale garde in 1789 eene afdeeling artillerie bekomen had , waartoe bijna uitsluitend slotenmakers , smeden , wagenmakers, tim merlieden, vleeschhouwers en dergelijke handwerkslieden behoorden. De wetgevende nationale vergadering bestond grootendeels uit de zoo danigen, wier oogmerken veel verder strekten , dan de nieuwe staatsrege ling . Onder de zeven honderd vijf en veertig leden waren drie honderd advocaten , zeventig beëedigde priesters en slechts zeer weinig grondeige naars. Bovendien bestondde meerderheid uit lieden beneden de dertig jaar ; een zeer groot gedeelte had zelfs den wettigen leeftijd van vijf en twintig jaren eerst onlangs bereikt. Wel bevonden zich onder de afge vaardigden eenige vrienden der monarchie , maar zelfs de bedaardsten uit hen moesten , indien zij niet van onvaderlandschen zin wilden beschuldigd worden, zich getroosten, om somwijlen den toon der hevigste oppositie aan te slaan . Behalve dit mogten zij, bij de bekende gezindheid van het hof, niet onvoorwaardelijk , noch met allen nadruk de republikeinsche dweepers be strijden, als zij den terugkeer van het oude niet wilden te duchten hebben. De meerderheid der vergadering bestond uit twee verschillende soor ten van republikeinen, die gezamentlijk, in tegenstelling der constitutione len of feuillanten , jacobijnen genoemd werden en eenigen tijd lang ook on derling in de jacobijnen -club vereenigd waren , maar later in twee vijan dige partijen verdeeld werden. De eene dezer partijen geloofde door woord en leer eene burger-republiek van de beschaafde standen te kunnen vesti gen ; de andere wilde al het oude vernietigen en de volksmenigte in woeste beweging brengen , om door haar eene geheel nieuwe maatschappelijke in rigting tot stand te brengen . De eerste partij bestond grootendeels uit regtsgeleerden van Normandie, Bretagne en de zuidelijke zeesteden , en werd , omdat hare beste redenaars tot het departement van de Gironde be hoorden, de partij der Gironde genoemd. De andere noemde men, omdat hare leden de hoogste zitplaatsen aan de linkerzijde gewoonlijk innamen , 138 Nieuwe Geschiedenis. later den Berg. Zij bevatte de eigentlijke jacobijnen van den lateren tijd des schrikbewinds, die in de jacobijnen - club en in de kleinere club der cordeliers hunne punten van vereeniging hadden. Tot deze partij be hoorde een aantal der hevigste jacobijnen, die slechts in troebel water vis schen wilden , zoo als b. v. de morsige capucijn Chabot , dien de eerlijke, maar als goedhartig dweeper ligt te misleiden bisschop Gregoire tot zijnen vicaris- generaal benoemd had , de lamme advocaat Couthon uit Clermont, die later tijdens het schrikbewind naast Robespierre het bewind voerde, Merlin van Thionville , Bazire , Quinette en andere dergelijke lieden. Als de uitstekendste mannen van de Gironde moeten de advocaten Guadet, Vergniaud en Gensonné uit het departement van de Gironde genoemd worden, als ook Isnard, een koopman uit het departement van den Var, de hoogleeraren Koch, Arbogast en Korn uit Straatsburg , de ale scherp redeneerkundige en academisch wijsgeer beroemde markies Condorcet, maar bovenal Brissot, naar wien de partij later genoemd werd , toen men haar in haat brengen wilde. Brissot was op eene reis naar Noord - Ame rika een bewonderaar van de daar bestaande volksregering geworden en stond den hevigen jacobijnen veel nader , dan zijnen girondistischen vrien den. Hij liet bij voorkomende gelegenheid doorschemeren , dat Frankrijk zich ook daarbij goed zou bevinden , als niet alles te Parijs op één punt zamen liep. Dit maakte later de Parijzenaars tot werktuigen der vijanden van Brissot en van zijne partij. De verblinding der naar Duitschland gevlugte twee broeders des ko nings en de onvoorzigtigheid der onbeëedigde geestelijken , waartoe de meeste pastoors en bijna alle bisschoppen behoorden, gaven aan de partij des gewelds de welkome gelegenheid , om de wetgevende vergadering ter stond van het begin af tot maatregelen van verschrikking en vernieling mede te slepen. De onbeëedigde priesters hadden hunnen haat tegen den nieuwen staat van zaken niet slechts in woorden uitgesproken , maar ook in verschillende streken het volk daartegen opgeruid. De gevlugte prin sen hadden een van den 10 september 1791 gedagteekend manifest uitge vaardigd, waarin zij alles , wat sedert mei 1789 geschied was , smadelijk verwierpen en des konings opregtheid ten aanzien van den eed , dien hij op de staatsregeling had afgelegd , regtstreeks verdacht maakten. Beide werd door de hevige jacobijnen , wier woordvoerder bij deze gelegenheid Couthon was , tot hunne oogmerken gebruikt. Op voorstel van Couthon werd reeds op den 5 october besloten , om de titels sire en majesté niet meer te bezigen en bij de plegtige zitting den koning met den voorzitter der vergadering gelijk te stellen , door hem eenen op gelijke hoogte ter linkerzijde van den president staanden zetel aan te wijzen. Het laatste moest echter op den volgenden dag reeds weder ingetrokken worden, om dat dit op het volk, dat toen nog niet dol genoeg was , eenen kwaden in druk maakte. Tegen de onbeëedigde priesters, zoo wel als tegen de uitgewekenen , werden in october en november de hevigste besluiten genomen. Beiden moesten van opstand tegen de wet of van zamenzwering tegen het vader land verdacht verklaard , en de eersten dien ten gevolge onder opzigt der politie gesteld worden , maar de laatsten , voor zoo veel zij niet voor den i januarij terug gekeerd zouden zijn , hun leven verbeuren en hunne goederen en inkomsten door voorloopige in beslag neming verliezen . Fransche omwenteling. Wetgevende nationale vergadering. 139 Tegen deze besluiten sprak de koning, die daartoe ook door een verzoek schrift van het uit constitutionelen bestaande departementaal bestuur van Parijs aangemoedigd werd, zijn veto uit. De vijanden van het koningschap en der staatsregeling werden daardoor echter slechts tot stouter stappen bewogen , en van nu aan werden de gruwelen steeds menigvuldiger. Te Avignon , de hoofdstad van het pauselijk graafschap van denzelfden naam , werden op het einde van octoberdoor de democraten de burgers vermoord, die ontevreden waren over de willekeurige inlijving van het graafschap bij Frankrijk , waartoe door de staatsregelende vergadering besloten was. Tot dergelijke gruwelen was door die vergadering op het eiland St. Domingo aanleiding gegeven. Verschillende van hare besluiten hadden namelijk, in vereeniging met onvoorzigtige verklaringen over de regten der kleurlingen, eenen opstand der slaven en onuitsprekelijke, door hen gepleegde wreedhe den veroorzaakt, die zich later herhaalden en eindelijk het verlies van St. Domingo ten gevolge hadden. Behalve de besluiten tegen priesters en uitgewekenen waren de krijgs zuchtige maatregelen tegen het buitenland het gewigtigste onderwerp, waar mede zich de wetgevende vergadering in het eerste half jaar bezig hield. De naaste aanleiding tot deze maatregelen gaven de door keizer Leopold ondersteunde klagten van duitsche vorsten over de opheffing hunner leen regten ( z. bl . 131). Maar bovendien gevoelde men zich ook nog beleedigd door de toerustingen, die den uitgewekenen toegelaten werden, alsmede door het vroeger vermelde manifest van den keizer en door de tusschen Oosten rijk, Pruisen en andere staten plaats grijpende onderhandelingen over Frank rijk, waaraan ook het fransche hof in het geheim deel nam . De regering had wel reeds in het begin van het jaar 1792 drie legers onder Rocham beau , Luckner en Lafayette bijeen gebragt; maar men vertrouwde haar zoo veel te minder, daar zij geheel rustig bleef, toen Oostenrijk en Prui sen onderling niet alleen op den 7 februarij 1792 een zeer krijgszuchtig verdrag sloten , maar ook dreigende en beleedigende vertoogen aan het fransche ministerie zonden. Een der hevigste vertoogen moet, naar men zegt, zelfs , wat wij in het midden laten , het fransche hof zelf met mede werking van Barnave, Duport en andere vrijzinnige koningsgezinden opge steld en naar Weenen gezonden hebben , omdat men meende, de republi keinen door den duitschen keizer te kunnen beangstigen. Onder deze om standigheden achtte het heviger gestemde gedeelte van de jacobijnen het in zijn belang, het uitbreken van den oorlog op allerlei wijze te bevorde ren en tevens van den stand van zaken gebruik te maken tot het omver werpen van het ministerie. Brissot had als lid van het comité voor bui tenlandsche zaken de wetgevende vergadering reeds van october af op deze baan steeds vooruit gedrongen. In januarij 1792 drong hij eindelijk het besluit door , om den keizer te doen aanzeggen, dat hem de oorlog zou verklaard worden , als hij niet voor den 1 maart aan al de eischen van Frankrijk voldaan had . Nadat dit besluit genomen was, wisten de minis ters door duizend kunstgrepen de uitvoering te belemmeren en het berigt, dat het comité voor de buitenlandsche zaken uitbrengen moest , te vertra gen. Maar zij verwekten daardoor eene zoo hevige verbittering , dat zij niet alleen op de vijandigste wijze aangevallen werden, maar eindelijk ook bezwijken moesten. Bij deze gelegenheid onderscheidde Brissot zich we der het meest door zijne hevigheid. Hij legde als berigtgever de kuipe > 140 Nieuwe Geschiedenis. > rijen , die een deel der ministers met den koning gesmeed had , open en stelde zelfs eene aanklagt tegen den minister van buitenlandsche zaken, Delessart, voor. De laatste werd op den 10 maart werkelijk ten gevolge van een besluit der vergadering aangeklaagd en gevangen genomen, Toen het ministerie door dezen stap ontbonden was , liet de koning zich tot het onder de toenmalige omstandigheden geheel verderfelijke besluit wegslepen, om zijne ministers uit de rijen der oppositie te nemen , of met andere woorden , een uit girondistische jacobijnen bestaand ministerie te benoemen , dat hem hatelijk was en bleef en dus weldra geheel opentlijk als vijand tegen hem optrad. De leden van het nieuwe ministerie waren : Roland voor binnenlandsche zaken , Duranton voor justitie, Lacoste voor marine, Clavière uit Genève voor de geldmiddelen, Servan voor oorlog en Dumourier voor buitenlandsche zaken. Deze ministers waren, als men den laatstgenoemde uitzondert, eerlijke mannen , maar van zeer gewone bekwaam heden en derhalve geheel en al buiten staat , om het staatsschip in het midden van den hevigsten storm te besturen. De eigentlijke leiding van het ministerie berustte bij mevrouw Roland. Deze woonde namelijk de ministeriele zamenkomsten bij, die in de kamer van haren echtgenoot ge houden werden, en oefende daarop eenen wel bescheidenen en stillen , maar nogtans zeer vermogenden invloed. Wat den eenigen bekwamen en ervaren man onder de nieuwe ministers , Dumourier, betreft , hij was vroeger de geheime gevolmagtigde van Lodewijk XV in Polen en Zweden geweest, en had bij de Polen ook in den oorlog gediend ( z. D. XVI. bl. 298) ; hij was later door den minister van oorlog, St. Germain, bij de hervormingen, die deze bij het krijgswezen invoerde (z. D. XVI. bl . 274) , gebruikt, en had eindelijk den grooten vestingbouw bij Cherbourg bestuurd. Hij be schouwde de omwenteling van het begin af als eenegunstige gelegenheid om zijne fortuin te maken, en speelde daarin den intrigant ter gunste van hen, die hem tot eer en aanzien brengen konden . Hij sloot zich derhalve eerst bij de girondisten aan, maar naderde, zoo dra hij door hen minister geworden was, terstond tot het heviger gedeelte der jacobijnen. Hij be steeg zelfs op den dag zijner benoeming tot minister, met de aan de galei slaven ontleende roode muts op het hoofd, het spreekgestoelte in de club der jacobijnen , terwijl drie zijner ambtgenooten nooit tot die club behoord hadden, en de beide anderen (Roland en Clavière ) als ministers die nooit bezochten. Later ging Dumourier over tot de partij van Danton en Ro bespierre, en eindelijk verried hij die ook weder. Het nieuwe ministerie hadde eigentlijk naar denwensch van Brissot ter stond den oorlog moeten verklaren , maar de hevigste republikeinen , die Robespierre toen reeds als hun hoofd beschouwden , wilden vooreerst nog niets van oorlog weten . Robespierre had tot zijnen grooten spijt in de eerste nationale vergadering eene zeer ondergeschikte, in de jacobijnen -club daarentegen reeds sedert 1789 eene belangrijke rol gespeeld ; want hij bezat die woordenrijke, oppervlakkige , met den nijd en de boosheid van lage zielen overeenkomstige advocaten-welsprekendheid, die alleen aan den groo ten hoop bevalt , maar dien ook zeker voor zich inneemt. Ook was zijne koele, drooge, door nijd en eerzucht bevangene geaardheid , die slechts zin voor het stoffelijke bezat en alle poëzij en geestverheffing haatte, veel meer geschikt, om de wenschen van het gemeen te raden, dan zich over te geven aan de dweepende denkbeelden van eenen Buzot of van eene mevrouw Rusland. Catharina II en Potemkin. 141 - Roland. Hij verscheen ook wel in den kring , dien de laatste aan haar huis vereenigde, maar hij betoonde zich steeds koel en terughoudend. Toen daar in junij 1791 op het eerste berigt van de vlugt des konings er over gesproken werd, datmen zich die ter invoering der republiek zou kunnen ten nutte maken , vraagde Robespierre honend, wat dat voor een ding was, de republiek. Even zoo was hij, toen de girondisten met schitterende woorden den oorlog eischten, voor het behoud van den vrede gestemd , en hield in de jacobijnen - club hevige redevoeringen tegen den oorlog , die tevens tegen het nieuwe ministerie gerigt waren. Hij was namelijkmet Desmoulins van oordeel, dat een zegevierend leger den brissotisten dienen zoude , om in vereeniging met Lafayette op de puinhoopen van het koningschap eene regering van eerzuchtige grooten te vestigen. Het uitbreken van den oorlog was echter toen niet meer af te wenden. Hij zou alleen reeds veroorzaakt zijn door de handelwijze van Dumourier, die, om den republikein te spelen en lieden als Marat te behagen , in de taal der diplomatie dien barschen toon aansloeg, waaraan de Franschen tot op het tijdperk der restauratie getrouw zijn gebleven. Volstrekt onver mijdelijk werd de oorlog, toen keizer Leopold op den 1 maart 1792 stierf, en zijn jeugdige, onervaren, van vrouwen en hovelingen afhankelijke zoon , Frans II, hem op den oostenrijkschen troon volgde. Voor dat wij tot de geschiedenis van den oorlog en de verdere ontwikkeling van de fransche omwenteling overgaan, is het noodig , eerst te vermelden, welke gedaante de europische zaken in den laatsten tijd aangenomen hadden. XVI. HET MONARCHALE EUROPA IN DEN LAATSTEN TIJD VOOR EN GEDURENDE DE EERSTE JAREN VAN DE FRAN SCHE OMWENTELING . 1. RUSLAND VOOR DEN TWEEDEN TURKSCHEN OORLOG VAN KEIZERIN CATHARINA II . Het russische rijk kwam , terstond nadat Catharina II haren eersten oorlog tegen de Turken geëindigd had (z. D. XVI. bl. 294–298), onder het gezag van den graaf Potemkin , die toen in de plaats van Gregoor Orlow gunsteling van de keizerin werd. Onder Catharina was namelijk, even als aan het hof van Lodewijk XV, het voorwerp der grofzinnelijke liefde van het opperhoofd van den staat volstrekt opentlijk de in rang eerste en somwijlen ook magtigste persoon van het hof. Voor dezen persoon was in Rusland niet slechts eene bijzondere woning op het paleis ingerigt, maar ook zelfs eene bepaalde hofbetrekking ingesteld, waaraan grootere eerbe wijzingen en voorregten verbonden waren , dan aan hoegenaamd eenige andere. Van de twaalf mannen , die achtervolgens deze betrekking bekleed den , behielden twee, Gregoor Orlow en Potemkin, hunne heerschappij over Catharina ook zelfs nog , toen zij de plaats van keizerlijk lieveling aan anderen hadden moeten overlaten , zoo dat beider invloed nagenoeg gedu rende de geheele regering der keizerin staande bleef . In het jaar 1772 was Or low door Wasiltschitkow verdrongen ( z. D. XVI. bl. 296 vv . ) . In 1774 drong hij zich wel reeds weder in zijne oude betrekking , maar hij moest nog in hetzelfde jaar voor den graaf Potemkin wijken . Deze was van al de 142 Nieuwe Geschiedenis. bekleeders dezer schandelijke betrekking misschien de eenige, die ten minste in het begin wezentlijke hartstogt voor Catharina koesterde. Hij maakte zich weldra meester van de geheele leiding der staatszaken, en behield die tot aan zijnen dood, omdat hij, even als Orlow, al de eigenschappen bezat, die tot deuitvoering van de geestrijke plannen van de keizerin vereischt werden . Hij maakte zich derhalve ook zoo onontbeerlijk , dat hij de kei zerin, op wier persoonlijke gunst toch geheel zijne magt berustte, van tijd tot tijd zelfs onbeschoft bejegenen durfde, ofschoon hij reeds in 1776 de betrekking van gunsteling aan een ander had moeten afstaan . Potemkin was een echt oostersch - russisch groot heer. Hij zag met diepe verachting neder op de zedelijke geboden, behandelde elk zonder onderscheid onbeschoft en willekeurig , en offerde aan zijne luim , zijne eerzucht en de plannen zijner keizerin zonder bedenkingen de schatten des rijks en het leven van duizenden op. Der keizerin bewees hij nu eens de verhevenste vleijerijen, gelijk die slechts in de oude oostersche rijken ge vonden werden , dan weder behandelde hij haar op dezelfde willekeurige wijze als alle anderen. Daarenboven was hij de hebzuchtigste man uit het rijk en hoopte zoo groote schatten opeen , dat hij, niettegenstaande de waarlijk keizerlijke vertooning, die hij maakte, bij zijnen dood ( 1791 ) een vermogen in geld naliet , dat op twee en vijftig millioen roebels geschat werd , maar zeker nog veel grooter was. Elk bewonderde hem , hoewel niemand eene waarlijk groote hoedanigheid in hem ontdekken kon ; elk vreesde hem en verdroeg zijnen ontzettenden hoogmoed . Vergeefs zochten de opvolgers van Potemkin in het bovenvermelde hofambt der keizerin de oogen te openen. Allen moesten zij wijken voor eenen man, van wien Catharina zich niet scheiden kon , omdat hij door willekeurige zielskracht en het volkomen voorbij zien van alle bedenkingen de reusachtige onder nemingen doorzette, die haren roem verhoogden, en omdat hij de russische grooten door de vrees, die hij inboezemde, zoo wel als door de schitterende feesten, waarmede hij hen vermaakte, van zamenzweringen ter gunste van haren zoon Paul wist terug te houden. De heerschappij van Potemkin begon tijdens den vrede van Kutschuk Kainardsche, waardoor de tartaarsche benden aan de Zwarte zee van Turkije afgescheurd en onafhankelijk verklaard waren (z . D. XVI. bl . 297 vv.). Deze landen bij het russische rijk in te lijven, was het eerste plan, dat Potemkin beoogde. De omstandigheden waren hem bij de uitvoering zeer gunstig ; want Frankrijk en Engeland, zonder wier bijstand de sultan de wapenen niet opvatten kon , werden juist in eenen oorlog tegen elkander gewikkeld ( z. D. XVI. bl. 322 vv. ) . Potemkin ging bij de onderwerping der Tartaren op dezelfde wijze te werk, als de Engelschen gewoon zijn de indische vorsten van hunne bezittingen te berooven. Hij verdreef eerst door onlusten , die hij verwekte en gaande hield , den turkschgezinden khan van de Krim , en liet in zijne plaats eenen russischen beschermeling, Sahim Gherai, verkiezen . Later tergde hij door ophooping van troepen in de nabijheid van de Krim den turkschen sultan , bewoog den nieuwen khan , toen die zich te gelijk door zijne onderdanen en door de Turken bedreigd zag , om hulp te verzoeken te Petersburg, en zond hierop een door Suwarow aangevoerd leger naar de Krim ( 1778) . De sultan moest zich weldra naar de eischen van Potemkin schikken en den door Rusland aangestelden khan als beheerscher van de Krim erkennen . Nadat Potemkin Rusland. Catharina II en Potemkin. 143 dit bereikt had, wist hij den khan door bevrediging van zijne ijdelheid en door schitterende beloften zoo ver te brengen, dat hij zich steeds meer en meer van zijn volk vervreemdde, zijne godsdienst verloochende en eindelijk zelfs zijn land aan Catharina afstond , om als russisch overste in rust, genot en weelde te kunnen leven . Sahim Gherai werd schandelijk bedro gen ; want de hebzuchtige Potemkin liet hem later het bedongene jaargeld niet uitbetalen, ofschoon hij het der keizerin steeds in rekening bragt. Toen Sahim Gherai zich in 1786 met klagten tot Catharina wendde, werd hij door Potemkin naar Kaluga verbannen . Daar geraakte hij in grooten nood , vlugtte derhalve naar Turkije, maar werd op bevel van den sultan als verrader en renegaat geworgd. Na den afstand van den khan bezetten russische troepen deKrim en de andere daarbij behoorende tartaarsche landen ( april 1783 ). De Tartaren, wien men in manifesten de onderwerping aan Rusland als de grootste weldaad afschilderde, beproefden vergeefs hunne vrijheid te verdedigen ; Potemkin liet tegen hen dat heroiek middel van het schrikbewind bezigen, dat men dan alleen gewoon is te misprijzen en te schelden , als het niet ten behoeve van troon en altaar , maar in het belang der vijanden van de aristocratie en monarchie toegepast wordt. Door een vreeselijk bloedbad namelijk , waarin meer dan dertig duizend Tartaren van elken leeftijd en geslacht moeten omgekomen zijn , werden de wederspannigen in eens ver nietigd en de overigen afgeschrikt. Hierop verklaarde men de Krim en een groot gedeelte van Kuban voor russische gouvernementen , en gaf daaraan de nieuwe namen van Taurie en Caucasie. Potemkin zelf werd met den eernaam van den Taurier versierd en tot gouverneur- generaal der veroverde landen en ook tot groot - admiraal van de Zwarte zee benoemd. De ongelukkige Tartaren werden later , in spijt van de schoone woorden , waarmede men hun het geluk der russische heerschappij afgeschilderd had, zoo behandeld , dat hun tegenwoordige toestand met dien , waarin zij nog voor tachtig jaren verkeerden, niet eens te vergelijken is. Toenmaals nog talrijk , welvarend en in zijde gekleed , zijn zij thans tot eenen kleinen honger lijdenden bedeltroep afgedaald; hunne vroeger prachtige tentsteden zijn heidenkampen geworden , hunne steenen huizen en paleizen tot puin hoopen vervallen. De sultan moest de verovering van de Krim bedaard aanzien, omdat hij van Europa geene hulp te wachten had. Frankrijk was slechts bedacht om den noord -amerikaanschen oorlog tot een eindete brengen. Engeland werd bezig gehouden door de onlusten , die Pitt in het volgende jaar aan het bestuur bragten. Jozef II van Oostenrijk had zich in 1780 laten winnen door Catharina, en met haar te Tschere koeselo een verdrag gesloten, waarbij hij de Turken en Tartaren aan hun lot overliet. Frederik de groote eindelijk wenschte en hoopte met de hulp van Rusland de poolsche steden Thorn en Dantzig te bekomen. De sultan was derhalve niet slechts genoodzaakt, den afstand der tartaarsche landen toe te zien , maar hij werd ook, even als weinige jaren vroeger de Polen, gedwongen, den aan hem gepleegden roof door zijne plegtige toestemming den schijn eener wettige handeling te geven . Onmiddellijk daarna hield Potemkin zijne keizerin met nieuwe reus achtige plannen en ondernemingen bezig. ' Hij offerde , om in Azie ver overingen te maken, bij eenen nutteloozen oorlog met Perzie geld en men schen op. Hij knoopte met China groot schijnende betrekkingen aan , die - 144 Nieuwe Geschiedenis. tot niets leidden. Hij verplaatste zestig duizend kozakken naar het land der nedergesabelde Tartaren. Hij ontwierp eindelijk het plan tot eene nieuwe grootsche onderneming , die verbazende sommen verslond, en toch niets anders was en bleef, dan eene fijn uitgedachte reusachtige vleijerij jegens de keizerin . Daar namelijk Catharina met haren vriend Voltaire voor het denkbeeld van een nieuw grieksch rijk dweepte, nam Potenkin dit droombeeld op, en besloot vooreerst een half grieksch rijk aan de Zwarte zee te stichten. Het begin werd met het bouwen eener hoofdstad gemaakt. Potemkin tooverde met de daarvoor toegestane achttien millioen roebels, waarvan hij echter het grootste gedeelte voor zich zelven behield, in korten tijd het schaduwbeeld eener groote stad voor den dag, die den naam Cher son verkreeg, maar die op een slecht gekozen punt gebouwd werd , en derhalve bij het later aangelegde Odessa ver achter gebleven is . De tot een stadhouderschap verhevene woestijn , wier hoofdstad Cherson worden moest, noemde Potemkin vleijend „ Roem van Catharina” ( Slawa Ekatarina). Aan eene andere stad en stadhouderschap, die hij schiep, gaf hij den naam Ekaterinoslaw. Toen de stichting van Cherson voltooid was, rigtte Potemkin ter vie ring daarvan een feest aan , dat in Europa misschien nooit zijns gelijken gehad heeft. Alleen in het rijk der Abbassiden of van den groot-mogol kwamen dergelijke verkwistingen voor ; in het westen daarentegen heeft men wel nooit van het geld der burgers erger misbruik gemaakt en de openbare meening door een schandelijker goochelspel gehoond, dan toen in Rusland. Het feest was verbonden met de huldiging , die Catharina in de nieuwe stad ontvangen zoude, en had nog bijzonder ten oogmerk, de wereld door eene schitterende tooneelvertooning te verblinden. In januarij 1787 reisde Catharina tot dit feest naar Cherson. Potemkin zelf was vooruit gegaan , om de schermen voor het tooneel op te zetten, dat zich om zoo te zeggen van Petersburg af tot Cherson uitstrekte. Als gasten waren keizer Jozef II en de poolsche koning Stanislaus Poniatowsky uitgenoodigd, omdat Catha rina en Potemkin bij deze gelegenheid met den eerstgenoemde eene ver deeling van het turksche rijk afspreken, doch den laatstgenoemde bezigen wilden , om hunnen koninklijken luister door zijne jammerlijke nietigheid te verhoogen. De reis ging vergezeld van eene verkwisting en eene mishandeling des volks, die geheel overeen kwamen met het hemeltergend karakter der geestrijke keizerin en van haren vriend. Het gevolgder keizerin was zoo groot, dat op elke posthalte vijf honderd en zestig paarden gereed gehouden moes ten worden. Langs den geheelen weg waren, om de reis ook des nachts te kunnen voortzetten, op elke vijftig roeden afstands groote houtmijten opge hoopt , die bij het naderen der keizerin aangestoken werden , en over de geheele streek een helder licht verspreidden . Potemkin had in het algemeen alle denkbare middelen aangewend, om de magt en grootheid zijner kei zerin in den hoogsten luister te vertoonen en tevens haar zelve door het aanschouwen vande schijnbare welvaart harer onderdanen in verrukking te brengen. Hij had vele dorpen voor eenen enkelen dag laten bouwen en met honderd duizenden van boeren laten opvullen , die van wijd en zijd bijeen gesleept en in nieuwe kleederen gestoken werden. Even zoo had hij ontzaggelijke kudden vee bijeen laten drijven , die langs den weg weiden moesten. Zoo dra Catharina voorbij gereisd was, verdienen deze bedrie Rusland. 145 Catharina II en Potemkin. gelijke schimmen weder, zonder dat jemand zich over de voeding van zoo vele te hoop gedreven menschen bekreunde , en alles werd weder woest en ledig , gelijk het vroeger was.. Even zoo ging het met de prachtige gelouwen , waarin Catharina onder weg overnacht had en met de magazijnen van allerlei goederen, die, om door haar gezien te worden, te Cherson in orde gebragt waren. Overigens had de keizerin op deze reis nog het bij zonder genoegen , dat de russische gunstelingen uit den poolschen adel, als Sapieha , Lubomirsky, Potocky , Branitzky en anderen , haar te Kiew huldigden. Later verscheen ook de poolsche koning Stanislaus, die zich eene aalmoes van honderd duizend roebels voor reisgeld had doen zenden en, alsof zijn rijk een russisch stadhouderschap ware, de keizerin smeekte, aan zijnen neef de opvolging in Polen te verleenen. Keizer Jozef II, die vóór Catharina te Cherson aangekomen was, reisde haar tot Kaidack te gemoet. Hij begreep zeer goed, dat Potemkin de keizerin door den blooten schijn van welvaart, beschaving en bevolking bedroog , en beoordeelde beiden zeer juist ; desniettemin liet hij zich voor hunne plannen ten aanzien der Turken winnen , en beloofde te Cherson zijne medewerking tot den oorlog , die tegen hen begonnen zou worden. Pruisen, welks staatkunde toen nog onder de leiding van Herzberg stond, en de in Engeland regerende aristocratie sloegen angstvallig de oogmer ken van Jozef en de keizerin gade. Zij gebruikten niet alleen , gelijk wij vroeger gezien hebben , Belgie, maar ook Zweden en Polen , om beide vorsten moeijelijkheden in den weg te leggen , maar traden niet werkelijk voor de Turken in het midden. 2. GUSTAAF III EN CATHARINA II. De zweedsche koning Gustaaf III had op het tijdstip, toen de oorlog tusschen Rusland en Turkije uitbrak, de liefde van den burger- en boeren stand reeds weder verloren ; en toch had hij deze steunselen noodig , om zich tegen den adel staande te kunnen houden. Hij liet zich tot zijn on geluk door Catharina II misleiden en poogde tevens hare praal na te volgen , zonder hare hulpmiddelen te bezitten . De listige keizerin , die elk op het eerste gezigt doorzag, had ook het karakter van Gustaaf lang begrepen, en maakte meesterlijk gebruik van zijne zwakheden. Zij wist den dichterlijken koning van Zweden , met wien zij meermalen prachtige zamenkomsten had , zoo zeer door geld , vleijerijen en feesten te vangen, dat hij eerst in 1786 tot het besluit kwam, om hare bedoelingen met Turkije tegen te werken . Gustaaf nam zelfs bij zijne tweede zamenkomst met Catharina ( junij 1783 ) een geschenk van tweemaal honderd duizend roebels aan , dat hem onder het voorwendsel eener vergoeding der reiskosten aan geboden werd. Dit geld verkwistte hij terstond daarna op eene italiaansche reis, waarop hij zich te Napels door denzelfden russischen gezant prachtig onthalen liet , die hem later in zijne eigene residentie op onbeschofte wijze trotseerde. Gustaaf had zich jegens zijn rijk verdienstelijk gemaakt, door het te bevrijden van het juk van eenen hebzuchtigen en hoogmoedigen adelstand. Hij had ook in het begin een zeer heilzaam gebruik gemaakt van het hem aanvertrouwde koninklijk gezag. Maar hij ondermijnde zelf zijnen troon, omdat hij voor eene schitterende hof houding, voor grootsche feesten, voor XVII. 10 146 Nieuwe Geschiedenis. > pralende reizen , voor zang en tooneelspelen , schoone kunsten en kunst werken zoo groote sommen gebruikte, dat de staatskas weldra geheel uit geput was. De geldelijke verlegenheid, waarin hij daardoor geraakte, deed hem den goeden dunk der layere standen verliezen. Hiervan maakten ver volgens de adel en de listige beheerscheres van Rusland zeer handig ge bruik, om hem in het verderf te storten. De zweedsche adel speelde toen even als de aristocratie van andere landen eene rol, die klaar en duidelijk bewees, dat de adel niets minder dan een steun van den troon is . In Oostenrijk verhinderde de aristocratie niet slechts keizer Jozef in zijne poging, om eene zuivere monarchie te stichten, maar zij bragt ook na zijnen dood alles tot het oude terug. De poolsche adel verkocht omstreeks den zelfden tijd zich en het rijk aan den meestbiedende. De zweedsche adel belette eerst zijnen koning , om het koninklijke gezag te bezigen ter be vrijding des rijks van vreemde afhankelijkheid; later ontdeed hij zich van den vorst, die hem van zijne aangematigde voorregten beroofd had , door zamenzwering en moord , derhalve door dezelfde middelen, waar van zich de democraten van het schrikbewind in Frankrijk bedienden. In het jaar 1786 moest Gustaaf, om in den geldelijken nood te voor zien, eenen rijksdag bijeen roepen. Hier trad de adel reeds opentlijk tegen hem als vijand op, en werd daarin door den russischen gezant op allerlei wijze ondersteund . Van vier voorstellen van Gustaaf werd er slechts een aangenomen. De koning was daarover zoo verbitterd , dat hij zich in de rede , waarmede hij den rijksdag sloot, dreigende woorden ontvallen liet. Terstond daarna gaf Gustaaf gehoor aan de agenten van Engeland en Pruisen , die hem aanzetten, om van den aanstaanden oorlog der Turken en Russen gebruik te maken , om Zweden op Rusland te wreken. Hij sloot nog vóór het uitbreken van dien oorlog een aanvallend verbond met de Turken, en rustte het leger en de vloot uit, om de russische keizerin in het noorden aan te tasten, zoo dra hare hoofdmagt in het zuiden bezig gehouden zou worden. Een aanvallende oorlog mogt echter volgens de bestaande staatsregeling slechts met toestemming der standen ondernomen worden, en deze was blijkbaar niet te verkrijgen , omdat de adel ten hoogste verbitterd was op den koning, en de russische gezant alle middelen te werk stelde, om de geheele zweedsche natie op te hitsen. Bovendien ston den , wat Gustaaf zeer goed wist , de generaals en officieren van het leger ( alleen adellijken ) in geheime verstandhouding met Rusland. De koning behielp zich daarmede, dat hij den beoogden aanvallenden oorlog den schijn van eenen verdedigenden gaf, waardoor hij zich zelven verlaagde, omdat hij aan de misnoegden slechts schijnbaar den wettigen grond tot weigering van dienst ontnam . Ilij nam namelijk zijne toevlugt tot eene gemeene list. Hij dwong de Russen , om hun regt op eene brug aan de grenzen , waar van het bezit betwist werd , met de wapenen te handhaven; of liever hij stak, gelijk de beste berigten zeggen , zweedsche soldaten in russische uni formen, en liet zich vervolgens door hen aantasten , om te kunnen zeggen , dat hij eenen verdedigenden oorlog voerde. Potemkin volgde met de Turken eene dergelijke handelwijze; maar hij bereikte als man van daad en kracht zijn doel, terwijl Gustaat het zijne miste. Potemkin en Catharina hadden namelijk het plan ontworpen , om ten koste der Turken een nieuw byzantijnschrijk te stichten , waarvan Constantijn, de tweede kleinzoon van Catharina, beheerscher moest worden . Rusland en Zweden. Catharina II en Gusta af III. 147 Daartoe hadden zij de medewerking van keizer Jozef II noodig. Hem hadden zij wel tot deelneming aan de beoorloging en verdeeling van het turksche rijk weten over te halen ; maar het met Jozef gesloten verdrag verpligtte hein slechts tot het verleenen van hulp , in geval de Russen aangevallen werden. Potemkin trachtte derhalve de Turken tot eene oor logsverklaring uit te lokken. Hij deed den sultan hoogst onbillijke eischen , liet door russische zendelingen in verschillende gewesten van Turkije on lusten verwekken , en gaf, toen de sultan over dit alles met regt in toorn geraakte, op zijne klagten ontwijkende of bedriegelijke antwoorden. Daar door werd de sultan dan eindelijk zoo verbitterd , dat hij in 1787 den oorlog aan Rusland verklaarde. Den loop van dezen oorlog, waaraan Oostenrijk volgens verdrag deel nam , zullen wij onmiddellijk hierna verhalen . Over den zweedschen koning , die eene vloot en een leger in Karls krona vereenigd, en bovendien nog dertig of veertig duizend man in Fin land bijeen gebragt had , behoefden Catharina en Potemkin zich niet te bekommeren, hoewel zij alle goede troepen naar de turksche grenzen ge zonden hadden ; want zoo wel de betrekkingen, die zij met den zweedschen adel aangeknoopt hadden , als des konings eigene zwakheid onthief hen van ieder bezwaar. Het ontbrak den Zweden , toen de oorlog begon, aan al het noodige, en hun koning zelf was juist, toen het op spoed aan kwam , nalatig, terwijl hij in den tijd, dat hij hadde moeten dralen , alles bij overhaasting deed. Bovendien was Gustaaf niet eens in staat, om bij het ernstvol werk van den oorlog zich aan zijne gewone beuzelarijen te ont trekken. Bij de afreis ten oorlog verscheen hij reeds in zulk eenen opschik, dat men gemeend zou hebben , dat hij zich naar een , steekspel of vrolijk hoffeest begaf; hij reed namelijk in eenen bonten zijden overrok en geve derden hoed en in laarzen met roode linten de poort van Stockholm uit. In het veld zelf volgde hij de ridders en paladijnen der vroegere eeuwen voortreffelijk na ; want hij had zangers, dansers en dichters mede gebragt, hield zang- en tooneeloefeningen, sloeg ridders , vierde zegetogten , speelde comedie met de vlag van een veroverd schip en meer van dien aard. Daar entegen betoonde hij zich volkomen ongeschikt als aanvoerder van het leger. Ook zijn broeder , hertog. Karel van Südermannland , die het bevel over de zweedsche vloot voerde, was niet tot aanvoerder in den oorlog · geboren. Terstond bij den aanvang beging hij de fout, om het gunstige oogenblik te verzuimen. Toen hij namelijkop den 22 junij 1788 met eene meer dan vijfmaal sterkere vloot drie russische linieschepen ontmoette, liet hij den aanval na , uit schroom om eenen oorlog te beginnen , die toch reeds aangevangen was. Eene maand later ( 17 julij) werd hij door eene sterkere russische vloot onder bevelvan den engelschman Greigh aangetast, en moest, hoewel de Zweden roemrijk streden, naar de haven van Sweaborg, vlugten , waar hij vervolgens door de Russen ingesloten werd. Gustaaf zelf wilde in het begin van augustus de vesting Frederiksham bestormen , maar maakte in zijne schikkingen zulke misslagen, dat de met de Russen zamengezworen oversten van verschillende regimenten weigerden , hunne troepen tot de bestorming aan te voeren . Vergeefs beproefile de koning alles, om de troepen te doen gehoorzamen . Hij zag zich zelfs genoodzaakt, vooreerst naar Stockholm terug te keeren. Het bevel over het leger gaf 10 * 148 Nieuwe Geschiedenis. hij zijnen broeder Karel , die zich vervolgens toen even zeer , als later in de eerste jaren van onze eeuw, zeer dubbelzinnig gedroeg. Toen Gustaaf in september te Stokholm aankwam , hadden de edel lieden in het leger hun lang ontworpen verraad reeds ten uitvoer gebragt. Een aantal officieren had namelijk reeds op den 9 augustus , toen de ko ning nog bij het leger was , eenen brief aan de keizerin Catharina onder teekend. Deze antwoordde den verraders van hunnen koning , alsof zij de regtmatige vertegenwoordigers van den geheelen zweedschen adel waren . Maar nog vóór dat het antwoord der keizerin inkwam , sloten de officieren op het adellijk huis Anjala, digt bij de russische grenzen , een verbond tegen hunnen koning ( 12 augustus) , en verklaarden zich in een manifest , dat weldra van twaalf duizend onderteekeningen voorzien was , en zelfs door prins Karel onderteekend werd , tegen den oorlog met Rusland. Tevens eischten zij niet slechts de bijeenroeping van eenenrijksdag, maar zij sloten ook zelfs eenen wapenstilstand met de keizerin. Dit laatste schonk overigens aan de natie het voordeel , dat de in de baai van Sweaborg opgesloten zweedsche vloot naar huis kon terug keeren. Gustaaf moest , toen hij naauwelijks te Stokholm terug gekeerd was, nog een ander gevaar afwenden , dat hem en zijn rijk uit het westen be dreigde. De Denen waren , ten gevolge van een tusschen hen en Rusland bestaand verdrag , in Zweden gevallen en voor de stad Gothenburg ver schenen, die niet slechts eene zwakke bezetting, maar ook eenen verrader lijken of ten minste lafhartigen bevelhebber had , en wier burgers weigerden , zich met de verdediging in te laten. De Zweden waren dus in gevaar, om de tweede stad van hun rijk te verliezen. Gustaaf wist echter dit gevaar af te wenden, en verkreeg daardoor gelegenheid , om bij het eigent lijke volk een gedeelte der verlorene achting en liefde terug te winnen. Hij zond spoedig troepen uit Stokholm , riep, terwijl hij rondreisde, de boeren van verschillende gewesten onder de wapenen , snelde daarop zelf naar Gothenburg , bewoog ook daar de burgers tot pogingen, die zij vroeger geweigerd hadden , liet de vestingwerken met spoed herstellen en maakte daardoor den val van de stad onmogelijk. De Denen hadden gehoopt, Gothenburg,spoedig te kunnen innemen; maar zij stuitten af op de levendige bedrijvigheid van den zweedschen koning, en werden door twee vreemde no gendheden zelfs genoodzaakt, naar huis terug te keeren. Pruisen en En geland hadden namelijk in augustus met elkander een verdrag tot onder linge hulp gesloten, dat blijkbaar tegen het russisch - oostenrijksche verbond gerigt was. Zij kwamen nadrukkelijk op voor den zweedschen koning en zonden gezanten naar Gothenburg , die de Denen door bedreigingen tot den terugtogt en tot het schorsen der vijandelijkheden bewogen. Nu kon Gustaaf, in het vertrouwen op burgers en boeren , den adel het hoofd bieden. Hij schreef te Gothenburg tegen februarij 1789 eenen rijksdag uit, en maakte daar even listig en bezonnen , als hij in 1772 ge daan had, van den naijver der burgers en boeren gebruik tegen den adel . Hij stond den laatste niet alleen toe zijnen overmoed te betoonen, maar hij zocht hem ook regtstreeks te tergen. Maar toen de verbittering over den tegenstand , dien de adel tegen de bedoelingen des konings bood, bij de andere standen regt levendig geworden was , volbragt Gustaaf, in het vertrouwen daarop en op de burgers van Stokholm , eene nieuwe daad van willekeur, waarbij hij zich beriep op het in het jaar 1786 genomen besluit Rusland en Zweden. Catharina II en Gustaaf III. 149 van den rijksdag, dat alles >, wat door drie standen goedgekeurd was wet , zoude zijn. Nadat Gustaaf namelijk eerst de drie andere standen door zijne bekende welbespraaktheid voor zich ingenomen had , gebood hij den edellieden weg te gaan en niet eer weder te verschijnen , voor dat zij vol doening gegeven hadden wegens eene den landmaarschalk aangedane be leediging . Deadel protesteerde wel tegen het rijksdagsbesluit van 1786, omdat het, gelijk werkelijk daarin verklaard was, niet toegepast mogt wor den op grondwetten , voorregten en toestemming van belastingen, maar Gustaaf hielp zich op gelijke wijze, als in 1772 (z. D. XVI. bl. 257 vv. ) . Hij liet zich op den 20februarij door de drie andere standen volmagt geven tot het bezigen van alle middelen , die noodig mogten zijn, om den rijks dag in werking te brengen. Vervolgens vereenigde hij de aftrekkende wacht van het paleis met de optrekkende, en liet meer dan dertig hoofden der oppositie van den adel gevangen nemen . Ook de verbondenen van Anjala waren op bevelvan Gustaaf gevangen en naar Stokholm gebragt, om voor eenen krijgsraad te regt gesteld te worden. Nadat op deze wijze de adel van zijne overmoedige aanvoerders beroofd en door het boven hun hoofd zwevend gevaar beangstigd was, vereenigde Gustaaf op den volgenden dag ( 21 februarij) al de vier standen weder, en stelde de zoogenoemde acte van veiligheid voor, waarbij de adel ten voordeele der andere standen van een gedeelte zijner regten beroofd, en de in 1772 nog in stand gehouden beperkingen van het koninklijk gezag afgeschaft werden. De adel bood wel tot in het midden van maart eenen hardnekkigen tegenstand ; maar Gustaaf beral eindelijk den maarschalk van den rijksdag, die acte in naam van den adelstand te onderteekenen , liet de troepen in gereedheid houden en de burgers van Stokholm in beweging brengen, en begaf zich vervolgens, ver gezeld van het juichende volk , zelf naar de vergaderzaal van den adel. Daar trachtte hij den adel te verschrikken deels door welsprekendheid, deels door te wijzen op de soldaten en de verbitterde volksmenigte. Hij bereikte zijn doel volkomen; want de adel gaf eindelijk toe en ondertee kende de acte van veiligheid. Door dit besluit van den rijksdag werden niet alleen de burgers ten aanzien van lijfstraffelijke regtspleging , waarnemingvan ambten en aankoop van vaste goederen met de edellieden gelijk gesteld, maar de kroon kreeg ook haar vroeger gezag terug. De koning zou namelijk in het vervolg alleen regeren , over vrede en oorlog beslissen , alle ambten begeven ; de rijksraad daarentegen alleen het hoogste geregtshof zijn , en de rijksdag alleen om buitengewone belastingen , en over zaken , die de koning goed vond daar voor te brengen , geraadpleegd worden . Daar de standen ook de door den koning voorgenomen leeningen vooruit gewaarborgd en de tot voortzetting van den oorlog vereischte gelden toegestaan hadden was , Gustaaf nu meesteren opperheer. Met de gehate edellieden ging hij zachtmoedig te werk. Van de leden van het verbond te Anjala, die dekrijgsraad als hoogverraders ter dood veroordeelde, werd slechts een eenige te regt gesteld, maar de overigen deels begenadigd , deels alleen verbannen of naar eene volkplanting gebragt. In de plaats van al deze hoofdofficieren kwamen nu de getrouw gebleven duitsche officieren , die van staatsregeling niets wisten of weten wilden, maar slechts krijgseer, gehoorzaamheid in dienst en bevordering kenden. Dit was trouwens voor de voortzetting van den oorlog van veel belang ; maar Rusland had toen het doel, dat het met de 2 150 Nieuwe Geschiedenis. gesmede verraderij had getracht te bereiken , reeds volkomen bereikt : de voor het voeren van den oorlog geschikte tijd was voorbij, en Rusland had zijne toerustingen voltooid. In hetjaar 1789 speelde Gustaaf bij het leger weder voor held en veldheer en beroofde zich door onverstandige bemoeijing met de leiding van den oorlog van elke goede uitkomst der ondernemingen. Hij wilde regtuit op Petersburg aanrukken en liet daarom eerst eenen storm op Fre deriksham beproeven ; maar die mislukte, en de Zweden moesten niet slechts hun voornemen met groot verlies opgeven , maar ook in den herfst over de grenzen terug wijken. Ook de zweedsche vloot was ongelukkig in den strijd met de russische, die deels door Tschitschakow, deels door den prins van Nassau - Siegen aangevoerd werd en vele bekwame engelsche officieren telde. In het volgende jaar ( 1790) herhaalde Gustaaf nog eens de poging, om Frederiksham te bestormen ; maar het gelukte hem niet beter dan vroeger. Desniettemin bleef hij bij zijn voornemen, om Petersburg te over vallen. Hij bereikte, nadat een groot gedeelte van zijne troepen inge scheept was, de stad Wyborg en zette negen mijlen van Petersburg eene legerafdeeling aan land. Daar de uitkomst van de gewaagde onderneming volstrekt alleen daarvan af hankelijk was om het meesterschap ter zee door de Zweden te handhaven, hadde hertog Karel van Südermannland, die het bevel voerde over de hoofdvloot, boven alles de vereeniging der twee russi sche vloten moeten beletten , waarvan de eene bij Kroonstadt, de andere bij Reval lag ; maar Gustaaf verijdelde dit , daar hij zich in het zeewezen mengde. Hij gelastte zijnen broeder de stelling tusschen de twee russi sche vloten op te geven en in de baai van Wyborg binnen te loopen, waarin reeds de zweedsche Scheerenvloot lag. Daardoor werd aan de Rus sen gelegenheid gegeven, om niet alleen hunne beide vloten te vereenigen , maar om ook zelfs de geheele zweedsche zeemagt in de baai van Wyborg op te sluiten. Zij zouden die vernield of genomen hebben , zoo niet des konings ridderlijke zin eindelijk eens nuttig geworden was voor zijn volk. Nadat namelijk de Zweden tot het uiterste gebragt waren , stemde hertog Karel in den krijgsraad voor eene capitulatie, naar de overste Stedingk voor de wanhopige poging, om door de vijandelijke vloot heen te breken, en de koning verklaarde zich voor het laatste voorstel. De zaak was dub bel gevaarlijk, omdat de Zweden daarbij niet alleen hunne vloot, maar ook hun leger, welks kern zich daarop bevond, waagden. Ook gelukte de po ging slechts door eenen misslag, dien Tschitschakow beging. Desniettemin was de onderneming rampzalig voor de Zweden en gaf hun slechts het voordeel, dat ten minste hunne krijgseer gered werd . Zij sloegen zich op den 3 julij door de vijandelijke vloot heen , maar verloren daarbij zeven linieschepen, drie fregatten, meer dan dertig andere vaartuigen en tusschen de zes en zeven duizend soldaten. Daarentegen hadden zij zes dagen la ter (9 julij) het geluk , dat zij , toen de prins van Nassaŭ hunne Schee renvloot aantastte , eene schitterende overwinning bevochten. Deze neder laag was de grootste, die de Russen sedert den zevenjarigen oorlog gele den hadden; want zij verloren nagenoeg hunne geheele vloot, en daarenbo ven veertien duizend man aan gevangenen en dooden. Reeds eene maand later sloot Gustaaf plotseling vrede met Rus land , omdat zijne hulpmiddelen uitgeput waren en hij weder begonnen Rusland en Zweden. Catharina II en Gustaaf III. 151 was eenen nieuwen heldendroom te droomen . Hij wille de Gottfried van Bouillon worden van den kruistogt tegen Frankrijk , dien de aristocraten van Europa toen beraamden , en de russische keizerin wist hem in dezen droom te versterken. Zij bood hem eenen eervollen vrede aan en ook hare ondersteuning tot den voorgenomen nieuwen togt. Daarop trad Gustaaf met haar in onderhandeling en reeds op den 14 augustus 1790 werd de vrede te Werelae gesloten. Deze vrede bragt alles tot len toestand terug, waarin de zaken voor den oorlog geweest waren . Het bloed der Zweden was derhalve vergeefs vergoten , de schatten van het armste rijk van Eu ropa vergeefs verkwist , en de oorlog had geene andere uitkomst opgele verd , dan dat hij het zweedsche volk bewees, hoe nuttig de luister van Gustaaf en hoe krachteloos zijn pogen was. 3. DE OOSTENRIJKSCH-RUSSISCHE OORLOG MET DE TURKEN VAN 1787 TOT 1792. In den oorlog met de Turken, die in 1787 uitbrak, voerde Potemkin in naam het opperbevel; maar al den roem , dien de Russen in dezen oor log bevochten , hadden zij niet aan hem te danken, maar aan zijne onder bevelhebbers Repnin , Paul Potemkin , Suwarow , Kamenskoi, Gallizin en Kutusow , die allen zich in latere oorlogen meer of minder eenen naam verworven hebben. Onder deze generaals heeft Suwarow tot aan zijnen dood het ongeluk gehad , om het werktuig eener bloeddorstige soldaten dwingelandij te zijn. Hij had reeds bij de ten onder brenging der Tar taren de vernielingsbevelen van Potemkin en Catharina zeer naauwkeurig opgevolgd en leverde later, omdat het hof het zoo wilde, in Turkije en in Polen, en ook onder Paul, in Italie en in Zwitserland moorddadige veld slagen , waarin zijne eigene soldaten bij duizenden aan den roem des ge bieders opgeofferd werden. Suwarow was ongetwijfeld een der grootste veldheeren van den nieuweren tijd ; maar hij bewees zich op al zijne tog ten onbarmhartig en wreed , omdat hem de wil en de gunst van den ge bieder meer was, dan alle menschelijk gevoel en het welgevallen der god heid. Daarenboven gedroeg hij zich steeds op eigenaardige wijze. Hij was, al naar hij het noodig achtte, of vleijer en grappenmaker, of wijsgeer, streng en overdreven. Hoezeer hij namelijk vele kundigheden bezat en de bescha ving en leefwijze der voorname wereld hem eigen was, speelde hij toch bij keizerin Catharina, alleen om beter te kunnen vleijen , meermalen voor hofnar , en ook bij de soldaten , om hen te betooveren , den woesten rus. Hij at en dronk als de gemeene soldaten , verdroeg als zij alle ongemak ken, en knielde met henvoor elk heiligenbeeld aan den weg neder , dik wijls zelfs in het diepe slijk. Suwarow opende den tweeden turkschen oorlog van keizerin Catharina in 1787 met het nedersabelen van vele duizende Turken bij Kinburn in de nabijheid der vesting Oczakow , waarna hij door eene batterij den prins van Nassau ter overwinning der vijandelijke vloot behulpzaam was. Kort daarna bragten andere russische generaals den Turken zoo wel ter zee, als bij den Caucasus verliezen toe. De eigentlijke oorlog begon echter eerst in het jaar 1788, toen Oostenrijk ook zijne troepen in Turkije liet binnen rukken . Keizer Jozef II, die in februarij 1788 den oorlog aan de Turken ver 152 Nieuwe Geschiedenis. klaarde, was volgens verdrag alleen verpligt , den Russen geldelijken on derstand uit te betalen of hulptroepen te zenden , maar hij verkoos liever zijn geheele leger in het veld te brengen , om later ook zijn aandeel van de gemaakte veroveringen te bekomen. Het door hem uitgeruste leger bestond uit tweemaal honderd vijf en veertig duizend man te voet en zes en dertig duizend ruiters, en voerde niet minder dan acht honderd acht en negentig kanonnen bij zich . Hoewel bij de uitrusting daarvan niets ge spaard was, zoo vertoonde zich toch , toen de oorlog begon , gebrek aan alles, omdat de in Oostenrijk bestaande aristocratie der ambtenaren het altijd onmogelijk gemaakt heeft, dat een schuldige uit de hoogere standen gegrepen werd. Daarbij kwam nog, dat ongelukkiger wijze Jozef zelf on der de onbekwame leiding van zijnen militairen leermeester Lascy of Lacy (z . D. XVI. bl. 278 ) het opperbevel op zich nam. Ter verijdeling der bedoelingen, die Rusland en Oostenrijk ten aan zien van Turkije op het oog hadden , sloten Engeland en Pruisen in au gustus 1788 het boven ( bl . 148) vermelde verdrag. Door deze overeen komst moest de koning van Pruisen in staat gesteld worden, om in geval van nood gewapenderhand ter gunste der Turken tusschen beide te ko Maar de tusschenkomst van Pruisen was niet noodig , omdat aan de eene zijde keizer Jozef zelf door zijne tegenwoordigheid bij het leger de werking zijner verbazende toerustingen verijdelde, en omdat aan de andere zijde de zweedsche koning door zijnen onverwachten haastigen aan val op Rusland dit belette , met zijnen gewonen spoed vooruit te gaan. De Oostenrijkers begingen onmiddellijk bij het aanvangen van den oorlog zoo groote misslagen, dat zij nagenoeg overal ongelukkig waren , en dat keizer Jozef zich weldra gedwongen zag, om den oostenrijkschen volksheld Laudon door dringende verzoeken tot het op zich nemen van het bevel te bewegen. Eerst in den herfst van 1788 gelukte het zijnen troepen , eenig voordeel te bevechten . Laudon , die uitdrukkelijk een opperbevel bedon gen had, dat onafhankelijk was van keizerlijke bevelen , maakte toen ver overingen in Croatie en Bosnie ; de keizer zelf drong tot in de nabijheid van Belgrado door ; en eene door Russen versterkte afdeeling bezette niet alleen Moldavie, maar dwong ook de Turken tot de overgave der vesting Choczim . De belangrijkste onderneming, die de Russen in het jaar 1788 vol voerden, was de bestorming der vesting Oczakow. Potemkin had deze stad lang vergeefs belegerd , omdat hij uit hebzucht zijne soldaten gebrek liet lijden en omdat tevens eene geduchte koude den Russen verderfelijk werd. Eindelijk hielp hij zich op zijne gewone wijze. Hij liet op den 16 december van de zeezijde, waar alles vast toegevroren was , eenen storm ondernemen en maakte zich , nadat hij vier duizend man opgeofferd had, meester van de stad, die hij nu drie dagen lang aan zijne troepen ter plun dering prijs gaf. De keizerin beloonde deze russische heldendaad op rus sische wijze. Zij liet elken soldaat, die aan de bestorming deel genomen had, eene eermedaille uitreiken , doch gaf haren Potemkin , die in eigen persoon niets gedaan had , eene groote som gelds en de betrekking van hetman der kozakken. Suwarow en Laudon gaven in het jaar 1789 door hunne bekwaamheid eene beslissende wending aan den oorlog. Potemkin , die ook gedurende dit jaar het opperbevel over het russische leger voerde, bezette wel in het > Turkije. Oostenrijksch - russische oorlog van 1787–1792. 153 begin al het land van Oczakow tot aan de monden van den Donau, maar lag later volle zeven maanden voor de vesting Ismail , zonder die te kun nen nemen . Intusschen volvoerden Suwarow en Laudon de schitterendste wapenfeiten. De laatste had op dit tijdstip het opperbevel over geheel het oostenrijksche leger verkregen , nadat Lascy wegens de in het vorige jaar begane misslagen verwijderd was, en ook de keizer, wiens zwakke gezond heid in het veld geheel ondermijnd was , het leger verlaten had. Laudon zelf werd in dit jaar voornamelijk bezig gehouden door de belegering van Belgrado. De ondernemingen in het open veld daarentegen , die de Oos tenrijkers, in vereeniging met een russisch leger, onder Suwarow volbrag ten , werden door den prins van Saksen -Coburg bestuurd. De laatste be hoorde tot de oude oostenrijksche school, die zich, als bekend is , tot eene langzame , regelmatige oorlogvoering bepaalde; hij was derhalve tot het besturen van groote ondernemingen zoo weinig geschikt , dat later alleen de geschiedenis van den veldtogt van 1789 het oostenrijksche kabinet hadde moeten terug houden, om hem een bevel tegen de Franschen op te dragen. De prins van Coburg liet zich in julij, toen hij bij Fokschani naar de re gelen der krijgskunst heen en weder trok , door een talrijk turksch leger verrassen , en geraakte daardoor zoo zeer in angst , dat hij, in plaats van een stout besluit te nemen , de hulp van Suwarow inriep . Deze uitste kende veldheer , die steeds snel en beraden handelde , verscheen na eenen ongeloofelijk spoedigen togt in den avond van den 30 julij bij het oosten rijksche leger en leverde onmiddellijk na zijne aankomst eenen slag, waar in de Russen en Oostenrijkers het versterkte legerkamp der Turken bin nen een uur stormenderhand namen , het vijandelijke leger uiteen jaagden en bagaadje, geschut, vaandels en voorraad der vijanden veroverden. In september herhaalde zich , wat op den 30 julij bij Fokschani ge beurd was, geheel op dezelfde wijze bij Martinesti aan de rivier Rimnik. De prins van Coburg wendde zich op dien tijd, toen de grootvizier hem met een sterk leger dreigde aan te vallen , weder tot Suwarow , en deze verscheen even spoedig, als vroeger . De Turken werden ook ditmaal ( 22 september) door Suwarow's begaafdheid als veldheer en door de dapperheid der russische en oostenrijksche soldaten volkomen geslagen ; zij leden zelfs een nog veel grooter verlies aan dooden en gevangenen, dan den vorigen keer. In beide veldslagen bewezen de oostenrijksche soldaten , dat zij, goed aan gevoerd, onoverwinnelijk zijn. Hun onbekwame aanvoerder werd voor de bevochten overwinningen tot veldmaarschalk benoemd, terwijl hij beide keeren zich geheel had onderworpen aan de bevelen van Suwarow, en de behaalde voordeelen niet eens had weten te gebruiken. De wezentlijke overwinnaar, Suwarow , werd daarmede beloond , dat keizer Jozef hem tot rijksgraaf benoemde en Catharina hem den eernaam Rimniksky toekende. Kort na de overwinning bij Martinesti veroverde Laudon ook de vesting Belgrado ( 8 october) . De in zware ziekte gevallen keizer Jozef had der halve, nadat hij gedurende zijn geheele leven door priesters en bevoorreg ten gelasterd en eindelijk door Engeland en Pruisen in Belgie bedreigd was, ten minste nog op het einde zijner dagen de vreugde, om zijne troe pen over de Turken te zien zegepralen. De vorderingen der Russen en Oostenrijker's schenen eindelijk de voortduring van het turksche rijk te bedreigen. De regeringen van En geland en Pruisen besloten derhalve, niet alleen den zweedschen koning 154 Nieuwe Geschiedenis. en de oproerige Belgen te ondersteunen , maar ook de Polen tegen Rus land op te zetten, en zelfs den Turken regtstreeksche hulp te verleenen. Daarbij ging Engeland, om niet geheel in onmin met Rusland te geraken, naar zijne gewone staatkunde te werk , daar het zelf geene handen aan het werk sloeg , maar zijne bondgenooten liet handelen. In Pruisen stond toen nog een uitstekend staatsman, graaf Herzberg , aan het hoofd der buitenlandsche zaken. Deze liet in januarij 1790 door zijnen gezant te Konstantinopel een verbond met de Turken sluiten , dat den sultan het bezit van geheel zijn rijk waarborgde, gelijk hij het tot nu bezeten had, maar later , toen de onistandigheden veranderden , slechts met vele beper kingen bekrachtigd werd. Te gelijkertijd bood Herzberg den Polen een verbond aan , als zij de steden Dantzig en Thorn aan Pruisen wilden af staan . Ook werd de generaal Kalkreuth naar Warschau gezonden , om , zoo als het heette, den Turken een vereenigd poolsch en pruisisch leger aan te brengen. Andere pruisische troepen waren in Silesie gelegerd. Het uitbreken van eenen oorlog tusschen Oostenrijk en Pruisen scheen der halve, juist toen Jozef II op den 20 februarij 1790 stierf, zeer nabij. Al de plannen van Herzberg stuitten echter plotseling af op eene regtstreek sche overeenkomst, die tusschen den nieuwen keizer Leopold II en den pruisischen koning Frederik Willem II getroffen werd ; of zij werden veel eer daardoor verijdeld, dat de duisterlingen aan het pruisische hof en de door Leopold begunstigde vijanden van elke verbetering in Oostenrijk de gelegenheid aangrepen , om Herzberg te verdringen . Op den 26 julij kwa men Herzberg en de gevolmagtigde van Oostenrijk, Spielmann, te Rei chenbach in een congres bijeen , waar ook gezanten van Engeland en Holland_verschenen. De laatsten eischten de herstelling van den status quo in Turkije; Herzberg daarentegen wilde Oostenrijk in het bezit der door Laudon gemaakte veroveringen laten , als Gallicie daarvoor aan Po len en door het laatste Dantzig en Thorn aan Pruisen afgestaan werden. De gezanten van Engeland en Holland protesteerden tegen het voorstel van Herzberg. Te gelijk stelde zich de oostenrijksche gevolmagtigde hei melijk in betrekking met Frederik Willem zelven en zijne vrome vrienden , bood het ophouden van den oorlog met de Turken en ook de teruggave van al de daarin gemaakte veroveringen aan , en eischte daarvoor de on dersteuning van Pruisen, Engeland en Holland ter onderwerping der Bel gen . Frederik Willem nam de voorslagen van Spielmann aan , en Herz berg moest derhalve op den 27 julij de daarop rustende Reichenbacher conventie tegen wil en dank onderteekenen. Op grond dezer conventie sloot Oostenrijk met de Turken in 1790 te Giorgewo eenen wapenstilstand en in 1791 te Szistowa eenen vrede. Rus land zette den oorlog nog tot het einde van het jaar 1791 voort. In december 1790 liet Potemkin het lang vergeefs belegerde Ismail door Suwarow op dezelfde wijze veroveren , waarop Oczakow twee jaren vroeger veroverd was. Eene bestorming , die den Russen naar de minste opgave twee duizend, naar de hoogste vijftien duizend dooden kostte, bragt de vesting in de magt van Suwarow. Aan het zegepralende leger werden ter belooning drie dagen moord en plundering binnen Ismail vergund. Volgens het eigen berigt van Suwarow kwamenin dit bloedbad en bij de vooraf gaande bestorming drie en dertig duizend Turken om het leven, en tien duizend werden gevangen genomen. Na de verorering van Ismail Turkije. Oostenrijksch 155 - russische oorlog van 1787–1792. werden de verdere ondernemingen door Repnin bestuurd , dien Potemkin, toen hij in october 1790 naar Petersburg ging, aan het hoofd der troepen gesteld had. Repnin drong in Bulgarije en liet daar door Kutusow het turksche leger bij Babadagh aantasten en slaan , nadat reeds vroeger de Tartaren in Kuban onderdrukt waren . Vervolgens bragt Repnin met veer tig duizend man den grootvizier, die aan het hoofd van honderd ciuizend Turken naderde, bij Matzin eene volkomene nederlaag toe, zonder de aan komst van Potemkin af te wachten , die ook nu weder daar had willen oogsten , waar anderen gezaaid hadden ( julij 1791 ) . Potemkin was ten hoogste verbitterd daarover , en zocht daarom den vrede te verhinderen , waarover Repnin reeds was begonnen te onderhandelen. Maar gelukkig stierf de bloedzuiger en dwingeland van het russische rijk reeds op den 15 October 1792 in zijn vijf en vijftigste jaar. Na zijnen dood kwam de vrede zeer spoedig tot stand , omdat de keizerin het in Turkije gebezigde leger voor hare plannen in Polen noodig had. Bij dezen vrede, die in augustus 1791 te Galacz gesloten en op den 9 januarij 1792 te Jassy ge teekend werd , verkreeg Rusland de geheele landstreek tusschen den Dnies ter en Bug, en bleef tevens in het bezit van Oczakow . 4. TWEEDE VERDEELING VAN POLEN. Wat aan keizerin Catharina in Turkije niet gelukt was, de verovering van een geheel rijk , dat bereikte zij na den vrede van Jassy in Polen. Dit rijk was volgens den toestand van zijne staatsinrigting en regering gemakkelijk ten onder te brengen, als slechts de twee andere aangrenzende staten in de verdeeling van den buit betrokken werden. Reeds in het tijd perk, waartoe boven (D. XVI. bl . 301) de poolsche geschiedenis voortge zet is, hield de geheele wereld den ondergang van Polen voor even zeker, als niemand thans meer aan de voortduring van het turksche rijk gelooft. Zonder ons uitvoerig bezig te houden met de geschiedenis der partijschap pen, die den ondergang van Polen veroorzaakten , moeten wij ons verge noegen, den loop der gebeurtenissen zeer beknopt op te geven. Door de verandering van staatsregeling , die in 1775 den Polen op gedrongen was (z. D. XVI. bl . 300 vv. ) , had Rusland zijne heerschappij in Polen verzekerd. Dit was vooral geschied door de hoofdleiding der za ken op te dragen aan een boven den koning gesteld bestuur, de zooge noemde permanente raad, die uit handlangers van Rusland was zamen ge steld en zijne bevelen van den russischen gezant ontving. In het jaar 1788 schenen echter de algemeene staatkundige betrekkingen van Europa de mogelijkheid aan te brengen, om den overwegenden invloed van Rusland op Polen te verbreken. Koning Stanislaus Poniatowsky had toen door zijne reis naar Rusland, waarop bij zich als een slaaf van Potemkin gedroeg ( z. bl. 114) , de kern der poolsche natie tegen zich verbitterd. Niet te min geloofden hij en het in russische soldij staande gedeelte van den adel een russich -poolsch ver bond tegen de Turken tot stand te kunnen brengen. Met dit oogmerk werd in den herfst van 1788 een rijksdag bijeen geroepen. Maar dewijl op elken rijksdag eenstemmigheid vereischt werd, besloot men , wat volgens de zonderlinge staatsregeling des rijks geoorloofd was (z. D. XVI. bl . 291), den rijksdag in eene algemeene confoederatie te veranderen, waarop de be 156 Nieuwe Geschiedenis. sluiten bij meerderheid van stemmen genomen werden. De russische ge zant en zijne aanhangers hadden zich echter ditmaal misrekend. De vor ming der confoederatie werd hun door de vaderlandsche partij uit de han den gewrongen , en de kiesvergaderingen gaven den afgevaardigden voor schriften, die op eene hervorming der staatsregeling en deherstelling van de onafhankelijkheid des rijks doelden . Daartoe werkte in der daad de omstandigheid mede, dat Engeland en Pruisen zich toen onderling tegen Rusland en Oostenrijk vereenigd hadden , en dat Pruisen niet slechts een leger op de poolsche grenzen verzamelde, maar ook ronduit verklaarde, dat het nimmer een tegen Turkije gerigt verbond van Polen met Rusland zou dulden. Dit stelde de vaderlandsche partij der Polen in staat, om in vereeniging met Pruisen den russisch - gezinden koning, den russischen ge zant en den van den laatste afhankelijken permanenten raad het hoofd te bieden. De rijksdag, die op den 6 october 1788 geopend werd en zich reeds ор den 17 in eene confoederatie herschiep, wees terstond elk denkbeeld van een aanvallend verbond met Rusland van zich. Vervolgens nam hij in vertrouwen op Pruisen, dat in een door den engelschen gezant ondersteund vertoog zijne hulpaangeboden had, het besluit ter herziening van de staats regeling Vóór alles trachtte de rijksdag den permanenten raad op te heffen . Met dit oogmerk werd eerst op den 3 november tot de vermeer dering van het leger besloten en een eigen krijgsraad benoemd , die van dien raad zoo min als van den koning afhankelijk was. Vergeefs sprak de russische gezant in een hevig vertoog bedreigingen uit, als men hetwaagde iets te veranderen in de bepalingen der staatsregeling van 1775 ; Pruisen bemoedigde door eene tegenover gestelde nota den rijksdag, om voort te gaan op den ingeslagen weg. In januarij 1789 werd dan ook reeds de permanente raad geheel afgeschaft. Maar in plaats van nu zoo spoedig mogelijk de noodige hervormingen in de staatsregeling te brengen , ver kwistte men eenen tijd van acht maanden in gekijf over nietige dingen, en met keurig gestelde, met vaderlandsche volzinnen opgesierde redevoeringen. Toen de rijksdag in september 1789 eindelijk tot de hervorming van de staatsregeling terug keerde, was de hoop, die men op Pruisen gevestigd hadl, reeds geheel ijdel geworden , ofschoon de rijksdag dit nog geenszins vermoedde. Het pruisische kabinet had namelijk , daar het de oogmerken van Rusland op Polen doorzag , sedert lang in het geheim besloten , zich zijne betrekking tot Polen ten nutte te maken, om Dantzig en Thorn aan zich te doen afstaan. Het had derhalve ook reeds den pruisischen gezant te Warschau , eenen eerlijken duitscher , terug geroepen en door den ita liaan Lucchesini vervangen, die later met Lombard en Haugwitz het voor Duitschland en voor Pruisen zelf zoo verderfelijk geworden klaverblad van het berlijnsche kabinet uitmaakte. Lucchesini bezigde te Warschau zijne echt italiaansche kunst van onderhandelen. Hij bood den Polen een ver bond aàn, maar bediende zich daarbij op zoodanige wijze van de taal der diplomatie, dat zijn koning er eigentlijk niet aan gehouden was. Nog voor dat de onderhandelingen over dit verbond aanvingen , had de rijksdag eene commissie tot het ontwerpen eener nieuwe staatsregeling benoemd, en zich daarop van 31 december tot februarij 1790 verdaagd. Gedurende dezen tijd trachtten de leden van den rijksdag hunne medeburgers met geestdrift voor een nieuw leven te bezielen , en lieten zich tevens de vereischte vol Polen en Pruisen vóór de tweede verdeeling van Polen. 157 magten uitreiken , om den rijksdag in eene soort van staatsregelende na tionale vergadering te veranderen . Toch bewezen diezelfde voorname hee ren , welke toen zoo veel van vaderlandsliefde en doortastende hervormingen spraken, dat zij slechts de invoering van een engelsch aristocratisch bestuur bedoelden. Ook traden de aanzienlijksten uit hen reeds van het begin heimelijk met Oostenrijk en Rusland in betrekking, en verkochten zich of regtstreeks aan de vijanden van hun vaderland , of zij ondermijnden toch, wat nog verderfelijker was , als schijnbare vaderlanders door het dubbele spel , dat zij speelden, het bestaan van hun vaderland. Tot de eersten be hoorde vooral de kroonveldheer Branicky , die met eene nicht van Potem kin gehuwd was, en graaf Rzewusky , tot de laatsten koning Stanislaus zelf, de kanselier Malachowsky , die wel onderscheiden moet worden van zijnen broeder , den edelen maarschalk van den rijksdag , bisschop Kossa kowsky, die voorzitter van de commissie tot de staatsregeling geweest was, een broeder van dezen bisschop, die reeds sedert lang als generaal in rus sische dienst stond , de maarschalk van Litthauen , Felix Potocky, en an deren. Men zal dan ook geene reden vinden ter regtvaardiging van de harde verwijtingen, waarmede de Polen gewoonlijk den pruisischen minister van buitenlandsche zaken , den wakkeren Herzberg , overladen , omdat hij op de ligt vervliegende poolsche geestdrift geene staatkundige planren bou wen wilde, maar veeleer het verbond met Polen alleen als een hulpmiddel voor pruisische oogmerken beschouwde. Hoe kon Herzberg op eene staats regeling vertrouwen , die, vóór dat zij vastgesteld was , reeds verraden en verkocht werd ? Daar de voornaamste poolsche grooten en de koning zelf haar verkochten, moesten Pruisen en Oostenrijk wel, als zij hunne eigene onderdanen niet aan een vreemd volk wilden opofferen, het denkbeeld op geven , om den Russen hunnen buit te ontrukken ; er bleef hun niets over, dan dien met hen te deelen. Derhalve niet Pruisen , maar de laag hartigheid der poolsche magnaten heeft den ondergang van Polen veroor zaakt. Het verbond tusschen Pruisen en Polen werd op den 29 maart 1790 gesloten en op den 5 april bekrachtigd, nadat Pruisen , dat toen voornemens was om Oostenrijk te beoorlogen , vooreerst had afgezien van den verlangden afstand van Dantzig en Thorn. Dit verbond verpligtte de staten tot onderling hulpbetoon in geval van buitenlandschen aanval ; maar daar Pruisen zijn eigentlijk doel , eene vergrooting van gebied ten koste van Polen , niet uit het oog verloor , waren in het verdrag verdere onderhandelingen over een later te sluiten handelsverdrag voorbehouden. Daarna voltooide de commissie van den rijksdag het ontwerp van staats regeling. Terwijl dit geschiedde, en terwijl de rijksdag zelf tot aan het einde van maart 1791 over het ontwerp beraadslaagde, beproefden de Rus sen en hun aanhang alle mogelijke kunstgrepen, om de zaak zoo lang op te houden, tot dat de oorlog met de Turken ten einde was. Rusland en de verraders onder de Polen bereikten ook volkoinen hun doel, want de rijks dag bragt dat werk eerst na tweejarige beraadslagingen tot stand. Intus schen waren de omstandigheden veranderd. De invloed van Herzberg was te Berlijn door de duisterlingen verzwakt, en Bisschofswerder had benevens het bovenvermelde kabinetsklaverblad zijn spel begonnen. Bovendien had de rijksdag zelf geheel noodeloos het pruisische kabinet door de verklaring 158 Nieuwe Geschiedenis. > verbitterd , dat hij nooit in den afstand van eenig hoegenaamd gedeelte van het poolsche rijk bewilligen zoude. Eerst op den 2 mei 1791 diende de commissie het geheele ontwerp der staatsregeling bij den rijksdag in. Deze gaf daaraan op den volgenden dag reeds zijne goedkeuring , en wel op eene tooneelmatig plegtige wijze, die vergeleken kan worden met het op den 14 julij 1790 op het maartveld bij Parijs uitgevoerde tooneel . De koning zelf speelde bij deze gelegenheid meesterlijk de rol van den vaderlander. Hij noodigde in eene schitterende redevoering den rijksdag uit, om het ontwerp bij acclamatie aan te nemen, legile het eerst den eed op de nieuwe staatsregeling af, en geleidde ver volgens de vergadering in optogt naar de hoofdkerk, waar de eed herhaald en door eene plegtige hooge mis onder luide toejuiching van de zamen ge vloeide volksmenigte bekrachtigd werd. Op den 5 mei werd de staatsre geling vervolgens werkelijk onderteekend. Bij deze gelegenheid werden de leden der oppositie door de algemeene geestdrift voor de wedergeboorte van Polen en door de eendragt van de groote meerderheid van den rijks dag zoo zeer verschrikt, dat ook zij mede onderteckenden. Het is onnoodig den inhoud op te geven van de nieuwe poolsche staats regeling, omdat zij nooit in werking gekomen , maar bespiegeling en ont werp geblevenis, en elke staatsregeling alleen uit ondervinding beoordeeld kan worden. Doch eenige punten mogen om de regtstreeksche betrekking op de omstandigheden niet onvermeld blijven . Depoolsche troon was er felijk verklaard , en bepaaldelijk moest na den dood van koning Stanislaus de kroon overgaan op den keurvorst van Saksen en zijne nakomelingen. Verder verleende men den koning en zijnen ministers eene grootere magt meer gezag, dan zij vroeger gehad hadden. Bovendien werden wel al de voorregten van den adel bekrachtigd; maar de burgerstand verkreeg ook een staatkundig aanzien , daar men hem den toegang tot ambten en de benoeming tot den rijksdag veroorloofde. Eindelijk werden niet slechts de confoederatien verboden, maar ook het onheilvolle liberum veto ( z. D. XVI. bl . 291) afgeschaft. Op dit oogenblik was de invloed van den van vrijzinnigheid verdach ten graaf Herzberg in Pruisen reeds geknakt, en bestond in tegendeel eene stille vereeniging tegen al het nieuwe tusschen Oostenrijk , Engeland en Pruisen . Niet te min hield de pruisische regering ten aanzien van Polen nog eenigen tijd vol op den tot nu gevolgden weg: Zij gaf zelfs voort durend hare goedkeuring te kennen over het gene in Polen geschied was. Het schijnt ons derhalve ook waarschijnlijk , dat de Russen hunne oog merken op Polen niet ligt doorgezet zouden hebben, als keizer Leopold II, wiens koele, hartstogtelooze geaardheid zich niet dan moeijelijk tot geweld dadige veranderingen en krijgszuchtige ondernemingen liet medeslepen, lan ger geleefd had. Daarmede stemt ook overeen, dat op eene zamenkomst, die Leopold en Frederik Willem in augustus 1791 te Pillnitz hielden, heimelijk zoo wel de onafhankelijkheid en ondeelbaarheid van Pulen ge waarborgd, als ook de opvolging van den saksischen keurvorst op den poolschen troon erkend zou zijn . Eerst in mei van 1792 , toen de oog merken van Rusland op Polen opentlijk te kennen gegeven werden, veran derde het pruisische kabinet zijne taal. Het was toen , nadat elke afstand door de nieuwe poolsche monarchie hardnekkig geweigerd was, reeds met Rusland overeen gekomen, en had even zeer , ale keizer Frans II , de opvolger en Polen vóór de tweede deeling. 159 van Leopold , de te Pillnitz afgesproken waarborging der onschendbaar heid van Polen heimelijk wedler terug genomen . De Polen daarentegen rekenden toen nog stellig op de pruisische hulp , en waren , toen die later bepaald geweigerd werd , zoo veel te meer verbitterd, hoe sneer zij zich toi nu door de gladde woorden van Lucchesini badden laten misleiden. Het pruisische kabinet haalde zich door deze handelwijze de bitterste ver wijtingen op den hals, die het bespaard zouden zijn , indien Frederik Wil lem zich niet door den hem omringenden kring tot eene arglistige diplo matische handelwijze had laten wegslepen. De lieden , die zich van het pruisische kabinet hadden meester gemaakt, lieten hem het masker van eenen getrouwen bondgenoot der Polen tot mei 1792 spelen, in plaats van hem den raad te geven , dat hij terstond in het begin opentlijk en konink lijk verklaren mogt , dat hij alleen voor zich zelven zou zorgen , omdat het onmogelijk was, eene natie te redden , die door haren eigen koning en grooten verraden werd. De boven vermelde verraders onder de Polen hadden in het belang van Rusland niet alleen de beslissing over de nieuwe staatsregeling weten op te houden , maar er waren ook door hunne bemoeijing daarin allerlei bepalingen opgenomen , die misnoegen en tweedragt moesten verwekken . Later zwoeren zij op allerlei wijze zamen tegen de nieuwe wettelijke orde van zaken, traden met de Russen in onderhandeling, en gaven hun in lichting, hoe hun vaderland het gemakkelijkst ten onder gebragt kon wor den. Eindelijk riepen zij zelfs de russische bescherming voor de zooge noemde poolsche vrijheid in , en sloten , om de Russen naar Polen te brengen , op den 14 mei 1792 te Targowitsch eene confoederatie, ofschoon alle confoederatien bij de nieuwe staatsregeling verboden waren . Dat de zamengezworenen van Targowitsch zich aan de russische regering verkocht hadden en bloote werktuigen waren , blijkt ten duidelijkste uit het manifest, dat zij aan hunne medeburgers uitvaardigden. Dit zoo gezegd te Targowitsch onderteekende manifest draagt namelijk eene dagteekening, toen sommige onderteekenaars, zoo als Branicky, Felix Potocky en Rzewusky nog onder weg waren op de reis van Petersburg. Ook verklaarde de russische gezant te Warschau binnen vier dagen na de onderteekening van het manifest, dat zijne keizerin de cischen der confoederatie van Targowitsch door hare troepen zoude ondersteunen . Lit manifest was derhalve niet te Targowitsch , maar te Petersburg vervaardigd. Ook bevonden de russische troepen zich op den dag, toen de geconfoedereerden hun manifest uitvaardigden , reeds lang op weg naar Polen , en de genoemde drie verraders keerden eerst daarmede in hun vaderland terug. Even duidelijk als de verraderij dier grooten was de lafhartigheid en trouweloosheid van koning Stanislaus; want hij benoemde denzelfden Branicky tot minister van oorlog, die eerst kort te voren voor aller oogen betrekkingen met de Russen had aange knoopt. Op denzelfden dag, waarop de confoederatie van Targowitsch gevormd werd , veranderde ook Lucchesini plotseling van taal , nadat hij op het laatst door ontwijkende en troostende verzekeringen en verklaringen , doch die hij slechts mondeling mededeelde, de Polen opgehouden had. Toen namelijk de poolsche regering den pruisischen gezant berigtte, dat een le gir tegen de Russen uitgerust en Jozef Poniatowsky, de neef van den koning, tot aanvoerder bestemd was , gaf haar Lucchesini, die tot hiertoe 160 Nieuwe Geschiedenis. voor elke mededeeling bedankt had , het opmerkelijk antwoord , dat zijn koning geene kennis kon nemen van de gemaakte krijgszuchtige schikkin gen. Op den 18 mei 1792 eischte de russische gezant de opheffing der nieuwe staatsregeling en de onbepaalde onderwerping aan den wil der kei zerin of, gelijk hij zich uitdrukte , de volkomene overgave aan de ziele grootheid en belangeloosheid, waardoor alle daden zijner keizerin bestuurd werden. Toen Stanislaus ten gevolge daarvan den pruisischen gezant tot de bij verdrag bepaalde hulp opriep , gaf deze hem ten antwoord : dat, daar zijn koning geen deel genomen had in het tot stand brengen der nieuwe staatsregeling, hij zich ook niet verpligt achtte, zijnen bijstand tot hare ver dediging te verleenen. Frederik Willem schreef zelfs op den 8 junij eenen brief aan den poolschen koning , waarin niet slechts de vroeger goedge keurde nieuwe staatsregeling berispt, maar ook zelfs met eene nieuwe ver deeling van Polen gedreigd werd. Pruisen was bereid , heette het in den brief, om zich met Rusland en Oostenrijk te verstaan over de maatregelen , waardoor de rust der Polen zou kunnen hersteld worden. Thans bleef den Polen nog slechts een eenig redmiddel over ; doch dit werd hun door hun nen eigen koning ontnomen. Stanislaus maakte namelijk uit lafhartigheid en om den wil van zijn bijzonder belang elk heldenmoedig besluit onuit voerlijk, hield, toen de poolsche troepen met de Russen streden , de kern van het leger bij zich achter en onderhandelde in het geheim met de vij anden. Ter zelfåer tijd bragten de verraders van Targowitsch eene confoe deratie in Litthauen tot stand , waardoor dit gewest zich van het overige Polen afscheidde. Wat hielp dan nu den Polen de dapperheid, die zij in het veld tegen de veel talrijker russische troepen betoonden ? Het poolsche leger was in drie afdeelingen gescheiden : de eene stond onder den opperbevelhebber Jozef Poniatowsky ;de andere onder Michael Wielhorsky , de derde onder Kostschiefsky of Kosciusko. De laatste had in Frankrijk zijne krijgskundige opleiding genoten , en zich later in den noord -amerikaanschen vrijheidsoorlog, waaraan hij als vrijwilliger deel nam , tot veldheer gevormd. Zulk een generaal had derhalve, als de Polen niet door de in hun midden aanwezige verraders in het verderf gestort waren , misschien zijn vaderland kunnen redden , hoewel het russische leger niet minder dan honderd duizend man sterk moet geweest zijn. Op den 17 julij 1792 kwam het bij Dubienka tot een gevecht, waarin vier duizend Polen onder Kosciusko tegen achttien duizend Russen hunne stelling handhaafden . In spijt van dezen roemrijken strijd moest Kosciusko echter kort daarop den terugtogt aannemen , omdat de Russen door Gallicie trokken en hem in den rug bedreigden. Bovendien ging Stanislaus Poniatowsky zes dagen na het gevecht bij Dubienka tot de confoederatie van Targowitsch over, Deze veranderde zich nu in eene algemeene confoederatie , waardoor aan het verraad der grooten , den meineed des konings en den inval der Rus sen in Polen de schijn der regtmatigheid verleend werd ( z. D. XVI. bl . 291 ) . Nu konden derhalve ook de verraders overeenkomstig het geschre ven regt door verbeurdverklaringen en andere straffen allen vervolgen, die aan eed en volk getrouw bleven . Onder de laatsten verdienen in eenen tijd , als de onze, waarin opoffering dwaasheid , het zoogenoemde juiste midden wijsheid, het streven naar rijkdom , eer en genot verstand genoemd wordt, met name vermeld te worden : de maarschalken van den rijksdag, Malachowsky en Sapieha , de grootmaarschalken van Litthauen , Ignatius Polen vóór de tweede verdeeling. 161. Potocky en Soltan , de schatmeester van de kroon Ostrowsky en de vice kanselier der kroon Kollontay. Tegen het einde van het jaar 1792 hadden de Russen geheel Polen bezet. In januarij 1793 trokken zij plotseling van de noord -westelijke gren zennaar het binnenland terug, om plaats te maken voor de binnen rukkende pruisische troepen . Op den 4 januarij was namelijk tusschen Pruisen en Rusland een verbondsverdrag gesloten en de tweede verdeeling van Polen vast gesteld , nadat ten gevolge van de algemeene staatkundige omstandig heden in Europa niet alleen Oostenrijk in het geheim daartoe zijne toe stemming gegeven had, maar ook Engeland zich tevreden had latenstellen. Pruisen enOostenrijk hadden namelijk onmiddellijk na den dood van Leo pold , in het vertrouwen op de engelsche aristocratie, eenen dwazen oorlog met Frankrijk begonnen , die weldra eene zoo ongelukkige wending nam , datde oostenrijksche Nederlanden reeds in het begin van den winter door de Franschen bezet werden. Hiervan maakte Pruisen gebruik ten behoeve der vergrootingsplannen , die reeds eenigen tijd tusschen dat rijk en Rus land besproken werden , en wier uitvoering eigentlijk tot aan het einde van den franschen oorlog hadde moeten uitgesteld worden . Het pruisische kabi net verbond zijne verdere deelneming in den oorlog aan de voorwaarde, dat Oostenrijk en Engeland zich niet verzetten zouden tegen zijne over eenkomst met Rusland, die eene verdeeling van Polen ten oogmerk had. Op deze wijze kwam op den 4 januarij 1793 het boven vermelde verdrag tusschen Rusland en Pruisen tot stand. Oostenrijk liet zich door het uit zigt op schadeloosstelling in Frankrijk bewegen, daaraan zijne toestemming te geven ; en Engeland werd tevreden gesteld met de toezegging, dat Rusland in februarij en maart deel zou nemen in de vijandelijkheden tegen Frankrijk, en ook zekere voordeelen aan den engelschen handel toestond. De aanvoerder van het pruisische leger , Möllendorf, liet , toen hij Polen binnen rukte , eene zoogenoemde verklaring bekend maken , die de handelwijze van zijnen koning regtvaardigen moest, maar waarin de spits vondigheid even zeer ter gunste van het monarchale krijgsgeweld gebezigd werd , als de democraten in Frankrijk die toen ter gunste van republi keinsche moordenarijen toepasten. Het regt tot het binnen rukken der Pruisen in Polen werd namelijk afgeleid uit de invoering dier zelfde nieuwe staatsregeling, welke Frederik Willem anderhalf jaar vroeger officieel goed gekeurd, en waarmede hij zelfs den poolschen koning geluk gewenscht had. Bovendien werd het schrikbeeld der jacobijnen gebezigd, om de wereld zand in de oogen te strooijen en inzonderheid het geld- en adelzuchtige parlement van Engeland en de naijverige oostenrijksche grooten te bevre digen. Te dezen aanzien wordt in de verklaring gezegd:dat de vreeselijke beginselen der parijsche democraten zich altijd meer in Polen verspreidden , dat daar reeds werkelijke jacobijnen -clubs bestonden , dat Pruisen derhalve, om zijn land voor besmetting te bewaren, eenige poolsche gewesten bezet ten , daar den jacobijnschen geest uitroeijen moest, enz . Het binnen rukken der Pruisen was voor degeconfoedereerden van Tar gowitsch eene ontzettende gebeurtenis ; want zij hadden hun vaderland al leen aan Rusland, maar niet tevens aan Pruisen en Oostenrijk willen ver koopen . De meesten hunner verlieten daarom terstond de algemeene ver gadering, die in plaats van den rijksdag te Brzesk bijeen geroepen en later naar Grodno verlegd was. De overigen werden door dengeneraal Igelström XVI. 11 162 Nieuwe Geschiedenis. > en den gezant Siewers , die men tot dit oogmerk van Petersburg naar Grodno gezonden had, gemakkelijk gedwongen , om zich aan den wil der vreemde mogendheden te onderwerpen. Rusland en Pruisen bevalen , om hunne eischen door gevolmagtigden der geheele natie te doen goedkeuren, de verandering der algemeene vergadering in eenen rijksdag , en tevens de verplaatsing des konings naar Grodno. Tot beide werd besloten . Hierop trok men russische troepen te Grodno bijeen , om den aanstaanden rijks dag in te sluiten en in bedwang te houden . Ook dienden de pruisische en de russische gezant in april 1793 eene gelijkluidende verklaring in , waarin weder van volksleiders en jacobijnen gesproken werd , hoewel juist die Polen, waarmede men te doen had , van beiden het allerminst wilden weten. In dit vertoog zeide men zelfs, dat Pruisen en Rusland den ge heelen ondergang van het poolsche rijk niet beter meenden te kunnenvoor komen , dan als zij de grensgewesten bij hunne staten inlijfden . Slechts twee geconfoedereerden waagden het, tegen deze schandelijke verklaring te protesteren ; zij moesten zich daarvoor, zoo zij niet al hunne goederen ver liezen wilden, met den meesten spoed uit Grodno verwijderen. De achter blijvenden schaamden zich niet, om den verrader van 1772, Popinsky (z.. D. XVI. bl . 300 ), aan hun hoofd te stellen, ofschoon hij kort te voren schul dig verklaard was aan landverraad, omkooping en openbaren roof, en vo gelvrij verklaard en gebannen was. Door den pruisischen en russischen gezant werden omkoopingen, verbeurdverklaringen en krijgsgeweld gebezigd, om te beletten , dat op den rijksdag een enkel afgevaardigde verscheen, die niet gereed was, om al de handelingen der russische partij blindelings goed te keuren . Natuurlijk was dan ook de op den 17 junij te Grodno geopende rijksdag niets minder , dan eene vrije, wettige en voltallige ver gadering van de vertegenwoordigers des poolschen volks. Desniettemin week_ook deze rijksdag alleen voor geweld. De rijksdag nam, toen Rusland en Pruisen reeds op den 19 junij den werkelijken afstand van geheele provincien verlangden, eenen verschillenden toon tegen elken der twee staten aan : hij antwoordde den Russen ootmoedig en smeekend, den Pruisen trotserend en verachtend. Igelström en Siewers beantwoordden de smeekende taal van den rijksdag daarmede, dat zij op den 2 julij de landboden , die niet onvoorwaardelijk gehoorzamen wilden, in de gevangenis werpen of in hunne huizen door soldaten zoo lang be waren lieten, tot dat zij onderwerping beloofden. Hierop bewilligde de rijksdag wel op den 22 julij in den afstand, dien Rusland voor zich begeerde ; maar betoonde zich daarentegen ten aanzien der pruisische eischendes te hardnekkiger. Deze tegenstand was echter vergeefsch, omdat Rusland zij nen bondgenoot ten nadrukkelijkste ondersteunde. Op den 30 augustus bedreigdede russische gezant Siewers den rijksdag zelfs met eene derge lijke mishandeling, als eenige maanden vroeger (2 junij) de fransche con ventie door Henriot en het parijsche gemeen ondergaan had. Op den 2 september werd deze bedreiging reeds uitgevoerd, en wel op eene nog veel hardere wijze, dan de jacobijnen te Parijs met de conventie waren te werk gegaan. Siewers liet het gebouw, waarin de rijksdag met de koning vergaderd was , door soldaten omringen, kanonnen tegen de zaal der zit ting rigten en daarin zelfs soldaten binnen rukken , terwijl hij verklaarde, dat hij, als men den pruisischen eisch niet oogenblikkelijk toestond, den rijksdag met bajonetten en kanonnen daartoe zou dwingen. De rijksdag 9 Polen. Tweede verdeeling. 163 onvoor gelastte daarop wel aan de commissie, die de onderhandeling met Rusland ge voerd en ten einde gebragt had, om ook het door Pruisen geëischte verdrag te onderteekenen; maar hij voegde daar de bepaling bij , dat dit verdrag niet bekrachtigd zou worden , voor dat men , onder russische bemiddeling, nog over een handelsverdrag en eenige andere tot hiertoe onbepaald ge bleven punten met Pruisen overeen gekomen was. Siewers had , on ein delijk gereed te komen en de schuld der hatelijke stappen op Pruisen te schuiven, deze bepaling goedgekeurd, indien al niet, zoo als velen zeggen, zelf aan de hand gedaan . Op den 21 september verwierp hij reeds alles, wat hij op den 2 goed gekeurd had, en eischte de onvoorwaardelijke aan neming van het pruisische verdrag: Dit hing , even als de geheele loop der tweede deeling van Polen, naauw zamen met den gang van den franschen oorlog: De Pruisen hadden juist eene kleine overwinning op de Franschen bevochten, toen het berigt van het besluit van den rijksdag in hunne legerplaats aankwam , waar ko ning Frederik Willem zelf zich bevond. Hiervan maakten Lucchesini, hertog Ferdinand van Brunswijk en andere mannen , die eene krachtige ondersteuning der Oostenrijkers tegen de Franschen beletten wilden, listig lijk gebruik , om den koning onder een gepast voorwendsel uit het leger te verwijderen en eene tegen Oostenrijk gerigte kabaal aan te leggen. Er werd namelijk in den staatsraad vast gesteld , dat Pruisen den oorlog voortzetten wilde, dat daarentegen niet alleen Engeland en Oostenrijk voor de kosten instaan , maar ook Rusland den pruisischen eisch in Polen waardelijk doorzetten moest, en dat Frederik Willem terstond naar zijne poolsche bezittingen vertrekken zoude. De pruisische koning verliet hierop werkelijk zijn leger, en de russische regering gaf, om zijne troepen aan den Rijn te houden , aan haren gezant te Grodno het bevel, om de on voorwaardelijke aanneming der pruisische vorderingen des noods met ge weld van wapenen af te dwingen. Nog voor dat dit bevel te Grodno aan gekomen was, hadden Siewers en de pruisische gezant ( Buchholz) de con foederatie van Targowitsch, die zwarigheden gemaakt had, doen ontbinden en het bestuur der zaken weder aan den zwakken koning en den reeds vroeger herstelden permanenten raad gebragt, of met andere woorden, zij hadden de vorming van eene nieuwe koninklijke confoederatie bevolen, waartoe dan terstond al de leden van den rijksdag overgingen . Toen de rijksdag de pruisische eischen niet terstond billijkte , ging Siewers op eeneminstens even erge wijze, als de parijsche vischwijven in october 1789 te Versailles (z. bl. 120), te werk. Hij liet eenige landboden om hunne voorgewende jacobijnsche gevoelens gevangen nemen , den rijksdag door russische soldaten omsingelen, den generaal Rautenfeld in de vergader zaal op eenen zetel plaats nemen en elk lid van den rijksdag, dat niet in den russischen zin sprak, door soldaten wegvoeren. Ten gevolge daarvan gaf geen enkel afgevaardigde, toen gestemd moest worden, antwoord. In deze verlegenheid hielpen Rautenfeld en Siewers zich daarmede, dat zij den rijksdag aanzegden, dat zij dien en den koning zoo lang in de zaal zouden vast houden, tot dat zij toegaven. Toen in spijt van alle bedrei gingen aan den eisch tot stemmen geen gevolg gegeven werd , verklaarde eindelijk de maarschalk van den rijksdag het zwijgen der afgevaardigden voor toestemming en onderteekende de acte van afstand , welk voorbeeld daarop door de commissie gevolgd werd. Toch protesteerden beiden nog > 11 * 164 Nieuwe Geschiedenis. op denzelfden dag (24 september ), en dit protest werd later als eene ver klaring van den rijksdag opentlijk bekend gemaakt. Nadat op zulke wijze den rijksdag de afstand van geheele gewesten afgedwongen was, sloot men op den 14 october op voorstel van eenen omgekochten landbode , graaf Ankwitz, nog daarenboven een verdrag van vriendschap en bondgenootschap met Rusland , of met andere woorden , men onderwierp ook het nog overig gebleven gedeelte van Polen aan Rusland. Datdoor den rijksdag eindelijk nog alle verbeteringen, die de vooraf gaande rijksdag ingevoerd had, afge schaft werden , verstaat zich even zeer van zelf, als dat de verraders onder de Polen, koning Stanislaus aan hun hoofd, met ridderorden, eerbewijzingen , goederen en geld beloond werden . Overigens verkreeg Rusland bij deze iweede verdeeling van Polen meer dan vier duizend vierkante mijlen grond gebied met meer dan drie millioen inwoners, Pruisen overde duizend vier kante mijlen en nagenoeg vierdehalf millioen menschen . Het poolsche rijk kromp daardoor tot een derde van zijnen vroegeren omvang in. 5. DERDE VERDEELING VAN POLEN. Nå de tweede verdeeling van Polen werd de druk in het land nog erger dan vroeger. Russische en pruisische troepen vormden een cordon langs de nieuwe grenzen ; eene russische legerafdeeling was zelfs in het land achter gebleven , en had haar hoofdkwartier te Warschau. Siewers, die bij alle hardheid toch nog een spoor van medelijden en schaamte had, werd terug geroepen en door den echt russischen generaal Igelström ver vangen . Deze behandelde den poolschen koning en de aanzienlijkste mannen van het rijk als onderdanen van zijne keizerin, en gedroeg zich in het al gemeen zoo volstrekt willekeurig, dat het bijna scheen, alsof men den pool schen adel, die even als het fransche volk ijdel en ligt geraakt is , op zettelijk tot opstand had willen tergen . Ook brak de opstand werkelijk reeds binnen een half jaar uit, maar deze was toch niet alleen veroorzaakt door de handelwijze van Igelström . Toen koning Stanislaus zich bij de confoederatie van Targowitsch voegde, waren reeds vele misnoegden uitgeweken. Zij hadden zich naar Dresden en Leipzig begeven, waar de keurvorst van Saksen (Frederik Augustus III) hen ook nog toeliet en beschermde, toen Rusland hunne uitlevering eischte. Tot deze vlugtelingen behoorden Ignatius Potocky, de maarschalk van den rijksdag Malachowsky, Kollontay, Mostowsky, Kosciusko en anderen. Zij maakten in Saksen eene geregelde zamenzwering ter bevrijding van hun vaderland . Toch waren het alleen Kosciusko en de naar Warschau terug gekeerde Zajonczeck, die het volk deden ontwaken , en het eerst hun leven waagden. Kosciusko, die door de zamengezworenen met de krijgskundige leiding, der onderneming belast werd, zocht vóór het begin de Turken en Franschen op te zetten ; dit gelukte hem echter niet, en zelf moest hij zich, om de russische spionnen te ontwijken, eenigen tijd naar Italie verwijderen . Intusschen wist Zajonczeck de te Warschauliggende poolsche regimenten, en een rijk bankier ook de burgers van die stad voor de zaak te winnen. Koning Stanislaus was van alles onderrigt; maar hij had den moed niet om aan de uitvoering deel te nemen , en gaf zelfs eenen wenk aan den russischen gezant. Deze eischte daarop ( in het begin van 1794) de ont binding van het grootste gedeelte der poolsche armee, opdat de zamenge Polen vóór de derde verdeeling. 165 zworenen zich daarvan niet tot hunne wanhopige poging zouden bedienen. Hij bewerkte daardoor, dat de opstand vroeger uitbrak , dan men bedoeld had. De zamengezworenen zagen zich namelijk genoodzaakt te beginnen, vóór dat de ontbinding van het leger , die de koning en zijn permanente raad reeds vast gesteld hadden , volledig was ten uitvoer gelegd. Kosciusko begaf zich , hoewel hij zelf aan de mogelijkheid van het welgelukken der geheele zaak niet geloofde, met eene kleine schaar naar Krakau. Daar werd hij, nadat de russische bezetting der stad zonder gevecht afgetrokken en de vier honderd bij haar gevoegde Polen overgegaan waren , op den 24 maart tot opperlegerhoofd van het poolsche volk verklaard . Zijne schaar vermeerderde weldra door de van alle kanten toestroomende opstandelingen, en ook vooral door eene afdeeling van het poolsche leger, die de overste Madalinsky hem aanbragt. Toen namelijk op bevel van Igelström het poolsche leger tot de helft moest verminderd worden, en met dit oogmerk in afzonderlijke afdeelingen gescheiden was , begaf Madalinsky zich , in plaats van overeenkomstig het ontvangen bevel zijne troepen te ontslaan, met zijne afdeeling naar Krakau. Hier werd daarna eene acte van op stand afgekondigd, alle jongelingen uit het woiwodschap van Krakau onder de wapenen geroepen en, naar het voorbeeld der republikeinsche regering in Frankrijk, door het stelsel van vaderlandsche opbrengsten in de behoeften van het bevrijdingsleger voorzien . Igelström had tusschen de zes en zeven duizend Russen onder Denisow en Tormansow_ter vervolging van Madalinsky uitgezonden . Kosciusko snelde die uit Krakau te gemoet, en bevocht , toen hij op den 4 april bij Raslawicz op hen stiet , eene volkomene overwinning. Daardoor werd het ligt ontvlammend poolsche volk tot de levendigste geestdrift opgewon den. Kort daarna veroorzaakte Igelström zelf te Warschau eenen bloe digen opstand. Hij eischte namelijk, om den voortgang van den opstand te stuiten , niet alleen van de poolsche regering de gevangenneming van vele aanzienlijke lieden en de vogelvrijverklaring van al de opstandelingen, maar ook de overlevering van het tuighuis en de ontwapening van geheel het poolsche leger. Hiervan maakten nu de zamengezworenen gebruik , om de burgerij van Warschau en de daar liggende troepen tot opstand aan te zetten. Zoo brak op den 17 april een algemeene opstand te Warschau uit. De uit nagenoeg acht duizend man bestaande russische bezetting werd overvallen, twee duizend man daarvan binnen twee dagen gedood, het pa leis van Igelström na een bloedig gevecht bestormd en geplunderd, Igelström redde zich in de nabij Warschau bestaande pruisische legerplaats. Tot eer der Polen verdientaangemerkt te worden , dat, toen de poolsche rege ring terstond daarop de teruggave der in het paleis van Igelström wegge nomen gelden gelastte, deze geheel ingebragt werden. Na den opstand te Warschau werd de ellendige koning Stanislaus weder op eens vol geest, drift voor zijn vaderland. Daar men hem echter niet vertrouwen kon, werd er een regentschap benoemd en Kosciusko, dien men te Krakau reeds tot dictator uitgeroepen had, als zoodanig erkend. De opstand breidde zich hierop zoo wel uit over het koningrijk Polen, als naar Litthauen. Op vele plaatsen ging het uitbreken daarvan vergezeld van tooneelen eener woeste regtspleging door het volk , die aan de lantaarn teregtstellingen der Parijzenaars herinnerden . Te Warschau werden de generaals Zabiello en Ozarowsky, de bisschop Kossakowsky, de vorstbisschop 166 Nieuwe Geschiedenis. Massalsky, de graaf Ankwitz en zes of acht andere voorname heeren zonder vorm van regtspleging vermoord, omdat men in het archief van den russi schen gezant de schriftelijke bewijzen van hun verraad gevonden had . Pruisen zond spoedig een leger naar Polen. Toen dit zich te gelijk met eenrussisch leger onder Denisow tegen Krakau in beweging, stelde, haastte Kosciusko zich om het laatste aan te tasten , voor dat het zich met de Pruisen vereenigde. Hij kon dit echter niet beletten , en werd op den 6 junij, juist toen hij de Russen aangevallen en terug gedreven had, in den zoogenoemden slag bij Szczecocyny door de veel sterkere magt der Pruisen genoodzaakt, met een verlies van duizend man terug te trekken. Toch trok hij geregeld terug, en kon, hoezeer van alle kanten gedrongen, niet belet worden in zijnen terugtogt op Warschau . Toen hij daar op den 10 julij aankwam , waren de Polen reeds in Litthauen overwonnen en Krakau aan de Pruisen overgegeven. Van dit oogenblik af was Polen derhalve niet meer te redden. De geheele oorlog, drong zich nu rondom Warschau zamen . Tegen deze stad trokken in julij ook de Pruisen op met veertig duizend man. Zij kwamen voor Warschau zamen met tien duizend Russen onder Fersen, daar het leger , waarover Suwarow het bevel voerde , toen nog op marsch naar Polen was. Nu liet Oostenrijk ook een leger in Polen binnen rukken, 'om zich zijn aandeel in den buit te verzekeren en te beletten , dat Pruisen al te magtig werd. Voor het overige waren aan de Oostenrijkers reeds voorstellen door Rusland gedaan tot eene nieuwe verdeeling van Polen. Het oostenrijksche leger bezette Klein-Polen. Warschau was slechts weinig versterkt, maar het had rondom vier sterk verschanste en in onderling verband staande legerplaatsen . De pool sche troepen in en om Warschau , wier beide vleugels door de Weichsel gedekt waren, werden alleen door mannen aangevoerd, die in dezen oorlog of later onder Napoleon roem verkregen hebben , door Kosciusko , Jozef Poniatowsky, Dombrowsky, Zajonczeck en Makranowsky. De uitkomst van hunnen strijd met de Pruisen was ligt te voorzien ; want zij voerden den oorlog geheel kunstmatig naar de oude manier, en werden door hunnen koning, die zich bij het leger bevond, en zijne gunstelingen slecht aange voerd. Al de aanvallen op de vier legerplaatsen der Polen bleven even zeer , als het bombardement der stad , zonder gevolg. Toen nu zelfs het berigt kwam , dat in de pruisisch - poolsche provincien een opstand uitge broken was en het pruisische leger daardoor in den rug bedreigd werd, geraakten de ellendelingen , die hem omringden, in zulk eenen angst, dat niet alleen de belegering van Warschau opgeheven werd , maar het pruisische leger ook met eenen spoed, die naar eene vlugt geleek, op den 6 september den terugtogt aannam . De Polen zonden aan de pruisische opstandelingen legerafdeelingen onder Dombrowsky, Madalinsky en Jozef Poniatowsky te hulp. Dezen waren wel gelukkig in den strijd , en bedreigden zelfs Pommeren en Brandenburg, maar zij konden daardoor der zaak der Polen niets helpen, omdat de rus sische hoofdmagt toen juist onder Suwarow tegen Warschau oprukte. Suwarow vernielde, zoo dra hij na sterke marschen uit zijn hoofdkwartier Cherson aan de grenzen van Polen aangekomen was, op den 19 september een poolsch leger onder Sierakowsky bijna geheel , en spoedde vervolgens regt op Warschau aan. Op het berigt daarvan besloot Kosciuskohet 1 Polen vóór de derde verdeeling. 167 uiterste te beproeven , voor dat Suwarow de stad bereikte. Hij zond den generaal Sierakowsky nieuwe troepen, om de aanrukkende Russen tegen te houden , gelastte het litthausche leger hun in den rug te vallen , en zocht zelf den generaal Fersen op, om hem nog vóór de aankomst van Suwarow te slaan. Met dit oogmerk gelastte hij eenen zijner onderbevelhebbers, Po ninsky, de Russen zoo lang , tot dat hij die zelf aanvallen kon, van het overtrekken van den Weichsel terug te houden , en zich vervolgens met hem te vereenigen . Maar Poninsky miste de Russen , en kwam zijnen landgenooten ook niet te hulp , toen Fersen die op den 10 october bij Macziewice aantastte. Door deze ongelukkige omstandigheid, het moge nu eene fout of een ongeluk van den generaalPoninsky geweest zijn, werd de ondergang van Polen veroorzaakt. Kosciusko en zijne troepen vochten namelijk wel met wanhopigen moed, maar zij bezweken, toen Poninsky niet verscheen, voor de russische overmagt en leden eene volkomene nederlaag. Doch de Russen hadden ook hunne overwinning zeer duur gekocht. Zes duizend Polen werden gedood , zes honderd geraakten , gedeeltelijk zwaar gewond, in russische gevangenschap. Onder de laatsten bevond zich ook Kosciusko met drie andere generaals en den geheelen staf. Na het gevecht van Macziewice vereenigde Fersen zich met het leger van Suwarow , dat daardoor dertig duizend man sterk werd. Hoewel daar van slechts twee en twintig duizend in het veld gebruikt konden worden, besloot Suwarow toch , de versterkte voorstad van Warschau, Praga , te þestormen. Deze door de Weichsel van Warschau gescheiden voorstad had eene bezetting van dertig duizend Polen, en was door drie versterkte, door nagenoeg honderd stukken zwaar geschut gewapende linien gedekt. Men kon zelfs hare vestingwerken niet bereiken , zonder vooraf eene ver schanste legerplaats, waarin het poolsche_leger lag, veroverd te hebben. Desniettemin besloot Suwarow , de stad Praga en de vóór haar gelegene legerplaats te bestormen. Dat hem dit gelukte , zou, daar hij geen zwaar geschut, maar slechts zes en tachtig veldstukken bij zich had , geheel on begrijpelijk zijn , als Fersen niet vooraf den grooten generaal en de beste troepen der Polen vernield had , en de voor Praga staande troepen niet even als de legers der Turken door eenen aanval met de bajonet in ver warring te brengen waren geweest. Op den 24 october nam Suwarow de poolsche legerplaats met storm, waarbij duizend Polen in de Weichsel ge drongen , twee duizend neergesabeld en even zoo veel gevangen genomen werden. Daarna maakte hij zich gereed tot den storm op de versterkte linien van Praga. Hij verhaastte dien zoo veel mogelijk, omdat hij de Pruisen voorkomen wilde, die intusschen den opstand in Groot-Polen ge dempt hadden en tegen Warschau optrokken. Hij spaarde dan ook het bloed zijner eigene soldaten niet. Op den 4 november werd de storm op de werken van Praga ondernomen, tot wier verdediging alle weerbare man nen uit Warschau opgekomen waren. Na een moorddadig gevecht van vijf uren waren de Russen van de schansen meester. Zij moesten onmiddellijk daarra in de straten van Praga op nieuw een vreeselijk gevecht doorstaan, en gingen daarbij zoo afgrijselijk bloedgierig te werk, dat de bijzonderheden hunner gruwelen elk menschelijk gevoel kwetsen. Acht duizend Polen wer den vechtende gedood , kinderen, grijsaards en vrouwen vermoord. Boven dien werden, daar de Russen niet alleen het grootste gedeelte van Praga, maar ook de brug over de Weichsel verbrandden , nog geheele scharen van 168 Nieuwe Geschiedenis. menschen , die zich naar Warschau hadden willen redden , in den vloed naar beneden gestort. Volgens de gewone opgave, voor wier naauwkeurig heid echter niet kan ingestaan worden , kwamen in Praga zelf twaalf dui zend Polen om het leven ; doch het is niet bekend, hoe vele Russen aan de stoute onderneming van Suwarow opgeofferd werden. De Russen zelven geven hun verlies belagchelijk gering op. Op den volgenden dag gafde stad Warschau zich bij verdrag over, en op den 6 november rukte Su warow daar binnen. Nu was het met het poolsche rijk gedaan. Over zijn lot , of liever over de wijze, waarop het laatste overblijfsel van het eens zoo groote rijk verdeeld zou worden, onderhandelden Oostenrijk, Pruisen en Rusland nog gedurende een geheel jaar. Tot daartoe vergunde men aan den koning Stanislaus, die alles van zich maken liet, nog eenen schijn van invloed op de regering , omdat men hem noodig had , om het gepleegde geweld den schijn van regtbij te zetten . Doch hij werd te Warschau door Suwarow, zoo wel als te Grodno, waarheen hij zich later op russisch bevel begeven moest, door Repnin, den algemeenen stadhouder der russisch - poolsche pro vincien, geheel verduisterd. Hij onderteekende op den 25 november 1795 zelfs zijne acte van afstand , nadat de deelende mogendheden hem eene jaarwedde van tweemaal honderd duizend dukaten en de betaling zijner schulden ver zekerd hadden . Keizer Paul riep hem kort daarna naar Petersburg, waar hij in 1798 stierf. Het tusschen de drie mogendheden gesloten verdrag over de derde verdeeling van Polen werd eerst op den 24 october 1795 onderteekend. Over de nieuwe grenzen van Oostenrijk en Pruisen in Polen werd zelfs nog een geheel jaar langer onderhandeld. Bij deze laatste verdeeling van Polen verkreeg Oostenrijk de woiwodschappen Sendomir en Lublin, nage noeg het geheele woiwodschap Krakau en de aan den regter oever van de Weichsel tot aan de Bug gelegen landen , in alles acht honderd vier en dertig vierkante mijlen. Rusland verkreeg het geheele tot nu nog pool sche Litthauen en Volhynie, het grootste gedeelte van Samogitie en een stuk van Klein - Polen , in alles nagenoeg twee duizend vierkante mijlen . Pruisen eindelijk verkreeg het uit ongeveer duizend vierkante mijlen be staande overige gedeelte van Polen met de hoofdstad Warschau. 6. VERHOUDING VAN ENGELAND, OOSTENRIJK , PRUISEN EN ZWEDEN TOT DE FRANSCHE OMWENTELING. De geheele verandering in Frankrijk, door de omwenteling veroorzaakt, bragt van het begin af geheel het onder leenroerigheid en geestelijke heer schappij verdrukte Europa in schrik en angst, en de bezorgdheid, dat daar door ook in andere landen de voortduring van al het middeleeuwsche be dreigd werd, gaf aanleiding tot kuiperijen tegen de Franschen onder de mogendheden, die eindelijkeenen werkelijken oorlog deden ontstaan. Wij beginnen de vermelding van de wijze , waarop de europische vorsten en grooten de in Frankrijk aangenomene nieuwe beginselen in den staat we der zochten te vernietigen, met Engeland. De staatkunde , die in dit land tegen Frankrijk gevolgd werd , was verschillend van die der staten op het vaste land , hoewel men hier zoo wel als daar een en hetzelfde doel op het had. De mannen oog van het Engeland. Pitt de jonge. 169 geld en de grooten namelijk, die in Engeland het bewind voerden en aan wier hoofd sedert 1784 de jonge Pitt stond, hadden bij hun zich zelf ver godend en al het oude aanbiddend volk niets ernstigs te vreezen van den geest der fransche omwenteling. Zij zochten derhalve ook thans , gelijk vroeger altijd, alleen gebruik te maken van de gelegenheid, om de zee magt van Frankrijk en den handel van alle niet - Engelschen te verzwak ken en te vernielen. Zoo dra namelijk de willekeurige regeringen gene genheid betoonden, om de zaak der aristocratie en hierarchie tegen Frank rijk te verdedigen, bewoog Pitt het parlement, om haar hulpgelden te ge ven, omdat, hoe ook de oorlog op het vaste land mogt uitvallen, in elk geval de heerschappij van Engeland ter zee uitgebreid en het door den oorlogsroem van zijne vloot zoo ligt.bedwelmde engelsche volk zoo veel te vaster aan zijne oligarchie verbonden werd. Watde inwendige geschiedenis van Engeland sedert 1784 betreft, zoo wist Pitt , nadat hij door de tweede india -billº (z. bl. 17) zijn gezag verzekerd had, door de instandhouding van alle oude misbruiken de aristocratie, door verhooging van de civiele lijst den koning, door een verstandig bestuur, schijnbare opheffing van bezwaren en luidruchtig aangekondigde verbeterin gen het volk te winnen . Hoe goed hij in staat was, den bekrompen John Bull te misleiden, daarvan kan het door hem ingeleide regtsgeding tegen een der bloedzuigers van Indie , Warren Hastings, ten voorbeeld strekken. Dit voor het hoogerhuis gevoerd proces, dat van 1788 tot 1795 duurde, hield het publiek langin spanning en gaf gelegenheid, om het geschreeuw over de voorgewende gelijkheid van regt in Engeland te vermeerderen ; maar werkelijk was het niets dan eene vertooning. Ook eindigde het met de vrijspraak van den voornamen misdadiger , die zich op ongehoorde wijze aan de arme inwoners van Indie vergrepen had. In het jaar 1788 werd de door Pitt herstelde magt der voornamen en rijken daardoor bedreigd, dat zich bij koning George III de eerste sporen dier - krankzinnigheid vertoonden, welke hem later tot aan zijnen dood niet we der verliet. Er werd namelijk in het parlement het voorstel gedaan , om een regentschap te benoemen ( december 1788 ); en daar dit van regtswege den prins van Wallis toekwam, die in opentlijken twist met zijnen vader leefde en met de oppositie in naauwe betrekking stond ( z. bl . 17 ) , geraakte het stelsel van Pitt in groot gevaar. De listige staatsman wist zich echter te helpen. Hij deed dit op zulk eene wijze, dat hij, om zijn doel te bereiken, zelfs tegen de behoudende beginselen opkwam . Hij stelde namelijk, terwijl Fox op legi timistische en monarchale gronden ter gunste van den prins het beginsel van het natuurlijke erfregt verdedigde,de bewering , dat het volk alleen het regt had , om door middel van het parlement over het regentschap, zoo wel als over elke andere zaak te beslissen ; of met andere woorden, Pitt deed in deze zaak het fransche omwentelingszuchtige beginsel van de oppermagt des volks gelden . Hij overwon met zijne bewering ; maar ge lukkig kwam de koning in februarij 1789 reeds weder tot het volle gebruik van zijne vermogens. Ook toen de fransche omwenteling Engeland in beweging bragt, wist Pitt den nadeeligen invloed der nieuwe beginselen van zijn volk af te kee ren , zonder daardoor, gelijk andere ministers en vorsten , als een vijand van de fransche revolutie voor te komen. Er was in Engeland eene kleine hevige partij, die de fransche revolutie met gejuich begroette. Deze kwam 170 Nieuwe Geschiedenis. [2 ten gevolge daarvan met grootere stoutheid op tegen het aristocratische bestanddeel in de engelsche staatsinrigting ; zij zond zelfs een adres van gelukwensching aan de staatsregelende nationale vergadering te Parijs, en trachtte het engelsche volk door democratische geschriften op te zetten. Pitt wist echter tot afwending van dit gevaar het regte middel te vinden. Hij stelde tegenover het geschreeuw naar verandering een ander voor het be houd, maar hij wachtte zich daarbij wel, om zelf als schreeuwer tegen de om wenteling op te komen , en zich eenige opentlijke verpligting te laten op leggen . Er was bij den hoogmoedigen en streng aristocratischen zin der Engelschen slechts eene kleine opwekking noodig, om zelfs zoodanige leden van het parlement , die geene vrienden van het ministerie waren , tot het hevigste schreeuwen en razen tegen de Franschen te bewegen. De ergste onder deze schreeuwers was Burke, die kort te voren tot de streng be houdende partij was overgegaan , en zich in het begin van het jaar 1790 voor het eerst en voor altijd onder de vlag van Pitt stelde. Burke werd toen de groote schreeuwer voor Oud- Engeland. Hij over schreeuwde elken koelbloedigen verdediger van het natuurregt met eene dikwijls aan dolheid grenzende hevigheid, die bij hem des te opmerkelijker is , omdat zijne redevoeringen zorgvuldig uitgewerkt en van buiten geleerd waren , derhalve geen uitstortingen van een plotseling en voorbijgaand ge voel bevatten (z . D. XVI. bl . 316 en D. XVII. bl. 49 vv. ). Burke was tot daartoe een geweldig ijveraar voor waarheid, vrijheid en regt geweest, doch hij ging op eens tot de tegenover gestelde rigting over, en raasde toen , gelijk alle afvalligen , tot aan zijnen dood met dezelfde hevigheid tegen alles , wat hij vroeger verdedigd had. Pitt verheugde zich, in eenen man, die toen juist op het toppunt van zijnen roem stond , een degelijk werktuig voor zijne staatkunde gevonden te hebben ; want Burke voerde hem niet slechts eene aanzienlijke versterking van parlementsleden toe, maar hij deed ook de vrienden van verbeteringen in Engeland verstommen, omdat hij den hoogmoed, de nationale ijdelheid en vooroordeelen van John Bull opwekte en allen, die van hervormingen spraken, als vrienden der Franschen , op roerlingen en goddeloozen afschilderde. Dit deed Burke niet slechts door schitterende redevoeringen in het parlement, maar ook door een bijzonder geschrift, dat hij in 1790 onder den titel „Beschouwingen over de fransche omwenteling ” uitgaf, en dat het evangelie van al de vijanden van den voor uitgang werd. In dit geschrift wordt de grootsche verheffing der Franschen ter herstelling der hun ontnomene vrijheden en regten als eene vloekwaar dige daad voorgesteld, en alle misdaden van het woeste gemeen , die bij de verscheuring der oude maatschappelijke banden niet te voorkomen waren , aan de edele mannen toegeschreven , die het geluk van een geslacht op offerden , om dat van alle toekomstige te kunnen grondvesten. Burke raast in zijn geschrift voor al het oude en bestaande op dezelfde wijze, als Marat, Camille Desmoulins en dergelijke mannen in hunne tijdschriften voor het nieuwe. Ook was het onmiddellijk gevolg, dat Burke door zijn boek poogde voort te brengen, geheel gelijk aan het doel,dat Marat en Desmoulins met hunne dagbladen op het oog hadden . Burke riep namelijk de europische regeringen op, om totbehoud vanhet gezag der grooten en geestelijken dezelfde middelen van geweld en verschrikking te bezigen , die volgensden wil der woedende volks leiders door het volk ter verdelging van het bestaande moesten gebezigd werden. De aanvallen en hoogdravende beschuldigingen in het geschrift van Engeland. Burke en de fransche omwenteling. 171 Burke hadden door de tegenoverstaande partij in Engeland zekerlijk on beantwoord kunnen blijven , maar Burke stelde daarin tevens eene geregelde · theorie van staatkunde voor, waartegen men noodzakelijk eene andere stellen moest, te meer daar die veel meer wezentlijke waarde bezat , dan die der fransche staatkundigen, van Bailly, Lafayette, Gregoire en anderen. Burke bewees namelijk op vernuftige wijze aan alle bevoorregten, dat hun voor oordeel wijsheid, dat hun hoogmoed standvastigheid was, en regtvaardigde door scherpe redenering de oogmerken en pogingen der aristocraten en regeringen van alle landen. Zulk eene leer kon slechts door het tegen over gestelde uiterste en door eene even buitensporige hevigheid met voor deel bestreden worden. Dit deed de als schrijver van de noord -amerikaan sche democratie beroemd geworden democraat Thomas Payne ( z. bl . 51 vv. ) door middel van een geschrift, dat den titel „Regten van den mensch ( rights of men )" droeg. Payne berispte in dit boek de engelsche staats regeling met dezelfde teugelloosheid , waarmede Burke die geprezen had. Hij tastte elke soort van aristocratie en monarchie als iets volstrekt ver derfelijks en onregtvaardigs aan , eischte de volkomenste verandering van alle bestaande inrigtingen , en schetste het stelsel van een geheel democra tisch staatswezen . De toon, waarin Payne schreef , is die bittere, scherpe en geweldige stijl, waardoor de volksvriend van Marat en de brieven van Junius zoo geducht geworden zijn . Ook heeft werkelijk het geschrift van Payne op een gedeelte der lagere klassen van het engelsche volk eenen even diepen en blijvenden indruk gemaakt, als het boek van Burke op de meerderheid der lieden van den hoogeren en middelstand. Beide mannen kunnen dan ook in zekeren zin als de aanvoerders der twee legers , die voor of tegen het nieuwe vochten, en hunne boeken als tuighuizen daarvan beschouwd worden . De voornaamste verdediger van vrije beginselen en gevoelens in het parlement, Fox , zou volgens zijnen aard niet in staat geweest zijn , de buitensporige aanvallen van Burke op vrijheid en natuurregt met die teugel looze hevigheid te beantwoorden, die in den strijd tegen blind vooroordeel en dweepzuchtige woede alleen tot uitkomst leidt. Hij was zoo ver ver wijderd van zulk eenen toon , dat hij niet slechts geloofde de vriendschap te kunnen onderhouden met eenen man, wiens gevoelens in scherpen strijd met de zijnen waren, maar dat hij ook zelfs zijnen vroegeren vriend tegen overdrijvingen waarschuwde, omdat die toch zijne eigene partij in Frankrijk en den ongelukkigen koning Lodewijk nadeel toebrengen zouden. Burke was hem daarvoor niets minder dan dankbaar. Hij brak veeleer in het parlement opentlijk met al zijne vroegere vrienden, bleef , toen Fox tranen stortte van aandoening, onbewogen , en wees elk vriendelijk woord , waar mede deze hem te bevredigen trachtte, van zich. Op dat tijdstip zwoer Burke derhalve opentlijk en plegtig elk vrijzinnig denkbeeld af, en ver klaarde zich voor den stelligsten verdediger der vooroordeelen en misbruiken. Daar hij sedert dit oogenblik zijne hevigheid ten top voerde, gaf hij den Franschen het voordeel, dat zij door zijne in het parlement gehoudene redevoeringen altijd vooruit vernamen , wat zij van de engelsche regering te verwachten hadden. Het streven van Burke, om eenen kruistogt der monarchale staten tegen de fransche omwenteling op te rokkenen , werd zeer begunstigd door de verandering, die toen juist in de betrekkingen van Engeland tot Prui 172 Nieuwe Geschiedenis. sen en Oostenrijk kwam. Pitt had, gelijk bekend is (z. bl. 22 vv., 29 en 152 vv .), van 1787 af op zeer listige wijze Pruisen gewonnen , om aan de eene zijde zonder belangrijke uitgaven grooten invloed in Holland en Belgie te verkrijgen, en aan de andere zijde de plannen van Rusland en Oostenrijk in Turkije te verijdelen . Maar na den dood van keizer Jo zef II kwam in Oostenrijk en Pruisen geheel hetzelfde staatkundige stelsel in eere ; en deze staten traden zoo wel onderling , als ook met Engeland en Rusland in eene gedurig naauwere betrekking, wier gemeenschappelijk doel de onderdrukking der fransche omwenteling was. Wij moeten onzen blik daarom eerst op de in de binnenlandsche staatkunde van Oostenrijk en Pruisen opgekomen verandering vestigen. Leopold II, de broeder en opvolger van Jozef II , bewees zich , in strijd met zijn vroeger gedrag in Toskanen ( z. D. XVI. bl. 241 ), van het begin af aan een voorstander van al het oude en verouderde. Hij ver leende terstond aan den door Jozef binnen enge grenzen beperkten kardi naal en aartsbisschop Migazzi ( z. D. XVI. bl. 228) zijnen ouden invloed weder. Hij vaardigde verder eene censuurverordening uit, die met het be ruchte religie - edict ( z. bl. 29) geheel overeen stemde; want zij hief wel de door Jozef verleende vrijheid van drukpers niet op, maar verbood elke het bestaande ongunstige beoordeeling der regeringsdaden en geestelijke be langen. Bovendien werd een zoo volledig stelsel van bespieding ingevoerd, dat de regering zelfs de vertrouwelijkste gezegden terstond vernam . Daar door kwamen vervolgens verspiedersen aanklagers in eere, en hoogleeraren en dagbladschrijvers werden speurhonden en lasteraars. Onder deze las teraars en vervolgers van alle verlichten onderscheidden zich vooral de voormalige jezuiten Hoffmann, Haschka en Hofstätter ( z. D. XVI. bl. 229 ) . Ten aanzien van de fransche omwenteling zocht men den keizer door het spook eener jacobijnsche propaganda te verschrikken en tot den oorlog te dringen. Geheel dezelfde terugwerking kwam in Pruisen tegen de staatkundige en godsdienstige beginselen op , waardoor Frederik Willem's voorganger, Frederik de groote , zich had laten besturen. Ook daar werden alle vrij zinnigen achteruit gezet en door stellige vrienden van den ouden tijd en zijne misbruikenvervangen. Graaf Herzberg , prins Hendrik en hertog Ferdinand van Brunswijk , die alle drie meer of minder franschgezind waren , moesten plaats maken voor Bischofswerder , Wöllner , Lucchesini en dergelijke lieden, en dezen bragten den koning vervolgens altijd meer terug. Zij bezielden hem tevens met eenen diepen haattegen al het fran sche, en bereidden daardoor den in het jaar 1792 uitbrekenden oorlog met Frankrijk voor . De kabinetten van Pruisen en Oostenrijk waren reeds tijdens de rei chenbacher overeenkomst (z . bl . 154) besloten , om de uit Frankrijk ver spreide denkbeelden in hunnen oorsprong zelven te verstikken. Het gelukte echter aan de in beide staten toon gevende aanhangers van het oude eerst na den dood van Leopold II, om werkelijk eenen oorlog tegen Frankrijk tot stand te brengen , omdat de bedachtzame Leopold daarvanafkeerig was. Terwijl Burke in Engeland , Wöllner en Bischoffswerder in Pruisen, Spielmann en anderen in Oostenrijk voor eenen monarchalen krijgstogt tegen de Franschen en hunne democratische beginselen ijverden, bevorderde ook koning Gustaaf III van Zweden het uitbreken van dezen oorlog. Zweden. Laatste 173 tijd van Gustaaf III. Gustaaf kwam , nadat hij door den rijksdag van 1789 een onbeperkt gezag verkregen had ( z. bl. 149 vv .), op het zonderlinge denkbeeld, om zich den franschen koning en de in hem verpersoonlijkte beginselen even zoo door eenen krijgstogt aan te trekken , als Gustaaf Adolfzich de protestantsche vorsten van Duitschland en hun geloof aangetrokken had. De schrandere keizerin Catharina versterkte hem , toen zij in 1790 den vrede van Werelä ( z . bl. 151 ) sloot , in dit avontuurlijk voornemen , dat zij als een middel beschouwde om hem bezig te houden. Gustaaf trad in briefwisseling met de broeders van den franschen koning, die met hem van vroeger naauw bevriend waren (z. D. XVI. bl . 255) , met de uitgewekenen en met den markies van Bouillé, was werkzaam in de maatregelen voor de vlugt van Lodewijk, en reisde in het voorjaar van 1791 naar Aken , om met de fran sche uitgewekenen te raadplegen. Hij geloofde werkelijk door de Voor zienigheid geroepen te zijn , om aan het hoofd van een "leger den koning van Frankrijk in zijn vroeger gezag te herstellen. Toen door het misluk ken der vlugt van Lodewijk XVI dit eerste plan verijdeld was , ontwierp Gustaaf terstond een tweede even dolzinnig plan. Hij wilde met het zweed sche leger en met eene russische afdeeling , die Catharina hem toezegde, op engelsche schepen naar den mond van de Seine stevenen, van daar naar Parijs doordringen en de fransche omwenteling overhoop werpen. De zweedsche grooten zagen deze dwaasheden van hunnen koning met dubbel misnoegen aan. Zij waren verbitterd, omdat Gustaaf niet alleen groote sommen verkwistte voor zijn onzinnig plan, maaromdat hij ookter wille daarvan zich en zijn rijk geheel in handen van de Russen stelde, en tevens de Turken en de Polen aan eene mogendheid opofferde, die reeds zoo veel van het zweedsche rijk aan zich getrokken had. Ook de andere standen werden om dezelfde redenen onverschillig en koel tegen den ko ning. In october 1791 liet Gustaaf zich nog daarenboven, omdoor russi schen waarborg tegen zijne eigene onderdanen beveiligd te zijn , tot een verbond met Rusland bewegen , waardoor Catharina hem geheel blijkbaar in eenen doolhof van verwarring zocht te leiden. Gustaaf en Catharina waar borgden bij dit verdrag elkander niet alleen hunne bezittingen , maar ook hunne regten, d. i. met andere woorden , Catharina stond den zweedschen koning toe, om zijne standen, als zij niet volvaardig geld bewilligen zouden, met russische bajonetten te bedreigen. Ja, zij nam hem zelfs werkelijk in soldij, want hij zou volgens dit verdrag acht jaren lang russische toelagen in geld ontvangen. De listige keizerin bood hem namelijkvoor den oorlog tegen Frankrijk eene belangrijke som als leening aan . Zij stelde daarbij echter de voorwaarde, dat de zweedsche standen de russische leening waar borgen moesten, waardoor Gustaaf genoodzaakt werd , weder eenen rijks dag bijeen te roepen . Hij beschreef dien tegen januarij 1792, doch niet te Stokholm , maar in de kleine stad Gefle, omdat hij hoopte, dat de stan den daar meer onder zijn bedwang zouden zijn. Hij bedroog zich echter in zijne verwachting , want al de vier standen des rijks waren tegen hem verbitterd , omdat hij in een oogenblik , dat wegens gebrek aan klinkende munt de billetten der rijksschuld van honderd tot zestig gedaald waren , aan het zweedsche volk drie nieuwe zware belastingen opleggen wilde. Gustaaf eischte namelijk van de standen , dat zijde kosten, in den laatsten oorlog gemaakt, zouden bezorgen , de nieuw bijgekomene schuld op zich nemen en door waarborging der door Rusland toegezegde leening aan de 174 Nieuwe Geschiedenis. regering de middelen tot eenen kruistogt tegen Frankrijk , of zoo als dit duister werd uitgedrukt, ter uitvoering van zekere plannen te verleenen . De rijksdag betoonde zich van het begin af zoo onhandelbaar, dat Gustaaf dien na vier weken ( 24 februarij 1792) reeds weder uiteen moest doen gaan. De ontbinding van den rijksdag had eene ontzettende gebeurtenis ten gevolge. Het gerucht verspreidde zich namelijk terstond daarna, dat Gus taaf de oude staatsregeling wilde omver werpen ; en dit gerucht , het mogt dan al of niet gegrond zijn, versterkte den adel in zijne meening , dat hij zich slechts door het vermoorden van den koning in het bezit van zijne ' oude voorregten zou kunnen handhaven. De zweedsche grooten bevon den zich, toen zij op deze wijze hunne toevlugt tot den moord namen , in denzelfden toestand, als de democraten van Frankrijk. Beiden konden, zoo lang hun koning leefde , hunne oogmerken niet bereiken en zich toch ook niet langs wettigen weg van hem ontslaan ; beiden besloten zij derhalve, hunne toevlugt tot eene misdaad te neinen . Overigens was het te Parijs, even als te Stokholm , slechts een klein aantal, dat hier in den voorgenomen moord des konings , daar in het geheime plan , om door middel van het gemeen de geregtelijke veroordeeling en onthoofding van den koning te bewerken, ingewijd was. Maar hier zoo wel als daar zagen de overigen de zaak bedaard aan en bevorderden die ongemerkt. In Zweden waren het zeven achtsten van den adel , waarvan men dit ronduit beweren kan. De voornaamste aanlegger van den moord was de twee en zeventigjarige generaal Pechlin. Zijne medepligtigen in de zamenzwering waren deels koelbloedige plannenmakers, deels zulke partijdige mannen , die zich door een vooroordeel , dat eenige verontschuldiging verdiende, over den aard der misdaad lieten misleiden. Ter uitvoering gebruikten de zamengezworenen drie jongere lieden ,den kapitein Ankarström en de graven Ribbing en Horn. Deze drie , waarvan de eerste den koning wegens eene aangedane beleediging vijandig was en derhalve geheel door persoonlijken haat be stuurd werd , verbonden zich onder eede tot het vermoorden van den ko ning , en beslisten bij loting, wie de uitvoering op zich zoude nemen. Het lot viel op Ankarström. Op den 17 maart 1792 werd de moord op eene groote hofmaskerade in Stokholm gepleegd. Ankarström doorschoot den koning met een pistool, waarop drie kogels geladen waren. Het schot was niet onmiddellijk doodelijk, want Gustaaf leefde nog veertien dagen , zoo dat hij voor zijnen minderjarigen zoon een regentschap benoemen kon . Zoo viel er voor den adel niet aan te denken , om zich den moord ten nutte te maken, te meer daar de drie overige standen en de burgerij van Stok holm zeer verbitterd waren. Gustaaf's broeder, hertog Karel van Sudermannland, werd voogd en regent. Hij gedroeg zich tegenover de voorname moordenaars zachter, dan men met burgerlijke misdadigers gewoon is te handelen. Hij liet het dood vonnis, dat over vijf zamengezworenen geveld was, slechts aan Ankarström voltrekken. De andere vier, Ribbing, Horn, de eerste luitenant van Lilje horn en de luitenant Ehrenswärd , moesten Zweden voor altijd verlaten. Het hoofd der geheele zannenzwering , Pechlin , werd met eenen anderen zamengezworene naar de vesting gebragt. 7. VOORBEREIDSELEN TOT DEN OMWENTELINGSOORLOG . Het is bij den beperkten omvang van dit werk niet mogelijk, den gang > Fransche omwenteling. - Verhouding tot Europa 1790-1792. 175 der geheime pogingen en kuiperijen na te gaan, waardoor de regeringen van Oostenrijk en Pruisen gedurende twee jaren tot eenen kruistogt tegen de fransche omwenteling aangezet werden. De fransche uitgewekenen, de graaf van Artois en zijn gevolmagtigde, de bekende Calonne, koning Lodewijk XVI zelf en zijn agent, de baron van Breteuil, en ook graaf Stephanus van Durfort als gevolinagtigde van koningin Maria Antoinette, en daar nevens de uit duisterlingen en bijzitten bestaande kring, die den pruisischen koning omringde , speelden de hoofdrol bij deze kuiperijen. Maar al hunne po gingen stuitten af op de koelbloedigheid van keizer Leopold, die de be slissing altijd weer wist uit te stellen , zoo wel als ор de nog koelere staat kunde van Engeland, dat slechts aan eigen voordeel dacht, en derhalve in eenen strijd over beginselen onzijdig wilde blijven. Leopold had trouwens bij zijne krooning beloofd, dat hij zich de duitsche vorsten zou aantrekken , die op franschen boden goederen bezaten en door het beroemde besluit van 4 tot 5 augustus 1789 daar van al hunne leenregten beroofd waren (z. bl . 118 en 128 ). Hij had daarom wel sedert december 1790 tot de Franschen in den naam van het duitsche rijk dreigende vertoogen gerigt , maar hij was niet te bewegen tot eene dadelijke ondersteuning der benadeelde rijks stenden. Overigens hadden de Franschen aan de laatstgenoemden eene geldelijke schadeloosstelling aangeboden, doch slechts enkele vorsten waren verstandig genoeg geweest, die aan te nemen ; de anderen snoefden , op de hulp, die de keizeren het rijk hun zouden verleenen. Zelfs de pruisische koning had nog in de eerste maanden van het jaar 1791 geweifeld, of hij niet naar den raad van Herzberg de aangroeijende magt van Rusland perken zoude stellen, door zich te neigen tot de fransche constitutionelen. Op het einde zegevierden trouwens bij het pruisische kabinet de vertoogen der uitgewekenen en der gevolmagtigden van het fransche hof over de verstandige staatkunde, en Herzberg zelf moest kort daarna zijn afscheid nemen. Daarentegen was en bleef het keizer Leopold even min ernst met eenen omwentelingsoorlog , als aan de russische keizerin . Hij stelde derhalve even als zij den ridderlijken koning van Zweden voorop, terwijl hij van hem, als borg van den westphaalschen vrede, hulp voor de duitsche vorsten vroeg. In mei 1791 liet Leopold zich weder tot eene uit Padua gedagteekende vijandige verklaring tegen Frankrijk bewegen , die echter alleen ijdele bedreigingen bevatte en daarom voor de zaak van Lo dewijk XVI zeer nadeelig werd. In dezelfde maand werd te Mantua tus schen den keizer , den graaf van Artois, den graaf Durfort en Calonne eene zamenkomst gehouden , wier uitwerksel het op den 6 julij te Padua geteekend omgaand vertoog van Leopold was. Ook deze door de uitge wekenen ingegeven verklaring was dreigend, maar Leopold dacht nog altijd niet aan de uitvoering der bedreigingen. Even zoo wachtte lord Elgin, dien het engelsche ministerie tot de bijeenkomst te Mantua afgezonden had, zich wel, om officieel deel te nemen aan de beraadslagingen, hoewel hij in naam van Pitt zijne goedkeuring hechtte aan alles , wat men tegen Frankrijk in het schild voerde. In Pruisen verkregen de duisterlingen na de verwijdering van Herz berg het gezag in handen, en men drong daar veel ijveriger aan op eenen oorlog met Frankrijk, dan in Oostenrijk . Hiervan maakte het listige oos tenrijksche kabinet gebruik, om Rusland tot het sluiten van vrede met Turkije te bewegen . Oostenrijk bewilligde namelijk op den 25 julij 1791 176 Nieuwe Geschiedenis. - in een voorloopig coalitie - verdrag met Pruisen , en beloofde daarbij zijne medewerking tot een congres , waarop een gemeenschappelijk besluit over de fransche aangelegenheden zou genomen worden. Toen echter dit con gres in augustus 1791 te Pillnitz gehouden werd (z. bl. 158) en op den 27 augustus werkelijk een tegen Frankrijk gerigt verbond tusschen Oosten rijk en Pruisen tot stand kwam , wist de listige baron Spielmann in de acte van verdrag voorbehoudingen en beperkingen te brengen , waardoor dan eerst een togttegen Frankrijk zou ondernomen worden , als men het met Rusland over Polen en Turkije eens geworden was. Daarentegen liet het oostenrijksche kabinet zich ook te Pillnitz tot eenen onbedachten stap medeslepen , die verderfelijk werd voor het fransche koningschap. Te Pill nitz waren namelijk ook degraaf van Artois, Calonne, Bouillé en andere dergelijke mannen ongenoodigd verschenen ; en dezen wisten te bewerken, dat aan het slot van een door Pruisen en Oostenrijk uit te vaardigen ma nifest eene dreigende en onware spreekwijze werd bijgevoegd , die eenen kort aanstaanden krijgstogt tegen Frankrijk aankondigde. Dit manifest benadeelde koning Lodewijk XVI en zijne zaak zeer ; want het werd door de fransche prinsen juist ophetzelfde oogenblik bekend gemaakt, dat Lo dewijk de nieuwe staatsregeling bezwoer, en de prinsen getuigden nog bo vendien in eene bijgevoegde afzonderlijke verklaring ronduit, dat de koning zelf, niettegenstaande zijnen eed, den aanval der uitgewekenen en der vijan den van Frankrijk op de staatsregeling ondersteunen zoude ( z. bl. 138 vv. ) . Overigens was het congres te Pillnitz eene opzettelijke misleiding van het publiek. Keizer Leopold verloochende namelijk kort hierop de daar vast gestelde bepalingen , en ook de engelsche ministers verklaarden in het par lement, dat zij niet wisten van eene overeenkomst te Pillnitz . Toen de uitgewekenen inzagen , dat Leopold volstrekt niet van zins was, om voor hen en hunne zaak te velde te trekken, keerden zij zich tot de russische en zweedsche regering. De eerste deed echter juist hetzelfde, als Leopold. Daarentegen was de koning van Zweden bereid, om voor het fransche koningschap het zwaard te trekken. Hij ontwierp zelfs met den markies van Bouillé een bepaald oorlogsplan . Hierop, werden niet alleen in Zweden toerustingen gemaakt, maar ook de fransche uitgeweke nen , wier hoofdzetels Coblentz , Worms en Ettenheim waren , bragten in de landen der keurvorsten van Keulen en Trier, en der bisschoppen van Straatsburg en Worms een geregeld leger op de been. De vermoording van Gustaaf maakte echter een einde aan geheel het ligtvaardige plan . Een enkele blik op den toestand van Frankrijk zal ons de werking doen inzien van de bedreigingen en toerustingen der uitgewekenen en der europische regeringen. In Frankrijk was het in 1792 reeds zoo ver geko men, dateene geheele omkeering van den geheelen staat van zaken volstrekt onvermijdelijk was, omdat daardoor alleen het nieuwe bevestigd en behou den kon worden . Doch tot het doorzetten van zulk eene algemeene omver werping waren slechts mannen in staat, die geene schaduw van schroom of schaamte bezaten en met krachtvolle stoutheid alle bedenkingen van ze delijkheid en regt ter zijde stelden . Zulke mannen waren noch de consti tutionelen, noch het zachter gestemde gedeelte der republikeinen , noch zelfs Robespierre en Marat, waarvan de eerste toen alleen door den laat ste iets vermogt, en deze alleen een man van woorden , niet van daden en geweld was. Alleen door woest geweld , daarom slechts door mannen , Fransche omwenteling. 177 Verhouding tot Europa 1790–1792. die het gemeen wisten te ontgloeijen en de vuisten elk oogenblik in werk zaamheid te brengen, kon het oude met wortel en tak uitgeroeid en aan het nieuwe eene vrije speelruimte verzekerd worden. Zulke mannen waren Desmoulins, Danton , Frèron , Hébert en hunne geestverwanten. Dezen verkregen derhalve in 1792 de heerschappij over Frankrijk . Naast hen bestuurden voorzeker ook , maar in ondergeschikte betrekking, Condorcet, Buzot, Gregoire en andere mannen, die het bezigen van het woest geweld alleen als middel tot het doel beschouwden en den stroom, welks dam zij vernield hadden , weder naar willekeur meenden te kunnen stuiten . Ein delijk werden trouwens de eenen zoo wel als de anderen het offer van Barras, Fouché, Merlin van Douay , Sièyes, Cambacères of, met andere woorden, van de koel bezadigde diplomatische revolutionairen, gelijk diplo maten gewoon zijn te oogsten , wat anderen gezaaid hebben . Deze loop der fransche omwenteling bevestigt de door de geschiedenis aller eeuwen gepredikte waarheid , dat het ééne uiterste slechts door het andere overwonnen en te niet gedaan wordt , en dat eindelijk koele be dachtzaamheid alleen de duurzame zege behaalt. Uit dit geschiedkundig beginsel, niet alleen uit laaghartige veilheid moet men dan ook de treurige ondervinding verklaren , dat later de meerderheid der woedende republi keinen zich als bekeerlingen onder de dwingelandij van Napoleon bogen. Marat en Robespierre werden trouwens nooit bekeerd; daarentegen veran derde zelfs Desmoulins van rigting, toen hij inzag, aan welke lieden hij door zijne soort van vrijheid het gezag in handen gespeeld had. Zelfs Danton werd het moede en kon zich daarom niet , dat hem anders mogelijk zoude ge weest zijn , staande houden . Deze mannen gingen uit het leven , zonder het bewustzijn van eene andere verdienste hebben , dan dat zij door mis daden de oude misbruiken ter gunste van een nieuw geslacht voor altijd vernietigd hadden. XVII. GESCHIEDENIS DER FRANSCHE OMWENTELING EN VAN DEN DAARTEGEN ONDERNOMEN OORLOG VAN ZIJNEN AANVANG TOT AAN DEN STAATSSTREEK VAN DEN 18 FRUCTIDOR 1797. 1. LOOP DER FRANSCHE OMWENTELING VAN HET VOORJAAR VAN 1792 TOT AAN DE OMVER WERPING VAN HET KONINGSCHAP. De reeds lang dreigende oorlog tusschen Frankrijk en de twee groote duitsche mogendheden werd onvermijdelijk, toen keizer Leopold II op den 1 maart 1792 stierf, en de jacobijnen te gelijker tijd het gezag der regering in handen kregen. Frans II, de zoon en opvolger van Leopold, was name lijk veel te jong en onzelfstandig, om zich niet door de plannen der absolu tisten te laten medeslepen ; en de jacobijnsche ministers , inzonderheid Dumourier, zouden reeds door den barschen toon, dien zij tegen de vreemde kabinetten aannamen , het uitbreken van den oorlog veroorzaakt hebben , al hadde ook het woeste deel hunner partij het geheele volk niet in de he vigste verbittering gebragt. Frans II bezat goeden wil, en bewees in het begin eenen zuiver prac XVII. 12 178 Nieuwe Geschiedenis. 9 tischen zin, maar hij was door zijne opvoeders, graaf Frans van Colloredo, den baron van Schliesnig en den voormaligen jezuit Diesbach, aan bezig heden gewend, die niet geschikt waren, om zijnen zwakken geest voor de leiding der regering bekwaam te maken. Zijne tweede gemalin, eene dochter van den woesten Ferdinand IV en der wreede Maria Carolina van Napels (z. D. XVI. bl. 153) , had even zeer slechts zin voor het klein geestige. Zoo wel dat , wat men van de bezigheden en vermaken van het vorstelijke paar verhaalde , als ook de wijze, waarop het kabinet kort na de aanvaarding der regering door Frans II zamen gesteld werd, wekte geene hoogę gedachten van de vorstendeugden des nieuwen gebieders. De oude staatskanselier Kaunitz onttrok zich geheel aan de zaken , de vice kanselier Philips Cobenzl en de baron Spielmann werden niet lang daarna ter zijde geschoven, en de leiding der regering aangeheel andere mannen opgedragen. Eerst nam de nieuwe keizer graaf Colloredo en den baron van Schliesnig in zijn kabinet op , waarvan de een zoo min als de ander in staat was , het vermolmde schip van den oostenrijkschen staat onder de grootste stormen , die Europa ooit geschokt hebben, te besturen . Van deze twee mannen, die men te Weenen de twee keizers noemde, werd kort daarna de een verdrongen, en de ander werd het werktuig eener cama rilla, die voortaan aan het oostenrijksche hof heerschte. Deze camarilla, stelde reeds een jaar na des keizers komst tot den troon den baron van Thugut aan het hoofd der zaken , die hij met de geslepenheid van eenen in de listen van de turksche harems volleerden hoveling bestuurde. Men roemt zijnen aanleg , bekwaamheden , kennis , gevatheid en buigzaamheid, maar hij achtte regtschapenheid eenen diplomaat onwaardig. Thugut was zijne diplomatische loopbaan als gezant te Konstantinopel begonnen en bij de vredesonderhandelingen van Fokschan (2. D. XVI. bl. 297 ) had hij gezorgd, dat hij zelf en zijne regering van de Turken groote sommenontvingen voor eene hulp , die wel beloofd , maar nooit verleend was. Later had Thugut bij de onderhandelingen , die over de opvolging in Beijeren ge voerd werden, vergeefs getracht, zijne kleine kunstgrepen tegen mannen als Frederik den groote en Herzberg te gebruiken. Hierna was hij eenigentijd gezant geweest aan het hof der beruchte Maria Carolina van Napels. Zijne regering had hem vervolgens naar de Donau-vorstendommen gezonden, waar hij onder Russen en Grieken gelegenheid vond , om zich nog verder op oostersche wijze als diplomaat te vormen . Eindelijk had hij zich te Parijs tot bezigheden laten gebruiken , waarvoor de eigentlijke gezant des keizers zich waarschijnlijk schaamde. Nadat hij ook daar weder veel geld verdiend had , werd hij in 1793 naar Weenen geroepen , om de buiten landsche zaken te besturen. Het nieuwe oostenrijksche kabinet was den franschen uitgewekenen en hunne zaak toegedaan. Het begon derhalve niet alleen terstond met het pruisische hof over hunne ondersteuning te onderhandelen , maar op den 5 april 1792 gaf zelfs Philips Cobenzl, die toen nog vice -kanselier was, door eene den franschen gezant overgegevene nota aanleiding tot het uit breken van den oorlog. Cobenzl eischte in deze nota stout weg , dat Frankrijk het aan den paus ontnomen graafschap Avignon terug geven, en de duitsche vorsten , die in den Elzas en Lotharingen goederen beza ten , in hunne oude leenregten herstellen zoude. Ja , hij verklaarde zelfs, dat de fransche monarchie niet anders, dan op den grondslag der konink > Frankrijk. Begin van den omwentelingsoorlog. 179 lijke zitting van den 23 junij 1789 (z. bl . 111 ) ingerigt mogt worden. Toen dit antwoord te Parijs gekomen was , drong Dumourier op den 20 april bij de wetgevende vergadering aan , dat de oorlog verklaard zou worden. Zijn voorstel werd nog in den avond van denzelfden dag aange nomen , en op den volgenden gaf ook de koning zijne bekrachtiging. Toen den Oostenrijkers de oorlog verklaard was , beloofde Pruisen hun zijnehulp. Beide staten waren toen echter nog niet ten oorlog toe gerust. Zij konden derhalve ook geen voordeel trekken uit de dubbele omstandigheid, dat in Frankrijk teugelloosheid en verwarring heerschten, en dat de oude generaals uitgeweken en door menschen zonder ondervin ding vervangen waren. Ook het duitsche rijk werd tot deelneming aan den oorlog uitgenoodigd; maar dit hesloot alleen tot eenen verdedigenden oorlog. In Oostenrijken Pruisen ging door vele beraadslagingen en door de langzaamheid, waarmede men de noodige troepen bijeen bragt, de beste tijd verloren. In Pruisen , waar koning Frederik Willem II , hertog Fer dinand van Brunswijk en de markies van Bouillé drie verschillende oor logsplannen ontworpen hadden , benadeelde men zich nog daarenboven door staat zoo verderfelijk geworden vooroordeel , dat het pruisische leger onoverwinnelijk was. Men koesterde de vaste overtuiging, dat de Franschen even zoo gemakkelijk op de vlugt gejaagd konden worden , als eenige jaren vroeger de Hollanders (z. bl. 29). De generaal - majoor van Bischofswerder zeide tot de officieren van den algemeenen staf: „ Koopt toch niet te veel paarden ; de zaak zal niet lang duren. De vrijheidsnevel trekt te Parijs reeds op ; het leger der advocaten zal spoedig in Belgie vernield worden, en tegen den herfst zijn wij weder te huis ?” Ook de tot opperbevelhebber van het pruisische leger benoemde Ferdinand van Bruns wijk riep den officieren op de parade het trotsche woord toe : „Mijne hee ren! niet te veel bagaadje en onkosten! Alles is slechts eene militaire wan deling.” Ten gevolge dezer inzigten en van de langzaamheid , waarmede men alles vooral in Oostenrijk gewoon was te behandelen, vertraagde het begin van den oorleg tot in julij. Daardoor verkregen de krachtvolle man nen, die in Frankrijk, ten spijt van de vreeselijkste wanorde, eene nieuwe orde van zaken zochten te stichten , den noodigen tijd om hunne maatre gelen te nemen. Deze mannen wisten hun levendig volk spoedig in eene krijgszuchtige stemming te brengen. Zij maakten zelfs van den schijnbaar zoo gevaarlij ken staat van zaken gebruik, om de geheele oude inrigting zoo veel te gemakkelijker overhoop te kunnen werpen. Zij ontstaken in denzelfden tijd, dat het duitsche rijk op den 11 julij zijne laatste keizerskrooning hield, of met andere woorden , voor de laatste maal eene bloot uiterlijke, voor het duitsche volk geheel onverschillige feestpraal vierde, in het fransche volk, dat thans noch door rang en stand, noch door rijkdom verdeeld was, door middel der dagbladen , clubs en gemeentebesturen eene nationale en vaderlandsche geestdrift. Zij drongen de tegen koningschap, adel en pries terschap vijandig gezinde nationale vergadering tot afdoende republikein sche besluiten, waartoe zelfs andersdenkende afgevaardigden uit vrees, van het offer der volkswoede te worden , moesten medewerken . Op den 30 maart 1792 bewerkten , de beide afgevaardigden Quinette en Bazire reeds, dat de nationale vergadering al de eigendommen der uit gewekenen voor staatseigendom verklaarde. In april werden de geestelijke 12 180 Nieuwe Geschiedenis. en wereldsche orden opgeheven en elke geestelijke kleeding verboden. Terstond daarna gaf men voor negen honderd millioen assignaten uit, hoc wel de oude reeds tot het derde gedeelte hunner waarde gedaald waren . Eene maand vroeger had men reeds op voorstel van Collot d'Herbois zeven en tachtig moordenaars, die in den vorigen herfst te Avignon gewoed had den ( z, bl. 139 ) , over hunnen goeden burgerzin geprezen en aan de wettige straf onttrokken. Even zoo werd in april op voorstel van denzelfden man het vonnis , dat twee jaren vroeger over een oproerig regiment Zwitsers geveld was, vernietigd en de tot galeistraf veroordeelde soldaten niet alleen begenadigd , maar ook door de nationale vergadering in bare zitting cer vol ontvangen. De wetgevende magt verklaarde derhalve zelve, omdat ter vestiging van een nieuw regt geweld en misdaad voor eenigen tijd noodig schenen , regt en zedelijkheid in zekeren zin voor geschorst, terwijl tevens in dagbladen, clubs en volksvergaderingen de leer verkondigd werd , dat in eene omwenteling en tot het welzijn van volgende geslachten misdaad deugd, en schande eer vermogt en moest zijn. Diezelfde nationale vergadering besloot trouwens ook in het begin van mei eene aanklagt tegen Marat, toen hij in zijn blad de soldaten aanzette tot het vermoorden hunner ge neraals ; maar wat baatte dit ? Danton wist door zijnen invloed den dollen woestaard aan de regtbanken te onttrekken. Al die misdadige besluiten, waardoor het fransche volk steeds verder op de baan der omwenteling vooruit gedrongen moest worden, waren, ge lijk reeds de namen der vermelde afgevaardigden bewijzen , niet plotseling en toevallig opgekomen , maar door de leiders der nationale vergadering en des volks opzettelijk opgeworpen . Hun 'kwam daarbij de geestdrift der vrijheid te baat, die het fransche volk beneveld had en toen , .even als op andere tijden de godsdienstige geestdrijverij, geheel buitengewone ver schijnselen in het leven riep. Zelfs mannen van vreedzamen , vromen en regtschapen zin , zoo als Gregoire was, deelden deze geestdrift en lieten zich door haar tot daden wegslepen, die men slechts van eenen Marat zou verwacht hebben . Gregoire hield in maart 1792 aan het graf van eenen door het gemeen vermoorden man eene aanspraak , waarin hij onder an deren zeide : Vroeger heeft men hooggeplaatste lediggangers en ge kroonde roovers geprezen ; maar nu prijst men den oorlog der vrijheid en gelijkheid tegen de bevoorregten , en met regt klinkt de roepstem : Oorlog den dwingelanden, vrede den volken ! Men moet die monsters verpletteren en den schepter der heerschers op hunne hoofden verbreken . Ach! hoe gaarne zou ik mijn hoofd op het blok leggen , als naast mij het hoofd van den laatsten tiran viel ! ” Andere mannen van doorzigt en beschaving, zoo als Petion , Manuel , Brissot en Condorcet, sloegen zelfs bewust en op zettelijk denzelfden weg in . Daar zij namelijk begrepen, dat het koning schap niet door wettige middelen , maar alleen door het woest geweld des gemeens omver geworpen kon worden, sloten zij zich aan bij Marat, Dan ton en andere aanstokers van woeste gruwelen . Zij bewerkten in vereeni ging met hen die ontzettende tooneelen, waardoor in den zomer van 1792 godsdienst en koningschap van hun overoud aanzien beroofd werden. De eerste storm trof de geestelijkheid . Op den 25 mei werd door de nationale vergadering besloten, dat elk eedweigerend priester verbannen zou worden, zoo dra twintig lieden uit zijne plaats dit verlangden. Later trachtte men de lijfwacht des konings, die ver boven het bij de wet voor Fransche omwenteling in den zomer van 1792. 181 geschreven aantal vermeerderd en van alle burgerlijke bestanddeelen ge zuiverd was , geheel op zijde te schuiven en den vorst alzoo de hem vol gens de wet toekomende bescherming te ontnemen. Nadat namelijk het ge rucht van eene nieuwe vlugt des konings, die met hulp der garde uitge voerd zou worden , verspreid was , bragten het eerst de afgevaardigden Chabot en Bazire door eene rede over eene tegenomwenteling, die reeds genaakte , de nationale vergadering en het parijsche volk in angst en ont roering. Vervolgens bewoog men op den 28 mei de nationale vergadering niet alleen, dat zij hare zitting permanent verklaarde, maar ook aan alle bestu ren in het rijk bevel gaf , om voortdurend vereenigd te blijven, ten einde, zoo het heette, elk oogenblik de noodige maatregelen te kunnen nemen. Ein lijk werd op den 30 mei op voorstel van Bazire tot ontbinding der lijf wacht door de nationale vergadering besloten. Nalat dit geschied was, ging men weder eene schrede verder. Men vormde namelijk een eigen leger, om daardoor de parijsche nationale garde, die nu alleen nog te vreezen was, in bedwang te houden, en eenen storm op de Tuilerien te kunnen ondernemen. Deaanleiding daartoe ging zelfs van een lid der regering zelve uit, van den minister van oorlog Servan . Deze deed op den 8 junij in de nationale vergadering het voorstel, om tegen de aanstaande viering van den 14 julij twintig duizend nationale garden, vijf uit elk kanton, naar Parijs te roepen , hier in een leger te vereenigen, en vervolgens als linietroepen tegen den buitenlandschen vijand uit te zenden . Daar de keuze dezer troepen of, zoo als men die noemde, der gefoedereerden allerwegen van de clubs afhing, lag het eigentlijke doel, dat men met de zaak had , duidelijk voor oogen . De constitutioneel -ge zinde leden der vergadering bestreden dan ook het voorstel van Servan met den meesten nadruk, maar de republikeinen hielpen zich door eene lage kunstgreep. Zij rekten de beraadslaging tot laat in den nacht, brag ten het voorstel eerst, toen de meeste tegenstanders zich verwijderd had den, in stemming, en drongen zoo de aanneming door. Het door de nationale vergadering genomen besluit behoefde volgens de staatsregeling de goedkeuring des konings. De ministers, die hem in nieuwe moeijelijkheden wikkelen wilden , legden hem te gelijk het besluit over de uitbanning der weerspannige priesters voor ; want zij wisten zeer goed , dat hij geen van beiden bekrachtigen zou. Toen de koning zijn veto uitgesproken had, schreef mevrouw Roland in haren republikeinschen ijver eenen hoogst beleedigenden brief aan den koning.. Dit schrijven ee ner geestrijke dweepster, die de zaak geheel vrouwelijk en persoonlijk be schouwde, zonden de ministers onbegrijpelijk genoeg met hunne ondertee kening aan den koning , en toen die geen antwoord gaf, lazen zij hem dien zelfs in den ministerraad voor. Zij deelden bovendien het schrijven ook aan de nationale vergadering mede , en deze liet eenen afdruk naar alle departementen zenden. In spijt van al deze beleedigingen weigerde de koning standvastig zijne goedkeuring aan beide besluiten. Daardoor zagen zich de ministers in het midden van junij tot aftreden verpligt. Slechts twee hunner, Duranton en Lacoste, bleven in hunne betrekkingen. Zij vormden vervolgens met drie constitutionelen een nieuw ministerie. Dit kon zich echter slechts tot den 9 julij staande houden. Van de afge treden ministers had Dumourier, die altijd slechts op kromme wegen ging, ook bij deze gelegenheid voortreffelijk voor zich zelven gezorgd. Hij had 182 Nieuwe Geschiedenis. eene betrekking aangeknoopt met de woedendste jacobijnen , en voor zich door hen een opper bevel bij het leger verkregen. Tegen den koning en zijn nieuw ministerie hitste men de lagere volks klassen tot een oproer aan , dat op den 20 junij uitbarstte. Onder het voorwendsel namelijk van het jaarfeest der zitting in de kaatsbaan ( z. bl. 110 v.) te vieren , werden in den morgen van dien dag tusschen de acht en tien duizend menschen van de wildste soort uit de voorsteden veree nigd. Een hunner voornaamste aanvoerders was Santerre, toen bataillons chef der nationale garde en naar zijnen stand eigenaar eener brouwerij; want werkelijk brouwer was hij even min , als de atheensche volksleider Cleon een looijer was (z. D. İ. bl . 282). De verzamelde volksmenigte, die eenige kanonnen medesleepte, trok eerst naar het gebouw der zittingen van de nationale vergadering . Zij drong de zaal binnen , trok door de zaal, en stroomde vervolgens naar de Tuilerien, om, gelijk het heette, van den koning de bekrachtiging der twee gemelde besluiten te verzoeken. De politie zou den woesten hoop met hulp der nationale garde gemakkelijk uiteen hebben kunnen drijven ; maar aan het hoofd daarvan stonden woedende jacobijnen , die tevens de voornaamste leden waren van het reeds lang op gerigte zoogenoemd comité van opstand. De maire Petion liet derhalve de nationale garde eerst bijeen komen , toen hij zag , dat het eigentlijke doel van den opstand gemist was. Ook de nationale vergadering speelde toen eene verdachte rol, want zij verdaagde zich , juist toen het gemeen naar het paleis trok, tot in den namiddag, en zond eerst tegen den avond eene deputatie naar de Tuilerien. Hier had de koning zelf , om bloedver gieten te voorkomen, de buitendeuren laten openen. De woeste hoop drong derhalve ongehinderd binnen en kwam tot in de kamer des konings, die vooraf gezorgd had, dat zijne familie zich verborg. De koning werd door de menigte in een raamkozijn gedrongen , en verdroeg daar met den hem eigenen lijdelijken moed twee uren lang de drukkendste hitte en de ruwe onbeschoftheden van een gepeupel, dat zelfs zijn leven bedreigde. Aan zijne zijde bevonden zich eenige getrouwe nationale garden , zijne zuster Elizabeth, wier echt christelijke zin ook bij de ruwste menschen achting wekte , en de oude maarschalk Mouchy. Een uit welgezeten burgers be staand bataillon der nationale garde, dat haastig bijeen gekomen was, be schermde de koningin en hare kinderen , toen de woedende menigte ook in hunne kamer binnen drong. De door het gemeen op aanstoken der repu blikeinen geëischte bekrachtiging der besluiten weigerde Lodewijk wel met onwankelbare standvastigheid , maar daarentegen liet hij toe, dat het over oude fransche koningschap in het slijk gesleurd werd. Hij zette namelijk het hem opgedrongen kenteeken der galeiboeven , de roode muts , op , en dronk uit eene bierflesch, die een onbeschaamde kerel hem toereikte. Eerst ten zes ure verscheen Petion met de nationale garde. Hij noodigde de menigte uit om af te trekken , en deze verliet hierop het paleis. De onderneming van den 20 junij hadde ligtelijk ten verderve der aan leggers kunnen uitloopen. Al debeschaafde Franschen waren over deden koning aangedane beleediging verbitterd; de meeste departementale raden spraken luide hun misnoegen uit ; schriftelijke klagten inet duizende onder teekeningen kwamen bij de nationale vergadering in , en het departemen taal bestuur van Parijs schorste op den 6 julij Petion en Manuel'in hunne betrekkingen , omdat zij op dien dag hunnen pligt verzuimd hadden. Van Fransche omwenteling. De 20 junij 1792. 183 dit oogenblik had Lafayette , die in de plaats van Rochambeau het bevel over het noorder- leger bekomen had, kunnen en behooren gebruik te maken, om door snelle berauenheid den koning en de staatsregeling te redden ; maar hij was daarvoor de man niet. Hij had vroeger den koning aangemoedigd, om van zijn veto gebruik te maken , en op den 16 junij eenen stouten brief aan de nationale vergadering geschreven, die groot misnoegen tegen hem opwekte. Op het berigt van hetgene op den 20 junij gebeurd was, snelde hij op den 28 naar Parijs. Hier begaf hij zich eerst naar de na tionale vergadering en eischte onder groote verwijtingen de bestraffing van het gebeurde en de vernietiging der jacobijnen. Hij bewerkte echter daardoor niets anders , dan dat cen groot gedeelte der vergadering ten hevigste tegen hem verbitterd werd ; slechts met moeite kon een voorstel, om hem voor de regtbank te roepen , afgewezen worden. Lafayette begaf zich hierop tot denkoning, en raadde hem , dat hij zich en de zijnen door hem naar Normandie zou laten brengen, waar de constitutionele partij de meerderheid bezat. Lafayette werd echter door de koningin te zeer ge haat, dan dat zij zich op hem hadde willen verlaten. Nu eerst, daags na zijne aankomst te Parijs, wendde hij zich tot de nationale garde. Deze had er den vorigen dag vast op gerekend, dat Lafayette haar tegen de jacobijnen zou aanvoeren ; doch toen hij niet bij haar verscheen, maar den besten tijd met redeneren en onderhandelen verspilde, had zij het vertrou wen op hem verloren. Zij verscheen derhalve den volgenden dag slechts in geringen getale , en Lafayette moest onverrigter zake naar het leger terug keeren. De gebeurtenissen en besluiten, die op den 20 junij volgden, bespoe digden de ontbinding der monarchie. Reeds op den 2 julij stelde de na tionale vergadering door het afschaffen van den algemeenen staf der natio nale vergadering in al de groote steden , en door de piekeniers tot eene hoofdsoort van troepen te maken, de volksleiders in staat , om der monarchie in de volgende maand den doodsteek te geven. Op den 7 julij kwam het in de nationale vergadering tot een dier tooneelmatige vertooningen , die in de geschiedenis van het ligt bewogen fransche volk zoo dikwijls voor komen , maar op den loop der zaken zelven niet den geringsten invloed ocfenen . De afgevaardigde Lamourette, bisschop van Lyon, vermaande op dien dag de leden der nationale vergadering tot eendragt, en bragt hen door zijne hartstogtelijke woorden zoo in ontroering, dat allen elkander onder het gejuich der gallerijen omarmden en zwoeren, alle partijschap op te geven. Men noemt deze verzoening den vredekus van Lamourette. Zij was natuurlijk slechts kort van duur. Reeds op den volgenden dag gaven eenige verzoekschriften , waarin de opheffing der tegen Petion en Manuel uitgesproken schorsing geëischt werd, nieuwe aanleiding tot tweedragt. Op den 9 julij zagen zich de ministers door de hevige wijze, waarop zij en de koning in de nationale vergadering aangevallen werden, genoodzaakt af te treden . Hunnen opvolgers werd terstond alle gezag verlamd, door dien men van den oorlog met het buitenland gebruik maakte, om de nationale vergadering op den 11 julij tot een besluit te brengen, waarbij het vader land in gevaar verklaard en een nieuwe algemeene opstand werd voorbe reid . Dit besluit plaatste namelijk het geheele rijk in eenen kunstmatig opgewekten revolutionairen toestand, dien men de crisis noemde ; want daar door werden al de burgers onder de wapenen geroepen , de nationale ver > 184 Nieuwe Geschiedenis. gadering en de gemeentebesturen permanent verklaard en de geheele re gering aan de laatstgenoemden opgedragen . Een der onmiddellijke gevolgen van dit besluit was de herstelling van Petion en Manuel. Maar de voor name uitwerking bestond daarin , dat alle vreedzame burgers onder toezigt gesteld, en onder het dagelijksch alarm der zoogenoemde geconfoedereerden, die allen mannen der verschrikking waren, in angst gehouden werden. 2. DE FRANSCHE OMWENTELING IN HET LAATSTE TIJDPERK DER WET GEVENDE NATIONALE VERGADERING . Sedert het midden van den zomer van 1792 doorzagen de mannen , die de kern van de Gironde uitmaakten , als Brissot, Guadet en Vergniaud, waarheen Robespierre, Marat, Danton, Camille Desmoulins en hunne partij de zaken brengen wilden. Zij naderden derhalve den koning weder, maar toen deze de voorwaarden , waarop zij hem redden wilden , niet aannam, gedroegen zij zich eenigen tijd lijdelijk , en lieten de plaats open voor de genoemde woedende republikeinen en eenige heethoofden uit hun eigen midden , die dan in augustus den doodsteek gaven aan het koningschap. Van de daartoe medewerkende girondisten vermelden wij met name Ma nuel , Barbaroux , Buzot , Petion , die alle vier binnen zes maanden bitter berouw hadden van hunne deelname aan de geheele vernietiging der mo narchie. Tot den laatsten slag , die op den 10 augustus volgde, gaf de inval der Oostenrijkers en Pruisen in Frankrijk , en een manifest van hunnen opperbevelhebber, hertog Ferdinand van Brunswijk, een voorwendsel , maar niet waarschijnlijk de eigentlijke aanleiding. Dit manifest bevatte namelijk de gruwelijkste bedreigingen tegen de in Frankrijk gezag voerende mannen en hunne denkbeelden van de regten des volks. Eigentlijk was dit het werk der partij van den wraak ademenden graaf van Artois en zijnen ge lijk gezinden vriend Calonne, die beweerden, dat het leven des konings alleen gered kon worden door de bedreiging der verschrikkelijkste straffen. Dit manifest kwam juist te Parijs op het oogenblik , dat de cordeliers , de jacobijnen en de hevigste girondisten het onderling daarin eens geworden waren, dat er geen ander middel ter behoudenis van de nationale eer be stond, dan de oprigting eener republiek. De in het manifest gedane be dreigingen konden derhalve alleen dienen, om de bedoelingen der republi keinen spoediger te verwezentlijken. De indruk , dien dit manifest maakte, of veeleer het opzien , dat het wekte, is welligt overdreven geworden , en daarom door anderen geheel geloochend. Maar het is daarom niet minder zeker, dat de girondisten het manifest op eene zeer behendige wijze bezigden, om het parijsche volk tot eenen nieuwen opstand te drijven, wiens einddoel de gevangenneming of vermoording des konings en de uitroeping der republiek was. Zij lieten echter den loop van hetgene gebeuren moest ditmaal niet , zoo als op den 20 junij, aan het toeval over, maar ontwierpen een bepaald plan en maakten behoorlijke toebereidselen. Daarbij waren vooral twee begaafde advocaten werkzaam , die door waarachtige geestdrift bestuurd werden , Camille Desmoulins van Parijs en Barbaroux van Marseille. De eerste bragt door zijne aanspraken de stad Parijs in opschudding. De tweede liet uit het zuiden des rijks zes honderd wanhopig verwoede menschen komen , die men de Marseillanen Fransche omwenteling. De 185 10 augustus 1792. noemde, omdat zij vooral te Marseille uit het schuim der zeesteden van Afrika en het oosten gekozen waren. Behalve deze beide advocaten waren inzonderheid Chabot, Bazire en Danton werkzaam , om de heffe des volks te Parijs op te ruijen. Zij werden daarin door schrijvers van vlugschriften, als Marat en Fréron, zoo wel als door eene opzettelijk tot dit oogmerk benoemde commissie krachtig ondersteund. Petion, de maire van Parijs,die de orde hadde moeten handhaven, gedroeg zich lijdelijk ; zijn procureur, Manuel, liet zich door Danton tot alles gebruiken . Terwijl men het gemeen op hitste , werd tevens gezorgd , om een gedeelte der troepen uit Parijs te verwijderen, en dat de nationale vergadering, die men met verzoekschriften om de afzetting des konings bestormen liet, de vergaderingen der acht en veertig sectien van Parijs permanent verklaarde. Tot aanvoerder des volks bij den aanval op de Tuilerien was Santerre gekozen ; maar daar hij geen gediend officier was en te veel natuurlijke goedhartigheid bezat, stelde men ħem den voormaligen sergeant Westermann ter zijde, die zich later als generaal roem verwierf. Aan het hoofd der Marseillanen en van de voor stad St. Marceau werd de afschuwelijke Fournier gesteld , die vroeger sla venhouder in West - Indie geweest was en daarvan den bijnaam van den amerikaan droeg. Nadat alles tot den strijd , die op den 10 augustus losbarsten moest, was voorbereid, werd op den vorigen avond in alle acht en veertig sectien besloten, dat het oppermagtige volk het geheele gezag van regering en wet geving terug nam . Tevens werd een comité benoemd, dat als plaatsver vanger van het volk dit gezag zou uitoefenen. Vervolgens werd te midder nacht door een kanonschot het teeken gegeven , en nu stelde zich het ge meen der hoofdstad in beweging. Het eerste, dat geschiedlde, was het uiteen jagen . van den stedelijken raad ; want daar de eigentlijke nationale garde bereid was om den koning te beschermen, hadde de stedelijke raad gemakkelijk de geheele onderneming in de geboorte kunnen verstikken. Een hoop menschen , die zich gevolmagtigden van het souvereine volk noemden, drong het stadhuis binnen, schorste den stedelijken raad en be noemde eenen nieuwe. Onder hen , die ook in den nieuwen raad hunne betrekking behielden, waren Petion en Manuel, een bewijs, dat alles vooruit vast gesteld was. De eerste liet zich terstond daarop opzettelijk huisarrest geven , om niet verpligt te zijn, als maire in de Tuilerien te verschijnen. De Tuilerien en het plein daarvoor waren niet slechts door nagenoeg negen honderd zwitsersche lijfwachten , maar ook door achttien honderd nationale garden bezet , die uit burgers van vertrouwde wijken bestonden, en wier aanvoerder Mandat, een voormalig officier van de garde , getrouw en degelijk was. Maar men had het eensdeels uit overgroote voorzigtigheid niet gewaagd, om eenige compagnien der zwitsersche garde, die anderhalf uur van Parijs ingelegerd waren, te doen overkomen, en anderendeels hiel den vier honderd edellieden , die zich op het paleis bevonden en zelven noch behoorlijk gewapend, noch talrijk genoeg waren, den koning opzette lijk van de nationale garde verwijderd . Even min als deze edellieden konden de constitutionele koningsgezinden, die zich ook naar de Tuilerien begeven hadden , den koning iets baten , daar zij noch weerbaar , noch bij het volk bemind waren. Ook de gensdarmen , die men buiten het paleis geplaatst had , waren volstrekt niet te vertrouwen ; want zij bestonden uit soldaten der voormalige garde, die reeds in 1789 afvallig geworden was. 4 186 Nieuwe Geschiedenis. Voor dat men den aanval op de Tuilerien beginnen liet, moest de nieuwe stedelijke raad den bevelhebber der nationale garde , die zich door den maire schriftelijke volmagt had doen geven om geweld met geweld te keeren , voor zich ontbieden, om hem gevangen te nemen en door den daartoe gekozenen Santerre te vervangen . Mandat, die geen kwaad ver moedde, begaf zich op ontvangen bevel terstond naar het stadhuis. Hier werd hij, toen men hein naar de gevangenis bragt, door den schrikkelijk dollen jacobijn Rossignol, of althans op zijnen wenk, vermoord. Terwijl op zulke wijze de in het paleis aanwezige nationale garde van haren aanvoer der en met hem tevens van de volmagt om de wapenen te gebruiken be roofd werd, liet men daar den besten tijd nutteloos voorbij gaan. Eerst des morgens ten zes ure, nadat men van twee ure af beraadslaagd en overlegd had , nam de altijd wankelmoedige koning het besluit , om zich tot zijne verdedigers, die voor het paleis stonden , te begeven. Zijne houding en voorkomen boezemden echter even weinig, als de lieden, die hem omring den, vertrouwen en eerbied in. De nationale garden begonnen derhalve te wankelen, en daar de gensdarmen ronduit dienst weigerden, drong de volks menigte onophoudelijk den tuin en de vele hoven binnen, die toen de verblijf plaats des konings nog tot eene soort van burg maakten , doch nu sedert lang verdwenen zijn . Echter waagde de woelende menigte het niet, het binnenste van het paleis te bestormen, dat door de Zwitsers verdedigd werd. Het zou derhalve nog altijd mogelijk geweest zijn , om door middel der getrouwe Zwitsers en van het getrouwe gedeelte der nationale garde de hoopen van het gemeen terug te drijven , te meer daar de procureur-syn dicus van het parijsche departementaal bestuur, Röderer, die zich met zijne ambtgenooten naar de Tuilerien begaf , nog ten half acht in naam van dat bestuur eene afkondiging tegen den opstand uitvaardigde. Maar de schroom valligheid des konings en zijne onmannelijke bezorgdheid voor zijne familie bedierven alles . Dezelfde houding des konings was ook de oorzaak, dat Röderer hem ten negen ure den verderfelijksten raad gaf, dien men in de bestaande omstandigheden eenen vorst geven kon. Toen namelijk Röderer aan de eene zijde zag, dat een gedeelte der nationale garde uiteen ging, en aan de andere zijde de algeheele moedeloosheid des konings bespeurde, raadde hij hem , om in den schoot der nationale vergadering , derhalve bij zijne ergste vijanden, bescherming te zoeken. De raad was misschien goed gemeend ; maar hij werd later hem , die den raad gegeven had, als schan delijk verraad toegerekend, omdat voorzeker noch het volk, noch de natio nale vergadering het gewaagd zoude hebben, den koning zelven met openbaar geweld aan te tasten . Lodewijk keurde, gelijk zwakke menschen gewoon zijn, den raad goed , die hem voor het oogenblik uit de verlegen heid redde, zonder de mogelijke gevolgen van zulk eenen stap te bedenken. Hij begaf zich met zijne familie onder de bescherming der getrouwe na tionale garden naar het gebouw der zittingen van de nationale vergadering, die hare zittingen toen nog hield in de rijschool , wier ruimte thans door de Rue Rivoli ingenomen wordt. Het gemeen tastte hem onderweg niet aan, een geduchte schreeuwer droeg zelfs den dauphin op zijne armen door het gedrang. In de nationale vergadering wees nen de koninklijke familie eene loge gelijkvloers aan, die zoo bekrompen was, dat men zich daarin naau welijks keeren kon. Eerst na tien ure waagde de volksmenigte eenen geregelden aanval Fransche omwenteling. De 10 augustus 1792. 187 op het binnenste van het paleis. Deze gelukte wel; maar toen de Mar seillanen op den trap eenige soldaten van de zwitsersche lijfwacht vermoord hadden, begon de laatste vuur te geven , en nu stoof de geheele menigte uit cen . In een oogwenk waren al de hoven van het paleis en het daarvoor liggende plein ontruimd, en de Zwitsers rukten zelfs nog meer vooruit, waarbij velen der aanvallers gedood werden. Zelfs nu ware nog alles voor den koning te winnen geweest, te meer daar de buiten Parijs liggende af deeling Zwitsers reeds in aantogt was, en de getrouwe bataillons der na tionale garde zich bereid betoonden, om hulp te bieden . Maar ook in het laatste beslissende oogenblik stuitte alles weder af op de zwakheid des ko nings. De nationale vergadering verschrikte namelijk , toen zij zich be dreigd zag met het verlies der voordeelen, die zij verkregen had door den koning in hare magt te hebben : eenige afgevaardigden kwamen derhalve dreigend tot den koning en maakten hem zoo bevreesd , dat hij den Zwitsers bevelen liet , met schieten op te houden , en even als hij in de nationale vergadering bescherming te zoeken. Deze stap des konings gaf het volk de overwinning. Van nagenoeg honderd Zwitsers, die volgens het ko ninklijke bevel uit het paleis aftrok , ontkwam slechts een derde aan de woede des volks , en de andere Zwitsers werden grootendeels door de terug vloeijende menigte vermoord. Hetzelfde lot trof vele andere personen, die men den bestormers bepaaldelijk aanduidde. Maar ook eenige honderd der laatsten verloren hun leven door de kogels der Zwitsers. Het aantal der op den 10 augustus aan beide zijden gevallenen werd, hoewel zeker overdreven, op vijf duizend begroot. Van de negen honderd Zwitsers ver loren er zeven honderd en vijftig het leven. Toen het paleis in de magt van het volk was, werd het geplunderd en van binnen vernield. Zelfs dit geschiedde planmatig. Ook de stad gaf men toen ten prooi aan het ge peupel, en eenige dagen lang heerschten in alle straten roof, moord en verwarring De koning en de zijnen moesten niet minder dan zestien uren in het bekrompen kamertje doorbrengen , waar men hen opgesloten had. Nadat zij van hitte bijna gestikt waren , wees men hun en die hen vergezelden vier kamers in een naburig gebouw aan. Drie dagen achtereen werden zij telkens weder naar de nationale vergadering gebragt, en moesten aanhooren, hoe men over de vernietiging vanhet koningschap en de op zijne puin hoopen te stichten nieuwe instellingen beraadslaagde en besloot. De in deze drie dagen genomen besluiten waren door eene commissie , wier ver slaggever Condorcet was , reeds vóór het eindigen van den strijd in de Tuilerien voorgesteld. Ook konden zij, daar zij uit twaalf artikelen en zeven uitgedrukte beweegredenen bestonden, niet in haast ontworpen zijn . Hun wezentlijke inhoud was de schorsing van het koninklijke gezag en de bij eenroeping eener nieuwe staatsregelende nationale vergadering . Deze ver gadering, die men de nationale conventie noemde , moest eene op vrijheid . en gelijkheid rustende nieuwe staatsregeling ontwerpen , of met andere woor den , aan de republiek, die door zulk een besluit reeds aangekondigd was, den vorm van wettigheid geven . De verkiezing van bare leden werd in de handen der geringste burgerklassen en harer leiders gesteld ; want men bepaalde niet alleen bij de wet, dat elk franschman, die een en twin. tig jaren telde, kiesregt zou bezitten, en dat elk , die boven de vier en twintig jaren oud was, kiezer enafgevaardigde mogt zijn , maar men legde 188 Nieuwe Geschiedenis. ook elken kiezer voor elk uur afstands, dat hij tot de kiesvergadering afleggen moest, een franc toe en voor elken dag, dien hij daarvoor noodig had, drie francs. In de plaats der koninklijke regering werd intusschen een door de nationale vergadering benoemd ministerie aangesteld, dat onder op zigt van gecommitteerden der vergadering de zaken besturen zoude. De nieuwe ministers waren : Roland voor binnenlandsche zaken , Servan voor oorlog, Clavière voor geldmiddelen , Monge voor zeewezen , Lebrun voor buitenlandsche zaken en Danton voor justitie. Door den laatstgenoemde kwam de regering geheel in de magt der mannen van het schrikbewind; want Danton had niet slechts het staatszegel in handen , dat onder de be sluiten der nationale vergadering gesteld moest zijn , om ten uitvoer gelegd te kunnen worden , maar hij was ook de eigentlijke leider der pa rijsche gemeente, die sedert den 10 augustus Frankrijk regeerde. Voor de koninklijke familie was door de nationale vergadering eene woning in het paleis Luxemburg bestemd , waar zij, gelijk het heette, on der de bescherming der burgers en der wet staan zoude. Maar de parij sche gemeente bewerkte, dat zij op den 24 augustus naar den zoogenoem den Tempel, eene voormalige bezitting van de orde der tempelieren , ge bragt werd. Daardoor werd zij onttrokken aan de bewaking van het staatsbestuur, en daarentegen overgeleverd aan den gemeenteraad. Deze gemeenteraad was sedert den 10 augustus niet meer door staatkundige dweepers, zoo als Petion en Manuel, geleid , maar door Danton , Marat, Robespierre, Chaumette, Tallien , Fréron en andere practische volksleiders, die den ouden staat van zaken met wortel en tak uitroeijen wilden en op zijne puinhoopen een geheel nieuw staatsgebouw poogden op te rigten . Zelfs de nationale vergadering werd toen een bloot werktuig van de mannen, die in den Parijschen gemeenteraad het gezag in handen hadden ; want zij was voortaan genoodzaakt, alles, wat dezen goed vonden, door hunne toe stemming te wettigen . De middelen , die Danton en zijne partij bezigden ter bereiking van hun doel, bestonden in het opwinden van den grooten hoop tot geestdrij vende woede en in het verwekken van magt en schrik. Daartoe werden door hen reeds in augustus de voorbereidselen gemaakt tot eene met de gruwelen van den Bartholomeusnacht te vergelijken slagting van allen , die de oude orde van zaken toegedaan waren. Duizenden van menschen werden namelijk als zoogenoemde aristocraten gevangen genoinen en aan de overigen door verschillende maatregelen de vlugt onmogelijk gemaakt; huiszoekingen, opening van brieven werden op grooten maatstaf geregeld, en de nationale garde overal tot een werktuig der democraten herschapen. Bovendien werd niet slechts op den 17 augustus een buitengewoon geregtshof opgerigt, dat onder den naam van tribunaal van den 10 augus tus een voorspel was van het latere tribunaal der omwenteling, maar men bepaalde ook, dat alle armen van Parijs , die ligchamelijk sterk waren , dag aan dag uit de gemeentekas bezoldigd zouden worden , om zich van hen • tot de voorgenomene moordenarijen te kunnen bedienen . Op den 2 september 1792 begon de uitvoering van het verschrikke lijke plan , dat men gewoon is met den naam van den september -moord of der septembriseringen aan te duiden. Men ging daarbij geheelstelsel matig te werk . en gebruikte geregelde benden van betaalde moordenaars. Dezen begaven zich elken morgen, nadat hun door het luiden eener klok Fransche omwenteling. De septembermoorden 189 . het teeken gegeven was, in de gevangenissen , om de aristocraten te ver moorden. Het vermoorden hield later even stiptelijk op, als het begonnen was , en de orde was zeer spoedig weder hersteld ; een bewijs, dat alles door hooger geplaatsten bestuurd werd. In Parijs duurde het moorden van den 2 tot den 6 september. De minister van justitie Danton zelf, derhalve de man , wien de geregtigheid ter bescherming der burgers op gedragen was, was de hoofdaanlegger en hoofdbestuurder der afschuwelijke moorden. Zij kregen zelfs het aanzien en den vorm eener regterlijke han deling ; want de moordenaars lieten eerst de gevangenen , om hen te von nissen, voorbrengen, en spraken na enkele vragen de doodstraf over hen uit. Slechts zeer weinige gevangenen , wier namen men op afzonderlijke lijsten geschreven had, werden vrijgesproken. De moordenaars ontvingen op kwitantie hun loon uit de gemeentekas , voor het gene zij hun werk in de gevangenissen noemden. Deafgrijselijke tooneelen van de septem bermoorden beschrijven wij niet in bijzonderheden, omdat wij bij de naauw keurige kennis der wijze , waarop aandoenlijke en onderhoudende boeken gewoonlijk geschreven worden , weinig of volstrekt geen geloof schenken aan alle anecdoten, alle woordelijk medegedeelde gezegden en toespraken, alle tot bijzonderheden afdalende schilderingen. Dergelijke dingen worden bovendien door de onderscheidene schrijvers geheel verschillend verhaald. Ook over het aantal der van den 2 tot den6 september te Parijs ver moorden heerscht een groot verschil in de opgaven . Zeker is het, dat zich daar omstreeks drie duizend personen in hechtenis bevonden , en dat van hen na de septemberdagen slechts nog eenige honderd in leven waren. In de provincien werd, ofschoon men overal door afgezondene commissarissen daartoe uitnoodigen liet , het stelselmatige moorden niet ten uitvoer gebragt. Alleen drie of vier gemeenteraden volgden het voorbeeld der stad Parijs, en ook zij lieten slechts eenige honderde menschen vermoorden . Daaren tegen zond men op den 9 september uit Parijs eene bende moordenaars naar Versailles, om den voormaligen minister Delessart en een vijftig andere staatsmisdadigers te dooden, die tot nu te Orleans gevangen geweest waren en onder het voorwendsel, om hen te Parijs voor het tribunaal van den 10 augustus te stellen, naar Versailles gebragt waren. De vreeselijke Four nier ( z. bl . 185) was de aanvoerder dezer bende moordenaars, en op hem stuitten al de pogingen af van den gemeenteraad van Versailles , om de ongelukkigen te redden . Danton prees de bandieten , toen zij van Ver sailles naar Parijs terug keerden, van het balcon der kanselarij af opentlijk wegens hunner lofwaardige woede, en wel , gelijk hij zich uitdrukte , niet als minister der justitie, maar als minister der omwenteling. De septembermoord was, even als de door jezuiten -leerlingen aange rigte Bartholomeusnacht, een koel berekende staatkundige maatregel. Maar hij had, geheel onderscheiden van den laatstgenoemde, het bereiken van het beoogde doel tot onmiddellijk gevolg. Vooreerst werden namelijk daardoor allen, die het nieuwe voorgestaan hadden , met Danton en zijne moordenaars voor het gebeurde gemeenschappelijk verantwoordelijk gesteld en de brug achter hunnen rug afgebroken ; want eene toekomstige reactie kon de eigentlijke moordenaars niet treffen , die gedeeltelijk uit veroordeelde misdadigers bestonden en in elk geval niet meer uit te vinden waren, maar alleen hen, die rustig toegezien hadden, dat men hunne wijsgeerige burger republiek op bloed grondvestte. Ten tweede hadden de gruwelen van sep 190 Nieuwe Geschiedenis. tember de uitwerking , dat bij de aanstaande verkiezingen voor de natio nale conventie niemand het wagen kon , zijne stem aan iemand anders, dan aan eenen bekenden jacobijn te geven. Ten derde werd door de uit delging van het monarchaal geslacht en door de gedwongene vereeniging van alle revolutionairen voor het nieuwe geslacht ruimte en bezitting ver De nationale vergadering regelde namelijk juist op den 2 sep tember den verkoop van de verbeurd verklaarde goederen der uitgewekenen , en ten gevolge daarvan kwamen deze goederen vervolgens stuksgewijze in de handen van vele nieuwe bezitters. worven. 3. OORLOG DER FRANSCHEN MET OOSTENRIJK, PRUISEN EN ANDERE STATEN TOT OP DE VLUGT VAN DUMOURIER . Toen Oostenrijk en Pruisen hunne troepen in Frankrijk lieten invallen, geloofden zij te doen hebben met een volk, dat zich zelf verscheurde en zonder leger en regering was. Zij hadden wel is waar gelijk , maar zij zagen daarbij de zich ontwikkelende kiemen van eenen nieuwen toestand voorbij, en vermoedden niet, hoe spoedig zich uit de puinhoopen van het oude geslacht een geslacht vol reuzenkracht en reuzenstoutheid verheffen zoude. Hoe groot toch de regeringloosheid in Frankrijk ook was, zoo handhaafde toch de beschaving weldra hare regten. Zij wierp, gelijk zij gewoon is te doen, al wat geheel ongeschikt was om gewijzigd te worden , van zich, en verleende plaats en ontwikkeling aan al wat gezond , krachtig en geschikt tot voortbestaan was. Al wie bruikbaar en ontwikkeld was, vond weldra zijne plaats onder de veranderde omstandigheden ; en de nieuwe ambtenaren , die hunne betrekking aan degelijkheid en ijver verschuldigd waren, deden wonderen, omdat zij in den nieuwen staat van zaken pasten. De krachten der natie verkregen juist door de opwekking , waarin zij verplaatst waren , den hoogsten engrootsten graad van spanning en eenen geduchten nadruk. Het nieuw ontstaande leger der Franschen was door geestdrift voor vrij heid , eergevoel, nationalen zin en door hoop op bevordering bezield. Het trok na ondenkbaar tijdsverloop voor het eerst weder niet voor de roemzucht van eenen koning , voor de staatkundige plannen van een kabinet of voor de belangen van eenen bijzonderen stand, maar voor het vaderland zelf in den strijd. Daarbij kwam nog, dat zijne aanvoerders weldra een geheel nieuw stelsel van oorlogvoeren uitdachten , waarop de vijanden niet voor bereid waren . Hoe zouden tegen zulk een leger de troepen en bevelheb bers der verbondenen op den duur iets kunnen uitrigten ! Hunne soldaten waren huurlingen of gedwongene troepen , die alleen door het bevel van den gebieder in den strijd gedreven werden , en hunne aanvoerders , die men met opzigt van geboorte, rang en betrekkingen gekozen had , waren niet alleen vast geklonken aan de stijve regelen der oude kunstmatige krijgs kunst, maar zij werden ook nog door de bij het leger aanwezige prinsen en hovelingen belemmerd , die zelfs de behoorlijke verzorging der troepen bemoeijelijkten. De verbondenen zegevierden derhalve slechts zoo lang, tot dat zich uit het fransche leger langzamerhand een nieuw gevormd had. Om dit nog beter te begrijpen , moet men eenen blik slaan op de personen, die bij de verbondenen den voornaamsten invloed op het bestuur der zaken in het algemeen en op de oorlogvoering in het bijzonder hadden . In den raad der bondgenooten oefenden niet slechts de fransche prinsen Frankrijk , Oostenrijk en Pruisen in den oorlog van 17 9 2 . 191 en somwijlen ook Calonne eenen verderfelijken invloed uit , maar ook een andere franschman , de generaal-majoorHeymann, die zich te Berlijn als agent van Lodewijk XVI ophield , had door zijne kuiperijen een groot aanzien verkregen . Doch deze man stond tevens met Dumourier in be trekking, en diende beide partijen , om beiden te bedriegen. Met hem kuipten te Weenen en Berlijn de oostenrijksche vice -kanselier Philips Cobenzl en graaf Haugwitz , dien Frederik Willem in mei 1792 tot zijnen gezant aan het keizerlijke hof benoemde. De eerste ( z . bl . 178 vv.) dacht en handelde als de lieden van het oude fransche hof, wier opleiding hij ont vangen had , en als de russische keizerin Catharina en haar Potemkin, in wier school hij vroeger geweest was. Graaf Haugwitz, die later door zijne naauwe vereeniging met Lucchesini en Lombard de kwade geest van Prui sen werd, was reeds in het begin van den oorlog door zijne vriendschap met den alvermogenden adjudant-generaal des konings, den overste Mann stein , verderfelijk . Zijn oogmerk bereikte hij meestal door eene der bij zitten van den koning. Hij had zich allezins de veelzijdige en oppervlak kige beschaving der voorname wereld, maar ook tevens hare beginselloos heid eigen gemaakt, en behandelde de staatszaken even ligtvaardig , als Calonde vroeger in Frankrijk (z. bl . 32 ) . De zeer belangrijke invloed, dien hij omstreeks dezen tijd te Berlijn bezat , rustte daarop , dat hij de mistiekerij van Bischofswerder met de geestige vrolijkheid van eenen los bol wist te vereenigen. Ook de opperbevelhebber van het leger der ver bondenen, hertog Ferdinand van Brunswijk, was veel meer franschman dan duitecher (z. D. XVI. bl . 196) . Maar hij had daarbij nog het gebrek, dat hij zich als hoveling naar de invallen van zijnen koning schikte, en toch ook zijn eigen gevoelen nooit geheel kon opgeven. Hij volgde derhalve eensdeels geen vast plan in den oorlog , en was ten andere altijd meer geneigd, om gehoor te geven aan de fransche agenten , dan aan de gene raals van het verbondene leger, die onder zijne bevelen stonden. De Franschen hadden tegen de verbondenen drie legers te veld ge bragt, één in den Elzas en Lotharingen onder den generaal Luckner, die kort daarna door Victor Broglio en vervolgens door Biron vervangen werd, één aan den Moezel en de Maas onder Lafayette, en een aan de noordelijke grenzen onder Rochambeau , in wiens plaats terstond na het begin van den oorlog Luckner kwam . In junij kwam bij de genoemde generaals nog Dumourier, die den jeugdigen zoon van den hertog van Orleans, Lodewijk Philips , als kweekeling bij zich had. Hij werd gevoegd bij de afdeeling, waarover Luckner het bevelvoerde, en kuipte tegen hem , zoo wel als tegen Lafayette, om door hulp der republikeinen opperbevelhebber te worden. Aan deze partij had hij eenen voortreffelijken steun , omdat zij door hem de plannen hoopte te verijdelen , die Lafayette , Luckner en andere gene raals ter gunste van de monarchie ontworpen hadden. Ook bewees Du mourier , toen Lafayette terstond na den val van het koningschap eene tegenomwenteling wilde beproeven, de beste diensten aan de republikeinen. Lafayette geloofde door zijn leger en met de hulp van vele monarchaal gezinde departementale besturen het koningschap te kunnen herstellen , maar hij was geen man voor zulk eene onderneming, omdat hij meer in de groote wereld en bij bespiegelende staatsmannen , dan in het gewone leven en in de burgerlijke kringen te huis was. In plaats van snel te handelen, wachtte hij in het beslissend oogenblik veel te lang, en gaf daardoor den jacobij 192 Nieuwe Geschiedenis. nen, die hem door Dumourier en diens handlangers omstrikt hadden, den noodigen tijd, om zijne troepen afkeerig van hem te maken. De nationale vergadering vaardigde, zoo dra hij zijne poging begon, eene aanklagt tegen hem en zijne vrienden uit , en zond in den persoon van den lammen ad vocaat Couthon eenen commissaris naar het leger. Deze was naauwelijks aangekomen, of Lafayette zag zich van zijne troepen verlaten en moest op eigene redding bedacht zijn . In den nacht na de aankomst van Couthon ( 20 augustus)ontvlugtte Lafayette reeds met Alexander Lameth, Latour Maubourg en Bureau de Puzy, die met hem leden der staatsregelende vergadering geweest waren en tot de constitutionele partij behoorden , uit Frankrijk . De vlugtelingen werden , wat geheel in den regel was, aan de grenzen aangehouden, maar terstond daarna ten gevalle der uitgewekenen door de pruisische en oostenrijksche regering als boosdoeners behandeld . Men sleepte hen vijf jaren lang van den eenen kerker naar den andere, tot dat eindelijk Bonaparte de Oostenrijkers in 1797 dwong, om den weldoener der Franschen weder los te laten. Na de vlugt van Lafayette werd Luck ner verwijderd en door Kellermann vervangen , en Dumourier tot opper bevelhebber benoemd. De bondgenooten begingen den grooten misslag, dat zij, in plaats van zich terstond den twist der constitutionele en republikeinsche officieren ten nutte te maken , eerst in Frankrijk vielen , toen een man van geestkracht, begaafdheid en kundigheden, als Dumourier , aan het hoofd van het fran sche leger stond en dit geheel op eene nieuwe wijze regelde. Eerst op op den 19 augustus voerde Ferdinand van Brunswijk de verbondene troe pen over de grenzen. Zelfs toen nog bleef hij, in plaats van snel vooruit te rukken, aan de regelmatige langzaamheid getrouw , die hem sedert den zevenjarigen oorlog gewoonte was. Hij schonk den vluggen en bekwamen Dumourier gelegenheid, om hem te voorkomen in het bezetten der passen van het woud van Argonne, waardoor de verbondenen hunnen togt moesten nemen, als zij over Chalons tegen Parijs wilden oprukken. Eerst in het midden van september kwamen de laatstgenoemden , die op den 23 augus tus de kleine vesting Longwy en op den 2 september Verdun veroverd hadden, in het bezit van die engten. Maar zij bevonden zich nu in Cham pagne, waar de wegen door langdurige regens onbruikbaar waren gewor den, en werden terzelfder tijd door besmettelijke ziekten en door gebrek aan levensmiddelen geteisterd. Dumourier gebruikte met groote slimheid diplomatische kunstgrepen , om de verbondenen zoo lang op te houden, tot dat het verder voortruk ken even gevaarlijk voor hen werd, als de terugtogt. Hij werd daarin door leden van het pruisische kabinet zelf ondersteund. Het is namelijk bewezen , dat zoo wel van de zijde van Dumourier , als van de zijde der mannen , aan wie de pruisische koning het oor leende , zeer verdachte za mensprekingen beraamd werden ; maar hoe ver beide partijen gingen en wat zij elkander beloofden , is uit alles , wat in onze dagen daarover be kend geworden is, niet met zekerheid te bepalen. Zeker is het, dat , als men Clairfait, die het bevel voerde over de bij het pruisische leger ge voegde Oostenrijkers, gevolgd was, de zaak tot eene andere uitkomst zou geleid hebben. Toen dit niet gebeurde en onderhandelingen aangeknoopt werden, verloor men allezins den kostbaarsten tijd en kon niet meer vooruit, maar men moest blijde zijn , als men met het overblijfsel van een geheel ontbon Frankrijk , Oostenrijk en Pruisen in den oorlog van 1792. 193 den leger slechts de grenzen nog bereikte. Koning Frederik Willem zelf begreep trouwens eindelijk, terwijl zij, die hem omringden, met Dumourier onderhandelden en door verraad zochten te verkrijgen , wat zij door ge weld niet bereiken konden, dat men hem misleid had. Hij beval daarom slag te leveren ; het was echter misschien beter, dat zijn bevel niet ge hoorzaamd werd, omdat de Pruisen na eene overwinning in ergeren toestand zouden gekomen zijn , dan vroeger. Toen de Pruisen namelijk op den 20 september bij Valmy tegenoverden generaal Kellermann in slagorde ston den, kwam het niet tot een wezentlijk gevecht, maar er werden slechts bij een door geenen aanval ondersteund schutgevaarte eenige duizend Franschen gedood. Het pruisische leger betrok terstond daarna zijne legerplaats weder. Onmiddellijk daarna begonnen nu. de onderhandelingen op nieuw. Wat intusschen van eene overeenkomst met Kellermann, volgens welke de Pruisen op den terugtogt naar de grenzen niet vervolgd zouden worden , verteld wordt, wagen wij niet na te vertellen. Het bevel tot den terug togt der Pruisen werd reeds op den 30 september gegeven en daardoor waren de Oostenrijkers en geheel Belgie prijs gegeven aan de vijanden. Het pruisische leger werd op zijnen terugtogt door gebrek aan levensmid delen, door ziekten en door onophoudelijke regenbuijenin zulk eenen treu rigen toestand gebragt, dat alle orde verloren ging De Franschen bad den het derhalve gemakkelijk geheel kunnen vernietigen. Desniettemin werd het door hen niet vervolgd. Men beweert, dat dit geschiedde, om dat Dumourier en zijne parijsche vrienden in de conventie toen reeds hoopten , Pruisen en Oostenrijk te kunnen scheiden. Wij weten niet , of hiervoor grond is; zeker is hetalleen, dat de Oostenrijkers Belgie gaarne prijs gaven, om Engeland en Holland daardoor tot deelneming in den oorlog te noodzaken . De intriganten aan het pruisische hof zetten die kuiperijen , die zij op franschen bodem begonnen hadden, ook later nog voort; maar hunne pogingen stuitten vooreerst af op den koning , die niets weten wilde van trouweloosheid en aansluiten aan Frankrijk. Na den terugtogt der Pruisen verspreidde zich de in Frankrijk be staande omwentelingszuchtige beweging ook langs het bovengedeelte van den linker Rijnoever en naar Savoye . In het laatste land, welks ge bieder , de koning van Sardinie , door de uitgewekenen insgelijks in eenen oorlog met Frankrijk gewikkeld was, had men een leger onder den generaal Montesquiou gezonden. Dit werd , toen het op het einde van september daar verscheen, door de over de dwingelandij van hunnen koning verbitterde inwoners met zoo groot gejuich ontvangen , dat de sardinische troepen uit vreeze van verraden te worden , het land bijna zonder slag of stoot ont ruimden. Op den linker oever van den Rijn werden de Franschen , toen zij onder Custine daar tegen het einde van september verschenen, met eene geestdrift ontvangen, die bij den treurigen toestand van deze gedeelten van het duitsche rijk niet bevreemden kan. Doch dat de grootere rijksstanden aan den Rijn , inzonderheid de drie geestelijke keurvorsten en de keurvorst van de Paltz de het rijk binnen dringende Franschen niet afweerden, maar hun veeleer het veld ontruimden , laat zich gemakkelijk verklaren uit de geheele gesteldheid hunner hoven en wijze van regering. De geheele linker oever van den Rijn was verdeeld in een aantal vor stendommen , graafschappen , rijksbeerlijkheden , vrije rijkssteden , kloosters XVII. 13 194 Nieuwe Geschiedenis. en stiften , die onophoudelijk onderling in twist en gekijf lagen. Al de misbruiken der middeleeuwen drukten op den wakkeren burger en boer, die door de andere standen diep veracht, door overheden en beambten mis handeld werd, en zoo al de belastingen minder hoog dan in den tegen woordigen tijd waren, had het volk daarentegen door louter feestdagen , bede vaarten en kerkgaan geen tijd, om zich door het werk zijner handen zekere welvaart te verkrijgen. Wie zou zich dan verwonderen, dat men de Fran schen met blijdschap ontving, daar zij toch verlossing en vrijheid beloofden te brengen , en de inwoners nog niet met geweld in Franschen zochten te veranderen ! Onder de vorsten aan den Rijn was de keurvorst van de Paltz, Karel Theodoor , die tevens over Beijeren regeerde , bekend (z. D. XVI. bl . 176 vv. ) voor eene speelpop van priesters en boeleersters, en zijne ambtenaren hielden in de Paltz op ongehoorde wijze huis. De staatkunde, die hij sedert het uitbreken van de fransche omwenteling volgde, was wei felend, omdat hij alleen bedacht was , om zijn het eerst bedreigde hertog dom Gulik te redden. Hij leverde namelijk wel zijn aandeel tot den rijks oorlog, liet Mannheim versterken, en stond den Oostenrijkers toe, eene leger afdeeling op zijn grondgebied bijeen te brengen ; maar toen de troepen van Custine tegen Spiers en Worms optrokken , hield hij zich onzijdig , en gaf alzoo zijne onderdanen aan vriend en vijand prijs. Eveneens deden de naburige vorsten van Baden, Wurtemberg en Hessen -Darmstadt. Zij on derhandelden zelfs met den rijksvijand. De landgraaf van Hessen -Kassel, Willem IX , had wel , toen de Pruisen door zijn land tegen Frankrijk op trokken, zes duizend man bij hen gevoegd; maar dit was slechts ten gevalle van den koning van Pruisen geschied , die bovendien die troepen betaalde. Onder de drie geestelijke keurvorsten was Maximiliaan van Keulen , een broeder van keizer Jozef II , ongetwijfeld de beste. Maar hij schonk uit liefde voor zijne zuster Maria Antoinette aan de uitgewekenen ondersteu ningen , die in geene verhouding stonden met zijne middelen. De keurvorst van Trier, Clemens Wenzel, had zich niet alleen door hebzucht en gierig heid gehaat gemaakt, maar hij koesterde ook de jezuiten , waarvan men noch te Mentz , noch te Keulen iets weten wilde, en beschermde de uitge wekenen, die door hunnen overmoed en liederlijkheid zijne onderdanen nog meer tegen hem verbitterden . Te Mentz had Emmerich Jozef, die tot 1774 leefde, zich vroeger als een vader zijner onderdanen en tevens als een echt christelijk bisschop gedragen . Zijn opvolger daarentegen , Ka rel Jozef van Erthal, leefde en handelde naar geheel andere beginselen. Hij hield eene schitterende hofhouding , bevorderde met onbekrompenheid kunst en wetenschap , versierde zijne verblijfplaats met eene hooge school, waaraan mannen van grooten naam geroepen werden, en begiftigde met het geld zijner onderdanen hovelingen, vleijers en bijzitten . Maar daarentegen werden de vestingwerken der hoofdstad geheel verwaarloosd, en het leger, welks officieren hunne betrekkingen niet alleen aan hunne geboorte , maar ook dikwerf slechts aan hunne schoone gestalte verschuldigd waren , bevond zich in zulk eenen toestand, dat, toen Custine voor Mentz verscheen, men het niet tegen hem durfde gebruiken. Zoo lang oostenrijksche en rijkstroepen den linker oever van den Rijn dekten, kon Biron, die in den Elzas een bevel over een zwak leger voerde, er niet aan denken , om de Pruisen door eenen inval in dat land van achteren te verontrusten. Maar in september werd het grootste gedeelte > Frankrijk , Oostenrijk en Pruisen in den oorlog van 1792. 195 De oogen der verbondene troepen, die tot hiertoe in de omstreken van Mentz, Worms en Spiers gestaan hadden, aan het hoofdleger getrokken , en nu zond Biron den generaal Custine met eene kleine afdeeling over de grenzen. De troe pen van Custine bestonden bijna geheel uit nationale garden, maar zij wer den door eenige duizend opgewonden boeren versterkt. Zij bezetten spoe dig de steden Spiers en Worms , en trokken vervolgens regtuit op Mentz aan, wat hun niet mogelijk zou geweest zijn, als de landgraaf van Hessen Darmstadt met zijne dappere en welgeoefende soldaten hun den weg ver sperd had. Maar deze zond onder voorwendsel , dat de rijksoorlog nog niet verklaard was , zijne troepen naar Giessen . Te Mentz namen bij het naderen der Franschen de keurvorst, zijne raadsheeren, het domkapittel en de adel terstond de vlugt. Custine had, toen hij met zijne nationale gar den , boeren en weinige huzaren voor Mentz verscheen , niet eens zwaar geschut bij zich ; desniettemin gaf zich op den 21 october het hoofdbolwerk van het duitsche rijk zonder eenige tegenweer aan hem over . blikkelijke overgaaf eener vesting, die later door de Franschen tegen de Pruisen en Hessen tot over het midden van het volgende jaar behouden werd, was zoo onbegrijpelijk, dat men die slechts als het gevolg van ver raad meende te kunnen beschouwen . De verdenking viel op den eersten luitenant Eikenmeyer, die den bevelhebber Gymnich regeerde en later in fransche dienst ging. Hij heeft zich intusschen later in een geschrift, dat onlangs verbeterd en vermeerderd op nieuw uitgegeven is , verdedigd, en zijne schuld is in der daad moeijelijk te bewijzen. Na de overgave van Mentz ontstonden op den linker oever van den Rijn clubs naar de manier der Franschen, en de verbittering tegen het tot nu bestaande bestuur van adel , priesters en ambtenaren vertoonde zich op eene zoo verontrustende wijze , dat overal de adel en de geestelijkheid met hunne handlangers op de vlugt gingen. Ook de keurvorst van Trier liet zich door den schrik overmeesteren, en zijne landsteden knoopten zelfs met Custine eene onder handeling betreffende de overgave van Coblentz aan, ofschoon deze er vol strekt niet aan denken kon, om zich zoo ver naar beneden langs den Rijn uit te breiden . Bij deze volkomene radeloosheid der middeleeuwsche re geringen zou Custine derhalve ook wel de keurvorstendommen Trier en Keulen in opstand gebragt en daardoor de Pruisen in den rug hebben bedreigen kunnen ; maar hij beging, door zijn geluk bedwelmd, de dwaas heid , om de aan gene zijde van den Rijn gelegen protestantsche landen binnen te dringen , waar men zich niet zoo gemakkelijk als aan den linker oever van den Rijn van het eene uiterste tot het andere liet wegslepen. Hij bezette Frankfort en de mentzer vesting Königstein, brandschatte de eerste stad en drong tot Mannheim door. Maar hij moest, toen de Prui sen en Hessen tegen hem oprukten en op den 2 december Frankfort in namen , over den Rijn terug wijken. Bij de herovering van Frankfort werd eene schaar dappere Hessen nutteloos opgeofferd ; want men liet hun eene poort bestormen, hoewel de Franschen zich daarin geen oogenblik langer houden konden. Het duitsche rijk had toen eindelijk (23 november) besloten , een le ger bijeen te brengen , maar tot eene oorlogsverklaring kwam de rijks dag eerst op den 22 maart van het volgende jaar. Hoe langzamer de gangen der Duitschers waren , des te sneller ging de conventie te Parijs te werk. Mentz werd overvloedig van voorraad en geschut voorzien . De 13 * 196 Nieuwe Geschiedenis. > bekwaamste officieren werden naar deze stad , de unverschrokkenste leden der conventie als commissarissen naar de veroverde landen gezonden. Savoye werd met Frankrijk vereenigd , en ook die van Mentz moesten met eene deputatie om opname in de fransche republiek verzoeken. Het bestuur der zaken beyond zich toen geheel in de handen der aanhangers van den ellendigen hertog van Orleans, die even zoo deugdelijk in depractijk, als in zedelijk opzigt verachtelijk waren. Van de twee belangrijkste mannen was de een, Dumourier, een meester op het krijgsveld , de ander, Danton, betoonde zich even bekwaam in de alvermogende club der hoofdstad , in de conventie en bij de woelende menigte. Ook Louis Philippe, de jeug dige zoon van den hertog van Orleans, was door mevrouw de Genlis zeer voortreffelijk opgevoed, om al naar omstandigheden het masker van eenen democraat, republikein of vrijzinnige voor te hangen , en zich zoo eenen weg tot den troon te banen. Dumourier , die de opvoeding van den jon gen hertog in denzelfden geest voortzette , had het geheime oogmerk , om de monarchie in dien zinweder te herstellen , dat in de plaats der ver worpene Bourbons het huis van Orleans zou komen. Dit ten uitvoer te bren gen was echter, ook al ware Dumourier niet eindelijk door het geluk ver laten , onmogelijk wegens de nietswaardigheid van den hertog van Orleans. Deze laatste maakte zich toen juist door zijne laaghartigheid en vuige hebzucht nog verachtelijker, dan hij reeds vroeger was. Hij liet zich b. V. dwaselijk met den onbeschoften Marat in , maar weigerde later hem eene beloofde som uit te betalen , en werd daarvoor door hem in muurplakka ten in het openbaar beschimpt. Hij legde voorts gedurende de verkiezingen voor de conventie zijne lage eerzucht en lafhartigheid zoo duidelijk aan den dag , dat de girondisten zoo wel als de aanhangers van Robespierre zich onmogelijk in zijne ware bedoelingen vergissen konden. Hij liet zich namelijk, alleen om in de conventie gekozen te worden, op raad van Ma nuel door den parijschen gemeenteraad den naam van Philips Gelijkheid (Philippe Egalité) geven , en bedankte daarvoor in hoogdravende revolu tionaire bewoordingen , waarin de huichelarij duidelijk doorblonk. In october wist Dumourier de middelen tot eenen winterveldtogt in Belgie bijeen te brengen, hoewel niet alleen de girondisten en de minister van oorlog , Pache , die kort te voren in de plaats van Servan gekomen was, maar ook Marat en Robespierre hem op allerlei wijze tegenwerkten. Hij zette toen met hulp van Danton, Santerre en andere vrienden van den hertog van Orleans door, dat Kellermann , die in zijn geheim plan niet ingewijd was , als opperbevelhebber naar het leger der Alpen gezonden werd. Zoo dra nu Dumourier de noodige versterkingen bekomen had, haastte hij zich om Belgie te veroveren , omdat hij slechts door overwinningen en door verrijking van hen , die hem als commissarissen of leveranciers toe gezonden werden, zijne eigentlijke oogmerken bereiken konde. Hij trok met geheel zijn leger den opperbevelhebber der Oostenrijkers, den hertog van Saksen - Teschen, snel te gemoet, om hem nog vóór zijne vereeniging met Clairfait aan te tasten, en de hertog was dwaas genoeg , om den slag aan te nemen , hoewel slechts een gedeelte der troepen van Clairfait aan gekomen was. De Oostenrijkers leden in en onmiddellijk na den slag, die op den 6 november bij het dorp Jemappes geleverd werd , eene zoo ge duchte nederlaag , dat Clairfait, aan wien de hertog van Saksen op den 14 november het opperbevel overgaf, zich genoodzaakt zag , om de ver Fransche omwenteling en Engeland. 197 dediging van Belgie geheel op te geven. Luik werd derhalve reeds op den 26 november door de Franschen bezet , en in december waren zij meester van geheel Belgie. Terstond stortte zich over het veroverde land een geheele zwerm van commissarissen, leveranciers en fortuinzoekers van allerlei soort uit , om het uit te plunderen . Deze lieden mishandelden tevens de fransche troepen op onverantwoordelijke wijze; want zij lieten , om zich zelven te verrijken, de arme soldaten het grootste gebrek lijden. Dumourier moest de roovers en bedriegers laten begaan, omdat hij zich van hen voor zijne kuiperijen bediende, zoo hij al niet, wat in het midden gelaten kan worden , in de voordeelen van hun laag bedrijf deelde. Het kwaad werd daardoor nog grooter , dat de anti -orleanistische partij te Parijs, omdat zij te regt den generaal Dumourier niet vertrouwde, de woedendste republikeinen, de kern der helsche aanhangers van Marat, naar het leger zond. Dezen vielen als gieren op de rijke en bijgeloovige Belgen aan. Tot opperkrijgscommissaris werd b. v. de razende Ronsin gekozen, die als hoofd van het omwente lingsleger rondom Parijs gewoed had, en later te Lyon, zoo wel als in de Vendée, de geheele wereld met afgrijzen vervulde. Doumourier zou toen reeds verloren geweest zijn, als hij geen steun gevonden had in de bij hem aanwezige afgevaardigden uit de conventie van de andere partij, Camụs, Gossuin , Danton en Lacroix. Met de twee laatsten geraakte Dumourier overigens kort daarna in onmin, omdat hij opkwam tegen de bovenmatige hebzucht en willekeur, waarmede zij in Belgie te werk gingen . Dumourier had in het algemeen , als men zijne verzekeringen gelooven mag , over de wijze , waarop Frankrijk met de gemaakte veroveringen handelen moest, veel juister begrippen , dan de ijdele republikeinen, die hunne nationaliteit aan andere volken zochten op te dringen, en als Bonaparte, die de rolvan Caesar en Karel den groote spelen wilde. Hij was namelijk van oordeel, dat men Luik , Belgie , den linker oever van den Rijn en Savoye niet bij het fransche rijk inlijven , maar tot zelfstandige republieken verheffen en door dankbaarheid en verdragen met Frankrijk verbinden moest. Toen de oorlog in februarij 1793 op nieuw begon, had hij eene veel grootere uitbreiding verkregen, omdat het aan de Engelschen gelukt was, eene nieuwe vereeniging van europische staten tot stand te brengen . De vorming dezer zoogenoemde coalitie hing naauw zamen met den toestand en het karakter vanden engelschen aristocratischen staat en zijne staatkunde. Het engelsche volk gelijkt naar het romeinsche, zoo als dit in Caesars tijd Volkshoogmoed , volksroem , verachting van elk mensch , die geen engelschman ( foreigner , d. i . barbarus) is, en eene zekere vrijheid en lomp heid , die men wijselijk aan den grooten hoop veroorlooft, stellen John Bull even zeer schadeloos, als vroeger de nakomelingen van Romulus, voor den overmoed eener alles verslindende aristocratie , die verdorven , maar niet ligchamelijk ontzenuwd, en daarenboven even als de romeinsche door degelijkheid in het leven uitmunt. Elk engelschman meent te deelen in de welvaart en den roem zijner natie , hoewel millioenen in de grootste ellende leven ; elk houdt Engeland voor den besten staat van de wereld en zich zelven voor den meest vrijen burger, hoewel de arme als een mis dadiger behandeld wordt. Dit volksvooroordeel wordt door de aristocratie, die van ouds af ook de hooge geestelijkheid des lands uitmaakt, en zich sedert de zestiende eeuw ook nog door de mannen van het geld versterkt 198 Nieuwe Geschiedenis. heeft, voortreffelijk gebezigd , om zich, in spijt van hare schijnbare scheu ring in twee vijandige partijen , in het bezit der heerschappij en in het het genot der staatsinkomsten te handhaven. Ook de buitenlandsche staat kunde van de engelsche aristocratie blijft van geslacht tot geslacht dezelfde. De vreemde staten worden door den engelschen adel slechts als werktuigen voor de oogmerken van Engeland beschouwd , hunne onderlinge twisten en omwentelingen als middelen om de magt van Engeland te vergrooten , zijnen handel uit te breiden en zijne scheepvaart te vermeerderen . Van de fransche omwenteling hadden de engelsche grooten voor zich zelven reeds uit dien hoofde niets te vreezen , omdat eene republiek in Frankrijk nooit lang bestaan kan. Daarvan was de eerste minister Pitt en met hem elk echt engelschman volkomen overtuigd, hoe erg Burke ook over de fransche omwenteling en hare beginselen raasde, en hoe zeer de weinig talrijke radicalen in Engeland zich aan bedriegelijke verwachtingen overgaven . Het engelsche ministerie had derhalve wel tot nu in stilte al het mogelijke gedaan, om den oorlog tegen Frankrijk aan te blazen, maar het nam daaraan geen deel, voor dat zijn belang het eischte. Dit geval kwam voor , toen ook Holland na den slag van Jemappes door de Fran schen bedreigd werd. Maar zelfs nu was het den ministers in het parle ment niet zoo zeer om de herstelling van het koningschap in Frankrijk te doen, als veeleer om Frankrijk van zijne zeemagt, volkplantingen en han del te berooven, terwijl de mogendheden van het vaste land, door engelsch geld ondersteund , elkander in den oorlog te land bedierven. Juist toen de engelsche eerste minister tot den oorlog besloot, werkte de conventie te Parijs hem , zonder het te vermoeden , in de hand. Deze nam niet alleen op den 19 november 1792 een besluit , waarin aan alle volken , die tegen hunne regeringen zouden opstaan , de bijstand der Franschen werd beloofd , maar zij verleende ook aan eene deputatie van engelsche republikeinen eene zeer eervolle audientie . Zij verwekte daar door op hetzelfde tijdstip , dat Pitt de kabinetten van Weenen en Berlijn tot eene coalitie tegen Frankrijk uitnoodigde en dezen zijn voorstel aan namen , de bezorgdheid der oud- Engelschen voor de kerk, het koningschap en de welvaart van Engeland. Pitt zelf liet, om deze bezorgdheid te ver hoogen, buitengewone, maar volstrekt onnoodige veiligheids-maatregelen te Londen nemen, riep het parlement bijeen, nam in de bij deze gelegenheid uitgevaardigde aankondiging eene zeer verontruste houding aan , en zorgde, dat in het parlement een aantal onverstandige schreeuwers en franschen haters gekozen werden. Onder de laatsten ,die door de verstandigen de alarmisten genoemd werden , was Burke natuurlijk de voorganger.. On middellijk na de teregtstelling van Lodewijk XVI liet Pitt zich door het parlement de middelen toestaan, om den oorlog met Frankrijk te beginnen en de krachten van geheel Europa tegen dit rijk te rigten. Hij bewoog, nadat hij reeds vroeger met Oostenrijk en Pruisen overeen gekomen was, in maart en april 1793 Sardinie, Spanje en Portugal, en ook in julij Na " hij twee verdragen ,waarin zijhare medewerking totdenoorlog,die trou wens later niet verleend werd, zoo wel als de beperking van den franschen handel en eenige voordeelen voor den engelschen beloofde, terwijl Engeland zich verpligtte, om stilzwijgend toe te zien bij de ondernemingen der Russen en Polen, en de in bezit neming der stad Dantzig door de Pruisen Frankrijk. De eerste coalitie - oorlog 1793. 199 toe te staan. De Engelschen betaalden voor den aanstaanden oorlog gel delijke toelagen aan Spanje, Sardinie, Napels en aan duitsche staten , vooral aan Hessen- Kassel en Paltz - Beijeren. De landgraaf van Hessel-Kassel had zich daarvoor zelfs de voorwaarde laten opleggen, dat zijne soldaten niet al leen aan den Rijn , maar ook in Engeland en lerland gebruikt mogten worden . Volgens het krijgsplan der bondgenooten moestende Pruisen, benevens het eenegedeelte van het rijksleger, over Mentz, de Oostenrijkers met het andere over Belgie , en de Engelschen en Hollanders langs de Vlaam sche kust Frankrijk binnen dringen. Vóór dat echter de twee laatsten te veld konden rukken , brak Dumourier tegen Holland op. Hij kwam der halve de vijanden voor , en had bovendien nog het dubbele voordeel, dat de verdrevene hollandsche patriotten ( z. bl . 29 vv.) hem op dezen togt gewigtige diensten bewezen, en dat door de omwenteling bekwame mannen tot de hoogste betrekkingen in het leger opgeklommen waren. Onder deze mannen tellen wij onder anderen Westermann , die in weinige maanden van sergeant tot overste opgeklommen was, en den generaal d'Arçon, den uitmuntendsten ingenieur van het oude fransche leger , die wel ongeluk kig geslaagd was met zijne uitvinding van de drijvende batterijen voor Gi braltar (z . bl. 12) , maar die gedurende dezen oorlog, in vereeniging met Carnot, voortreffelijke plannen voor de fransche legers ontwierp. De Franschen waren, toen zij in Holland vielen , in het begin even voorspoedig , als het vorige jaar aan den Rijn en in Belgie. Zij hadden echter voorbij gezien , dat aan het hoofd der Oostenrijkers wel de prins van Saksen - Koburg stond, die nog kort te voren in den turkschen oorlog zijne onbekwaamheid genoegzaam bewezen had ( z. bl. 152 v. ) , maar dat het oostenrijksche leger gedurende den winter niet alleen zeer versterkt, maar ook door Clairfait geheel nieuw geregeld was. Bovendien werden de voor posten van dit leger van Clairfait door eenen oostenrijkschen prins aangevoerd, die later zijn stamhuis en der duitsche natie door zijne voortreffelijkheid grooten roem verworven heeft. Deze prins was de aartshertog Karel, een broeder van keizer Frans , die toen den oorlog onder Clairfait leerde. De Oostenrijkers ontzetteden , toen zij in de eerste dagen van maart den oorlog begonnen , weldra het door den generaal Miranda belegerde Maas tricht, en bedreigden het fransche hoofdleger, dat tegen Holland opgerukt was, in den rug . Dumourier werd daardoor genoodzaakt, van den aanval op Holland af te zien en geheel zijne kracht aan de verdediging van Belgie te wijden. Intusschen waren ook de Engelschen geland en rukten tegen hem op. Zijn leger kwam hierdoor in eenen moeijelijken toestand, te meer, daar de inwoners door de mishandelingen, die de woedende en roofzuchtige jacobijnen hun aangedaan hadden , verbitterde vijanden van de Franschen waren. Dumourier trachtte derhalve door snel vooruit te rukken den ge zonken moed zijner troepen weer aan te wakkeren . Het gelukte hem wel, op den 15 maart in een klein gevecht eenige voordeelen te behalen ; maar drie dagen daarna ( 18 maart) werd hij bij Neerwinden volkomen geslagen, en verloor niet alleen omstreeks zeven duizend man aan dooden en gevan genen, zoo wel als het grootste gedeelte van zijn geschut, maar hij kon in spijt van alle inspanningen niet beletten , dat zijn leger , dat bijna geheel uit ongeoefend volk bestond, uiteen liep en zich verstrooide. Aan de schit terende uitkomst, die de oostenrijksche wapenen bij Neerwinden bevochten, had de jonge aartshertog Karel een groot aandeel ; want hij sloeg, toen de 200 Nieuwe Geschiedenis. voorzigtige, stelselmatig te werk gaande prins van Koburg reeds toebereid selen tot den aftogt maakte , den linker vleugel der Franschen terug , en dwong daardoor ook de rest van hun leger tot de vlugt. Na den slag van Neerwinden had ”Dumourier hetzelfde lot als La fayette; hij verloor de gunst zijner soldaten , en tevens verdween het ver trouwen, of veeleer de vrees der conventie voor hem. Hij wist zich echter door zijne diplomatische kunstgrepen beschermers en vrienden te verwerven onder de vijanden van Frankrijk . Het was aan de te Parijs het bewind voerende mannen sedert lang bekend, dat hij het voornemen koesterde, om aan het hoofd zijner soldaten het koningschap te herstellen en het huis van Orleans ten troon te verheffen. Thans knoopte hijmet deze bedoeling eene verraderlijke onderhandeling met den prins van Koburg aan. Werkelijk werd er eene overeenkomst gesloten , waarbij Dumourier zich , volgens het gewone verhaal , verbond, om met zijn leger tegen Parijs op te rukken, de conventie uiteen te jagen , en den Oostenrijkers, die hem hunne hulp be loofden, intusschen twee vestingen als toevlugtsoorden over te leveren . In allen gevalle trok Dumourier volgens eene afspraak, die hij met den later als generaal berucht geworden oostenrijkschen overste Mack getroffen had, tot achter Brussel terug. Het geheele plan mislukte echter, omdat de conventie , die reeds lang door verspieders de verraderij van Dumourier uitgevischt had,ter juister tijd hare maatregelen nam , en omdat Dumourier in het beslissend oogenblik door zijne troepen verlaten werd. De conventie nam op den 30 maart het besluit, om Dumourier te doen gevangen nemen . Zij belastte eene uit de afgevaardigden Camus , Quinette , Bancal en La marque bestaande commissie met de uitvoering van dit besluit , en droeg het bevel over het leger van Dumourier voorloopig op aan den minister van oorlog, Beurnonville. Dumourier liet deze vijf heeren onmiddellijk na hunne aankomst in het leger gevangen nemen en als gijzelaars voor de te Parijs gevangen gehouden koninklijke familie aan de Oostenrijkers over leveren (2 april ). Toen hij echter daarna zijne troepen tot opstand aan zette en den vijand twee vestingen in handen wilde spelen, liet men hem in de vestingen , die hij verraden wilde , niet meer binnen en schoot zelfs uit de eene op hem , toen hij het waagde te naderen. Niets anders bleef hem derhalveoverig , Jan zich zelven bij de vijanden te redden. Op den 4 april ging hij in de legerplaats der Oostenrijkers over. Niet meer dan nagenoeg vijftien honderd man voetvolk en ruiterij volgde zijn voorbeeld. 4. BINNENLANDSCHE BEWEGINGEN IN FRANKRIJK VAN HET BEGIN DER CONVENTIE TOT DE OPRIGTING VAN HET COMITÉ VAN ALGEMEEN WELZIJN . De verkiezingen voor de nationale conventie geschiedden onder den invloed van de sedert den 10 augustus heerschende vrees. Zij vielen dan ook op republikeinen uit . De meerderheid der afgevaardigden bestond uit girondisten ofdie gematigde republikeinen , die , niettegenstaande hunne dweepende liefde voor de vrijheid , geene woeste verwarring, noch moord zuchtige gruwelen goedkeurden. Zij hingen nogtans zeer verschillende rigtin gen aan,en misten eenen vastberaden aanvoerder; want Brissot de Warville en Roland, naar wier namen zij door hunne tegenstanders voor Brissotisten en Rolandisten gescholden werden, waren dit nooit. De minderheid der conventie bestond uit de met den naam van den berg bestempelde partij Fransche omwenteling. De conventie in den eersten tijd . 201 (z. bl . 138) , of met andere woorden, uit mannen , die de omwenteling tot de uitroeijing van al het oude zochten door te zetten , en die zich , om hun doel te bereiken , noch door eenige bedenking lieten terug houden , noch voor eenige misdaad terug beefden. Deze mannen bezaten derhalve ziels kracht, en daar zij niet slechts onvermoeid werkzaam, maar ook onderling eensgezind waren, verkregen zij, in spijt hunner minderheid, eindelijk het gezag in handen. Tot hen behoorden Danton, Marat, Robespierre en zijn weinig beteekenende broeder, Couthon, St. Just, Chabot, Billaud - Varennes, Collot d’Herbois, de schilder David, Vadier, Bazire en anderen. De berg was in twee partijen verdeeld , maar zij waren echter tegen de girondisten onderling naauw verbonden , en keerden hunne wapenen eerst tegen elkan der , toen hunne gemeenschappelijke tegenstanders uit het veld geslagen waren. De eene partij, of de zoo genoemde cordeliers volgden de wenken van Danton. De andere, die men bij voorkeur den berg of ook den heili gen berg noemde, erkende Robespierre als haar hoofd en Marat als haar voornaamsten dagbladschrijver. De conventie verklaarde, nadat zij op den 21 september 1792 geopend was, terstond op den volgenden dag Frankrijk in geregelden vorm voor eene republiek. Met deze verklaring begon een geheel nieuwe staat van zaken ; want terwijl de regeringloosheid en de opstanden voortduurden , werden door de conventie de voortreffelijkste instellingen gemaakt, om op de puin hoopen der middeleeuwen een met den geest van den nieuwen tijd overeen komstig staatswezen te vestigen. Afgevaardigden der conventie , die met onbepaalde volmagt naar de departementen gezonden werden , vervingen de allerwegen geschorste of geheel afgeschafte overheden. De algemeene re gering, het bestuur en de politie werden door commissien uit de conventie geregeld, terwijl de ministers alleen de uitvoering der genomene besluiten in de behandeling der gewone zaken behielden. Andere commissien legden de grondslagen voor de nieuwe inrigtingen en wetten , die gedeeltelijk tot heden bij de Franschen voortduren , en door hen als de grootste voordeelen der revolutie beschouwd worden. In deze commissien zaten de kundigste en wijste mannen van de conventie. Zij bewaarden zich voor de dolle ma nier van beraadslagen , die in de conventie aan de orde van den dag was ; en als zij het vertrouwen van de conventie bezaten, keurde deze alles goed, wat doorhen voorgesteld werd. Daarentegen was de conventie in alle be sluiten , die de behoeften van het oogenblik vereischten, van den parijschen gemeenteraad en daardoor regtstreeks van de club der jacobijnen afhan kelijk. Van die commissien moest de eene de politie van den staat besturen ( comité de surveillance ); zij bestond uit dertig leden. Vier en twintig af gevaardigden vormden de commissie voor de krijgszaken , vijftien dievoor de geldelijke verantwoording , twee en twintig die voor alles, wat geldmid delen, munt en assignaten betrof. Zeer zorgvuldig en zonder eenig aanzien van partijschap was de commissie voor wetgeving verkozen, wier verorde ningen , hoezeer met de wijzigingen van het keizerrijk , nog heden zoo wel door de Franschen, als door de bewoners van den duitschen linker oever des Rijns, als de steun hunner regten worden beschouwd. Acht en veertig in het leven en in de geregtshoven gevormde regtsgeleerden waren leden dezer commissie. Allen waren zij uit de oude scholen voortgekomen , die voor den grooten hoop slecht mogten zijn , maar juist daarom voor de weinigen , 202 Nieuwe Geschiedenis. die van de school tot de kern doordrongen, des te beter voor de opleiding waren. Men benoemde ook eene commissie tot het ontwerpen eener staats regeling ; want hoewel al de drie partijen der conventie wisten , dat voor het oogenblik aan geene staatsregeling te denken was, moest men toch den schijn aannemen , alsof het volk weldra van de willekeur der conventie bevrijd zou worden. Deze commissie bestond uit de girondisten Gensonné, Vergniaud, Condorcet, Brissot, Petion en Barère, en uit de leden van den berg Danton en Thomas Payne ( z. bl . 51 vv. ) en den sluwen redenaar Sièyes , die tot aan de herstelling van het koningschap bij geene beraad slaging over eene staatsregeling gemist werd , die zich in alle tijdperken der fransche staatsomwenteling te regt wist te vinden , en zwijgend of toch zich slechts zacht latende hooren den gevaarlijken tijd der conventie ge lukkig doorstond. De commissie voor de staatsregeling bestond dus in meerderheid uit girondisten . Hiervan maakten hunne tegenstanders later gebruik, om de Gironde bij het volk gehaat te maken als eene partij, door wier toedoen het volk zoo lang zonder staatsregeling bleef, omdat zij, even als de frankfortsche vergadering van 1848–49, door al het redeneren en beraadslagen tot geenen raad of besluit komen kon. De genoemde commissien moesten tevens dienen , om een einde te maken aan het aangematigde gezag van den parijschen gemeenteraad en den geweldigen invloed van de club der jacobijnen ; daarom konden zij ook eerst na eenen hevigen strijd der twee hoofdpartijen in de conventie be noemd worden . Ook den invloed der mannen van het schrikbewind , in zonderheid van den vreeselijken Danton, trachtte de girondistische meerder heid van de conventie te verbreken. Daarom_eischte zij een geregtelijk onderzoek der septembermoorden , bedreigde Danton met eene aanklagt wegens omkoopbaarheid en verduistering , en dwong hem door de op hun voorstel aangenomene wet, dat niemand meer te gelijk minister en afgevaar digde mogt zijn, tot het verlaten van het ministerie van justitie. Robespierre en Marat werden even zeer van het begin af aangevallen, de eerste over zijn verdacht maken van elk , die meer bekwaamheid bezat dan hij, de laatste wegens zijn onophoudelijk aanhitsen tot roof en moord. Daarentegen gelukte het echter op den 3 october den tegenstanders der Gironde, den minister van oorlog Servan te verdringen , en eenen aanhanger van Ro bespierre , Pache, in zijne plaats te stellen . Bovendien verkregen zij in november door de ontdekking van de ijzeren kast in den muur op het ko ninklijke paleis gelegenheid, om de voortreffelijkste mannen der Gironde als geheime koningsgezinden verdacht te maken. Koning Lodewijk had name lijk in mei 1792 eene ijzeren kast ter bewaring van al zijne papieren laten maken en in eenen muur op de Tuilerien laten metselen ; dit werd in november door den slotemaker, van wien hij zich daartoe bediend had, bij het comité voor de staatspolitie aangegeven . De conventie benoemde hierop eene com missie tot het onderzoeken der in de kast aanwezige papieren. Toen later de papieren bekend gemaakt werden , beschuldigde men de girondistische leden dezer commissie, veel van het gevondene, vooral de door Brissot, Vergniaud en andere girondisten aan den koning geschrevene brieven ( z. bl . 184 ), verduisterd te hebben. Erbestond derhalve reeds sedert october een bepaalde strijd tusschen de gematigde afgevaardigden, die in de conventie de meerderheid uitmaak ten en de hun in krachten eenheid ver te boven gaande minderheid. In Fransche omwenteling. De conventie in den eersten tijd . 203 dezen strijd onderscheidde zich het meest van alle girondisten de edele Lanjuinais, een man , die zich in den geheelen loop der omwenteling noch door vrees, noch door staatkundige bedenkingen liet afbrengen van het gene hij regtvaardig achtte. Hij drong in dien tijd met onwrikbare standvastig heid voornamelijk aan op het onderzoek en de bestraffing van de september moorden. Daartoe werd ook besloten , en Lanjuinais bragt dit later telkens weder in gedachten ; maar de tegenpartij wist de zaak op te houden , en daarna geheel te smoren. Eene scherpe tegenstelling met Lanjuinais en weinige andere mannen der omwenteling, die steeds getrouw bleven aan hunne overtuiging, levert de gladde Barère op. Deze bezat, even als Talley rand en Fouché, bij eene volstrekte beginselloosheid de bekwaamheid om tusschen alle gevaren door te sluipen, en bij elke verandering vooruit zijne plaats te bestellen. Hij was in 1790 gematigd koningsgezinde geweest, had zich later bij de Gironde gevoegd, werd naderhand haar verrader en verwierf zich later als medgezel van Robespierre door de schoone academische spreek wijzen, waarmede hij de moordverslagen uit den tijd des schrikbewinds wist te versieren, den naam van den Anacreon der guillotine. Zijn slangenaard bleek terstond in den eersten tijd der conventie, toen hij door de papieren van de ijzeren kast in gevaar gebragt werd ; want hij wist bij deze ge legenheid op zeer handige wijze zijn hoofd uit den strik te redden . De bergpartij zag in, dat zij alleen door maatregelen van verschrikking het overwigt in de conventie kon bekomen. Zij liet daarom door hare werktuigen onder het gepeupel de teregtstelling van den koning , eischen. Een regtsgeding over den koning verleende namelijk aan den berg het voordeel, dat de girondisten , als zij voor den koning opkwamen , bij het volk in haat kwamen, en in het omgekeerde geval zich niet slechts mede pligtig maakten aan eene bloedige daad, maar ook tot alles moesten mede werken, wat hen tegen de wraak der aanhangers van het oude beschermen kon . Op zich zelve zou de Gironde den gevangen koning gaarne gered heb ben , daar hij haar in het ergste geval tot steun tegen hare alles vernie lende ambtgenooten kon dienen. Maar sedert september heerschte het door dagbladen en clubs opgehitste gemeen zoo onbepaald, dat, zoo dra het den dood van den koning eischte , elke tegenspraak een doodvonnis was voor hem , welke het waagde die uit te spreken. Welk eene verbitterde stemming, of veeleer welke woede toen onder de heffe van het fransche volk heerschte, kan men opmaken uit de volgende schildering, die twee ooggetuigen mede deelen met betrekking tot den tijd van het koninklijke regtsgeding. „In alle straten der stad, zeggen zij, aanschouwde men uitroepers, die op een tooneel stonden en , nadat zij door het geluid van eenige muzijkinstrumenten een aantal menschen rondom zich verzameld hadden, eene zamenspraak be gonnen, waarin koning Lodewijk als een kannibaal werd afgeschilderd , en die altijd met de woorden eindigde, zijn hoofd moet vallen , om devrijheid op vasten grondslag te vestigen. Des avonds zag men in het Palais Royal woedende menschen, die metde sabel in de hand brullend uitschreeuwden : aan de guillotine met Capet, aan de guillotine ! Volksgenootschappen schre ven uit de departementen , dat Capet met zijn leven voor zijn misdrijf moest boeten. Lieden, die op den 10 augustus gewond waren, lieten zich om wraak roepende in de zaal der conventie rond dragen . Redenaars der sectien stroomden naar hare balie, eischten het doodvonnis tegen Capet, en 204 Nieuwe Geschiedenis. verklaarden luide, dat de menschenliefde eerst op aarde zou heerschen , als er geene priesters meer bestonden . ” Overigens moet men, om den ijver, waarmede later een gedeelte der conventie de veroordeeling van Lodewijk doordreef , en het stilzwijgen of de lafhartigheid van zou vele andere afgevaardigden geheel te kunnen be grijpen , ook de omstandigheid in aanmerking nemen , dat de heerschende dweepzucht zelfs de beste menschen medesleepte. Slechts daardoor laten zich de redevoeringen verklaren , die de van utopische deugd droomende vrome Gregoire, de met de overgevoeligheid van Rousseau vervulde mar kies St. Just, welke diens maatschappelijk verdrag even als den bijbel aan haalde, en ineer anderen in dien tijd hielden. De eerste had b . v. reeds op den 21 september zijn voorstel tot afkondiging der republiek met de volgende woorden aangevangen : „ alle vorstenfamilien zijn nooit anders dan geslachten van roofdieren geweest, die van menschenvleesch leefden. Doch men moet de vrienden der vrijheid beveiligen door het vernietigen van dien talisman, door welks tooverkracht nog altijd vele menschen bedwelmd kunnen worden. Ik eisch derhalve, dat bij eene wet de afschaffing van het koningschap stellig en plegtig uitgesproken worde.” Wie had daar, waar mannen als Gregoire raasden, het zonder levensgevaar kunnen wa gen, koel en bezadigd te blijven ? Deze mannen waren intusschen ten min ste opregte geestdrijvers. Maar naast hen stonden lieden als Robespierre, die met koele boosheid alles berekenden, en met vergiftigde woorden elken andersdenkende als aristocraat en vijand des volks belasterden . Het werkelijke voorstel om den koning te regt te stellen werd op den 7 november gedaan. De beraadslagingen daarover begonnen reeds op den 13. Op den 20 november bragt Roland als minister verslag uit over de in de ijzeren kast gevonden papieren, waarop de aanklagt gegrond moest worden. Op den 3 december droegen de uitstekende regtsgeleerden, die het comité van wetgeving uitmaakten , hun berigt voor, en ten gevolge daarvan werd tot deaanklagt besloten. Het geheele regtsgeding was, even als vroeger de processen tegen Huss en tegen den engelschen koning Ka rel I (z. D. IX . bl . 85 vv. en D. XV. bl . 100 vv. ) , bloot een ijdele vorm , waardoor aan eenen staatkundigen moord de schijn van regt gegeven moest worden . Onder de overgelegde bewijsstukken was geen enkel, waarop men een lijfstraffelijk regtsgeding gronden kon . Zij bewezen alleen , dat Lode wijk op een tijdstip, toen hem niet eens het geringe gezag, dat de staats regeling hem verleende , vrijgelaten werd , met de vijanden van het hem mishandelende volk in verstandhouding gestaan en hun geld gegeven had ; maar dit was geene halsmisdaad. Bovendien had juist in denzelfden tijd het volk nog veel meer tegen den koning misdaan , dan hij tegen het volk. De conventie schroomde niet, aanklager en regter tevens te zijn ; want alle pogingen om te bewerken, dat ten minste , zoo als ten tijde van Karel I in Engeland, een eigen geregtshof gesteld zou worden , waren vergeefsch. De conventie vereenigde zelfs, geheel tegen den geest der sedert 1790 be staande instellingen, bij dit regtsgeding in zich het werk der gezworenen en der regters. Op den 6 december benoemde men eene commissie van een en twintig afgevaardigden, die de punten van aanklagt opstellen moes ten. Deze commissie deed haar verslag reeds op den 10 ; en op den vol genden dag werd de koning voor de conventie gebragt , om verhoord te worden. Fransche omwenteling. Proces van Lodewijk XVI. 205 Dat de conventie in hare handelwijze tegen den koning slechts een staatkundig doel beoogde , werd door Barère in de beraadslagingen rond uit gezegd: „Eene nieuw gestichte republiek , zeide Barère, eischt te harer bevestiging de bestraffing van den tiran. Ookde verdrijving van Tarqui nius was slechts een maatregel van veiligheid, dien de Romeinen ter beves tiging hunner republiek namen. Laten wij daarom geenen tijd verspillen met de vraag over den wettigen vorm van het regt !" Vergeefs protesteer den tegen den voorgenomen geregtelijken moord tien mannen , die sedert 1789 met vurigen ijver voor vrijheid en regt gestreden hadden en juist daarom in de conventie gekozen waren. Tot deze mannen behoorden Lou vet , Fauchet en de edelste onder de vele regtsgeleerden in de conventie , de jansenist Lanjuinais , die zich bij het proces des konings dubbel edel betoonde, omdat hij noch een oud vriend van Lodewijk was , noch tot de koningsgezinde partij behoorde, derhalve niet voor eene bloote meening of voor aangewende gebruiken, maar voor de onsterfelijke zaak van deugd en regt streed. Eene scherpe tegenstelling met zulke mannen leverde ook bij deze gelegenheid de sluipende Barère, die toen nog met hen tot ééne en dezelfde partij behoorde. Hij moest op den 11 december als voorzitter der conventie den koning ondervragen en vervolgens daarover een berigt uitbrengen. Hij rigtte dat met zijne gewone arglistige geslepenheid zoo in , dat hij met den stroom mede ging , doch tevens voor alle toekomstige gevallen eene achterdeur open hield. Van het oogenblik af, dat tot de regtspleging tegen den koning be sloten was, had men hem als eenen misdadiger behandeld en benevens zijne familie met stuitende en schandelijke bejegeningen overladen. Men sprak hem op belagchelijke wijze als Louis Capet aan. Dit alles was listig en boosaardig berekend, om het laatste overblijfsel van den eerbied te doen verdwijnen , die het koningschap nog in de oogen van het volk omgaf. Lodewijk zelf gedroeg zich in de gevangenis en voor zijne regters, zoo als het te verwachten was van zijn meer vrouwelijk dan mannelijk karak ter. Hij stelde tegenover de onwaardige behandeling zijner vijanden het geduld van eenen monnik of van eenevrouw, niet dewaardigheid en man nelijke houding, waardoor de laagheid beschaamd en ellendelingen herin nerd worden, dat zij uit het slijk geboren zijn. Wij schromen niet , dit in spijt van alles , wat ook zelfs door Lamartine in zijne Girondisten en talrijke anderen hierover aandoenlijk en vol gevoel medegedeeld is , als de uitkomst van het naauwgezet onderzoek der hier niet behoorende bijzon derheden rond en opentlijk te verklaren. Wij doen het zoo veel te meer, omdat wij op goede gronden aan geen enkel van al de vernuftige en aan doenlijke anecdoten, die in de voor den grooten hoop geschreven geschie denissen en gedenkschriften verhaald worden , het minste geloof hechten. Wij kunnen het b. v. slechts als zwakheid in den koning beschouwen, dat hij , in plaats van de magthebbers te dwingen, hem regtstreeks te vermoor den, zich met de geregtshandeling inliet en daardoor medewerkte , dat die den schijn eener regtsvordering verkreeg. Het regtsgeding duurde tot na het midden van januarij 1790 , omdat de meerderheid alles aanwendde, om den koning te redden , in zoo ver dit geschieden kon, zonder de mindere volksklasse tegen zich te verbitteren. Niemand was daarin ijveriger , moediger , rijker in regtskundige tegenwer pingen en belemmeringen, dan de edele Lanjuinais. Ook Gensonné, Ver 206 Nieuwe Geschiedenis. gniaud en anderen beproefden al het mogelijke, om ten minste een uitstel te verkrijgen. De groote begaafdheden der Girondisten stuitten echter af op de ijzeren volharding der mannen van het schrikbewind en op de wijze, hoe zij het woeste geweld van het gepeupel voor hunne bedoelingen wis ten te gebruiken . In de laatste maanden van het jaar 1792 werd reeds door de schreeuwers onder het volk een nieuwe tiende augustus of tweede september noodzakelijk verklaard. Elke nederlaag in den oorlog werd aan de Gironde toegeschreven ; elk uitstekend man van deze partij werd in de dagbladen en clubs voor een intrigant, verrader en schurk uitgescholden. Nadat koning Lodewijk voor de conventie verhoord was, bepaalde men het begin van het eigentlijke regtsgeding op den 26 december. Tevens werden den koning drie regtskundige raadgevers toegestaan. Hij koos den acht en zeventig jarigen Malesherbes, die zich daartoe edelmoedig had aan geboden ( z. D. XVI. bl . 270 vv. , 272 vv.), den bijna even bejaarden Tron chet en eenen meer krachtigen man , de Sèze. De laatste hield op den 26 december, toen Lodewijk nog eens voor de conventie verscheen , de verde digingsrede. In de vier dagen van den 14 tot den 17 januarij werd be raadslaagd en gestemd over de drie vragen , of de koning schuldig was, of het over hem uit te spreken vonnis de bekrachtiging van het volk be hoefde en welke straf hem treffen moest. Door het zoo stellen dezer vra gen was de Gironde reeds in den kuil gestort, dien zij zelve een jaar vroe ger uit republikeinschen ijver voor de constitutionelen gegraven had. Ver geefs trachtten Guadet en Lanjuinais eene wijziging daarin te brengen. Couthon voerde hun de woorden te gemoet: „ Reeds hebben wij drie uren ter wille van eenen koning verloren ! Zijn wij republikeinen ? Neen, wij zijn slaven !” Van alle kanten viel men hem toe , en de voorgestelde vragen werden in de voorgestelde orde aangenomen. Op den 15 januarij werd koning Lode wijk met zeer groote meerderheid van stemmen schuldig verklaard. Nog op denzelfden dag werd , in spijt der inspanning van vele leden om het oordeel des volks in te roepen , de tweede vraag met vier honderd vier en twintig stemmen tegen twee honderd drie en tachtig ontkennend beslist . De stem ming over de derde vraag duurde van den 16 tot in den avond van den 17 voort. Men besloot met boosaardige arglistigheid die bij oproeping der namen te doen, om der meerderheid , door vrees van zich verdacht te maken van koningsgezindheid, schrik in te boezemen en tevens in het vervolg buiten staat te stellen , om hun aandeel in den moord te verloochenen. Hoe groot de moed was dier weinigen , welke toen overeenkomstig hunne overtuiging ronduit neen stemden , en hoeveel verontschuldiging de zwakken verdienen, die zich door vrees en schrik lieten overmeesteren , kan men opmaken uit het volgende berigt van eenen ooggetuige over de stemming en de houding des volks. „ De september- moordenaars, zegt hij , hielden met stokken en . sabels gewapend de toegangen tot de vergaderzaal bezet. Zij ontvingen elken binnentredenden afgevaardigde, die in de laatste dagen van genade gesproken had , met den toeroep : of zijn hoofd, of het uwe! In de loges tegenover het redenaarsgestoelte zaten vrouwen in den sierlijksten opschik, alsof zij eene voorstelling in den schouwburg bijwoonden. Hare bekenden onder de afgevaardigden onderhielden zich met haar, men bood haar ver verschingen aan , en zij beschouwden de stemming als eene vertooning, waar bij zij inzonderheid acht gaven op de gelaatstrekken van elken stemmer en op den toon zijner stem... Ook het schuim der voorsteden verscheen Framsche omwenteling. Proces van Lodewijk XVI. 207 altijd talrijker bij de zittingen. Men dronk wijn of brandewijn, ging wedding schappen aan voor of tegen den dood des konings, en teekende, even als aan de speeltafels in het Palais Royal, op kaarten de punten aan der verschillende stemmen. Verveling, ongeduld, vermoeidheid waren op alle gezigten te lezen, als die niet, wat somtijds het geval was, door toorn en woede misvormd werden .” Vóór de stemming beproefden twee regtsgeleerden nog een laatste middel ter redding van den koning. Lehardy en Lanjuinais beriepen zich namelijk ten behoeve van Lodewijk op het anders bij alle doodvonnissen geldende regt, dat twee derden der stemmen ter veroordeeling noodig waren. Ook deze eisch werd afgewezen, en het razen der aanwezigen klom tot het on geloofelijke. Nogtans stemden van zeven honderd een en twintig afgevaar digden slechts drie honderd een en zestig onvoorwaardelijk voor den dood. Om alzoo de volstrekte meerderheid te verkrijgen, telde men de stemmen van al de genen mede , die wel uit lafhartigheid voor den dood ge stemd hadden , maar er de voorwaarde van het uitstel der straf of eene andere bepaling bijgevoegd hadden . Eenige moedige afgevaardigden stelden later, in de hoop, dat de razernij kort van duur zoude zijn, een uitstel der uitvoering voor; maar ook dat voorstel werd op den 19 met drie honderd tachtig tegen drie honderd tien stemmen verworpen. Even vruchteloos waren depogingen, die buitenlandsche regeringen ter redding van Lodewijk beproefden . Koning Karel IV van Spanje had b. v. niet alleen aan zijnen gezant te Parijs twee millioen ter omkooping der voornaamste afgevaar digden aangewezen, maar ook de strengste onzijdigheid in den oorlog en een verbond met het nieuwe Frankrijk aangeboden , als men het leven van den koning spaarde, maar alles hielp niets, omdat zij, die de conventie beheerschten, niet konden of durfden stil staan . De teregtstelling werd reeds op den 21 januarij voltrokken . Door dezen regterlijken moord werd de omwenteling aan de eene zijde eerst regt bevestigd, omdat zij in zekeren zin eenen dam opwierp, die de zamen smelting van het oude en nieuwe voor langen tijd belette . Aan de andere zijde was de teregtstelling van Lodewijk , geheel buiten het zedelijke oog punt, een staatkundige misslag ; want zij krenkte zoo wel de meerderheid der Franschen, als tevens alle buitenlandsche vorsten en regeringen op het smartelijkste, veranderde het tot hiertoe door de meesten gehate opperhoofd van den staat in eenen martelaar, en veroorzaakte, dat de persoon en de zaak des konings onderling naauw verbonden werden. Van de teregtstelling des konings af voerden de jacobijnen met de Gironde eenen strijd op leven en dood. De eersten wilden al het bestaande en ieder, die de geestdrijverij voor het nieuwe niet deelde, verdelgen en, eerst als dat geschied was, tot orde en wet terug keeren. Zij gingen met krachtvolle, niets ontziende standvastigheid op hun doel los, verlieten zich daarin geheel op het woest geweld van het uitvaagsel der natie, en deden, om hunne vijanden spoedig en zeker te vernietigen , het volk door Marat en andere predikers van den moord dag aan dag verkondigen , dat in Frankrijk voortaan niets anders geduld mogt worden, dan hutten , brood, ijzer en soldaten. Hunne tegenstanders, de wijsgeeren van de Gironde, gingen hun ver te boven in geest , beschaving en welsprekendheid ; maar zij misten de sluwheid , de voortvarendheid en kenden de menschen, zoo als zij zijn en behandeld moeten worden . De girondisten konden derhalve, tegenover de krachtige, rusteloos ijverende jacobijnen, hunnen droom van 208 Nieuwe Geschiedenis. eene republiek van burgerschap en beschaving niet verwezentlijken . Zij zelven werden veeleer het eerste offer , dat Robespierre en zijne partij na den dood des konings aan hun stelsel bragten. In januarij gelukte het reeds aan de hoofden van de partij des ge welds, den girondist Roland uit het ministerie te verdringen. De giron disten lieten dit trouwens alleen onder de voorwaarde toe, dat ook de minister van oorlog, Pache, die tot de tegenover gestelde partij behoorde, zijne betrekking zou opgeven ; maar de jacobijnen bewerkten nu de be noeming van Pache tot maire van Parijs , en daar de parijsche gemeente raad, welks procureurs twee andere leden derzelfde partij , Chaumette en Hebert , waren , Frankrijk regeerde , was Pache magtiger dan vroeger. Roland bleef buiten betrekking; daarentegen werd Beurnonville minister van oorlog , in wien de Gironde eenen krachtigen steun had , tot dat hij in april door Dumourier gevangen genomen en aan de vijanden overgeleverd werd ( z. bl . 200 ). Op den 25 februarij verwekte de partij des gewelds reeds eenen opstand , die tegen de korenkoopers en tegen de rijken in het algemeen gerigt was, waarbij bakkers en andere winkels ge plunderd en door den grooten hoop vaste prijzen voor alle waren geëischt werden. Noch de conventie, noch de gemeenteraad was in staat den moed wil te beteugelen. De meerderheid van de eerstgenoemde tastte wel op den volgenden dag Marat, die in zijn blad van den 25 februarij tot plun deringen had aangezet, met allen nadruk aan , en zette het besluit door, dat de zaak onderzocht en de aanstokers gestraft zouden worden ; maar dit besluit bleef later rusten, omdat niemand het uitvoeren kon of wilde. Ja, veer tien dagen later vestigden de beschermers van Marat, Robespierre en Danton, op diens heerschappij over het gepeupel hun toekomstig onbepaald oppergezag. Nadat men namelijk door het verwekken van schrik , door het ver spreiden van onrustbarende geruchten , door dolle maatregelen , die de parijsche gemeenteraad van de conventie eischen moest, en door andere dergelijke middelen alles behoorlijk had voorbereid, werd op den 10 maart in de conventie de instelling doorgezet van eene buitengewone regtbank, die later onder den naam van het tribunaal der revolutie het moord werktuig der mannen van het schrikbewind werd. Het voorstel daartoe ging uit van eenen protestantschen predikant, den afgevaardigde Jean Bon St. André. Het werd door Danton, die als minister van justitie de sep tember-moordenaars beschermd had en door den kundigsten regtsgeleerde Cambacérés , die even zeer de Trebonianus van het schrikbewind als van het keizerschap was, opgevat en doorgezet. Dezelfde Cambacérès zorgde in vereeniging met een ander regtsgeleerde van gelijke soort, Merlin van Douay, kort daarna, dat het nieuwe geregtshof een staatkundig werktuig werd , waardoor men zonder de beruchte kunstgrepen der monarchale reg terlijke onderzoekingen ieder verderven kon , die van eene andere meening was dan de gezaghebbers. Vergeefs streden Lanjuinais en Guadet, regts geleerden van geheel anderen zin , tegen de oprigting van zulk een tribu naal; vergeefs zochten zij dat ten minste alleen bij Parijs te bepalen. Zij konden zelfs niet dan met moeite verkrijgen , dat de regters niet , maar gezworenen oordeelen zouden over het feitelijke. Ook werd alles, wat de toen nog invloedrijke Gironde bij de inrigting van het vreeselijke tribunaal doordrong, later na hare ten onder brenging weder afgeschaft. Wij gaan andere beschikkingen voorbij, die de conventie omstreeks Fransche omwenteling na den dood van Lodewijk XVI. 209 » dien tijd trof, en merken slechts aan , dat op denzelfden 10 maart , toen de oprigting van het tribunaal der omwenteling bepaald werd, tegen de conventie zelve eene dergelijke poging beproefd werd, als op den 10 au gustus 1792 tegen den koning ondernomen was. De heffe der jacobijnen wilde namelijk eerst de ministers wegjagen of vermoorden, vervolgens met geweld de conventie binnen dringen, en de uitwerping van een gedeelte der afgevaardigden afdwingen . De aanslag mislukte echter door den moed van den minister van oorlog, Beurnonville, die aan het hoofd van vier honderd geconfoedereerden uit Brest het gespuis uiteen joeg. De eigentlijke aansto kers bleven ook bij deze gelegenheid op den achtergrond, en niemand wilde, toen de aanslag mislukt was, daarvan iets weten. Aanvoerders der laffe volkshoopen waren Fournier , Lasusky en andere werktuigen van Danton, Marat en Robespierre , geweest. Het verraad door Dumourier in het begin van de maand april gepleegd, gaf op nieuw aanleiding tot het in verdenking brengen en aantasten van velen. Ook de hertog van Orleans werd toen op bevel der conventie ge vangen genomen en vooreerst als staatsgevangene naar Orleans, gelijk later naar Marseille gebragt. Hij was nooit van eenige beteekenis geweest en had zich bij alle partijen verachtelijk gemaakt. Danton had hem bloot als een werktuig gebezigd ; thans moest hij hem los laten , daar Robespierre hevig tegen den hertog raasde. In denzelfden tijd gaven de girondisten hun nen tegenstanders gelegenheid om hen bij het parijsche volk nog veel gehater, dan tot nu , te maken. De girondisten begrepen namelijk reeds in maart, dat zij te Parijs voor hunne tegenstanders bezwijken moesten , omdat het geheele bestuur der zaken daar op den gemeenteraad en de twee clubs was overgegaan. Men verweet aan hen allen , wat toch slechts van hunner, Brissot, gelden mogt, dat zij tegen de centralisatie van geheel de regering en de leiding der zaken te Parijs ijverden , en klaagde hen aan , dat zij het plan gevormd hadden, om Frankrijk naar het voorbeeld van Noord Amerika in een aantal republieken te ontbinden, die te zamen eenen bond genootschappelijken staat zouden.uitmaken. Dit denkbeeld van Brissot werd wel door Barbaroux, Guadet , Condorcet en andere bedachtzame mannen opgevat, maar men beproefde niet de geringste poging tot zijne uitvoering. Daarentegen maakte de bergpartij van deze zaak zeer slim gebruik, om het parijsche volk tegen de girondisten te verbitteren, en de namen foederalisten en brissotisten, waarmede men hen nu aanduidde, werden weldra, even als vroeger het woord aristocraat, een doodvonnis voor elk, van wien men zich ontdoen wilde. De jacobijnen maakten voortreffelijk gebruik van den schrik, door het verraad van Dumourier veroorzaakt, om het tribunaal der omwenteling door eene geduchte uitbreiding van zijn gezag tot een bloot werktuig voor hunne partij te maken , en tevens de eerste grondslagen te leggen van het latere schrikbewind. Ten aanzien van het laatste werd op den 25 maart, derhalve zeven dagen na de nederlaag van Dumourier, het besluit genomen , om onder den naam van comité van algemeen welzijn (comité de salut public) een nieuw regeringscollegie in te stellen, dat uit vijf en twintig leden be staan zoude, en al de ter verdediging der republiek tegen binnen- en buiten landsche vijanden noodig geachte wetten voorstellen moest. Op den 10 april, toen het berigt der vlugt van Dumourier te Parijs kwam , werd het co mité der algemeene verdediging, dat vereenigd hadde moeten zijn met dat XVII. 14 een 210 Nieuwe Geschiedenis van algemeen welzijn , daarvan reeds afgescheiden en aan beiden eene nieuwe inrigting en grooter gezag gegeven. Het comité van algemeen welzijn werd een uitnegen (kort daarna tien ) personen bestaand opperbestuur, dat alle maatregelen van het uitvoerend gezag regelen en bewaken, aan de conventie de wetten, betreffende zaken van bestuur of beginselen van regering, voor stellen en in dringende gevallen uit eigene beweging de noodige maatregeler. nemen moest. Het comité van algemeene verdediging daarentegen, van nu af dat van algemeene veiligheid (comité de sûreté générale) genoemd, werd te gelijk eene staatsinquisitie en de uitvoerende magt. Beide comité's zouden in het geheim beraadslagen en zich alleen in zekere dringende ge vallen onderling vereenigen. Men ziet , dat de toestel ter oprigting van het schrikbewind reeds gereed was, toen de Gironde in de conventie en in hare commissien nog de overhand bezat. 4. INWENDIGE BEROERINGEN IN FRANKRIJK , VAN DE OPRIGTING VAN HET COMITÉ VAN ALGEMEEN WELZIJN TOT AAN HET BEGIN VAN HET SCHRIK BEWIND . Door de oprigting dezer commissien was de grond gelegd tot eene willekeurige oligarchie, die weldra in de magt der twee hevige democrati sche partijen, de aanhangers van Danton en van die van Robespierre, kwam, hoewel hunne tegenstanders, de girondisten , nog altijd de meerderheid in de conventie uitmaakten. De toenemende ontbinding van alle maatschap pelijke orde maakte namelijk, gevoegd bij de gevaren van den oorlog, het behoud van den staat onmogelijk, als de eenheid niet hersteld en eene niets ontziende geestkracht niet in het bestuur der zaken gebragt werd. Maar dit kon slechts tot stand gebragt worden door de vreeselijke vastheid en kracht van practische mannen, niet door de flaauwheid en bespiegelende wijsheid eener partij, die een geheel onbepaald wijsgeerig doel voor oogen had, en derhalve in den drang der gebeurtenissen op twee gedachten hinkte. Werkelijk werd dan ook Frankrijkniet slechts door de willekeur en dwin gelandij der democraten naar buiten gered , maar ook al het oude zoo diep uitgeroeid , dat later Bonaparte, de Bourbons , Lodewijk Philips en Napo leon III alleen den schijn daarvan konden herstellen . In den strijd tegen de girondisten werden dezelfde middelen gebezigd, waarvan men zich tot de omwerping van het koningschap bediend had. Men hitste door schreeuwers en schrijvers, waaronderMarat de gemeenste, maar ook tevens de voor dit doel de geschiktste was , het gepeupel tegen de girondisten op. Men liet de conventie met verzoekschriften en deputa tien bestormen, die de uitzetting der girondisten eischten. Men bragt hen in verdenking van medepligtigheid aan het verraad van Dumourier . Men gaf hun de schuld van de regeringloosheid in het land, en van het ongeluk in den oorlog, omdat zij door hunne tegenwerking de kracht der regering verlamden. De Gironde meende de aanslagen hunner vijanden te kunnen verijdelen , door voor alles hun hoofdwerktuig te verderven. Zij bewerkte derhalve door een besluit der conventie van den 12 april de gevangenne ming en beschuldiging van Marat, nadat zij reeds vroeger had doorgedre ven , dat elk afgevaardigde, die van eene nationale misdaad beschuldigd werd, voor het tribunaal der omwenteling zou te regt staan . De geregtelijke vervolging van den schaamteloozen boosdoener kon echter tot niets anders Frankrijk. De strijd van de Gironde en den berg. 211 dienen , dan om hem grootere belangrijkheid te verleenen, dan hij ooit had. Marat werd niet alleen door de jacobijnsche regters en gezworenen van het tribunaal der omwenteling vrij gesproken, maar de opentlijke aanklager had de vragen bij de openbare regtspleging , zoo gesteld, dat Marat gelegenheid bekwam, om in zijne antwoorden deaanklagers zelven als staatsmisdadigers af te schilderen. Toen de vrijspraak geschied was, droeg het volk den beschuldigde in zegepraal naar de conventie terug. Robespierre en de ove rige leiders der bergpartij gunden den zelfs door hen verachten Marat gaarne de eer, om de afgod van het gepeupel te zijn , omdat zijne zege praal tevens eene overwinning voor hunne partij was. Daar de hoofdmagt van den berg in het gepeupel en in den gemeente raad van Parijs lag, werden beiden onderling in naauwe betrekking gebragt. Men benoemde namelijk in al de acht en veertig wijken eene uit twaalf personen bestaande revolutionaire commissie , waardoor elk oogenblik de geheele woeden de volksmenigte tegen de conventie in beweging gebragt kon worden. Tevens werd de schikking gemaakt , dat de gemeenteraad zich bij elk der gedurig herhaalde oploopen door leden dezer commission zou versterken . Zoo dra die de besluiten van de omwentelings- comité's bekrachtigd had, beangstigden de leden der conventie, die dit alles bestuur den , hunne meer gematigde ambtgenooten zoo lang , tot dat de door den gemeenteraad geëischte besluiten genomen werden . Op deze wijs bewerkte men eene gedwongene leening van de rijken , de vaststelling van eenen hoogsten prijs voor het koren , de verwijdering der beste troepen uit Parijs, hunne vervanging door benden roovers en moordenaars en andere verorde ningen. De altijd meer bedreigde Gironde wendde zich eindelijk tot hare kiezers om bescherming. Ook kwamen daarop uit de departementen adres sen werkelijkin, waarbij dezen aanboden, eene gewapende magt naar Parijs te zenden . Ter zelfder tijd verzetten zich eenige grootere steden , zoo als Lyon en Marseille, tegen de gruwelen van de commissarissen van de con ventie en hunne aanhangers. Maar daardoor werd de woede der jacobijnen slechts nog meer gewekt. De straatoproeren vermenigvuldigden zich en werden verschrikkelijker, en in de vergaderzaal van deconventie raasden , zoo dra de girondistische meerderheid in haar belang eenig besluit wil de doorzetten, niet alleen de toehoorders met woest gedruisch, maar ook de afgevaardigden zelven geraakten handgemeen. Eindelijk deed de Gironde eenen stouten en krachtigen stap, die haar gered zou hebben , zoo niet een harer eigene aanhangers haar ten verrader geworden ware. ' Guadet schilderde op den 18 mei 1793 in de conventie de dwingelandij van het parijsche gemeen met zoo heldere kleuren , dat zelfs de lafaards, die uit vrees altijd met den berg stemden , twee door hem voorgestelde besluiten goed keurden. Bij deze besluiten werd de ontbinding van den parijschon gemeenteraad gelast en tevens bepaald , dat een aantal plaatsvervangers der afgevaardigden van de conventie benoemd zoude wor den, die, in geval der conventie geweld aangedaan worden mogt, in de stad Bourges eene nieuwe conventie zouden uitmaken. Het oogmerk van Guadet werd echter door Barère verijdeld, en daarmede tevens de verderfelijke slag van de hoofden der geweldenaars afgewend. Barère deed namelijk als lid van het comité van algemeen welzijn het bemiddelend voorstel, om ter be scherming der conventie eene met buitengewone politiemagt voorziene com missie van twaalf afgevaardigden te benoemen, die de handelingen van den 14 * 212 Nieuwe Geschiedenis. parijachen gemeenteraad onderzoeken en vervolgens tot het nemen van ver der besluit aan de conventie verslag doen moest. Het voorstel werd aan genomen en de met den naam van de zaal- opzieners aangeduide commis sie benoemd. Dit kon natuurlijk, als elke halve maatregel, die onder moeijelijke omstandigheden genomen wordt, volstrekt niets baten. De zaal- inspecteurs hadden van het begin af niet alleen in den maire Pache, den procureur der gemeente , Chaumette , die toen het beleid van den gemeenteraad had , en in diens substituut Hébert , maar zelfs ook in den minister Garat geduchte tegenstanders . Hébert , die in zijn door de lagere standen veel gelezen dagblad ( Pere Duchesne) zelfs eenen Marat in gemeenheid en schaamteloosheid te boven ging, hitste zelfs het gemeen tot eenen nieuwen opstand aan . De zaal- opzieners lieten hem derhalve op den 15 mei te gelijk met twee anderen gevangen nemen . Dit werd nu het teeken tot den opstand der sedert 1791 bewegelijke lagere volksmenigte. Op den 26 mei was reeds in alle straten oploop . Op den 27 drong on beschoft volk de zaal der conventie binnen , mengde zich onder de afge vaardigden en nam deel aan de stemming. Isuard, de girondistische pre sident der conventie, hield de onbeschaamden door zijne standvastigheid binnen de perken , maar des avonds werd hij door eenen handlanger van Danton, Hérault de Sechelles, vervangen, die altijd tot voorzitter benoemd werd, als er een slechte streek moest uitgevoerd worden. Hij liet, zoo dra het vreesachtige gedeelte der conventie zich verwijderd had, het besluit nemen , dat de gevangenen in vrijheid gesteld en de zaal- opzieners ter ver antwoording geroepen zouden worden. Dit was de inleiding tot eenen nieuwen opstand. Dejacobijnen kon digden in eene algemeene wijkvergadering, die op den 30 meigehouden werd, den staat van oproer aan, verklaarden elke overheid geschorst, en benoemden eenen raad van opstand. Tot voorzitter daarvan werd de te gelijk met Hébert gevangen genomen d'Opsen benoemd; maar de eigentlijke bestuurder was Hébert zelf . Noch de maire Pache, noch de procureur Chaumette verzette zich tegen deze nieuwe overheid. Even weinig nam het comité van welzijn eenigen krachtigen maatregel, hoewel het toen nog uit mannen der verschillende partijen zamen gesteld was. Het liet veeleer onder de leiding van Lacroix, den vriend van Danton, terstond na de op rigting van den raad van opstand in alle wijken storm luiden, en benoemde in de plaats van Santerre, die naar de Vendée vertrokken was, eenen der grootste verworpelingen tot bevelhebber der nationale garde. Deze nieuwe opperbevelhebber , Henriot, was eerst lakei , dan achtereen sluikhandelaar, tolbeambte en spion der politie geweest, en had meermalen onteerende straf ondergaan, maar zich door de groote rol, die hij bij de september-moorden speelde, den vijanden van de Gironde aanbevolen. In den morgen van den 31 mei trok het parijsche gemeen met de deputatien van de wijken naar de vergaderzaal der conventie , en eischte de opheffing der zaalcommissie, zoo wel als het in staat van beschuldiging stellen van twee en twintig afgevaardigden der conventie. Daar de woeste volksmenigte in spijt van al het woelen en dreigen zeker niet gewaagd zou hebben, openbaar geweld te gebruiken , zou de geheele bedoeling van den opstand verijdeld zijn geweest, zoo niet Barère de Gironde nogmaals ver raden had. Op zijn bemiddelend voorstel werd de commissie der zaal- op zieners werkelijk opgeheven, en daardoor de conventie van alle bescherming Fransche omwenteling. De om verwerping der Gironde. 213 beroofd. De rust werd door dit besluit slechts voor een oogenblik hersteld. Reeds in den avond van den 1 junij beraamde men eenen nieuwen opstand, om de conventie te dwingen, om de door de jacobijnen veroordeelde afge vaardigden in staat van beschuldiging te stellen . Een groot aantal krachtig volk , dat men reeds vroeger onder het voorwendsel, dat uit hen een om wentelingsleger gevormd zou worden, ten koste der schatkist in soldij ge nomen had, belegerde gedurende den nacht de vergaderzaal der conventie. Het bleef, ook toen de zitting gesloten was, daar achter, en werd rijkelijk van spijs en wijn voorzien . Op den 2 junij, een zondag , waagden de meesten der door het volk veroordeelde afgevaardigden het niet , om in de conventie te verschijnen. Onder hen, die zich ook ditmaal niet lieten afschrikken , is bovenal Lan juinais te noemen, omdat hij daar nooit ontbrak , waar het gold, het leven voor regt en zedelijkheid op het spel te zetten. Hij beklom in de conventie terstond het redenaarsgestoelte, om met den meesten ernst de bestraffing van den oproerigen moedwil te eischen. Vergeefs tastten hem de vleesch houwer Legendre en de postmeester Drouet met vuisten aan , en zetten hem het pistool op de borst: hij handhaafde zich op het gestoelte en bleef ook nog onwankelbaar standvastig, toen Henriot de conventie reeds met al de menigte van het woeste gepeupel ingesloten en voor den hoofdingang geschut geplant had. Barère wilde ook bij deze gelegenheid weder zijne oude rol spelen ; doch hij werd door Lanjuinais op behoorlijke wijze te regt gewezen. Toen namelijk de conventie zich schaamde , omhare wakkerste leden prijs te geven aan het uitvaagsel van Parijs, noodigde de verrader lijke Barère de veroordeelden uit, dat zij om des vredes wil met edelmoe dige zelfopoffering uit eigene beweging de conventie zouden verlaten. Lan juinais wees deze laaghartige vordering met de woorden af, dat men het offerdier wel slagtte, maar niet hoonde. Barère en de ook ditmaal weder voorzittende Hérault de Sechelles waagden het daarop niet , opentlijk ter gunste van het verlangen des volks uit te komen ; zij namen veeleer den schijn aan, alsof zij het voornemen hadden, om hunne medeleden te redden . Wij willen niet verhalen , welke tooneelen in de twaalf uren voorkwa men, gedurende welke Henriot en zijne benden de conventie ingesloten hielden , en even min de treffende anecdoten, ontboezemingen en fraaije woor den vermelden, waaraan het bij deze gelegenheid even weinig ontbrak, als bij alle andere hoofdgebeurtenissen der fransche geschiedenis. Wij willen niet eens opgeven , hoe de conventie zich eindelijk tot het besluit bewegen liet, om in optogt naar buiten tot het zoogenoemde volk te gaan en daar door der geheele fransche natie den smaad aan te doen , dat de hoogste overheid van haar rijk door gespuis gehoond en als eene kudde vee naar de vergaderzaal terug gedreven werd. De eindelijke uitkomst van de ge heele schandelijke zaak was, dat de conventie op voorstel van Couthon be sloot, aan de eischen van het gemeen toe te geven. Vier en dertig afge vaardigden , en daaronder de twaalf zaal - opzieners en de beide ministers Clavière en Lebrun, werden op bevel der conventie in hechtenis genomen ; doch het gelukte aan een gedeelte hunner, zich door de vlugt te redden. Drie en zeventig andere afgevaardigden weigerden eenige dagen later aan le verdere beraadslagingen der conventie deel te nemen en protesteerden 2.00 wel tegen de gevangenneming hunner ambtgenooten, als tegen alle in hunne afwezigheid te nemen besluiten. Zij werden daarvoor later gevangen 214 Nieuwe Geschiedenis. genomen en behandeld als lieden, die den staat beletten wilden , geldige wetten te maken. Robespierre, die met juist gevoel doorzag, dat de dagen komen zouden, waarin hij hen gebruiken kon, bewerkte, dat velen uit hen niet ter dood gebragt werden ; dezen speelden vervolgens na zijnen dood eene belangrijke rol in de conventie. De omwerping der Gironde was in zedelijk opzigt eene schreeuwende onregtvaardigheid, maar in staatkundig opzigt kan men niet ontveinzen, dat alleen door de vernietiging dezer partij aan de regering, de noodige kracht verleend kon worden, om te gelijk de buitenlandsche legers en de binnenlandsche koningsgezinden te overwinnen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het stelsel , dat sedert den 2 junij in Frankrijk algemeen werd inge voerd. Dit zoogenoemd schrikbewind was zoo wel in zich zelf, als tevens ten aanzien der voor zijne uitvoering gebezigde middelen het schandelijkste regeringsstelsel, waarvan de geschiedenis ooit melding maakt; doch beschouwt men het alleen ten aanzien zijner uitwerkingen, dan komt het als het voor treffelijkste voor, dat uitgedacht kon worden, om den franschen staat door nieuwe gebruiken, instellingen en wetten te verjongen, en hem de heerschappij over het vermolmde Europa te bezorgen. De regering was nu geheel in het comité van algemeen welzijn zamen gedrongen. Daarin heerschte tot den 10 julij, toen Danton zijn ontslag nam , nog eenig verschil van meeningen ; maar sedert den 11 julij , toen het geheel vernieuwd werd , verkreeg het die eenheid en vastheid, die het later zoo geducht maakte. In de laatste helft van het schrikbewind ( van december 1793 tot julij 1794) waren de leden van het comité Robespierre, St. Just , Couthon , Barère , Billaud - Varennes , Carnot, Collot d'Herbois, Prieur, Lindet en Jean Bon St. André. Onder hen waren de drie eersten, die men derhalve ook onder den naam der driemannen zamen vat, zonder tegenspraak de eigentlijke gebieders van Frankrijk . De eenige, die hun hadde kunnen tegenspreken , was Carnot ; maar aan hem lieten zijne mede leden het geheele bestuur van het krijgswezen over, waardoor hij zoo geheel bezig gehouden en afgetrokken werd , dat hij, cerst toen het te laat was, opmerkzaam werd ophet misbruik, dat het comité van het aanvertrouwde gezag maakte. Het comité van algemeene veiligheid was en bleef een werktuig van dat van welzijn , daar het geenen raad te geven , maar slechts bevelen te ontvangen had. De conventie, die met den val der Gironde een derde ha rer leden verloren had en niet weder aangevuld werd, daalde even zeer tot cenen ondergeschikten rang af. Zij was voortaan slechts een werktuig van het comité van welzijn , dat door haar aan zijne voorschriften den vorm van wetten verleenen en de noodig geachte tooneelen uitvoeren liet. Ove rigens maakte men in dien tijd op voortreffelijke wijze gebruik van al de leden der conventie, die bekwaamheden bezaten en de beschaving van den ouden tijd , hetzij met liefde voor de vrijheid , of met zedelijke verdorven heid , of met eerzucht en ijdelheid, of zelfs met lafhartigheid vereenigden . Aan Carnot droeg men de leiding van het krijgswezen op. Barère diende met zijnen bloemrijken stijl als verslaggever en spraakwerktuig. van het comité van welzijn. Aan Merlin van Douay en Cambacérés , die beiden met hunne groote regtsgeleerdheid elke soort van dwingelandij buldigden, liet men de zamenstelling overder wetten, die later ten grondslag van het wetboek Napoleon gelegd werden. Het hoofdwerktuig van het comité van Fransche omwenteling. Girondistische opstanden. 215 welzijn was en bleef het omwentelings-tribunaal. Dit geregtshof werd even zeer als het comité met krachtvolle mannen bezet. Ook vond men onder de dienaren der vroegere ministeriele dwingelandij menschen genoeg , die zich tot elke onregtvaardigheid lieten gebruiken ; want alle gruwelen der revolutie zijn voortgekomen van mannen der oude maatschappij , niet van het gemeen, dat nooit iets anders dan een bloot werktuig was. Hetzelfde geval deed zich ook later onder Bonaparte ten aanzien van politie en dwingelandij voor, en niet anders gaat het ook nu in eenigelanden. Onder de eerste voor zitters van het tribunaal, Montané, d'Opsen, Herman, Dumas en Coffinhal, was de voorlaatste een vroegere monnik , derhalve een godgeleerde , al de overigen regtsgeleerden van den ouden tijd. Fouquier - Tinville, die zich als openbaar aanklager bij het tribunaal der omwenteling tot den afschuw der menschheid gemaakt heeft, was vroeger bij het lijfstraffelijk geregtshof van het Chatelet procureur geweest ; zijne substituten waren een voormalig priester en een vroeger regtsgeleerde. De voorman der bloedgierige ge zworenen , d’Antonelle, was de zoon van eenen markies en voormalig ka pitein van een koninklijk regiment. De gezworenen van deze schandelijke regtbank , die overigens sedert den 2 julij dagelijks achttien francs ver goeding ontvingen , werden even zeer als de conventie door den schrik ge . regeerd; want zij hadden ten gevolge eener wet van den 26 junij, die hun luide en openbare stemming voorschreef, geene andere keus , dan om of de beschuldigden ter dood te veroordeelen , of zich zelven in levensgevaar te brengen. Van de afzonderlijke geregtelijke moorden, die door het tri bunaal volbragt werden , spreken wij niet. De opgave is voldoende , dat alleen te Parijs van maart 1793 tot junij 1794 vijf honderd zes en zeventig, en gedurende de maanden junij en julij 1794 zelfs twaalf honderd vijf en tachtig menschen veroordeeld en ter dood gebragt werden. 6. DE GIRONDISTISCHE EN ROYALISTISCHE OPSTANDEN IN DE PROVINCIEN VAN FRANKRIJK, De girondisten zochten terstond na hunnen val de inwoners der pro vincien tegen de stad Parijs, die der conventie geweld aandeed , in opstand te brengen. Doch dit gelukte hun slechts in zeven of acht departementen van Normandie en Bretagne. De overigen wilden eerst de naaste gevolgen van den opstand afwachten. De pogingen der girondisten dienden alleen, om hunnen vijanden grooter aanzien te bezorgen , en het door hen opge rigte schrikbewind te bevestigen. Reeds de eerste poging van eenen togt tegen Parijs, dien de girondisten in julij 1793 met de wakkere nationale garde van Normandie beproefden , mislukte volkomen. De oproerige na tionale garden , tot wier aanvoerders men zonderling genoeg een lid der constitutionele partij , Wimpfen, en eenen man uit den ouden koninklijken tijd , Puisaye gekozen had, werden terstond bij het begin overwonnen; en de geweldenaars zonden daarop naar Normandie en Bretagne commis sarissen der conventie, die tot afschrikkend voorbeeld honderde, later zelfs duizende menschen onder regterlijke vormen lieten vermoorden. In denzelfden tijd , toen de girondistische veldtogt tegen Parijs mis lukte , verloste de blinde dweepzucht van een meisje de jacobijnen van eenen man, die hun sedert lang tot last geworden was. Charlotte Corday van Caën werd in haar vaderlijk huis door de geestdrift van den advocaat 216 Nieuwe Geschiedenis. }Barbaroux zoo zeer weggesleept, en tevens door de schoonheid van dezen man zoo zeer ingenomen , dat zij het besluit opvatte , om door opoffering van zich zelven de wereld van dit monster te verlossen , dat zij als een hoofdbeletsel der denkbeeldige girondistische republiek beschouwde. Zij reisde, zonder haar oogmerk aan iemand hoegenaamd te kennen te geven , naar Parijs, bezorgde zich op den 13 julij toegang bij Marat ; en stiet hem met vaste hand neder. Zij werd , daar zij niet eens beproefde te vlugten , gevangen genomen , ter dood veroordeeld en op den 17 julij te regi gesteld .Tot het laatste oogenblik bleef zij standvastig en moedig in de overtuiging, haar vaderland van eenen tiran verlost te hebben. De ja cobijnsche booswichten wisten uit het vermoorden van Marat, die voor hen zelven juist ter regter tijd gestorven was, het beste voordeel te trekken. Zij dreven met den vermoorden een afgodisch spel , bragten zijn verachtelijk ligchaam naar het Pantheon, lieten eene schilderij van zijne vermoording in de conventie ophangen , en hielden het volk , dat toen de godsdienstige feesten miste , te zijner eer bezig met schandelijke optogten. Alle oproeren , die door enkele steden en departementen beproefd werden, hadden dezelfde ongelukkige uitkomst, omdat men zich tegenover de geduchte zielskracht en eenheid van Robespierre en zijner medgezellen weifelend en onvast gedroeg . Wij behoeven die dan ook slechts in het algemeen te vermelden. Men joeg in de meeste steden van het zuiden en westen de revolutionaire clubs uiteen , nam de jacobijnen gevangen of verdreef hen , rustte legers uit, en ontwierp het plan eener groote veree niging, waardoor de heerschappij over Frankrijk aan de handen der stad Parijs en der jacobijnen aldaar ontrukt zou worden. Op het einde ech ter bleven al deze bewegingen op zich zelven staan. Daarom werden zij ook gemakkelijk door de commissarissen en troepen der conventie on derdrukt. De stad Marseille werd op den 25 augustus door de troepen der conventie bezet en vervolgens aan de wildste horden prijs gegeven. La ter rigtten Fréron en Barras als commissarissen der conventie een om wentelingstribunaal zonder gezworenen op , waarin galeiboeven en derge lijke soort van lieden benoemd werden. Fréron scheen zelfs de gebouwen en de haven der stad te willen vernielen . Hij noemde in zijne officiele berigten de stad naar de dolle gewoonte van dien tijd niet „ Marseille ” , maar „ gemeente zonder naam ” . Te Toulon trachtten de oproerige burgers zich te helpen , door op den 28 augustus hunne poorten voor de Engelschen te openen. De stad werd daarop door de_troepen der conventie belegerd en op den 19 de cember ingenomen. De eer dezer verovering behoort aan den toen eerst drie en twintigjarigen Napoleon Bonaparte, die het belegeringsgeschut bestuurde. Hij bewees namelijk aan de afgevaardigden der conventie, dat het van Parijs gezonden en door den bevelvoerenden generaal goedgekeurde plan slechts langzaam tot het doel brengen zoude, enwist hen daarentegen voor een geheelander plan te winnen. Cartaux werd hierop verwijderd, en Dugommier in zijne plaats gesteld ; deze ging naar de inzigten van Bonaparte te werk , en veroverde de stad in korten tijd . De Engelschen namen , toen zij aftrokken , vijftien schepen mede en verbrandden nog daarenboven den rijken in de stad aanwezigen voorraad van het zeewezen, 200 wel als twintig fransche oorlogsvaartuigen , waaronder zich elf linie Fransche omwenteling. Girondistische opstanden. 217 schepen bevonden, hoewel dit alles hun door de stad Toulon niet als aan zegepralende vijanden overgegeven , maar als aan bondgenooten ter be scherming toevertrouwd was. Na de inneming van Toulon woedden Bar ras en Fréron ook in deze stad op verschrikkelijke wijze. In plaats van eenige schildering hunner gruwelen voeren wij , om het karakter dezer twee mannen en den heerschenden geest te kenmerken , slechts dit eene aan , dat Fréron zich later met de verzekering meende te kunnen veront schuldigen , dat hij van tien duizend menschen slechts acht honderd had doen te regt stellen, en dat Barras, een man uit eene der oudste familien, in de brieven aan zijne medeleden getuigt , dat hij in Toulon volstrekt geene andere ordelijke lieden ( honnêtes gens) gevonden had, dan de galei boeven. Te Bordeaux woedde Tallien als commissaris der conventie op de zelfile wijze. Te Nantes dreef een ander onmensch , Carrier, de republi keinsche woede zelfs nog verder. Hij liet niet alleen de menschen bij hoopen doodschieten , maar hij bedacht ook de zoogenoemde noyaden en republikeinsche huwelijken. Deze duivelsche uitvindingen bestonden daarin, dat mannen en vrouwen bijeen gebonden en zoo in de Loire verdronken werden , en dat men geheele bootsladingen van menschen door plotseling geopende luiken in het water deed verzinken. Met ware dolheid woedden Lebon te Arras en Maignet te Oragne. Te Lyon had de opstand geen girondistisch -republikeinsch, maar een royalistisch karakter. Daar speelde de voormalige priester Chalier gedu rende eenigen tijd de rol van Marat, en het door hem bestuurde gemeen woedde naar het voorbeeld van het parijsche gepeupel tegen alle rijken en voornamen. Op den 4 februarij 1793 joegen echter de gematigde burgers reeds de club der jacobijnen uiteen , vormden uit de aanhangers hunner eigene partij geregelde bataillons, en namen krachtige maatregelen tegen Chalier en zijne geestdrijvers. Dezen bewerkten daarentegen door Marat en Robespierre, dat er commissarissen van de conventie met troepen ge zonden werden . Op den 29 mei werd in de stad zelve een volledig ge vecht geleverd. De jacobijnen dolven het onderspit, en werden deels ver dreven , deels gevangen. De laatsten , waaronder ook Chalier, werden na regtspleging en vonnis met den dood gestraft. Nu zond de te Parijs heer schende partij een geheel leger op Lyon af. Maar de inwoners, wien nog alleen het laatste middel der wanhoop overbleef, bragten hunne vesting werken haastig in staat van tegen weer , en verzamelden een sterk leger onder de leiding van dappere officieren . De tegen hen optrekkende troe pen der conventie, die door Dubois- Crancé, een bekwaam officier der ar tillerie van den ouden adel, aangevoerd werden, vernielden in augustus door bommen het schoonste gedeelte van Lyon, omdat daarin de rijkste burgers woonden. Later zond de conventie Couthon , Collot d'Herbois , Fouché en andere commissarissen naar het belegeringsleger , die niet alleen het bombardement met verhoogde hevigheid lieten voortzetten , maar ook, toen de stad, door honger en tweedragt gedwongen, op den 9 october hare poor ten geopend had , het uitroeijingsstelsel van het schrikbewind met vreese lijke gestrengheid en volharding tot april 1794 ten uitvoer legden. Zij lieten geheele rijen van huizen omver halen , tallooze menschen gevangen zetten , en dag aan dag teregtstellingen plaats grijpen. Eindelijk bedach ten Collot d'Herbois en zijn waardige medgezel, de aanvoerder van het 218 Nieuwe Geschiedenis. omwentelingsleger, Ronsin , om beter te kunnen moorden , de zoogenoemde mitrailladen , die daarin bestonden , dat geheele scharen van menschen op pleinen zamen gebonden en dan met schrootvuur doodgeschoten werden. De conventie zelve besloot den 12 october op voorstel van Barère, om de stad Lyon, behalve de huizen der armen, geheel te verwoesten en aan het overblijfsel den nieuwen naain „ Commune affranchie ” te geven. Dit kon wel niet volledig ten uitvoer gebragt worden ; maar daarentegen zette men toch het omver werpen der gebouwen zoo wel als de teregtstellingen en de mitrailladen onophoudelijk voort. Hierbij muntte Fouché, die later tot in onze eeuw de eerste betrekkingen in Frankrijk bekleedde en hertog van Otranto werd, bijzonder uit, hoewel hij juist niet, zoo als Couthon, wreed van aard was. Aan de krachtvolle, echt staatkundig - practische en naar vaste regelen handelende toenmalige bewindhebbers van Frankrijk , die zich volgens de nieuwe zedeleer als lieden kenmerkten , die tegen de omstandigheden op gewassen waren , gelukte de reddende daad even goed , als zij aan Can robert en St. Arnauld op den 2 december 1851 gelukt is . In korten tijd werden door hen de dweepzuchtige idealisten en de voor leven en eigendom bezorgde stedelingen even zoo onderdrukt, als omgekeerd de genoemde generaals door eene gelijke manier van handelen het gemeen en de socia listen onderdrukt hebben. Daarentegen hadden dezelfde mannen eenen veel langduriger en hardnekkiger strijd door te staan tegen de koningsgezinde - bewoners der Vendée. In dit gewest heerschte nogde eenvoudigheid van den ouden tijd, de inwoners waren verkleefd aan hunne eeredienst en aan hunne priesters , en tusschen den adel en de boeren was eene soort van aartsvaderlijke betrekking bewaard gebleven , daar beide standen elkander in zeden en beschaving nabij stonden , en de boer de opbrengst van den grond met zijnen landheer deelde. De inwoners der Vendée waren dan ook van het begin der omwenteling af ontevreden geweest met alles , wat in Parijs gebeurde. De teregtstelling van den koning had hunne verbit tering verhoogd ; maar een besluit der conventie, waarbij in plaats van de tot nu gebruikelijke wervingen voor het leger eene ligting van rekruten bevolen werd , bragt het geheel in opstand. Zij hadden bij hunnen ge wapenden tegenstand niet alleen het voordeel , dat zij zeer voortreffelijke aanvoerders bekwamen, maar zij werden ook door de gesteldheid van den grond in hun gewest ondersteund ; want dit was door heggen , slooten en dammen allerwegen doorsneden, had bijna geene rijwegen, en bemoeijelijkte derhalve buitengemeen den strijd voor geregelde troepen. Maar nog verder felijker dan deze uiterlijke omstandigheden was het voor de laatstgenoemden, dat de bewoners der Vendée met den moed der wanhoop , met de kracht van het diep geworteld vooroordeel en met onwankelbare eensgezindheid strijd voerden. De opstand der Vendée, die op den 11 maart 1793 in twee gemeen ten begon, ging zoo spoedig in eenen algemeenen opstand over, dat reeds in april een behoorlijk leger, dat men het katholieke en koninklijke leger noemde, gevormd en het geheele land in krijgsafdeelingen verdeeld was. Drie der vijf hoofdaanvoerders, d'Elbée, Bonchamp en Laroche- Jacquelin, hehoorden tot den ouden adel des lands, de twee anderen, Cathelineau en Stofflet, tot den minderen stand. Cathelineau was een rijke boer en vracht rijder , Stoffiet de jager van eenen landeigenaar geweest. Behalve deze Fransche omwenteling. De opstand der Vendée. 219 vijf mannen onderscheidde zich ook de voormalige zeeofficier Charette als een held en bekwaam aanvoerder, tot dat hij eindelijk in de losbandigheid van zijn vroeger leven terug zonk. De opstandelingen voerden den oorlog zoo lang gelukkig, tot dat zij zich in junij door de voordeelen hunner wa penen tot het besluit lieten verleiden, om den strijd buiten de grenzen van hun gewest uit te breiden, en de stad Nantes, een der hoofdzetels van den republikeinschen geest , aan te tasten. Zij werden met groot verlies terug geslagen. Bij deze gelegenheid viel Cathelineau, die kort te voren tot opperbevelhebber gekozen was. De Vendée .zou toen reeds weder onderworpen zijn , als de republi keinsche troepen andere aanvoerders bezeten hadden. ° Zij werden achter volgens door Menou en Biron, twee onbekwame officieren uit den konink lijken tijd , aangevoerd. Onder den laatste voerden bevel de brouwer San terre, de vroegere sergeant Westermann, die in een enkel jaar tot den rang van generaal opgeklommen was, en de als schrijver van ellendige treurspelen mislukte Ronsin , die zich als oorlogscommissaris in Belgie en ook als aanvoerder der zoogenoemde omwentelingsarmee berucht gemaakt had ( z. bl . 197 en 218 ) . Onder hen waren Santerre en Ronsin tot niets minder, dan tot legerbevelhebbers geschikt; en Westermann , die krijgsbekwaamheden bezat, verhoogde door zijne wreedheid de hardnekkigheid der tegenstanders. Toen Biron in julij terug geroepen werd , zond men op aanbeveling van Ronsin den voormaligen koperslagersknecht Rossignol, die zich nog in het jaar 1800 beroemde, dat hij bij de september - moorden met eigen handen acht en zestig priesters gedood had. Met hem en Ronsin was tevens het omwentelingsleger, waarvan men zich in de hoofdstad ontdoen wilde, af gezonden . Dituitvaagsel van het parijsche gespuis dreef vervolgens door het stelselmatig uitbranden des lands, of door het gene men helsche benden noemde, de boeren der Vendée tot wanhoop. Zelfs het tot nu onzijdig gebleven gedeelte der bevolking werd verbitterd en opgezet, toen de con ventie bij een besluit van den 1 augustus bevel gaf, om alle huizen en ook alle bosschen en korenvelden plat te branden en geen levend wezen op den grond der Vendée over te laten. De koningsgezinden zouden daarom de bo venhand behouden hebben, als niet in het begin van den herfst bekwame ge neraals en geoefende, aan tucht gewone troepen naar de Vendée gezonden waren . Deze troepen waren de bezettingen van Mentz en Valenciennes, die op . het einde van julij de hun aanvertrouwde vestingen na dappere verdediging hadden moeten overgeven . Hun was bij verdrag de voorwaarde opgelegd, om gedurende een jaar niet tegen de verbondene legers te dienen ; men bezigde hen derhalve tot den oorlog in de Vendée, en zond daarentegen de daar aanwezige slechte troepen naar de oostelijke grenzen, waar zij, onder anderen gemengd en door betere bevelhebbers aangevoerd, goede diensten deden. De nieuwe troepen , die mannen als Kleber en Haxo en andere uit stekende generaals tot aanvoerders hadden, zagen zich de onderwerping der Vendée daardoor gemakkelijker gemaakt , dat hunne tegenstanders zich in den herfst van 1793 verleiden lieten, om betrekkingen met de Engelschen aan te knoopen. De hoofdmagt der Vendéërs verliet , om zich van eene haven in Bretagne ineester te maken, haar doorsneden land , waar zij, in spijt van het branden en zengen der vijanden , veilig was, en stelde zich door het overtrekken van de Loire ( 17 tot 19 october) aan eenen strijd in onbekende 220 Nieuwe Geschiedenis. streken en op het open veld bloot. Zij werd herhaaldelijk geheel geslagen en tot op eenige honderd man na vernield. Vanhare bevelhebbers viel Bonchamp in den strijd , d'Elbée geraakte doodelijk gewond in gevangen schap en werd ter dood veroordeeld . Sedert dit tijdstip ( december 1793 en januarij 1794 ) was bij de be woners der Vendée van openbaren oorlog, van ridderschap en ridderlijke edelmoedigheid geene sprake meer ; de strijd voor troon en altaar ontaardde vecleer onder de leiding van Charette en Stofflet in eene roofzuchtige, wraakoefenende beweging. Het moorden, rooven en verwoesten hield aan beide zijden niet eerder op , dan nadat de geweldenarij van het comité van welzijn verbroken was, en de mannen , die na den val van Robespierre aan de regering kwamen , den weg der verzoening en der zachtmoedigheid in sloegen . In december 1794 werd op raad van Carnot eene volkomene ver giffenis der Vendée aangekondigd en tevens voor de naauwkeurige uitvoe ring gezorgd. Maar ook toen lieten Charette, Stofflet, de uitgewekenen en Engeland het nog niet tot rust en vrede komen. De vermelde opstanden , inzonderheid de girondistische , hadden der heerschende partij reeds in het begin aanleiding gegeven tot eene onbe schaamde bedriegerij. Om het volk namelijk met de hoop te misleiden, dat het van de conventie uit eigene beweging het gene zou verkrijgen , tot welks gewelddadige invoering de uitgeworpen afgevaardigden overal oproer predikten, maakte men haastig eene nieuwe staatsregeling bekend. Eene commissie met Hérault de Sechelles aan het hoofd had die zoo overhaast gemaakt, dat het ontwerp reeds op den 10 junij aan de conventie kon voor gelegd worden. Veertien dagen later was de nieuwe staatsregeling door haar onderzocht en goed gekeurd. Op den 24 junij werd zij naar de de partementen gezonden, om aan de grondvergaderingen voorgelegd te worden . Zij werd , gelijk men gemakkelijk begrijpen kan, overal aangenomen , en vervolgens op den 10 augustus onder pralende, maar alle waarheid missende feesten , zoo als die in de omwenteling dikwerf voorkomen , afgekondigd . Naauwelijks waren echter de girondistische oproeren onderdrukt, en daar mede het doel, waartoe men de nieuwe staatsregeling gemaakt had, bereikt, of de conventie wierp op den 10 october (daags na de inneming van Lyon) door een sedert lang gereed liggend besluit het geheele 'werk weder in duigen. Dit besluit verklaarde de nieuwe staatsregeling tot op den vrede voor omsluijerd en verdaagd, en bepaalde, dat de tot hiertoe bestaande voorloopige regering als eene revolutionaire voortduren en alles onderworpen zijn zou aan het comité van algemeen welzijn, dat der conventie rekenschap moest geven. Het voorstel tot dit besluit was door St. Just gedaan , een republi keinsch geestdrijver , die even als Danton en Desmoulins uit overtuiging het beginsel huldigde , dat in eene omwenteling alleen moed, geestkracht en niets ontziende stoutheid het doel kunnen bereiken. Volgens dit be ginsel werd Frankrijk voortaan bestuurd. Met hoe groote geestkracht dat ten uitvoer gebragt werd , kan men uit eenige weinige besluiten der con ventie van dien tijd inzien . Een besluit van den 17 september gelastte de in hechtenis neming van alle zoogenoemde verdachten, en gaf aan dit woord ecne zoo uitgestrekte beteekenis, dat men het op elk , dien men wilde, kon toepassen. Op den 3 october verklaarde de conventie ronduit , dat staat kundige beschuldigden, alleen om veroordeeld te worden, voor de regtbank Fransche omwenteling. Het schrikbewind. 221 gebragt werden ; want zij bepaalde, dat in geval van verschil van meening onder de regters het zachtere gevoelen niet doorgaan mogt, en dat derhalve bij het staken der stemmen nog een ander als regter moest opgenomen worden. Op denzelfden dag liet de conventie een groot aantal harer eigene leden , en daaronder de edelste verdedigers van wettige vrijheid , en ook tevens de koningin voor het tribunaal der omwenteling stellen . Op den 16 october werdreeds de laatstgenoemde, op den 31 october een en twin tig republikeinsche afgevaardigden, Vergniaud, Lasource, Brissot, Gensonné, Lehardy en anderen , en op den 6 november de hertog van Orleans ter dood gebragt. Kort daarna ondergingen de vroegere afgevaardigden Bailly, Manuel en Barnave, de generaals Houchard en Biron , de voormalige mi nister Lebrun en anderen hetzelfde lot. Het aantal van hen , die in het begin van december 1793 te Parijs als staatkundige gevangenen in hechtenis waren , beliep volgens eene officiele opgave niet niinder dan vier duizend acht honderd en dertig. 7 . FRANKRIJK ONDER DE HEERSCHAPPIJ DER DRIEMANNEN . Op den 3 december werd de nieuwe wijze van regering , die in het besluit van den 10 october eene revolutionaire genoemd was, op voorstel van Billaud - Varennes en Bazire in een geregeld stelsel gebragt en daar mede het schrikbewind wettig ingevoerd . Van dit oogenblik af beschikten de tien mannen, die het comité van welzijn uitmaakten , of liever drie hun ner , Robespierre, St. Just en Couthon , die den overigen de wet stelden, onbeperkt over leven , vrijheid en eigendom van al hunne medeburgers. Op hun bevel moest elk franschman soldaat worden en op doodstraf al , wat men van hem eischte, tot eenen vastgestelden prijs leveren. De alom rond gezonden commissarissen der conventie, van het comité van welzijn en van het daaraan ondergeschikte comité van veiligheid waren boven elk ander bestuur geplaatst, bezaten onbeperkt gezag, onderdrukten de rijken en voor namen, en verhieven daarentegen dearmen en geringen, om zich van hen te kunnen bedienen. Aan de twee genoemde comité's stond een tribunaal ter zijde, dat zonder regtshandeling, zonder beroep en zonder den aange klaagde eenen verdediger toe te staan , over leven en eigendom besliste. Alles, wat tot den vroegeren tijd behoorde, en allen , die de minste gehecht heid voor het oude betoonden , waren het verderf gewijd . Wie volgens de eene wet, die alle vijanden van het vaderland aan den dood wijdde, nict veroordeeld kon worden , werd volgens de andere , die de doodstraf over alle verdachten uitsprak, en derhalve elk regterlijk bewijs geheel onnoodig maakte, om het leven gebragt. Door dit alles werd het doel der nieuwe regering , de uitroeijing van het oude, wel bereikt, maar op zulk eene wijze, dat later, toen dit nieuwe weder vernield werd , over Frankrijk dezelfde onheilen uitbraken , waaraan Duitschland en Engeland lijden . De eigentlijke godsdienstigheid werd na melijk uitgeroeid, maar het bijgeloof en de dweepzucht bleven ontoeganke lijk voor de magt der verwoesters, en schoten derhalve later wederom hoog op. De eerwaardige gallicaansche kerk ging te grond ; maar in hare plaats kwam later het pauselijk jezuitismus. De gedenkteekenen van het verledene werden met vandaalsche woede vernield, om in onze dagen hunne vormen, die bij onze zeden en inzigten niets voegen , als belagchelijk roccoco ver 222 Nieuwe Geschiedenis. nieuwd te zien. De academien , waarar n Europa onuitsprekelijk veel ver schuldigd is , werden vernietigd , maar later als ijdele vormen weder her steld . De graven der koningen werden ontheiligd en verwoest; daarentegen werd in onze dagen door den kleinen Thiers en door Lodewijk Philips, den kweekeling van Dumourier , met de asch van Napoleon comedie gespeeld, waarbij dezelfde lieden in het hermelijn gedost waren , die eens als sans culotten om den vrijheidsboom gedanst hadden. Met de vernietiging van het oude was de gedwongene invoering van nieuwe gebruiken , instellingen en vormen des levens naauw verbonden ; want het democratisch comité van welzijn koesterde, even als alle dwinge landen , de overtuiging, dat men godsdienst, gebruik, meening en betrek kingen door bloote bevelen in het leven kon roepen. Maat en gewigt werden op zoodanige wijze nieuw geregeld, dat het toen vast gestelde tot heden in stand gebleven is en zich zelfs buiten Frankrijk ingang heeft verworven. De almanak werd geheel veranderd : men verdeelde hetjaar in twaalf gelijke maanden met vijf aanvullingsdagen , en deuit dertig dagen bestaande maand in drie decaden ; men verving de kerkelijke namen der dagen door sterre en natuurkundige; men voerde in plaats van de christelijke jaartelling eene nieuwe tijdrekening in, waarbij de jaren van den eersten dag der republiek ( 22 september 1792) af geteld werden. Even zoo werden de namen van straten en zelfs van steden en dorpen veranderd , de viering der zon- en feestdagen verboden, andere rustdagen en feesten voorgeschreven, enz. Om het oude gemakkelijker te kunnen verdelgen en door nieuw te vervangen, wekte men al de woestheid der losgebroken lagere volksklassen , betaalde, die men daartoe bezigde, uit de schatkist, en liet op den 15 november door de conventie eene som gelds voor de volksgenootschappen, die ter verspreiding van goede beginselen onontbeerlijk waren, toestaan , nadat op den 5 september bij besluit der conventie reeds bepaald was, dat elk arm burger of, zoo als men zich uitdrukte , elk sansculotte voor het bijwonen zijner wijkvergadering dagelijks veertig fransche stuivers bekomen zoude. Wij vermelden al de talrijke wetten en verordeningen niet, die in dezen geest vastgesteld werden , omdat allen op een en hetzelfde doel gerigt Alleen moeten wij het een en ander aanmerken over de stuitende tooneelen en optogten , die een Chaumette, een Hébert , een Momoro, een ijdele adellijke gek als Cloots en andere goddelooze aanhangers van Danton aanrigtten , omdat de driemannen daarvan later gebruik maakten ten ver derve van Danton en zijne vrienden . De bovengenoemden gaven , om in de oogen des volks elken schroom van het hoogere uit te roeijen , niet alleen dekerk en de priesters, maar ook de godsdienst zelve aan de mis dadigste bespotting ten prooi. Zij hielden godslasterlijke optogten , ont wijdden de kerkelijke heiligdommen , en voerden in de kerken en op de straten tooneelmatige vertooningen ter bespotting van godsdienst en gods vereering op. Zelfs de vergaderzaal der conventie maakten zij tot het schouw tooneel hunner godslasteringen. Op den 7 november beschikten zij daar, bij gelegenheid van een hunner optogten , een schandelijk tooneel, waarbij Gobet, de bisschop van Parijs, de hem aangewezen hoofdrol uit angst op zich nam. Deze deed namelijk plegtig afstand van zijne priesterlijke be trekking , zijn voorbeeld volgden de overige priesters in de conventie, en daaronder ook de protestantsche predikant Julien. Slechts een eenige van allen , Gregoire, bezat den moed , om het levensgevaar te trotseren . waren. Fransche omwenteling. Het schrik bewind. 223 Hij verklaarde niet alleen luide , dat hij als vroeger katholiek en priester blijven zou , maar hij verscheen ook juist nu opentlijk in zijne priester kleeding. De abt Sièyes daarentegen, die anders altijd zwijgend nederzat, sprak luide uit, dat de zegepraal der rede over bijgeloof en dweeperij hem uitstekend verblijdde. Onmiddellijk na het schandelijk tooneel van den 7 november maakte de conventie zich belagchelijk door een besluit, waarbij in plaats der chris telijke godsdienst, die toch aan de geheele menschheid, niet alleen aan de fransche natie behoorde, even zoo eene nieuwe godsdienst gesteld zou wor den , als men in plaats van het fransche koningschap de fransche republiek gesteld had. Dit besluit luidde : „ de katholieke eeredienst wordt afgeschaft en door die der rede vervangen .” De nieuwe godin, tot wier tempel men de kerk Notre- Dame te Parijs bestemde, werd op den 10 november door het zoogenoemde feest der rede in zekeren zin plegtig gehuldigd . Nevens haar werden ook aan andere zinnebeeldige godheden, als aan de vrijheid , de jeugd, de huwelijkstrouw enz. kerken ingeruimd. Bij de openbare optogten, die men ter eere der nieuwe godheden hield, figureerden gemeene vrouwg personen. Ook de vrouw van Momoro stelde eens de godin der rede voor. Dagelijks kwamen bij de commissie schriftelijke verklaringen van verloo chening der godsdienst in , die meestal vergezeld gingen van schandelijke lastertaal. Hébert verlangde zelfs, dat men alle kerktorens, als strijdig met het beginsel der vrijheid , zou afbreken. De ergernis, door de onbeschoftheid en de goddeloosheid der aanhan gers gegeven , bood den verraderlijken Robespierre een gewenscht voor wendsel, om zich ook van deze menschen en van hun hoofd , den eigent lijken grondvester der republiek, te ontdoen. Robespierre had daarbij het voordeel, dat juist, toen hij Danton en zijne aanhangers zocht te verderven, velen hunner op stellige schurkenstreken betrapt werden. Het was bekend, dat Hébert , een der ergste godslasteraars, zich door den minister van oorlog honderd en twintig duizend francs voor het afdrukken van zijn blad (de Père Duchesne) had doen uitbetalen , die naar voorgeven onder de soldaten van het leger verdeeld werden , om hun sansculottismus te verlevendigen. Andere dantonisten , waaronder de predikant Julien , de voormalige capucijner Chabot, de advocaat Bazire , de vroegere tooneel dichter Fabre d’Eglantine, hadden woekerzuchtig beursspel gedreven , en men vertelde, dat Danton de winst met hen gedeeld had. Kort daarna lieten zich eenigen der genoemden door de bestuurders der oostindische compagnie met een half millioen omkoopen, en vervalschten daarvoor eene acte. Deze vervalsching werd bewezen en verijdeld , maar Robespierre ge bruikte die tot zijn doel. Een zijner handlangers in de conventie, de ad vocaat Amar, moest op den 18 november de bestraffing voorstellen van hen, wier verdediging, daar zij openbare schelmen waren , niemand op zich nemen durfde. Zij werden hierop gevangen genomen, behalve Julien, die zich door de vlugt redde. Daar echter de aanhang der gevangen schelmen nog al te magtig was, zocht Robespierre de partij op eene andere wijze aan te tasten. Hij maakte gebruik van de ergernis, die het pronken met de gods verloochening van vele dantonisten gegeven had, om het beter gedeelte der afgevaardigden en het volk aan zich te trekken en dan ook de kern der tegenpartij te verderven. Op den 20 november hadden Cloots en zijne medgezellen eenen optogt in de conventie gehouden, waarbij kanonniers in 224 Nieuwe Geschiedenis. koorgewaden verschenen , kerksieraden op ezels of draagbaren geladen aan de bespotting prijs gegeven en dolle liederen gezongen werden. Deze over maat van moedwil, waarover ook Danton verbitterd was, gaf Robespierre aanleiding, om zich reeds op den volgenden dag in de club der jacobijnen voor eenen vijand van het atheismus, dat hij aristocratisch noemde, te ver klaren. Zijne verraderlijke huichelarij had het gewenschte gevolg : Robes pierre verscheen als de laatste toevlugt van de onderdrukte meerderheid der niet geheel verdorven Franschen. Alle vrienden der orde voegden zich bij hem , omdat zij de lasteringen , uitspattingen en schelmerijen van de dantonisten voor een veel grooter onheil hielden , dan de dwingelandij der driemannen , die zich zelve vroeg of laat vernietigen moest. Ål de afge vaardigden , die tot nu vreesachtig gezwegen hadden , zagen , dat zij nu hardop spreken mogten . De conventie nam dan ook nu eindelijk maat regelen tegen de bespotting van de godsdienst en hare gebruiken. Op het einde van november werden maskeraden , als de zoo even vermelde, verboden en tevens bepaaldelijk verklaard , dat de godsdienstige vrijheid niet verkort zou worden . Van dit oogenblik af zweefde het zwaard boven het hoofd der corde liers , en de tweedragt tusschen hen en de aanhangers van Robespierre ging in openbaren strijd over. De jacobijnen verwijderden in december alle cordeliers uit hunne club. Daarentegen verklaarde Camille Desmou lins in het begin van het jaar 1794 stellig den oorlog aan de driemannen en hun schrikbewind. Hij nam namelijk plaatsen van Tacitus , waarin de dwingelandij en wreedheid van Tiberius met zeer sterke kleuren geschilderd werden, op zulke wijze in zijn dagblad ( Le vieux cordelier) op , dat elk in de schildering van Tiberius het beeld der driemannen herkennen moest. Danton hadde, daar hij door zijnen aanhang geduchter was dan Robespierre door den zijne, den tegen hem gerigten slag op het hoofd der driemannen kunnen doen nederkomen . Hij deed dit echter niet , deels omdat hij door zijn weelderig leven vadsig en flaauw geworden was, deels ook omdat hij uit liefde voor zijn vaderland geene aanleiding wilde geven tot eenen onder lingen verdelgingsstrijd tusschen de vaderlanders . Hij bezweek derhalve in spijt van zijne grootere magt voor den bewegelijken slangenaard van Ro bespierre. Danton en Desmoulins hadden hun doel bereikt : zij hadden door teugellooze stoutheid Frankrijk vrij gemaakt en tevens zich zelven verrijkt. Zij wilden daarom nu aan de eene zijde de verschrikking en de vernieling doen ophouden , maar ook aan de andere zijde in rust voor het genot leven. Zij hadden reeds lang in het comité van welzijn het veld geruimd voor den soberen , onophoudelijk werkzamen Robespierre. Later had Danton zich juist in het beslissende oogenblik naar zijne vaderstad Arcis sur Aube begeven, waar hij eenige maanden bleef en met zijne jonge vrouw alle parijsche woelingen vergat. Na zijnen terugkeer in de hoofdstad had hij, door de geringe meening, die hij van Robespierre koesterde, geenen strijd met hem aangevangen. Toen hij zich eindelijk vermande , zag hij , dat het te laat was. Robespierre kwam tegen Danton slechts zeer langzaam op , omdat hij zeer goed wist , hoe zeer die hem door zijne bekwaamheid en door zijnen aanhang overtrof. Hij vernielde eerst den een zijner aanhangers na den ander, en tastte hem zelven niet aan , voor dat hij zijne zaak geheel meester was. Hij had daarin veel vooruit, dat de groote hoop hem toegedaan was, Fransche omwenteling. Ondergang der dantonisten. 225 maar Danton en zijne vrienden haatte. Dit rustte op eene dubbele oorzaak. Robespierre namelijk zocht steeds de gunst der menigte, terwijl Danton de meening der menschen verachtte. Maar hij en zijne vrienden gedroegen zich bovendien onbeschoft en uitdagend, daar zij hunne rooverijen, buiten sporigheden en zelfzuchtig ongeloof openbaar ten toon spreidden. Robespierre daarentegen was wel vol van heerschzucht, hoogmoed en nijd en liet dui zenden om het leven brengen ; maar hij pochte daarbij op zijne deugd, bleef altijd onomkoopbaar, hield zich ver van brasserij en praalvertooning, en speelde in gebruiken en leefwijze den eenvoudigen burger, waarom dan ook de laagste volksklasse , zoo als de schrijnwerkersfamilie Lebas , waar hij at en woonde, hem afgodisch vereerde. Ook in de conventie en in de club der jacobijnen had Robespierre door de gemelde oorzaken meer in vloed verkregen, dan ooit zijne bekwaamheden hem bezorgd zouden hebben , Het middel , waardoor hij Danton en zijne partij te bederven zocht, was het reeds dikwerf gebezigde. Men bragt geruchten van eene gewaande zamenzwering in omloop, en liet vervolgens eene wet aannemen, waardoor zij, die men op het oog had, getroffen konden worden. De voorgewende zamenzwering bestond daarin , dat de cordeliers geld uit het buitenland ontvangen en eene zoogenoemde vreemdelingen - factie, om de conventie uit een te jagen, zouden gevormd hebben. Op den 13 maart 1794 deed St. Just in de conventie verslag van deze zamenzwering , en drong in naam der vereenigde comité's van welzijn en veiligheid op eene wet aan, waarbij de omvang van het begrip der verdachten zeer vergroot werd. Er zouden namelijk behalve detot nu bestaande royalistische , aristocratische en gees telijke doodschuldigen nog drie andere klassen gevormd worden. De twee eerste klassen bevatten die democraten, die de corrupten genoemd werden, of met andere woorden , de winstzoekende schelmen en de ultraomwente lingszuchtigen. Dezen werden in het verslag van St. Just zeer uitvoerig gekenmerkt. De derde klasse bestond uit de gematigden. Zij werden slechts ter loops aangeroerd, omdat alles op de twee andere klassen be rekend was. Zoo dra de door St. Just voorgestelde wet aangenomen was, paste men die toe op negentien mannen , die niemand beklagen of ernstig verde digen kon . Het waren septembermoordenaars, zoo als de generaal van het omwentelingsleger, Ronsin , bedriegelijke winstbejagers en veile hand jangers, zoo als zij, die vroeger Dumourier uitgevorscht en bespied hadden , en eenigenvan de onzinnige bespotters van de godsdienst, zoo als Momoro, Cloots en Hébert. Een gedeelte der zoogenoemde corrupten of overtuigde schurken , zoo als Chabot, Bazire en Fabre d'Eglantine, werden boosaar dig bespaard, om weldra te gelijk met Danton den dood te ondergaan en hem daardoor te smaden. De maire Pache , die tot dezelfde soort be hoorde , sloop ditmaal zoo wel als later door, en werd in het vervolg een voornaam heer. Op den_24 maart werden de negentien aangeklaagden reeds ter dood gebragt. De dwingelanden beroofden zich overigens toen zelven van de middelen om hun gezag te bewaren , omdat het op de stof felijke kracht der lagere volksklassen berustte,en na de teregtstelling van Ronsin, ten gevolge waarvan het omwentelingsleger op den 27 maart ont bonden werd, zich niemand meer aan het hoofd van het gewapende ge peupel kon stellen . Toenmaals was het duidelijk voor ieder, dat ook de kern der mannen, XVII. 15 226 Nieuwe Geschiedenis. die met hoofd en hand de nieuwe republiek gevestigd hadden, vernield zou worden. Danton hadde misschien met zijne helsche benden zich nog kunnen redden of ten minste zijn leven duur verkoopen; maar hij bezat in spijt van al zijne misdaden te veel gemoedelijkheid , verhevenheid van zin en vaderlandsliefde, om het aanbod van Westermann aan te nemen , die met zijne soldaten en de bewoners der voorsteden eenen aanval op de drie mannen beproeven wilde. Robespierre zelf koesterde zulk eene vrees voor de bekwaamheid en geestkracht van Danton en zijne vrienden, zoo wel als voor de magt van hunnen aanhang, dat hij tot hunne gevangenneming niet alleen de toestemming der beide regeringscomité's, maar ook die van het talrijk comité van wetgeving meende te moeten afvragen. Eerst nadat dit geschied was , waagden de driemannen het , om in den nacht van den 30 op den 31 mei den vreeselijken Danton en met hem zijne vrienden Desmoulins, Lacroix en Philippeaux, waarvan de laatste de in de Vendée gepleegde gruwelen onthuld en hunne bestraffing geëischt had , te doen gevangen nemen . Op den volgenden morgen deden de driemannen in de conventie het voorstel, dat de gevangenen te gelijk met een aantal ande ren als medezamengezworenen van den hertog van Orleans, van Dumourier en Fabre d'Eglantine aangeklaagd zouden worden. De conventie besloot, als altijd , wat haar bevolen werd , ofschoon de meerderheid harer leden den aangeklaagden toegenegen was. In de regtspleging der genoemde vier mannen werden nog elf anderen gewikkeld , en wel niet alleen lieden als Westermann en Hérault de Sechelles, maar ook een Fabre d'Eglantine, een Chabot, een Bazire en andere schurken . Op den 1 april begon het regtsgeding voor het tribunaal der omwen teling ; het duurde tot den 4. Danton en Desmoulins boezemden door hunne onverschrokkene houding den regters vrees in ; en er heerschte in de geregtszaal gedurende de geheele behandeling een geducht gedruisch en beweging. Toen Danton en Desmoulins eindelijk zelfs de verschijning in persoonhunner aanklagers en ook het opkomen van zestien afgevaardig den als getuigen eischten, of met andere woorden, toen zij het regtsgeding in eene aanklagt tegen hunne vijanden veranderen wilden , verloren zelfs lieden als de voorzitter Herman en de openbare aanklager Fouquier Tinville den moed. Dezen wisten zich slechts door een zeer buitengewoon middel te helpen. Zij wendden zich midden in de laatste zitting van het tribunaal tot het comité van welzijn , en verlangden , dat eene bijzondere wet voor dit afzonderlijk geval gemaakt zou worden. St. Just snelde hierop terstond naar de conventie en drong op zulk eene wet aan. Tot aandrang van zijn verlangen bediende hij zich van eenen spion , die met de aangeklaagden opgesloten was en aangebragt had, dat hij een hunner had hooren zeggen, dat zij wel eens door eenen opstand bevrijd konden worden. Dit gezegde werd als het blijk eener in de gevangenis gesmede zamenzwering opgeno men , en de conventie nam , daarop steunende, het besluit , dat het tribu naal der omwenteling de aangeklaagden vonnissen en ieder , die daaraan den verschuldigden eerbied niet bewees of gedruisch en onrust veroor zaakte, zonder eenigen vorm veroordeelen zoude. Overeenkomstig dit be sluit der conventie werden de aangeklaagden terstond weggevoerd en op den volgenden dag ( 4 april) kort en goed ter dood veroordeeld. Op den 5 april bestegen zij het schavot. Zij bewaarden hunne standvastigheid tot het laatste oogenblik. Acht dagen later werden achttien andere personen, > Fransche omwenteling. Ondergang der dantonisten 227 . die tot de tegenstanders der driemannen behoorden , en daaronder ook de de bisschop Gobet en de gemeenste van allen , de godslasteraar Chaumette, ter dood gebragt. Men had den laatste opzettelijk bewaard , om de andere veroordeelden door zijne aanwezigheid te beschimpen . De driemannen schenen gezegevierd te hebben, maar nu hadden zij ee nen hopeloozen strijd tegen de talrijke aanhangers van Danton door te staan , en te gelijk tegen alde vijanden van de jacobijnen, die zich, het mogten royalisten of republikeinen zijn, bij de overblijfselen der partij van Danton in de conventie aansloten. Robespierre moest derhalve sedert april zijne wreedheden tot het uiterste verheffen , te meer daar hij door hoog moed , heerschzucht en nijd ook voor zijne medeleden in het comité van welzijn onverdragelijk geworden was. Het aantal der staatkundige gevan genen te Parijs , dat op den 1 mei reeds tot acht duizend gestegen was, groeide altijd aan, hoewelin het begin dagelijks minstens een, later twee, vervolgens drie en eindelijk zelfs vier dozijn menschen en meer ter dood gebragt werden. Bij de menigte krachtvolle booswichten , die opgeofferd moesten worden, maakte steeds eene teregtstelling tien andere noodzakelijk , en de driemannen hadden , alleen om zich staande te kunnen houden, Frankrijk tot eene woestijn moeten maken . Danton had derhalve ook vóór zijnen dood met het meeste regt kunnen voorspellen, dat zijne moordenaars zelven binnen korten tijd het schavot zouden bestijgen. Op den 10 junij (22 prairial) nam de conventie op voorstel van Couthon zelfs het besluit, dat bij het omwentelirgstribunaal alle getuigen gemist konden worden , of, zoo als men zich uitdrukte, dat het geweten der door liefde voor vaderland en regt vervulde regters en gezworenen tot het vellen van het vonnis ge noeg zouden zijn. Bij dezelfde wet werd het tribunaal in vier raadkamers verdeeld , die elke uit drie regters en negen betaalde gezworenen bestonden en ter zelfder tijd naast elkander zitting hielden . Onder de offers, die in de lente van het jaar 1794 aan het heerschende vreeselijke stelsel gebragt werden , behoorde ook Elizabeth , de zuster van Lodewijk XVI. Bijna op hetzelfde tijdstip, dat deze prinses, het toonbeeld van elke vrouwelijke en christelijke deugd, ter dood gebragt werd ( 10 mei) , kwam de hardnekkige en nijdige verwoester van alle ware vrijheid op den inval, om de profeet van eenen republikeinschen God te worden. Hij ge voelde namelijk , dat zijn troon wankelde, en geloofde bij zoo velen , die naar den terugkeer van godsdienstige gevoelens en zedelijke beginselen reikhalsden , eenen steun te kunnen vinden , als hij op eens godsdienst ver kondigde. Maar hij maakte zich ook daardoor nog belagchelijk, nadat hij reeds lang gehaat was. Op den 7 mei hield hij in de conventie eene woordenrijke redevoering over godsdienst en zedeleer en haar verband met de republikeinsche beginselen, en bewoog de vergadering, om bij een be sluit het bestaan van het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel voor waarachtig te verklaren. Tevens liet hij niet slechts vier groote na tionale feesten ter herinnering aan den 14 julij 1789, den 10 augustus 1792 , den 21 januarij en den 31 mei 1793 instellen , maar ook de deca den of zondagen van den republikeinschen almanak voor feestdagen ver klaren, die het hoogste wezen, hetmenschelijk geslacht, het fransche volk, den weldoeners der menschheid , der vrijheid, der jeugd, den landbouw enz. gewijd waren. Nadat op deze wijze eene republikeinsche godsdienst 15 * 228 Nieuwe Geschiedenis. ren in het leven geroepen , en eene nieuwe eeredienst daarvoor geregeld was, liet Robespierre op den 8 junij ( 20 prairial) het zoogenoemde feest van het hoogste wezen houden , eene met optogten , pralende redevoeringen , liede en zinnebeeldige handelingen opgesierde tooneelmatige vertooning, waarbij de hoogmoedige huichelaar zelf als hoogepriester der nieuwe gods dienst voorkwam. Dit alles verwekte aan de eene zijde den spot der mede leden van Robespierre en van den anderen kant den afkeer van alle beterge zinden . Robespierre zelf dwaalde toen af op een hem geheel vreemd gebied van bespiegeling. De koude, alleen voor het bloot stoffelijke vatbare man wilde even als zijn vriend, de idealist St. Just, dweepen ; maar hij verloor, terwijl hij naar de sterren meende te zien, het voor zijne voeten liggende bereikbare doel uit het oog, gleed uit , en werd vervolgens door zijne zui ver practische medeleden in het comité van welzijn , een Collot d'Her bois en Billaud-Varennes, geheel ter neder geworpen. De tegenstanders der driemannen in het comité van welzijn hadden , toen zij hunnen val beoogden , het voordeel, dat zij zelven later hunne handen in onschuld wasschen en al de gepleegde moorden aan de drie mannen toeschrijven konden . Dit voordeel verleende hun de omstandig heid, dat elk lid van het comité van welzijn zijn bijzonder vak had. De driemannen konden overigens het oogmerk hunner tegenstanders in junij reeds duidelijk inzien ; want toen bleek het , dat zoo wel in de conventie als in de beide regeringscomité's de meerderheid hun niet meer blindelings volgde. Robespierre achtte het derhalve van dit oogenblik af voor raad zaam , om de zittingen van het comité van welzijn volstrekt niet meer bij te wonen. Tegen het hun dreigende gevaar zochten zich de driemannen door hun gewoon middel te helpen. Zij verzonnen eene zamenzwering, om hunne vijanden als deelgenooten daarvan te kunnen bederven. Hun hoofdzetel was de hun slaafsch toegedane club der jacobijnen , die toen te Parijs nog alvermogend was , omdat daartoe niet alleen de regters en de openbare aanklager van het tribunaal der omwenteling, maar ook de maire Fleuriot en de leden van den gemeenteraad behoorden. Bovendien konden zich de driemannen op de geduchte onder den naam van nationale garde bestaande gewapende burgermagt van Parijs verlaten ; want daarover voerde Henriot het bevel, die der jacobijnsche factie in leven en dood verknocht was. Zoo dra Collot d’Herbois en Billaud-Varennes, de hoofden der tegen de driemannen ontstane vereeniging, uit de handelingen van de club der jacobijnen doorzagen, dat zij bedreigd werden , besloten zij, om deor den val der driemannen hunnen eigen ondergang te voorkomen. Ook Carnot, die, in zijn vak verdiept, lang gezwegen had, was eindelijk opgekomen te gen het drijven van drie lieden, die diep beneden hem stonden . Barère daarentegen loerde nog, tot dat hij geheel zeker was van den wind , die begon te waaijen, en hij zijne zeilen anders rigten kon. De overige leden van het comité van welzijn , Lindet , Prieur , Jean Bon St. André, waren reeds lang gewoon , denzelfden weg met Carnot te gaan. Bij de genoemde tegenstanders der driemannenin het comité van welzijn sloten zich Fouché, Tallien , Fréron , Legendre, Thuriot, Bourdon en andere afgevaardigden der conventie aan . Onder hen werden Bourdon, Legendre en Thuriot als dantonisten door den wensch geleid , om den moord van hunnen vriend te wreken . Maar Fouché, Fréron en Tallien grepen de gelegenheid aan , om hunne te Lyon , Marseille, Toulon en Bordeaux gepleegde gruwelen Fransche omwenteling. Val der driemannen. 229 te doen vergeten. De twee laatsten waren toen van sansculotten sierlijke heeren geworden, en inzonderheid speelde Tallien , als echtgenoot van eene der rijkste dames naar de wereld, mevrouw van Fontenay geboren Cabar rus , die hij uit de gevangenis gered en vervolgens voor eenigen tijd ge huwd had , de rol van eenen ijverigen bekeerling der aristocratie. De driemannen zochten tegen hunne vijanden het tooneel van den 31 mei en 2 junij 1793 (z. bl. 212 vv.) te hernieuwen. Zij vonden echter eenen geheel anderen tegenstand, dan de girondisten op die beide dagen geboden hadden ; want hunne tegenstanders waren vast geworteld in den bodem der omwenteling en hadden eenen aanzienlijken aanhang. De drie mannen begonnen hunnen aanval daarmede , dat zij Fouche en andere hunner tegenstanders uit de club der jacobijnen lieten werpen, en daardoor hen aanduidden , wier verderf zij wenschten . Vervolgens hield Robespierre op den 8 thermidor ( 26 julij) in de conventie eene redevoering, waarmede hij op een door St. Just op den volgenden dag uit te brengen verslag over zamenzweringen voorbereiden wilde. Zij werd door het eene gedeelte der afgevaardigden morrend , door het andere zwijgend aangehoord, en de wijze, waarop terstond daarna Fréron en anderen tegen Robespierre op traden , moest hem overtuigen , dat de ratten reeds het strandende schip van het driemanschap begonnen te verlaten. Nu verkreeg Barère ook ein delijk moed. Hij liet zich in den avond van dezen dag in de zitting der vereenigde regeringscomité's open en stout tegen het driemanschap uit. Beide partijen bereidden zich des avonds en den volgenden morgen voor tot den naderenden strijd. St. Just stelde in de zitting zelve der beide co mité's, afgescheiden van zijne medeleden , eene acte van beschuldiging, die ingekleed was in den vorm van een in naam der comité's voor te lezen ver slag; maar hij deelde die zijnen medeleden in spijt van hunne uitnoodiging niet mede. De laatsten , die reeds van eene andere zijde het voornemen der driemannen vernomen hadden , stelden derhalve ook van hunne zijde een berigt. Zij kwamen daarmede echter eerst tegen den middag van den vol genden dag gereed, toen St. Just in de conventie reeds begonnen was zijn verslag voor te dragen. Het berigt der tegenstanders bevatte het voorstel, dat Robespierre en al zijne deelgenooten in staat van beschuldiging gesteld en gevangen genomen, eene afkondigingaan het volk uitgevaardigd en de parijsche nationale garde gereorganiseerd zou worden. In den morgen van den 9 thermidor (27 julij) hield de conventie, die op dezen dag eerst door Collot d'Herbois , maar later door Thuriot, een oud vijand van Robespierre, werd voorgezeten, zich eerst bezig met onder geschikte zaken. Daarna begon St. Just zijn verslag voor te lezen. Maar nu verschenen de leden der beide comité's met hun berigt, en naauwelijks waren zij de zaal binnen gekomen , of St. Just werd in het voorlezen be let . Vergeefs trachtte hij weder aan het woord te komen ; vergeefs spande Robespierre alles in , om hem daartoe te helpen; vergeefs had men jaco bijnen in de zaal gezonden, om het oogenblik te bespieden, waarop Hen riot en zijne benden te hulp geroepen moesten worden. Al de handen verhieven zich , die vroeger op bevel van Danton zoo dikwerf met goed gevolg in de weer waren ; Robespierre en St. Just werden door onophou delijk geschreeuw belet te spreken , de jacobijnsche verspieders buiten de zaal geworpen , en vervolgens het woord aan den daartoe gekozen Tallien gegeven. Nu werd de opschudding nog erger. De geheele vergadering 230 Nieuwe Geschiedenis. verdrong zich bij het redenaarsgestoelte ; en toen Robespierre telkens weder beproefde te spreken , klonk van alle kanten het geroep : „ gij hebt het woord niet ! weg met den tiran! ” Men liet hem en zijnen medgezel St. Just niet weder aan het woord komen ; en toen Tallien te midden der op schudding tegen de tot nu magthebbende tirannen sprak , werden op eens al de lafaards stout. Op zulk eene wijze behaalden, tot groote blijdschap van alle gematigde afgevaardigden, boosdoeners en schurken eene over winning over huns gelijken, die regtschapen lieden niet behaald zouden hebben . Toen de stem der driemannen verstikt was beklom Barère het spreekgestoelte , om het berigt der beide comité's voor te lezen . Op zijn voorstel werd de hervorming der nationale garde, eene afkondiging aan het volk en de gevangenneming van Robespierre, St. Just en Couthon beslo ten. Onmiddellijk daarna werd op last der regeringscomité's ook de bevel hebber Henriot, juist toen hij het volk in de wapenen riep , in hechtenis genomen. De conventie hief, zoo dra de overwinning behaald was , hare zitting voor eenigen tijd op. Toen zij des avonds ten zeven ure weder geopend werd, had alles een geheel ander aanzien bekomen. De jacobijnen hadden de wijkvergaderingen bijeen geroepen ; de hun toegedane gemeenteraad had van zijne zijde niet stil gezeten; Coffinhal had Henriot uit de gevan genis bevrijd, en deze trok met talrijk geschut tegen de Tuilerien op, waar de conventie zoo even hare zittingen weder opende. Kort daarna werden ook de andere gevangenen weder bevrijd. Men bragt hen terstond vaar het stadhuis, waarhunne vrienden zich vereenigd hadden. Gelukkig voor de conventie verspilde echter Robespierre, in plaats van snel te ban delen , den tijd in beraadslagingen , en Henriot , die geheel dronken was, kon zijne kanonniers niet tot vuren bewegen , toen zij vernamen, dat de conventie hem buiten de wet verklaard had. De conventie maakte ge bruik van de besluiteloosheid harer vijanden, om spoedig tegenmaatregelen te nemen .. Zij verklaarde, zoo als men dat noemde, Robespierre en zijne vrienden buiten de wet, liet door uitgezonden commissarissen de wijken , die den jacobijnen vijandig waren, in de wapenen roepen , en benoemde den afgevaardigde Barras tot opperbevelhebber der geheele gewapende magt. De laatste, die vroeger als commissaris der conventie te Marseille en Tou lon zijne wreedheid en geestkracht bewezen had (z . bl . 216 vv .), bezat wel geene groote krijgskundige ondervinding, maar hij bezigde steeds bekwame onderbevelhebbers. Tegen drie ure in den morgen rukten de door de commissarissen der conventie verzamelde benden van alle kanten tegen het stadhuis op , waarvoor het volk digt opeen gedrongen stond en nog altijd op de bevelen zijner aanvoerders wachtte. In korten tijd was de menigte uiteen gedreven . De troepen der conventie drongen het stadhuis binnen, en namen daar des morgens ten vier ure de buiten de wet gestelde mannen gevangen . Alleen St. Just liet zich zonder tegenstand gevangen nemen . Lebas doodde zich door een pistoolschot. Robespierre beproefde hetzelfde, maar verpletterde zich slechts de onderkaak en werd afschuwelijk misvormd weggesleept. Zijn broeder sprong uit een raam , vond echter den gezochten dood niet. De lamme Couthon werd onder de tafel gevat, waar hij zich , alsof hij dood was , had nedergevleid. Henriot was in een riool gekropen, en werd vol vuilnis met eenen haak voor den dag gehaald. De gevangenen , twee en twintig in getal , werden nog op denzelfden Fransche omwenteling. Val der drie mannen. 231 vlag ter dood gebragt. De regeringscomité's verklaarden namelijk , dat bij buiten de wet gestelden geen regtsgeding noodig was, maar dat het om wentelingstribunaal zich alleen teverzekeren had, of het de bedoelde per sonen waren. Fouquier Tinville trachtte te vergeefs de teregtstelling te vertragen ; de conventie deed juist zoo , als zij bij de veroordeeling van Danton gehandeld had ; zij gelastte het tribunaal de onverwijlde uitvoering van haar doodvonnis. · Het bevel werd voltrokken , en kort vóór het slui ten harer zitting ontving de conventie het berigt , dat de hoofden der ge vangenen gevallen waren. Tot de op den9 thermidor teregtgestelden be hoorden de twee broeders Robespierre, St. Just , Couthon, Henriot , de voorzitter van het omwentelingstribunaal Dumas , en de naire Fleuriot. Op de beide volgende dagen werden nog twee en zeventig andere jacobij nen en aanhangers van Robespierre, en daaronder de meeste leden van den parijschen gemeenteraad, ter dood gebragt. De geschiedenis der men schen, die Frankrijk twee jaren lang mishandeld hadden, eindigde derhalve als eene rooversvertelling. De gelukkige uitkomst der zaak was, zoo als een der geloofwaardig . sten onder de vele schrijvers van gedenkschriften uit dien tijd , de afge vaardigde der conventie Thibaudeau , oordeelt, even als de meeste groote gebeurtenissen de vrucht van het toeval geweest. „Als ondernemingen, voegt Thibaudeau er bij , mislukken , dan klaagt de mensch het noodlot aan ; maar gelukken zij , dan schrijft hij die aan zijne eigene wijsheid toe. Elk maakte derhalve na den val der driemannen aanspraak op de eer, daartoe meer of minder bijgedragen te hebben.” Ook over het wezentlijk karakter van den strijd tegen Robespierre oordeelt deze man, die tot de weinige bedaarde en verstandige vrijheidsvrienden van zijnen tijd behoorde, doorgaans juist en treffend. Hij zegt : het doel van den strijd was geens zins de vernietiging der tirannij , maar blootelijk eene verwisseling in de personen der tirannen geweest. Werkelijk ging ook de val der driemannen niet gepaard met eene verandering van het heerschende stelsel ; want die zou een geregtelijk onderzoek naar de aanleggers en leiders van het schrik bewind , alzoo ook tegen de overwinnaars der driemannen of, zoo als men hen noemde, de thermidoristen , vereischt hebben . Het scheen zelfs, alsof terstond na den 9 thermidor het schrikbe wind nog in hevigheid zou toe nemen . De thermidoristen, Fouché, Barras, Fréron, Legendre en Tallien, waren immers de romp der dantonisten, menschen zonder geweten en be ginsel, die niet dweepten , als St. Just, maar hunne misdaden koel bere kenden. Deze menschen konden zich trouwens niet lang in het bezit van het hoogste gezag handhaven ; want zij hadden het gemeen, dat hen alleen tegen het beter deel der natie hadde kunnen beschermen, onverzoenlijk be leedigd , en zich zelven alzoo van hunnen steun beroofd . 8. LOOP VAN DEN EERSTEN COALITIE- OORLOG IN DE JAREN 1793 EN 1794. De oorlog , dien het vereenigde Europa tegen Frankrijk voerde, nam reeds na anderhalf jaar eene ongelukkige wending voor de bondgenooten. Dit is even zeer als het latere oorlogsgeluk der Franschen eenvoudig daaruit te verklaren , dat de oorlog voor de Franschen eene nationale zaak was, voor hunne vijanden daarentegen alleen eene zaak der ministers en van hunne staatkunde. Maar bovendien waren ook aan de zijde der laatsten 232 Nieuwe Geschiedenis. de bevelvoerende generaals en hunne vorsten steeds onderling oneenig, ter wijl daarentegen bij de Franschen een enkel man, Carnot, de krijgszaken met onbeperkt gezag bestuurde. Deze ervarene en voortreffelijke krijgsman bestreed de aan hunne oude manier vast houdende aanvoerders der vijanden door een nieuw uitgevonden stelsel van krijgskunst. Hij werd daarin, we gens het ingevoerde schrikbewind, in al zijne maatregelen noch door eenige bedenking hoegenaamd, noch door het geringste bezwaar belemmerd. Alles, wat tot den oorlog vereischt werd , menschen, geld, buskruid , geschut en levensmiddelen , werd toenmaals in Frankrijk overal, waar men het vond, weggenomen , en de dood bedreigde elk , die zich verzette. Onder zulke omstandigheden en tegenover de dapperheid van een leger, dat uit de vereenigde weerbare manschap van een krijgshaftig volk bestond ,, moest de wijsheid van stelselmatige veldheeren, die tot een verleden tijdperk be hoorden , noodzakelijk te schande worden. Wij hebben deze algemeene' aanmerking voorop gesteld, en willen die nog door eenige verdere ophelderingen verklaren, omdat de oorlogsgebeur tenissen zelven slechts zeer beknopt medegedeeld kunnen worden . Hertog Ferdinand van Brunswijk zelf heeft, toen hij in het jaar 1794 zijn ontslag nam , opentlijk verklaard , dat de bondgenooten met te beperkte middelen, die hunne verouderde staatsinstellingen hun verleenden , niet in staat wa ren, om het hoofd te bieden aan de ontzagwekkende democratische eenheid der Franschen. En toch behoorde hij zelf tot de generaals, die tegenover een in geestdrift ontstoken volk en zijn nieuw oorlogsstelsel de oude kunst matige krijgsvoering niet durfden verloochenen. Even zulke generaals wa ren zijne opvolgers in het bevel, Möllendorf , de prins van Koburg , die de Oostenrijkers aanvoerde, en de hertog van York, de zoon van George III, die het bevel voerde over het engelsche landleger. Clairfait en de aarts hertog Karel maakten trouwens cene uitzondering; maar deze mannen be zaten geenen genoegzamen invloed in het kabinet en zagen zich zoo wel door de staatkundige kuiperijen , die gedurende den oorlog steeds voort duurden, als ook door de tweedragt hunner regeringen en door het gebrek aan krijgsbehoeften en levensmiddelen in hunne ondernemingen belemmerd. Voor de krijgsbenoodigdheden was zoo weinig gezorgd , dat, toen in 1793 de Pruisen Mentz , de Oostenrijkers Valenciennes en Condé belegerden, geen van beiden het noodige geschut had , maar het van de Hollanders leenen moest. Zelfs de wijze , waarop men de plannen van den veldtogt ontwierp , maakte het voor elken bekwamen generaal onmogelijk , iets met goed gevolg te ondernemen. Toen b. v. in februarij 1794 het plan voor den oorlog van dat jaar vast gesteld zou worden , riep men niet alleen de legerhoofden en generaals, maar ook een groot aantal prinsen en graven bijeen. Met het papieren gewrocht eener zoodanige vergadering moesten vervolgens vijanden bestreden worden , die door ééne vaste hand bestuurd en door de bekwaamste veldheeren aangevoerd werden. Zelfs onder de generaals heerschte tweedragt. Men moest b. v. in het jaar 1793 wegens den naijver , die tusschen Ferdinand van Brunswijk en den oostenrijkschen generaal Wurmser bestond , de zonderlinge schik king treffen , dat alle bevelen van den eerste aan den laatste niet door hem, maar door den pruisischen koning gegeven werden. De onmin tusschen de beide regeringen was nog grooter, omdat elk zijn eigen doel beoogde. De Oostenrijkers bewezen reeds bij de eerste onderneming, die zij in 1793 Fransche omwenteling. 233 De oorlog in het jaar 179 3. na de verraderij van Dumourier volvoerden , dat zij de coalitie alleen wil den bezigen om voor zich zelven veroveringen te maken ; want zij namen de beide vestingen Condé en Valenciennes, die zij toen veroverden , niet als aanvertrouwd goed , maar als eigendom in bezit. Zij verwekten daar door het grootstewantrouwen bij hunne bondgenooten, en bragten die geheel op denzelfden weg. De toenmalige raadpensionaris van Holland, van de Spiegel, zegt ronduit, dat men van het begin af zich had moeten spoeden , om de aan elken staat bij voorraad toegedeelde landstreken ook van zijne zijde in bezit te nemen . Deze verderfelijke staatkunde was te gelijk met alle kuiperijen en valschheden van kleingeestige zielen door den bekenden baron Thugut ( z. bl. 176 v. ) in het oostenrijksche kabinet ge bragt. Bij de Pruisen, wier koning onder het juk van zekere gravin Lich tenau stond (z . bl. 30) , dreven Lucchesini en Haugwitz hetzelfde arg listige spel . In het begin van het jaar 1794 verkregen zij door de mede werking van den minister Hardenberg eenen nieuwen steun voor hunne onheilvolle staatkunde, die eene vergrooting van Pruisen ten koste van Duitschland bedoelde. Hardenberg was vroeger in dienst geweest van den laatsten markgraaf van Ansbach en Baireuth en had dien zoo ver gebragt, dat hij nog bij zijn leven (1791) zijn land aan Pruisen afstond. Hij was later besturend minister van deze nieuwe pruisische bezitting geworden , had zich als zoodanig grooten invloed aan het hof verworven , en kwam in het begin van 1794 aan den Rijn , niet om de verdediging van den duitschen vloed te verzekeren, maar om die te belemmeren . Van dit oogenblik af had het pruisische kabinet geen ander doel op het oog , dan zich geheel aan den oorlog, met Frankrijk te onttrekken , opdat zijn aandeel aan den buit in Polen beveiligd bleef. Van het duitsche rijk en zijn deel in den oorlog kan de geschiedenis niet spreken , omdat in dit opzigt alleen van beraadslagingen en van dat, wat behoorde te geschieden, niet van hetgene werkelijk geschiedde, vermeld kan worden. Wat den oorlog zelven aangaat, blijkt het uit de zoo even gemaakte aanmerkingen, dat het voeren daarvan aan de zijde der verbondenen voor namelijk door staatkundige bedenkingen en door de onder hen bestaande betrekkingen bepaald werd. Het is derhalve ook niet mogelijk, den zamen hang der krijgsgebeurtenissen kortelijk klaar voor te stellen, en wij moeten ons veeleer bij eene bloote vermelding van het voornaainste beperken. Na de vlugt van Dumourier zochten de verbondenen aan de eene zijde de Franschen weder van den Boven- Rijn terug te drijven, en aan de andere zijde door Belgie in Frankrijk te vallen. Aan den Boven- Rijn drongen de Oostenrijkers onder aanvoering van Wurmser naar den Elzas door. Ter zelfder tijd werd Mentz door de Pruisen belegerd. Deze vesting was door de Franschen niet alleen op nieuw in orde gebragt , maar ook van het noodige geschut en met eene bezetting van twee en twintig duizend man onder bekwame generaals voorzien. Zij kon derhalve alleen door honger tot overgave gedwongen worden . Dit geschiedde op den 22 julij, nadat de vesting reeds sedertden 14 april naauw was ingesloten. Omstreeks den zelfden tijd vielen in het noorden de twee vestingen Condé en Valenciennes. Daar was eerst Dampierre en, toen deze kort daarna den dood vond, Cus tine in de plaats van Dumourier gesteld. De laatste kon het sedert april belegerde Condé niet redden ; hij werd daarvoor na den val dezer vesting ( 11 julij) gevangen genomen en vervolgens in augustus ter dood gebragt. 234 Nieuwe Geschiedenis. Zijn opvolger in het bevel was Houchard.. Deze kon even min het door den hertog van York belegerde Valenciennes ontzetten , dat zich reeds op den 28 julij overgaf. Na de verovering van Condé en Valenciennes mislukten de verdere ondernemingen der verbondenen door de boven opgegevene omstandigheden . De hertog van York legerde zich voor Duinkerken , omdeze sterke haven voor Engeland te veroveren . Doch de Oostenrijkers en Pruisen verdeelden hunne krachten , om overeenkomstig de oude manier de eene vesting na de andere te belegeren en den tijd met heen en weer trekken door te brengen. Intusschen schiep het comité van welzijn eene uit tien legers bestaande nationale krijgsmagt, die onder de aanvoering van bekwame ge neraals gesteld werd ; en Carnot, die op den 13 augustus in het comité van algemeen welzijn kwam , vond een geheel nieuw stelsel van oorlogvoeren uit. Volgens dit stelsel werden, in strijd met de langzaamheid der bond genooten , vlugheid en spoed der bewegingen, zoo wel als plotselinge aan vallen met overmagt tot hoofdzaak gemaakt, en bovendien niet , gelijk de tegenstanders met hunne geworvene troepen deden , in aanmerking genomen, hoeveel volk verloren ging. Men meende een groot doel nooit teduur te kunnen koopen, en gaf in het algemeen niets om het leven van duizenden. Om het benaauwde Duinkerken te ontzetten versterkten de Franschen , zonder dat de verbondenen het bemerkten, de legerafdeeling van Houchard door troepen , die met postpaarden aangebragt werden. Houchard tastte hierop den hertog van York aan , sloeg hem op den 8 september volkomen bij Hondschoten, en dwong daardoor tot het opbreken der belegering van Duinkerken. Terstond daarna drong hij de Hollanders en Engelschen in Vlaanderen terug ; doch hij werd, toen hun de Oostenrijkers te hulp kwamen, op den 15 september geslagen, en moest daarvoor later, even als Custine, met het leven boeten . Jourdan werd in zijne plaats opperbevelhebber van het leger van het noorden. Deze ontving, toen de Oostenrijkers Maubeuge bedreigden, bevel , om het uiterste te wagen. Hij tastte derhalve op den 15 october bij het dorp Wattignies den generaal Clairfait aan. Zijn aanval mislukte wel, maar in den volgenden nacht werd het fransche leger aan zienlijk versterkt, en daags daarna bevocht Carnot, die zich als afgevaar digde der conventie bij Jourdan bevond en het bevel over eene afdeeling op zich genomen had , eene volledige overwinning. Vele krijgskundigen beweren echter, dat de hertog van Koburg ten gevolge van dezen slag al te haastig de belegering van Maubeuge opgeheven heeft. Dit laten wij onbeslist ; zeker is het, dat de oorlog, toen beide partijen in november de winterlegeringen betrokken , ten voordeele der Franschen uitgeloopen was. Dezelfde uitkomst had de oorlog aan den Boven - Rijn , waar het in den beginne zeer ongunstig met het fransche leger stond , maar dat door de zelfzucht, tweedragt en langzaamheid der verbondenen weldra even zeer de overhand verkreeg. Daar weigerden eerst de Pruisen den generaal Wurmser , toen hij tegen den Elzas oprukte , de noodige ondersteuning. Toen zij die eindelijk verleenden , en op den 14 september bij Pirmasens een klein fransch leger geheel sloegen, werd daardoor niets gewonnen, omdat koning Frederik Willem toen juist vele troepen van den Rijn naar Polen zond , en welhaast zelf daarheen vertrok. Op den 13 october ge lukte het den Oostenrijkers en Pruisen , de Weissenburger linien , eene door Vauban aangelegde rij van veldverschansingen , met storm te nemen Fransche omwenteling. Oorlog van het jaar 1794 235 . en zich daardoor den weg naar den Elzas te banen . Maar straks daarop verlamde de opentlijke bedoeling van het pruisische kabinet , om zich aan den verderen oorlog te onttrekken , weder alle ondernemingen. De Fran schen zonden in dien tijd twee jeugdige mannen , Hoche en Pichegru, die tot veldheeren geboren waren , met versche troepen naar den Boven -Rijn . Hoche keerde zich tegen de Pruisen , Pichegru tegen de Oostenrijkers. De eerste leed wel op den 30 november bij Kaiserslautern eene nederlaag ; maar Ferdinand van Brunswijk vervolgde zijne overwinning niet , en ver leende den generaal Wurmser eerst toen het te laat was de noodige hulp. De laatste kon namelijk zijn plan , om de steeds heviger aanvallen van Pichegru door eene aanvallende beweging te verijdelen , niet ten uitvoer brengen , omdat Ferdinand , die den ouden Wurmser al te verzot op de verovering van den Elzas achtte, met zijne hulp zoo lang draalde, tot dat de Franschen hunne maatregelen van verdediging genomen hadden en van hunne zijde op het einde van december de linien bij bestorming namen . Nu moesten de verbondenen al het land tot Worms ruimen. Ook in het zuiden en westen van Frankrijk waren de republikeinen in 1793 allerwegen overwinnend. Zij bedwongen in october het oproerige Lyon ; zij veroverden in december het door de Engelschen bezette Toulon ; en al mogten ook de Spanjaardeu nog in dezelfdemaand aan de Pyreneën een gedeelte van Frankrijk bezetten, zij werden welhaast door Dugommier niet alleen terug gedreven, maar ook in hun eigen land aangetast. In het volgende jaar (1794) ging het den bondgenooten niet beter. Aan de zijde der Pruisen werd Ferdinand van Brunswijk in januarij terug ge roepen en door den ouden Möllendorf vervangen , die even min als zijn voorganger tot het beoorlogen der Franschen geschikt was en tevens zijne handelwijze tegen de Oostenrijkers voortzette. Maar de keizerlijken ver spilden den tijd met beraadslagingen in het ontwerpen van oorlogsplannen, die weldra weder opgegeven moesten worden . De mannen, aan wie keizer Frans het bestuur overgelaten had , deden zelfs , hoewel vergeefs, vredes voorslagen aan de Franschen. Het pruisische kabinet zou zich zelfs in het voorjaar reeds geheel van de coalitie los gemaakt hebben, als de En gelschen en Hollanders het niet door een op den 19 april gesloten verdrag, waarbij de geldelijke toelagen bepaald werden , zoo ver gebragt hadden, dat het zich verpligtte, om met twee en zestig duizend manook in het vervolg deel aan den oorlog te nemen. Het ging trouwens daarom niet anders dan vroeger : Möllendorf weigerde, toen men een plan voor den veldtogt ontworpen had , onder allerlei voorwendsels zijne medewerking, omdat hij niet naar de Nederlanden, waar een hoofdslag geschieden moest, trekken, maar onafhankelijk blijven wilde. De veldtogt, die eerst in het midden van april geopend kon worden, was in den beginne gelukkig voor de bondgenooten . Dit veranderde in tusschen weldra, omdat het comité van welzijn al de in zijne magt staande middelen tegen de vijanden in het werk stelde. Drie fransche legers wer den tegen de Nederlanden bijeen gebragt, en dezen verkregen hoogere en lagere bevelhebbers, die in de krijgsgeschiedenis onsterfelijk geworden zijn. Tusschen de Saar en den Moezel stond Jourdan, met het zoogenoemde leger van den Moezel , en onder hem dienden Championet, Lefebvre en Bernadotte. Tusschen Philippeville en Charlemont was het leger der Ar dennen onder Charbonnier geplaatst, tot wiens opperbevelhebbers Kleber, 236 Nieuwe Geschiedenis. Marceau en Marescot behoorden . Van Givet tot Duinkerken eindelijk lay het noorderleger onder Picheyru, bij wien zich Moreau, Souham en andere uitstekende onderbevelhebbers bevonden. Wat vermogten een Koburg en een York tegen zulke veldheeren ! Na eenige gelukkige gevechten voor de bondgenooten werd Clairfait op den 29 april bij Moescroen geslagen . De verbondenen veroverden wel op den volgenden dag de vesting Lan drecies ; maar zij zagen zich eensdeels in hun centrum bedreigd, en konden het ten andere niet eens worden over een vast plan, terwijl ter zelfder tijd de oostenrijksche generaal Mack , die overal onheil stichtte, den in de Ne derlanden aangekomen keizer Frans voor zijne ontwerpen wist te winnen , en het oostenrijksche even als het pruisische kabinet den voornaamsten last van den oorlog den Engelschen en Hollanders zocht op te leggen. Op den 18 mei bevochten Moreau en Souham bij Tourcoing eene volledige overwinning op den hertog van York. Later viel in eene reeks van ge vechten, die de Franschen in Vlaanderen en aan de Sambre den Oosten rijkers leverden, aan beide zijden veel volks ; aan de Franschen werden echter bijna dagelijks nieuwe scharen toegezonden , de Oostenrijkers daarentegen ontvingen slechts geringe of volstrekt geene versterkingen. Terwijl de dappere oostenrijksche soldaten zoo hun leven opofferden en Clairfait het onmogelijke deed, overtuigden Thugut en Koburg op den 24 mei in eenen krijgsraad, welks uitkomst zorgvuldig geheim gehouden werd, keizer Frans, dat het voor Oostenrijk het voordeeligste was, als men de Nederlanden opgaf, en daarentegen zijn deel nam van de aanstaande derde berooving van Polen. Ook de Pruisen werden door Engeland en Holland te ver geefs bestormd, om voor het geld , dat men hun uitbetaalde , de bij het verdrag bepaalde hulp in de Nederlanden te verleenen. Van deze omstandigheden maakte Carnot gebruik , om de spoedige verovering van Belgie te bewerken , door de drie fransche legers onder eenen generaal te vereenigen en die nog met vijftien duizend man van het Rijn- leger te versterken. Hij stelde Jourdan aan het hoofd der uit negentig duizend man bestaande vereenigde krijgsmagt (begin van junij ). Deze werd wel, toen hij op den 16 junij de overtogt over de Sambre na drie herhaalde vergeefsche pogingen eindelijk doorgezet had, door den zoogenoem den eersten slag bij Fleurus weder terug gedreven; maar hij ging ten vijfden male over, bragt op den 25 junij het belegerde Charleroi ten val, en leverde op den volgenden dag aan de Oostenrijkers den tweeden slag bij Fleurus. Deze eindigde voor delaatstgenoemden wel geenszins met eene nederlaag, maar de prins van Koburg gaf onmiddellijk daarna bevel tot den terug togt, en bezorgde daardoor aan de Franschen al de voordeelen eener over winning. Wat ook de beweegreden van dit gedrag moge geweest zijn, Koburg zette weldra, in plaats van zich met den hertog van York te ver eenigen en nog eenen beslissenden slag te wagen , zijnen terugtogt verder voort. De Franschen drongen derhalve steeds meer vooruit, en de aan voerders der engelsche en hollandsche troepen zagen zich weldra genood zaakt, om alleen op het dekken van Holland bedacht te zijn . Nu kwam alles daarop aan , dat de gemeenschap met Holland en den Rijn bewaard, en de wegen naar Limburg en Luxemburg open bleven ; maar het prui sische leger onder Möllendorf, dat men voor dit oogmerk volstrekt noodig had, liet de Engelschen en Hollanders in den steek. Aan den Boven - Rijn had Möllendorf wel reeds in mei te gelijk met - Fransche omwenteling, Oorlog van het jaar 1794 . 237 den hertog Albert van Saksen - Teschen, die daar in de plaats van Wurm ser bevelhebber geworden was , de fransche Rijn - armee aangetast en bij Kaiserslautern geslagen ; maar hij had zich later alleen bij het verdedi gende bepaald en er was tusschen hem en hertog Albert dezelfde onmin uitgebroken , als vroeger tusschen Ferdinand van Brunswijk en Wurmser. Bovendien hadden de bondgenooten aan den Boven - Rijn den dubbelen misslag begaan , dat zij hunne geheele legermagt op de lange linie van Spierstot Trier verstrooid, en geen gebruik gemaakt hadden van de ver zwakking van het fransche Rijn -leger, waarvan zij wisten, dat een gedeelte naar de Nederlanden afgetrokken was. Het viel derhalve den Franschen, zoo dra zij in de Nederlanden hun doel bereikt hadden, ook niet moeijelijk, de Pruisen en Oostenrijkers aan den Rijn weder naar hunne vroegere stel lingen te dringen en hun den weg naar Luxemburg te versperren. Later vocht Möllendorf met roem in de omstreken van Kaiserslautern en aan den Hondsrug ; maar op den 16 september liet zijn koning reeds te Weenen verklaren , dat hij zijne troepen van den Rijn zou doen aftrek ken, omdat hij die in Polen noodig had. Oostenrijk en Pruisen beschul digden in dien tijd elkander opentlijk, en beiden deden te gelijk verwijtingen aan het duitsche rijk . Oostenrijk dreigde zelfs, om insgelijks zijne troepen terug te trekken en Duitschland aan zijn lot te zullen overlaten . Dit be letten echter de Engelschen door twee millioenen ponden sterling aan hulp gelden , waartegen Oostenrijk den prins van Koburg terug roepen en het opperbevel aan Clairfait opdragen moest. Koburg eindigde toen voor altijd zijne roemlooze loopbaan als krijgsman. Zijne vervanging door den be kwamen Clairfait baatte intusschen vooreerst niets, omdatmen den gene raal Mack weder naar het leger gezonden had, en omdat de gemeenschap tusschen de troepen der verbondenen niet meer te herstellen was . Piche gru drong zich tusschen de Engelschen en Hollanders in , gelijk Jourdan, wiens leger tachtig duizend man sterk was , tusschen de laatsten en de Oostenrijkers. De Hollanders werden steeds verder terug gedrongen , en verloren in october en november al hunne grensvestingen. In october dwong Jourdan ook de Oostenrijkers reeds, om den geheelen linker oever van den Rijn tot Mentz op te geven, en op den 26 rukte hij te Koblentz binnen. In dezelfde maand voerde Möllendorf de Pruisen over den Rijn terug. Op den geheelen linker oever van dezen stroom bleven op het einde des jaars alleen Mentz en Luxemburg in het bezit der bondgenooten. 9. INWENDIGE GESCHIEDENIS VAN FRANKRIJK VAN DEN VAL VAN ROBES PIERRE TOT OP DE ONTBINDING DER CONVENTIE IN OCTOBER 1795. De thermidoristen, Fouché, Tallien, Barère, Billaud- Varennes, Barras, Collot d'Herbois, Legendre , Vadier en anderen, hadden bij de omwerping der driemannen geene verandering van het ingevoerde stelsel bedoeld ; ja, zij moesten die zelfs trachten te beletten, omdat zich anders het royalismus verheven en hen van de vruchten hunner overwinning beroofd zou hebben. Zij waren echter aan de andere zijde slim genoeg , om in te zien , dat de gelukkige wending van den buitenlandschen oorlog noodzakelijk den terug keer moest veroorzaken tot debeginselen , die men, zoolang het bestaan des rijks bedreigd was, had durven verloochenen . Zij zagen zich bovendien genoodzaakt, tegen hunne verbitterdste vijanden , de jacobijnen , hulp te 239 Nieuwe Geschiedenis. zoeken bij de rijken en voornamen , en eindelijk zelfs hunne hevigste tegen standers, de girondisten, weder in de conventie op te nemen. Overigens was ook de meerderheid van de afgevaardigden der conventie nooit over dreven omwentelingszuchtig geweest; maar zij was ook tot hiertoe niet in staat geweest, om het hoofd te bieden aan de krachtvolle minderheid hunner medeleden, en moest nu de omwerping vreezen van het in zich zelf goede nieuwe staatsgebouw zonder geestelijk bewind , priestergezag en adellijke voorregten , als het zoogenoemde oppermagtige volk , of ook het tribunaal der omwenteling, ter zijde geschoven werd . De staat van zaken zelf bragt derhalve na den 9 thermidor een weifelend stelsel mede, dat zich zelfs tot na de conventie staande hield, en waardoor men nu eens de koningsgezin den door de mannen der verschrikking, dan weder deze terroristen door de royalisten in teugel zocht te houden. Toch deden zich, te inidden der schijnbare verwarring en in spijt van de oude geweldige middelen, die de partijen tegen elkander bezigden, de beginselen van matiging, orde en rust altijd meer en meer gelden . De conventie liet de bestaande regeringsbesturen der omwenteling, het comité van welzijn en dat van veiligheid, wel voortduren ; maar het eerste werd tot de buitenlandsche zaken , het laatste tot de staatspolitie beperkt. Tevens ontnam men aan beiden het regt, om afgevaardigden der conventie te doen gevangen nemen, en bepaalde de maandelijksche vervanging telkens van vier leden uit elk comité door nieuw gekozenen. Ook het omwentelings tribunaal werd in stand gehouden ; maar daarentegen verklaarde de con ventie reeds vijf dagen na den val van Robespierre het vreeselijk voorschrift van regtspleging van den 22 prairial ( z. bl . 227) voor opgeheven. Even zeer liet men de omwentelingscomité's in de gemeenten nog eenigen tijd bestaan; doch hun aantal werd niet slechts verminderd , maar men beperkte ook de wijkvergaderingen tot eene enkele in de decade, en verdrong daaruit de geheele klasse der armen , door de opheffing der betaling van veertig fransche stuivers aan elken bezoeker. Op zoodanige wijze verzachtte de conventie den eenen maatregel uit den laatsten tijd na den andere. Jammer was het echter , dat in dien tijd ook de mannen en vrouwen der salons hunnen vroegeren invloed terug kregen . Van deze salons stonden er twee, die van den heer Devaines en van mevrouw Tallien, vroeger Fontenay Cabarrus, tegenover elkander als ver tegenwoordigers van den ouden en nieuwen tijd. In het eerste, waarin de echtgenoot van Devaines voorzat , maakten de koningsgezinden de kern van het gezelschap uit ; nevens hen bevonden zich nogtans ook mannen als Thibandeau en Maret. In het salon van mevrouw Tallien verschenen de mannen uit den tijd van het schrikbewind , die daar door de dames van de groote wereld getemd werden. Een derde salon voor de elegante wereld had de echtgenoot van den bankier Recamier geopend. Deze uitstekend schoone en achtenswaardige vrouw , die over het geheel steeds dezelfde staatkundige meening als mevrouw van Staël huldigde, vereenigde een aantal lieden rondom zich , die juist niet tot eene bepaalde partij behoorden. Later hield ook mevrouw van Staël een salon voor al die feuillanten van 1791 , wien vrijheid en burgerwelzijn slechts middel , geen doel schenen . In dezen kring werd Talleyrand, nadat hij in den herfst van 1795 uit de ballingschap was terug gekeerd , de hoofdpersoon; maar hij bezocht ook het salon van Devaines. Fransche omwenteling. · De tijd der thermidoristen 239 . De strijd , die onmiddellijk na den 9 thermidor te Parijs de omwente lingstooneelen der laatste jaren vernieuwde, was geen strijd over partij en meening, maar van wraak en vergelding ten aanzien van bijzondere per sonen. De uit het overblijfsel der cordeliers bestaande thermidoristen moesten in het belang van hun eigen aanzien de magt der jacobijnen, hunner vroegere vrienden, zoeken te verbreken , en werden daarin door de voorname jonge lieden van Parijs ondersteund, die het leven weder met de schoone vormen van den ouden tijd wenschten te versieren . De ther midoristen en de geheele conventie geraakten daarbij toch in de grootste verlegenheid , dewijl dat, wat men tegen de jacobijnen inbrengen kon, alle afgevaardigden der conventie trof, en omdat men tegen de koningsgezinde reactie, die zich begon te verheffen, het parijsche gemeen noodig had. De club der jacobijnen , die Legendre op den 9 thermidor met geweld gesloten had, werd derhalve ook vier dagen later reeds weder met zijne toestemming geopend, en hoewel zij later voortdurend werd aangevallen en in het naauw gebragt, duurde het toch nog zes maanden, eer zij eindelijk geheel onder drukt werd . Reeds gedurende de maand augustus besloot de conventie tot de gevangenneming van Fouquier Tinville, Lebon, Rossignol en andere handlangers van Robespierre. Onmiddellijk daarna lieten Fréron , Barras en Legendre hetzelfde tegen Carrier , Billaud - Varennes, Collot d'Herbois, Barère en anderen voorstellen , maar het gelukte hun slechts , tegen den eerstgenoemde een besluit van beschuldiging te verkrijgen, en ook dit werd eerst den 21 november doorgezet. Carrier werd vervolgens op den 16 de cember ter dood veroordeeld en den volgenden dag teregt gesteld. Ten aanzien der jacobijnen bragten Tallien, Fréron en hunne vrienden het reeds op den 16 october 1794 zoo ver, dat de conventie alle onderlinge gemeen schap van de jacobijnen - clubs verbood, of met andere woorden, dat de ge heele regeling der fransche omwenteling vernietigd en daardoor de magt van de parijsche moederclub gebroken werd . De langzaam achtereen volgende vernietiging der jacobijnen werd niet alleen door besluiten van de conventie tot stand gebragt, maar zij ging ook werkelijk vergezeld van straatgevechten , omdat de thermidoristen de conventie slechts door vrees tot de opheffing der clubs konden drijven. Bij deze gevechten deelde de voorname jeugd van Parijs met het gemeen de rol, die het laatste in den tijd van Danton en Robespierre alleen ge speeld had. Fréron, die zelf toen eerst zes en twintig jaren oud was, had te gelijk met Tallien een aantal jonge lieden uit voorname familien in eene strijdbende vereenigd. Deze met knuppels gewapende en door gelijkvor mige kleeding onderscheiden jongelingen , die men de vergulde jeugd ( la jeunesse dorée) of ook de muscadijnen noemde, wierven tot hunne verster king een aantal sterke kerels aan en tergden, bespotteden en rosten de ja cobijnen overal af, waar zij zich zien lieten. Hunne leus was het geroep : leve de conventie! Zij hadden ook hun partijlied , het Ontwaken des volks (re veil du peuple) genaamd, dat zij aan den marseillaanschen marsch der ja cobijnen tegenstelden. In den tuin der Tuilerien , in het Palais Royal en in verschillende straten streden zij bijna dagelijks met de leden van de club en met het gemeen der voorsteden. Zij plaatsten zich menigmaal ook aan den ingang van de club en tastten de binnen tredende jacobijnen aan . Op den 9 november drongen zij met hunne handlangers zelfs met geweld de club binnen , rosten de vergaderde mannen met hunne stokken 240 Nieuwe Geschiedenis. af en dreven de aanwezige vrouwen met zweepslagen naar buiten, terwijl zij haar vermaanden, zich in het vervolg alleen met de huishouding in te laten. De overheden hadden alle vechtpartijen gemakkelijk kunnen voor komen ; maar zij bleven geheel rustig, omdat men reeds lang op een voor wendsel wachtte, om de club der jacobijnen geheel te onderdrukken. Dit voorwendsel werd gegeven door eene herhaalde geduchte vechterij, die op den 11 november voorviel. De vereenigde comité's van welzijn, veiligheid. oorlog en wetgeving lieten nog op denzelfden dag de zaal der jacobijnen sluiten; de conventie bekrachtigde op den 12 november hunne handelwijze en maakte daardoor aan de club , die zich zelven overleefd had , voor al tijd een einde. Een half jaar later werd zelfs op bevel van de conventie het jacobijnen -klooster afgebroken en de plaats, waarop het gestaan had, in een marktplein herschapen . Op den 2 december deed de conventie eenen stap ter gunste der ko ningsgezinden en zes dagen later eenen andere ter gunste der girondis ten. Op den eersten dag werden namelijk de wreede besluiten tegen de koningsgezinde strijders in de Vendée en Bretagne opgeheven en allen, die de wapenen zouden nederleggen , vergiffenis beloofd . Op den 8 de cember werden de nog gevangen gehouden girondisten niet alleen los ge laten , maar ook weder in de conventie opgenomen. Dezen eischten terstond ook de toelating van die leden hunner partij, die buiten de wet gesteld waren en zichdoor de vlugt gered hadden. Dit konden zij echter niet zonder eenen langen en moeijelijken strijd doorzetten . Eerst op den 9 maart 1795 werden Lanjuinais, Isnard , La Reveillère-Lepeaux en eenige anderen weder in de conventie opgenomen. Aan de overigen kwam de beurt zelfs nog later. De vernieuwde toelating der het laatst genoemde girondisten in de conventie geschiedde inzonderheid uit oorzaak , dat men hunne hulp noo dig had , om het slechts met moeite verkregen besluit eener aanklagt te gen de afgevaardigden Barère, Vadier, Billaud - Varennes en Collot d'Her bois in stand te kunnen houden en uitvoeren. Dit besluit zette namelijk de vrienden van Robespierre en Danton aan tot gewelddadige stappen te gen de conventie. Zij wekten in het parijsche volk en bij een gedeelte der afgevaardigden de oude geestdrift voor de vrijheid op , en moedigden het volk aan tot deherhaling der tooneelen van den 10 augustus 1792 en van den 2 junij 1793. Ten gevolge daarvan werd de stad Parijs en voor al de vergaderzaal der conventie herhaalde malen het schouwtooneel van werkelijke gevechten. Dit bragt vervolgens alle bezadigde menschen in ontzetting, te meer daar de aanhangers van het oude van den angst voor de regeringloosheid zochten gebruik te maken , om al het nieuwe omver te werpen . Overigens was reeds in februarij 1795 een voorname stap ter vernietiging van de heerschappij van het gemeen gedaan , die vier jaren lang haar middelpunt in den parijschen gemeenteraad bezeten had. De conventie had namelijk toen bij een afzonderlijk besluit Parijs in twaalf onderling afgescheidene municipaliteiten met even zoo vele gemeenteraden en maires verdeeld, en zoo de magt van de republiek Parijs en het meer dan koninklijk gezag van haren maire verbroken. De onlusten, die toen te Parijs uitbraken , verdienen hier geene uit voerige vermelding, omdat zij eene herhaling der vroegere tooneelen wa Ook de middelen, die men tot de opwekking bezigde, waren de oude. > ren . Fransche omwenteling. Onderdrukking der terroristen. 241 en Men stookte het gemeen op , om de onverwijlde invoering der staatsregc ling van 1793 te eischen , en maakte tevens, zoo als op den 5 october 1789, gebruik van de groote duurte, die toen door de toenemende daling der assignaten en door den bemoeijelijkten toevoer van levensmiddelen ont staan was. Hetregtstreeksche doel der aanhitsers was de redding der vier aangeklaagde afgevaardigden. Op den 1 germinal ( 21 maart) 1795 drong reeds eene groote menigte vrouwen mannen onder het geschreeuw : Brood en de staatsregeling van 1793 ! in de vergaderzaal der conventie binnen ; maar het gelukte aan de gulden schaar van Fréron , die het co mité van veiligheid door een aantal krachtige kerels versterkt had, de be legerde conventie weder te ontzetten. De mislukte onderneming der jaco bijnsche partij werd even zoo , als sedert 1830 alle oproeren in Frankrijk, door de gezag voerende partij gebezigd, om dingen uit te voeren , waaraan men vroeger niet had durven denken. De conventie herstelde namelijk op voorstel van den abt Sièyes , die na het wijken van het gevaar den mond weder opende, de vroeger opgehevene martiale wet weder in strengen vorm . Tevens bepaalde zij, dat , indien zij uiteen gejaagd mogt worden , eene nieuwe conventie zich terstond te Chalons vereenigen en onder bedekking der krijgsmagt naar Parijs trekken zoude. Zonder verwijl zette men nu het regtsgeding tegen de aangeklaagden vier terroristen voort; maar de conventie geraakte bij de behandeling daar van in inwendigen strijd, omdat afgevaardigden van groot aanzien, als Car not, Prieur en Lindet, voor de aangeklaagden opkwamen , daar hunne strafschuldigheid slechts op zulke daden rustte, die zij als afgevaardigden der conventie en als leden van het comité van welzijn, of met andere woor den, als medeleden enmedeschuldigen van deze hunne verdedigers verrigt hadden. Daardoor werd dan aanleiding gegeven tot nieuwe oploopen, Reeds op.den 7 germinal drong het gemeen de zaal der conventie weder binnen. Het werd wel is waar op dien dag weder terstond verjaagd, maar hernieuwde op den 11 germinal (31 maart) zijnen aanval, en werd toen al leen door de standvastigheid van den voorzitter Pelet de la Lozère in het bereiken van zijn oogmerk verhinderd . Reeds op den volgenden dag, op den 12 germinal ( 1 april), herhaalde het gemeen de poging , en nu zou het opzet gelukt zijn , als de woeste volkshoopen niet zich zelven van al de vruchten hunner overwinning beroofd hadden . In den namiddag van den 12 germinal brak namelijk het gemeen de deuren van de zaal der conventie open en handhaafde zich vier uren lang in haar bezit. Maar het maakte zulk een geweld , dat de terroristische afgevaardigden hunne stem niet konden doen hooren en, wat men beoogde, tot besluiten konden verhef fen. Gedurende dezen tijd hadden de regeringscomité's de gewapende burgers der welvarende wijken vereenigd , die vervolgens te gelijk met de schaar van Fréron tegen zes ure in de Tuilerien verschenen , en door hun aantal en hunne houding zulk eenen indruk maakten , dat de terroristische afge vaardigden zelven het gemeen aanmaanden, om weder af te trekken . Daar de tierende menigte gedurende den nacht onder de wapenen bleef, ging de conventie den volgenden dag tot eenige krachtige maatregelen over. Zij veroordeelde de aangeklaagde afgevaardigden zonder verdere beraad slaging tot wegvoering in ballingschap , liet verschillende andere afgevaar digden gevangennemen, en benoemde dengeneraal Pichegru, die zich toen toevallig te Parijs bevond , tot opperbevelhebber der stad. Deze trof in XVII. 16 242 Nieuwe Geschiedenis. gemeenschap met Barras en Merlin van Thionville, die hem toegevoegd waren, de noodige krijgsmaatregelen, en riep vooral behalve de nationale garde ook de talrijke met verlof aanwezige soldaten en officieren van het leger op. Toen het gemeen , gelijk te voorzien was , de wegvoering der vier veroordeelde terroristen uit Parijs met geweld beletten wilde,joeg Pichegru het allerwegen, waar het zich vertoonde, gewapenderhand uiteen en dwong geheele wijken de wapenen af te geven . Vervolgens legde hij het opgedragen gezag, dat hem slechts voor het oogenblik des gevaars verleend was, weder neder. In de eerstvolgende dagen werden hierop nog andere terroristische afgevaardigden in hechtenis genomen. Wat hunne vier weggevoerde vrienden betrof, zoo werden slechts twee hunner, Collot d'Herbois en Billaud - Varennes, naar Guyana gebragt, waar de eerste reeds in januarij 1796 stierf , en de ander in 1801 ontvlugtte , om tot zijnen in 1819 gevolgden dood onder allerlei avonturen de verschillendste rollen in Amerika te spelen. Aan de beide anderen, Vadier en Barère , gelukte het, nog in Frankrijk zelf te ontkomen . De laatste diende den eersten consul later als spion. Na den opstand van den 12 germinal vatte de conventie met ijver het zamenstellen eener staatsregeling op , om een einde te maken aan elk ge praat over de onmogelijke staatsregeling van 1793. Te zelfder tijd werden op het voorstel van afgevaardigden, die aan al de gruwelen van het schrik bewind deel genomen hadden, de geregtelijke vervolgingen voortgezet. Zoo werden onder anderen in mei door het tribunaal der omwenteling de vroe gere aanklager en de voorzitter dezer regtbank, Fouquier Tinville en Her man , met vijftien regters en gezworenen ter dood veroordeeld . Daar al deze mannen niet schuldiger waren , dan hunne aanklagers, kwamen bij gelegenheid van hun regtsgeding ook de misdaden van die afgevaardigden aan den dag , die nu de gematigden speelden. De conventie maaktezich derhalve door vervolgingen en teregtstellingen , die alleen uit zelfzucht en wraakzucht voortkwamen, in het geheele rijk gehaat en veracht. De ver bittering tegen haar werd nog door den bestaanden nood , waarvan men der conventie alleen de schuld gaf, versterkt en ook door de altijd meer zigtbaar wordende onbestaanbaarheid eener regering , die de geschiktheid om spoedig en krachtvol te handelen had verloren , omdat men haar in een aantal commissien verdeeld had. Gebrek en duurte namen bestendig toe, omdat elk middel , om de geheel van waarde beroofde assignaten we der op te heffen, vruchteloos bleef; en de geldmiddelen geraakten, sedert men in april den toenmaligen bekwamen bestuurder, Cambon, als terrorist gevangen genomen had , in zulk eene wanorde , dat zelfs de troepen de noodzakelijkste behoeften ontberen moesten. Onderdeze omstandigheden was het zeer natuurlijk, dat de opstanden zich in april en mei herhaalden. Toen nu zelfs de conventie zich voor eene staatsregeling mettwee kamers verklaarde, toen zij op den 11 april ook nog de laatste overblijfselen der girondistische afgevaardigden in haar midden opnam, rustten de jacobijnen , wien nu alle hoop op het herkrijgen van het hoogste gezag afgesneden was, niet eer, voor het hun gelukt was, het volk nog eens tot eenen storm tegen de conventie op te hitsen. Deze opstand greep plaats op den 1 prairial (20 mei) 1795, en was vreeselijker en ge vaarlijker dan eenige andere sedert den 9 thermidor. De aanvoerders badden zelfs de stoutheid, om het plan eenen dag te voren gedrukt te laten Fransche omwenteling. Onderdrukking 243 der terroristen . rond deelen. Daarentegen besloot de conventie niet eer, dan in het laatste oogenblik, tot het nemen van krachtige maatregelen, omdat zij vreesde, dat de koningsgezinden daarvan voor eene tegenomwenteling gebruik mogten maken . Zij verklaarde hare zitting permanent, liet door twaalf afgevaar digden de welgezinde burgers tot hare bescherming oproepen, stelde elken aanvoerder van eenigen volkshoop buiten de wet , gelastte het comité van oorlog, om de linietroepen tegen het volk te gebruiken, en droeg , daar Barras bij toeval afwezig was , het opperbevel aan Delmas op , die reeds op den 9 thermidor nevens dien het bevel gevoerd had . Op den dag van den opstand kwamen de gewapende scharen der wel gezinde burgers eerst tegen den middag bijeen. Daarentegen was het ge meen reeds vroeg zamen gerot, en toen de conventie hare zitting opende, waren de galerijen reeds door digt opeen gedrongen, meest uit vrouwen bestaande hoopen bezet , die de werkzaamheden op allerlei wijze zochten te belemmeren. Kort daarna drongen nog andere benden de vergaderzaal binnen , om den terroristischen afgevaardigden bijstand te verleenen , die zekere voorbereidende besluiten afdwingen moesten. De volksmenigte werd wel weder naar buiten gedreven, maar drong na kort verloop weder binnen, en de vergaderzaal was uren lang het tooneel der dolzinnigste woelingen. De voorzitter Boissy d'Anglas verwierf zich door zijnen moed op dien dag onsterfelijke verdiensten . Hij liet zich door geene bedreiging bewegen, om de gewelddadige voorstellen der terroristen , wier leger dezaal vervulde, in behandeling te nemen. Men belegerde hem werkelijk op zijnen zetel; men sloeg voor zijne oogen den afgevaardigde Feraud dood, die hem hulp wilde bieden ; men hield hem diens afgehouwen hoofd voor ; men drong met pieken en bajonetten op hem in, maar hij volhardde onwankelbaar bij zijne weigering. Íen negen ure des avonds werd het gemeen eindelijk , nadat het reeds zeven uren lang in de zaal geraasd had, meester over de con ventie, en dwong, toen Vernier in plaats van den uitgeputten Boissy d'An glas het voorzittersgestoelte ingenomen had, de aanneming af der door zijne leiders gedane voorstellen. Door deze besluiten werd al het sedert den 9 thermidor vast gestelde vernietigd, de bestaande overheden geschorst, een uit de hevigste terroristen zamen gesteld comité aan hare plaats gesteld, en een jacobijnsch opperbevelhebber der gewapende magt benoemd. Nadat de volksmenigte op deze wijze den haar opgedragen last volbragt had, verliet het grootste gedeelte de zaal en begaf zich naar huis ; maar nu verschenen de opgeroepen bataillons van de burgerwacht, dreven het ove rige volk de zaal uit, en stelden de vergadering in staat , de zoo even ge nomen besluiten weder op te heffen, en tot de gevangenneming van een aantal terroristische afgevaardigden te besluiten. De conventie was door de uit gegoede burgers bestaande afdeelingen der nationale garde gered, maar dezen hadden de wapenen alleen opgevat, omdat hun leven en bezitting bedreigd werden ; want aan het bestaan van de geheele conventie was hun weinig gelegen. Het was derhalve ook geluk voor haar, dat het comité van krijgszaken , waarvan Delmas voorzitter was, de in de nabijheid van Parijs liggende linietroepen ingeroepen had, en dat dezen, toen het gemeen op den 2 prairial weder opkwam, in de stad aan kwamen. De bewoners der voorsteden , die de kern der jacobijnsche le germagt uitmaakten, streden op dezen dag met grooten ijver en gedeeltelijk niet zonder geluk; maar toen zij de door den generaal Menou aangevoerde 16 * 244 Nieuwe Geschiedenis. geregelde troepen zagen opdagen, vingen zij onderhandelingen aan, en le verden hunne kanonnen en wapenen over. Op zoodanige wijze werd in mei 1795 voor het eerst het eigentlijk krijgsgeweld beslissend voor het lot van den franschen staat, wat het later, gelijk men weet, tot het jaar 1833 gebleven en sedert 1848 weder geworden is. Tegen de terroristen ging men na de onderdrukking van den opstand van den 1 prairial zeer streng te werk. De conventie liet de leiders dier partij, waartoe ook vele van hareeigene leden behoorden, in hechtenis nemen en, in zoo ver het hun niet gelukte te ontvlugten, geregtelijk straffen. Zes afgevaardigden der conventie werden benevens een en dertig andere bur gers ter dood, de overige gevangenen deels tot wegvoering in ballingschap, deels tot den kerker veroordeeld , en wel door krijgsraden , die van nu af in plaats van het op den 31 mei opgeheven omwentelingstribunaal in ge bruik kwamen. Aan de vrouwen werd de toegang tot de galerijen der conventie verboden. Eene afdeeling geregelde troepen, die men uit ge oefende soldaten vormde , bleef voortaan als bezetting te Parijs. Al de jacobijnschgezinde officieren van het leger werden deels gevangen genomen, deels ontslagen. Deze geheele onderdrukking der terroristische partij gaf echter aan de koningsgezinden nieuwe kracht, en de vrees voor hen werd weldra zoo groot , dat de conventie tot hare bescherming in den herfst reeds eenige duizende burgers , wien men vroeger de wapenen afgenomen had, weder liet wapenen . Onmiddellijk daarna werd nu over de nieuwe staatsregeling beraad slaagd, en die aangenomen. Eene commissie van elf afgevaardigden, waar onder Daunou , Boissy d’Anglas , La Reveillère- Lepeaux, Lanjuinais en Thibaudeau de voornaamste waren , had het ontwerp spoediger tot stand gebragt, dan dit met dergelijke zaken gewoonlijk geschiedt. In deze commissie was ook de abt Sièyes , die steeds den schijn van diepe staat kundige wijsheid rondom zich te verspreiden wist, gekozen ; maar hij hed liever , daar eene wet de leden der regering van de commissie tot de staatsregeling uitsloot, lid willen blijven van het comité van welzijn. Het door de commissie ingediende ontwerp werd met slechts geringe wijzigin gen door de conventie aangenomen. De nieuwe staatsregeling, die men gewoon is de constitutie van het jaar 3 of die van het directoire te noemen, scheidde regering en wetgeving geheel van elkander. De eerste werd aan een bestuur van vijf mannen, de laatste aan twee kamers, den raad der vijfhonderd en den raad der ouden, opgedragen. De leden dezer kamers werden wel is waar door het volk gekozen, doch niet regtstreeks, maar door de kies -collegien , die het volk benoemde. Aan den raad her vijfhonderd, welks leden minstens der tig jaren oud moesten zijn, werd het uitsluitend regt toegekend, om nieuwe wetten voor te stellen ; doch het had in dit opzigt geene beslissende stem , maar alleen het regt van beraadslagen. De raad der ouden bestond uit twee honderd en vijftig afgevaardigden , die ten minste veertig jaren oud en of gehuwd of weduwenaar moesten zijn. Hij moest de door de andere kamer voorgestelde wetten onderzoeken en vervolgens onvoorwaardelijk aan nemen of verwerpen. De vijf directeurs , die insgelijks minstens veertig jaren bereikt moesten hebben , werden door den raad der ouden uit eene door de vijfhonderd opgemaakte lijst van vijftig mannen gekozen . Zij moesten volstrekt alleen de regeringszaken besturen, en waren van de beide Fransche omwenteling. De directoriale staatsregeling. 245 kamers geheel gescheiden; want hun was noch het regt van voorstellen, noch dat van de bekrachtiging der wetten , ja niet eens de geringste invloed op de beraadslaging en zamenstelling verleend. Deze bijzonderheid alleen bewijst reeds de groote onvolkomenheid der nieuwe staatsregeling. Maar daarbij kwam nog, dat zij noch de herstelling en handhaving der orde, noch ook eene krachtige en standvastige regering toeliet, omdat zoo wel beide kamers, als ook het bestuur der vijf directeurs telken jare ge deeltelijk vernieuwd werden. Van de eersten werd namelijk jaarlijks een derde harer leden door nieuw gekozene vervangen, en van de vijf directeurs moest insgelijks jaarlijks een , dien het lot aanwees, voor een nieuw ver kozene plaats maken . De staatsregeling werd , wat trouwens toen gelijk altijd slechts een ijdele vorm was, het geheele volk ter aanneming of ver werping voorgelegd en op den 6 september door de grondvergaderingen bijna eenstemmig aangenomen . De conventie had der nieuwe staatsregeling twee aanhangsels bijgevoegd, die te gelijk met haar aan het volk voorgelegd waren . Deze aanhangsels werden niet ten onregte als uitvloeiselen van zelf- en heerschzucht be schouwd, en veroorzaakten daarom te Parijs eenen bloedigen opstand. De leden der conventie hadden namelijk gevreesd , dat bij den haat, waarin zij vervallen waren , slechts weinigen hunner in het nieuwe wetgevende lig chaam zouden gekozen worden , en dat de koningsgezinden alsdan al het gezag tot zich trekken , de nieuwe instellingen omver werpen en de aan hangers der republiek met wreede woede vervolgen zouden. Zij hadden derhalve, om dit te beletten , ten aanzien van het nieuwe wetgevende lig chaam eenen maatregel genomen, die geheel het omgekeerde was, van het gene vroeger de staatsregelende vergadering ten aanzien der wetgevende beslo ten had. De laatste had door eene daad van grootmoedigheid al hare leden van de verkiezing tot de wetgevende vergadering uitgesloten ( z. bl. 135) ; de conventie daarentegen had door twee afzonderlijke besluiten, die zij op den 5 en 13 fructidor ( 22 en 30 augustus) nam, der staatsregeling nog de bijgevoegde bepaling aangehangen , dat twee derden der nieuwe wetgevers uit de leden der conventie moesten gekozen worden, en dat, als bij de keuzen dezer twee derden de stemmen van verschillende kies- colle gien op dezelfde mannen vielen , de aanvulling niet door het volk , maar door de conventie zou geschieden. Deze bijvoegselen hadden wel is waar elk verbitterd; maar bij den algemeen gekoesterden wensch, om van de dwingelandij der conventie ont slagen te worden , had men ten aanzien der departementen onbezorgd kun nen zijn, te meer daar de leden der conventie als vroegere jacobijnen uit muntend de kunst verstonden , om op het volk te werken. Alleen de stemming der parijsche burgerij zou voor de conventie gevaarlijk zijn ge weest. Dit was reeds, toen tot het eerste bijvoegsel besloten was, gebleken. De burgers der welvarende wijken gaven toen opentlijk hun misnoegen te kennen, hielden raadplegende sectievergaderingen en zonden protesterende deputatien aan de conventie; in het kort, zij namen de rol op, die de be woners der voorsteden vroeger gespeeld hadden. Deze beweging in de hoofdstad beangstigde de conventie 200 zeer, dat zij troepen bij Parijs liet zamen trekken ; maar zij dreef de Parijzenaars daardoor slechts tot nog grooter hardnekkigheid aan. De sectie Lepelletier of de vroegere sectie der nonnen van St. Thomas ( des filles de St. Thomas), die vroeger het 246 Nieuwe Geschiedenis. langst voor het koningschap gestreden had, regelde zelfs de zamenstelling van een besturend centraalcomité van al de sectien , dat even als de ge meenteraad van de jaren 1793 en 1794 zich met de regering en wetgeving des rijke scheen te willen bemoeijen. Toen de conventie het deelnemen aan dit coinité voor majesteitsschennis verklaarde, deed men tegen haar de eigentlijk nog wettig bestaande leer der volksoppermagt gelden . Dit alles wees op eenen aanstaanden beslissenden strijd, en wekte de verwachtingen der koningsgezinde partij zoo zeer op , dat zoo wel de constitutionelen van 1791 , als de strijders uit de Vendée in grooten getale naar Parijs stroom den , en de inwoners tot sterker tegenstand aanhitsten. Bij de stemming . over de nieuwe staatsregeling en hare aanhangselen ( 6 september) namen de parijsche burgers wel deeerste aan , maar verwierpen de laatsten. Daar zij zich overtuigd hielden, dat dit zelfde door de meeste andere grondver gaderingen geschied was, besloot hun centraalcomité, om zich in betrekking te stellen met al de gemeenten des rijks. Tegen dit laatste voornemen vaardigde de conventie op den 7 september eene terroristische wet uit , waarbij elke bezending van de eene gemeente aan de andere op doodstraf verboden werd. Veertien dagen later (21 september) zocht zij de konings gezinde partij, waarvan de tegenstand inzonderheid uitging, daardoor vrees aan te jagen, dat zij alle onbeëedigde priesters, zoo wel als al hunne bloedverwanten , benevens die der uitgewekenen, van de staatsbetrekkingen uitsloot . Intusschen hadden beide partijen zich tot eenen strijd met de wapeneu toegerust. De conventie had hetzelfde gespuis, waartegen zij eenige maan den vroeger door de gegoede klasse der parijsche burgerij beschermd was, laten wapenen en oefenen ; doch de laatsten hielden dezelfde bataillons, waarmede zij toen de conventie gered hadden , tot den strijd tegen haar gereed. Op den 23 september maakte de conventie bekend, dat in de grond vergaderingen der departementen zoo wel de staatsregeling als de aanhang sels door de overgroote meerderheid der stemmenden aangenomen waren. Dit was, in zoo ver het de aanhangsels betrof, uitgemaakt valsch, daar die door drie vierden der uitgebragte stemmen verworpen waren. De Parijzenaars lieten zich derhalve ook door de bekendmaking niet afbrengen van hunnen tegenstand. Zij vormden, toen de verkiezingen voor de nieuwe wetgevende ligchamen door de conventie uitgeschreven waren , op den 3 october ( 11 vendemiaire) uit de in hunne stad benoemde kiezers eene soort van opper magtige vergadering. Deze verzette zich met de grootste standvastigheid tegen eene verordening der conventie, waarbij elke vereeniging der kiezers van verschillende sectien verboden werd. Hierop verklaarde de conventie zich permanent, en gelastte den generaal Menou als bevelhebber der troe pen in en om Parijs, met dezen en met de afschuwelijke benden uit de voorsteden gewapenderhand tusschen beide te komen. Menou was echter der zaak, waartegen hij strijden moest, in zijn hart toegedaan. Hij knoopte derhalve, in plaats van de wapenen te gebruiken, met de aanvoerders der Parijzenaars eene onderhandeling aan , sloot onder het voorwendsel, dat zijne troepen in de straat Vivienne ingesloten en met eenen wissen on dergang bedreigd waren , eene overeenkomst met de burgerij, en trok ver volgens de troepen terug uit de reeds bezette straten (4 october of 12 ven demiaire. Hij werd daarvoor afgezet en eenige dagen later voor eenen krijgsraad gesteld , doch op voorspraak van Bonaparte vrijgesproken. Fransche omwenteling. De 13 vendemiaire 1795. 247 In zijne plaats sloeg Barras, dien de conventie tot opperbevelhebber der gewapende magt benoemd had, eenen anderen generaal voor, die al de vereischte hoedanigheden bezat om den strijd met de burgers gewapender hand en ontzag inboezemend ten einde te brengen. Deze generaal was de eerst zes en twintigjarige corsikaan Napoleon Bonaparte. Hij had zich door de verovering van Toulon in geheel Europa beroemd gemaakt ( zie bl . 217), was later in betrekking gekomen met de terroristen en daarom niet alleen na den 9 thermidor eenigen tijd in hechtenis geweest , maar ook in mei 1795 uit de dienst ontslagen. Hem benoemde het comité van krijgszaken in den nacht van den 4 op den 5 october tot bevelhebber van de troepen der conventie. Dezen bestonden wel slechts uit zes duizend man ; maar de hun in aantal ver te boven gaande benden der Parijzenaars kon den als een zamenraapsel van republikeinen , constitutionelen en konings gezinden noch het hoofd bieden aan geregelde troepen en terroristen, noch bezaten zij eenen aanvoerder , die opgewassen was tegen eenen man als Bonaparte. Ook werd de uitslag van den strijd reeds in den vroegen mor gen van den 13 vendemiaire ( 5 october) vooruit beslist ; want Bonaparte vermeesterde terstond na zijne benoeming door zijnen lateren zwager , ka pitein Murat, de kanonnen , die vroeger den terroristen ontnomen en bui ten de stad geplaatst waren , en kon alzoo de Parijzenaars, die geen ge schut hadden , spoedig door schrootvuur en bajonetten overwinnen. Hij stelde zijne troepen en kanonnen rondom de Tuilerien in slagorde, wachtte, terwijl de opgekomen troepen der Parijzenaars wankelmoedig draalden, be daard den aanval af, en liet, toen des namiddags omstreeks ten vijf ure een schot uit een huis gevallen was, zijn schrootvuur beginnen . In één uur was , niettegenstaande den hardnekkigen tegenstand der Parijzenaars, waarvan een groot aantal sneuvelde, de overwinning der conventie beslist. In den morgen van den volgenden dag werd die voltooid , en krijgscom missarissen of krijgsraden , die men op den 7 october benoemde, maakten spoedig eene groote opruiming onder de tegenstanders der conventie. De redder der laatstgenoemde werd op den 10 october onder den titel van generaal van het binnenlandsche leger tot bevelhebber van Parijs benoemd. Hij wachtte zich echter zorgvuldig , om met de gehate conventie ook ver der gemeene zaak te maken . Daarentegen verkreeg hij door de bewezene dienst, zoo wel als door zijn huwelijk met Josephine, de weduwe van den generaal Beauharnais , zulk een groot aanzien , dat hij reeds in de lente van het jaar 1796 aan het hoofd van het italiaansche leger geplaatst werd. De conventie, die op den 26 october uiteen ging, nam nog in de laat ste weken barer heerschappij zeer hatelijke maatregelen tegen hare vijan den en schokte daardoor het vertrouwen op de voortduring der republiek. Zij verzekerde zich door de zorgvuldig uitgekozene afgevaardigden , die zij voor de nieuwe wetgevende ligchamen benoemen moest, ook daarin de heerschappij. Zij kondigde op den 3 brumaire (25 october) eene vergiffe nis af, maar sloot al de burgers uit , die deel genomen hadden aan de bewegingen in den vendemiaire, en ontnam hun even zeer, als vroeger aan de uitgewekenen en hunne bloedverwanten , het regt, om eenige betrekking te bekleeden. Hare leden leidden eindelijk in den naam der vijf honderd en in dien der ouden de keuze der nieuwe overheden zeer schrander en kunstig op zulke mannen , die aan het tot nu door de conventie gevolgde stelsel niet ontrouw durfden worden . Tot directeuren werden gekozen 248 Nieuwe Geschiedenis. Sièyes , Reubel, Barras, La Reveillère -Lepeaux en Letourneur; de eerste verontschuldigde zich echter , daar de omstandigheden hem vooreerst te bedenkelijk waren , met geestelijke huichelarij, en in zijne plaats werd Carnot geplaatst. 10. GESCHIEDENIS VAN DEN OORLOG DER FRANSCHEN IN DE JAREN 1795 TOT 1797. 1. De oorlog in de Vendée en de vredesverdragen van Bazel. De bewoners der Vendée , die het oude geloof en de oude staatkun dige inrigting met onwankelbare getrouwheid toegedaan bleven, hadden in 1793 en 1794 tegen de hemeltergende invoerders eener nieuwe orde van zaken met beter gevolg gestreden , dan de verbondene groote mogendheden van Europa ( z. boven bl. 217 vv. ). Nevens hen hadden ook de konings gezinde inwoners van naburige provincien , vooral die van Bretagne , die men met den naam van Chouans gewoon is aan te duiden , de wapenen tegen de republiek opgevat. Aan dezen verwoestenden burgeroorlog in het westen had de conventie in het begin van 1795 een einde gemaakt door het doen afkondigen en ook eerlijk uitvoeren eener op billijke voorwaar den rustende amnestie. Ten gevolge dezer vergiffenis sloten Charette, Stofflet en andere koningsgezinde aanvoerders in februarij en maart te La Jaunaye en La Mabilais een vredesverdrag, en erkendenin naam hun ner oproerige bondgenooten de republiek. Daarvoor werd hun niet alleen de vrijheidvan hunne eeredienst gewaarborgd en eene schadevergoeding voor de verwoesting van hun land toegelegd, maar men verleende hun ook het regt, om een aantal troepen onder den naam van territoriale garde aan te houden, ten einde de herstelde orde en rust te kunnen bevestigen. Te regt wantrouwde de generaal Hoche, die het bevel voerde over het republikeinsche leger in het westen, dezen vrede; want een gedeelte der koningsgezinde aanvoerders had de geslotene verdragen volstrekt niet aan genomen, en ook beschouwden de anderen dien vrede slechts als eenen wa penstilstand, omdat zij aan de republikeinen als vijanden der kerk geene trouw meenden schuldig te zijn . Bovendien wist Hoche zeer goed, dat de hoofden der emigranten en het engelsche kabinet onophoudelijk bezig wa ren, om het smeulende vuur des oproers op nieuw aan te blazen. Hoche had even zeer door matiging en welwillendheid, als door strenge handhaving der tucht in zijn leger en door goede krijgsmaatregelen de rust in het westen weldra weten te herstellen ; want hij bezat niet slechts even als Bonaparte groote krijgskundige, administratieve en staatkundige bekwaam heden, maar hij onderscheidde zich ook door rondheid van karakter en groot moedigheid van zin. Maar hij had tevens, omdat hij het weder uitbreken van het oproer voorzag , op verdere krijgstoerustingen aangedrongen. Dit was te Parijs zoo opgenomen , alsof hij zijne magt voor onbepaalden tijd wilde behouden , en daarom had men hem een aanzienlijk gedeelte zijner troepen ontnomen. Zoo veel te grooter eer was het voor hem , toen het reeds eene maand na den vrede van La Mabilais bleek , hoe juist hij ge oordeeld en hoe verstandig hij voor den uitslag van den aanstaanden nieu wen strijd gezorgd had , door de troepen niet, als zijne voorgangers , in de afzonderlijke opene plaatsen des lands , maar in de versterkte leger kampen te verdeelen . Fransche omwenteling. De oorlog in de Vendée. 249 Pitt had , opdat Oostenrijk zich niet , even als Pruisen, van de deel neming aan den oorlog mogt terug trekken, aan keizer Frans nieuwe gel den toegestaan, en tevens bij een op den 4 mei 1795 gesloten verdragde belofte gegeven, om eene afwending ter_gunste van het oostenrijksche le ger te inaken. Met dit oogmerk liet Pitt drie legers van uitgewekenen uitrusten, die, door eene engelsche vloot ondersteund , en van eene groote menigte krijgsbehoeften voorzien, aan de kust van Bretagne landen eneenen nieuwen algemeenen opstand in het westen verwekken zouden . Engeland had daarbij nog het voordeel, dat het van een groot aantal lastige gasten ontheven werd. Derhalve vermengde men onder de legers der uitgeweke nen de krijgsgevangene republikeinen , ofschoon te voorzien was , dat die verraders en overloopers zouden worden. Het eerste leger der uitgewekenen landde op den 27 junij 1795 op het schiereiland Quiberon, dat zich aan de westkust van Bretagne vóór de baai van denzelfden naam uitstrekt. Het gelukte dit leger terstond, om het op eene smalle landengte gelegen fort Ponthièvre te veroveren . Ook voegden zich weldra eenige duizende geheel onbruikbare boeren en chouans bij de uitgewekenen. Dezen verzuimden echter snel vooruit te rukken, terwijl Hoche zijne troepen snel bijeen trok en aan den ingang van het schiereiland eene versterkte legerplaats opsloeg. De koningsgezinden de den op den 16 julij, daags vóór de ontscheping van het tweede emigranten leger, eenen aanval op de vijandelijke legerplaats, doch zij werden niet slechts afgeslagen , maar het gelukte ook den generaal Hoche , die door overloopers van alles naauwkeurig onderrigt was, op den 20 julij het fort Penthièvre stormenderhand te nemen. Daardoor werden de uitgewekenen genoodzaakt op de engelsche schepen schuilplaats en redding te zoeken. Hoche zou hen hebben laten ontkomen, maardit gedoogden de twee afge vaardigden der conventie, Tallien en Blad, niet, waarvan de eerste toen weder de rol van gematigde met die van wreedaard verwisseld had. Den vlugtenden emigranten werdderhalve de inscheping belet, en zij moesten de wapenen nederleggen. Volgens de verzekering der koningsgezinde schrijvers werd bij dezegelegenheid tusschen Hoche en eenen der aanvoerders van de emi granten eene mondelinge overeenkomst gesloten ; de republikeinsche bewe ren daarentegen, dat er geenerlei soort van verdrag getroffen is. Hoe dit ook zij, er werden, terwijl men den gemeenen hoop liet wegloopen , digt bij de acht honderd uitgewekenen vast gehouden, voor eenen krijgsraad gesteld en ter dood gebragt. In Engeland betoonde Pitt later , toen hij in het parlement ter verantwoording van de mislukte onderneming geroe pen werd, de koudvochtige zelfzucht van den echten engelschman , voor wien de buitenlanders, of, zoo als de Romeinen die noemden, de barbaren , slechts middelen en werktuigen voor eigenbatige bedoelingen zijn. Hij verontschuldigde den uitslag der onderneming met de woorden, dat daarbij ten minste geen engelsch bloed vergoten was. Sheridan antwoordde hem echter met regt: „ maar daarentegen vloeide engelsche eer uit alle porien ." Hoche trok, toen de onderneming der twee eerste legers zoo jam merlijk mislukt was , naar St. Malo , waarheen het derde leger der uitgewekenen bestemd scheen. Deze afdeeling onder bevel van den graaf Artois was echter twee maanden lang opgehouden , en toen zij eindelijk den 2 october op een eiland aan de kust landde, vond zij alles reeds be slist. Zij keerde derhalve in november naar Engeland terug. Het hoofd 250 Nieuwe Geschiedenis. genomen had. doel der geheele onderneming, eene afwending ter gunste van Oostenrijk, was volkomen bereikt. Hoe groote kosten de Engelschen voor dit doel besteed hadden, kan men daaruit opmaken ,dat Hoche in het fort Pen thièvre, behalve eene groote som gelds, zeventig duizend volledige wapen rustingen en uniformen en voorraad voor veertig duizend man gevonden, en bovendien op de kust nog zes met levensmiddelen geladen schepen weg Hoche wist later door zeer verstandige schikkingen het weder uitbar sten van den opstand onmogelijk te maken. De conventie had hem op het einde van augustus, hoewel hij toen eerst zeven en twintig jaren oud was , het bevel over het zoogenoemde leger van den oceaan of over de gezamentlijke legers van het westen opgedragen, die met elkander uit honderd duizend man zouden bestaan hebben . Hij verdeelde zijne solda ten door het geheele land , won de misleide inwoners door maatregelen van zachtmoedigheid, vervolgde de aanvoerders der roofzuchtige benden met onverbiddelijke gestrengheid, en wist, daar hij als een schoon officier in de salons schitterde, door de dames de geheimen der mannen uit te vorschen . Hij heerschte op dat tijdstip in het geheele westen van Frank rijk even magtig en onbeperkt , als Bonaparte ter zelfder tijd in Italie. Stofflet , Charette en andere hoofden van benden werden , toen zij den strijd voortzetteden, door Hoche vervolgd en eindelijk gevangen genomen . Hij liet hen , daar zij met de wapenen in de hand gevat waren, voor eenen krijgsraad stellen en in februarij en maart 1796 dood schieten. In julij 1796 kon hij aan het bestuur melden , dat de burgeroorlog in het westen volkomen ten einde gebragt en de rust overal hersteld was. Toen de Vendée geheel bedwongen was, werd Hoche eene onderne ming tegen Ierland opgedragen. Daar heerschte vooral onder de katho lijke inwoners de grootste ontevredenheid over de onderdrukking, die niet alleen de engelsche regering, maar ook het iersche parlement hen deed ondergaan. De katholijken van dit eiland waren derhalve reeds vóór het uitbreken derfransche omwentelingop het denkbeeld eener volkomene los making van Engeland gekomen. Vergeefs trachtte Pitt den geestdrijven den ijver der orangisten en anglicanen te matigen. Hij wekte onder hen daardoor zulk een misnoegen bij den aan het oude gehechten koning George , dat hij den ingeslagen weg der zachtmoedigheid weder verlaten moest. Men zond nu opzettelijk eenen streng anglicaanschen regtsgeleerde, lord Camden, als lord -luitenant of onderkoning naar Ierland, om door ge regtelijke gestrengheid het oude stelsel van vervolging weder in te voeren . Sedert maart 1796 werden derhalve geheele graafschappen van Ierland in staat van beleg verklaard , nadat de orangisten van het eiland reeds te voren eene bepaalde vereeniging ter uitroeijing der pausgezinden gesloten hadden . Daardoor werden vervolgens de katholijke Ieren , die insgelijks eene geheime zamenzwering gemaakt hadden , tot het uiterste gedreven. Zij knoopten te Parijs door vlugtelingen eene betrekking met het fransche bestuur aan en wonnen tevens den generaal Hoche voor het door hen ont worpen plan van eenen algemeenen opstand. Het directoire keurde dit plan goed , en liet tegen het einde van het jaar 1796 een leger en eene vloot te Brest uitrusten . De onderneming moest, wegens het groote overwigt der Engelschen ter zee, tot op het oogenblik harer uitvoering geheim gehouden en in den Ierland ten tijde der fransche omwenteling. 151 ver winter volvoerd werden , doch mislukte daardoor geheel. De vloot werd dadelijk na haar uitloopen door stormen zeer gehavend en verstrooid . Een gedeelte der schepen landde wel op den 24 december 1796 in Ierland ; maar daar Hoche , die alleen het geheim der onderneming kende , met de overigen door de stormen ver weggeslagen was , zeilde de fransche ad miraal, zonder zich op te houden, weder naar Brest terug. Derhalve moest Hoche ook , toen hij kort daarna met de andere schepen aankwam , tot zijne groote smart de onderneming weder opgeven . Dit haul niet alleen eene aanzienlijke som gelds gekost, maar ook drie linieschepen en schillenıle andere vaartuigen , die deels door stormen , deels door de En gelschen waren vernield. De groote meerderheid van het iersche volk had bij de landing der Franschen geene de minste omwentelingszuchtige gezindheid aan den dag gelegd, maar zich veeleer tot het afweren der Franschen gereed gemaakt. Desniettemin ging de anglicaansche regering in hare onbarmhartige ge strengheid voort. Eene nieuwe poging tot landing, die de Franschen in 1797 door eene hollandsche vloot onder de Winter lieten beproeven, diende alleen on door eene schitterende overwinning, die lord Duncan op deze vloot bevocht, het overwigt der Engelschen op zee te bewijzen. Toen de hulp der Franschen op deze wijze afgesneden was, namen het iersche par lement en de onderkoning lord Camden nieuwe ongehoorde maatregelen, om doodelijke stilte in Ierland te verspreiden. Zij bewogen daardoor de hoofden der katholijke zamenzwering tot eene nieuwe poging om op te staan , die echter door het onderling wantrouwen der laatsten en van het fransche bestuur tot het einde van den zomer van 1798 vertraagd werd. De Engelschen lieten in den tusschentijd de zamengezworenen bespieden, en stook ten zelfs zelven het vuur aan, om geregtelijke bewijzen in handen te krijgen , en het land ter gelegener tijd door regtsgedingen over hoogverraad met schrik en ontzetting te vervullen . Hiermede vingen zij in februarij en maart 1795 aan. Toen namen zij de hoofden der zamenzwering en de leden van het geheim revolutionair bestuur , dat zij in Ierland opgerigt hadden , gevangen ; en nu woedden de krijgsraden , het parlement en de soldaten in onderlingen wedstrijd tegen de zamengezworenen. Toen hierop eindelijk de opstand uit brak, begon ongelukkig het geheele land niet op eens, maar het eene graaf schap nahet andere. Ook zonden de Franschen toen krijgsvolk , noch wa penen. De opstand werd derhalve gemakkelijk onderdrukt. Hij diende den Engelschen ten voorwendsel, om het stelsel van het fransche schrik bewind ор Ierland toe te passen . Zij stelden in plaats van lord Camden eenen krijgsman, den generaal lord Cornwallis, benoemden eene bijzondere commissie , en lieten hen , die men daardoor niet bereiken kon , daarmede verderven, dat het hoogerhuis hen volgens de oude verschrikkelijke manier wettiglijk ( door eene vill of attuinder) des doods schuldig verklaarde ( z. D. XVI. bl. 162 ). Lord Cornwallis herstelde de rust in Ierland op dezelfde wijze, als Hoche in de Vendée en Bretagne. Hij kondigde eene algemeene vergif fenis af en nam zulke maatregelen , dat hij de opstandelingen op eens en van alle kanten aantasten kon. Eerst toen de oproerlingen overal weder onderworpen en ontwapend waren, kwam de fransche hulp ( 22 augustus 1798) . Zij bestond uit eene kleine vloot met slechts elf honderd man onder den 232 Nieuwe Geschiedenis. > een generaal Humbert. Deze kon thans natuurlijk niets meer uitrigten ; hij zag zich zelven veeleer na eenige roemrijke gevechten tot overgave bij verdrag genoodzaakt ( 8 september ). Kort daarna liep wel eene tweede fransche vloot van Brest uit, maar deze werd op den 12 october door den engelschen generaal Warren geslagen. Een der leiders van de iersche oproeren, de ook als geleerd schrijver beroemde Horne Tooke, geraakte bij deze gelegenheid in gevangenschap en werd , zonder aanzien van zijne betrekking als fransch officier en krijgsgevangene, ja zelfs met versmading van een te zijner gunste genomen besluit van het hooge geregtshof, voor het onder den naam van krijgsraad te Dublin gevestigd omwentelingstri bunaal gesteld , dat hem daarop ter dood veroordeelde. Hij kwam zijne teregtstelling door zelfmoord voor. In Ierland heerschte voortaan doode lijke stilzwijgen en in het jaar 1801 werd, zoo als wij later zien zullen, het land daardoor geheel aan de willekeur der engelsche regering onderwor pen, dat men zijn parlement met het engelsche zamen smolt. Op het tijdstip , dat de Franschen de eerste poging eener landing in Ierland te werk stelden, hadden zij reeds eenigen der tot nu tegen hen ver bondene staten tot den vrede gedwongen. De eerste vorst , die hunne re publiek erkende , was de groothertog van Toskanen , Ferdinand III , broeder van keizer Frans. Hij sloot in februarij 1795 een vredesverdrag met Frankrijk. Ook het oostenrijksche kabinet zou toen met de Fran schen in schikking getreden zijn, als het niet in den herfst van 1794 door zes millioen ponden sterling, die Engeland het onder den naam van lee ning uitbetaalde, tot andere gedachten gebragt was, Pruisen had , terwijl zijne troepen nog aan den Rijn vochten , onderhandelingen metde Fran schen aangevangen. Op den duitschen rijksdag te Regensburg eindelijk verlangden zes en dertig stemmen van de zevenen vijftig de aanknooping van vredesonderhandelingen. Wij gaan de afzonderlijke gebeurtenissen en onderhandelingen voorbij, die met den afval van Pruisen en het noorden van Duitschland van de zaak van het gemeenschappelijke vaderland eindigden , om geene gebreken van vorsten open te leggen , die beter bedekt blijven. Nadat het pruisi sche kabinet reeds door Möllendorf in het geheim met de Franschen on derhandeld had, zond het op het einde van het jaar 1794 den graaf Golz en , toen deze in februarij 1795 gestorven was , den minister Hardenberg naar Bazel, om daar met den franschen gezant in Zwitserland, Barthelemy, een vredesverdrag tot stand te brengen . Dit onder den naam van den vrede van Bazel bekende verdrag werd , hoewel de Engelschen alles ter wering daarvan beproefd hadden , reeds op den 5 april 1795 gesloten. De bepalingen waren in alle wezentlijke punten door Haugwitz ontworpen. Dit onheilvolle verdrag gaf Holland en den linker oever van den Rijn aan de Franschen ten prooi, scheurde de noordelijke helft van Duitschland van de zuidelijke los en verzekerde, waarop het daarbij vooral gemunt was, aan het pruisische kabinet zijn aandeel in het te verdeelen duitsche rijk. Bij den vrede van Bazel werd namelijk vooreerst aan de Franschen het bezetten van den linker rijnoever voorloopig toegestaan en de bemidde ling van Pruisen aan al die rijksstenden verkondigd, die insgelijks het rijk in den steek laten en met Frankrijk onderhandelen wilden . Vervolgens werd voor alle duitsche landen , die ten noorden van eene midden door het rijk getrokkene afscheidingelijn lagen , derhalve ook , wat voor de ge Fransche republiek. De vrede te Bazel. 253 heime bedoelingen van Pruisen zeer belangrijk was, voor het geheele keur vorstendom Hannover de onzijdigheid bepaald . Daardoor werd tevens het zuidelijke gedeelte des rijks zoo wel aan de Franschen , als aan het oos tenrijksche kabinet , dat aan Engeland verkocht was, prijs gegeven . In eenige geheime artikelen verpligtte Pruisen zich bovendien, omde Fran schen niet te belemmeren in hunne oogmerken op Holland of op eenig ander door hen bezet land , en tegen eene aan Pruisen zelf te verleenen vergoeding toe te staan , dat Frankrijk zijne grenzen duurzaam tot den Rijn uitbreidde. Kort daarna sloot ook Spanje vrede met de fransche republiek. Dit rijk had onder het bestuur van den kundigen Aranda ( z. D. XVI. bl. 247) , die door koning Karel IV aan het hoofd der buitenlandsche zaken ge plaatst was, totop den dood van Lodewijk XVI den oorlog met Frank rijk vermeden. Toen echter in november 1792 Godoy , een man zonder bekwaamheden, zonder kennis en zonder vaderlandschen zin , wien de ko ningin Louiza Maria tot haren tweeden man uitgekozen had , in de plaats van Aranda opgetreden en onbeperkt gebieder van het rijk geworden was, had ook Spanje deel genomen aan den kruistogt tegen Frankrijk. Dit berouwde den door zijne landgenooten diep verachten gelukzoeker reeds in het jaar 1794 , toen de fransche troepen zegevierend in Spanje binnen drongen ( z . bl . 235) ; en daar hij bovendien in de fransche regering eenen steun tegen den afkeer van de spaansche grooten hoopte te vinden, knoopte hij tegen het einde van dit jaar vredesonderhandelingen aan. In mei 1795 zond hij, om die ten einde te brengen, Yriate naar Bazel. De zaak bleef eerst slepende, omdat menaan de zijde van Spanje de vrijlating der beide kinderen van Lodewijk XVI, van den dauphin, of, zoo als de koningsge zinden hem noemden, van Lodewijk XVII en der latere hertogin van An goulême, eischte en de conventie toch onmogelijk eenen pretendent naar het buitenland kon laten gaan . In junij werd echter door den op den 8 gevolgden dood van den franschen prins en door de bereidwilligheid van de fransche regering om zijne zuster los te laten, dit bezwaar uit den weg geruimd, en nu kwam op den 22 julij 1795 de vrede tot stand. Deze te Bazel gesloten vrede was voor Spanje zoo gunstig , dat Godoy daarvoor van zijnen koning met den titel van vredevorst vereerd en door de spaan sche natie gedurende eenigen tijd als een steun van het rijk beschouwd werd ; want de conventie wilde Godoy tot een werktuig van Frankrijk ma ken, om door zijne bemoeijing eene hoofdbron van den engelsehen handel te verstoppen en tevens de spaansche vloot met de fransche tegen Enge land te vereenigen. Al de door de Franschen gemaakte veroveringen wer den aan Spanje terug gegeven , en dit moest daarvoor alleen zijn gedeelte van het eiland Domingo afstaan. Den koning van Spanje werd verder toegestaan , om als bemiddelaar op te treden voor Napels , Parma en den paus. Doch ten aanzien der fransche prinses werd eene onderhandeling tusschen Oostenrijk en de republiek beloofd, ten gevolge waarvan ook het uitvoerend bewind in december 1795 de prinses aan de Oostenrijkers uit leverde en daarentegen van haar de vijf afgevaardigden, die Dumourier in april 1793 aan de Oostenrijkers overgeleverd had ( z. bl. 200 ), en ook Drouet, Maret en Semonville, die door hen gevangen genomen waren, te rug bekwam . De prinses huwde weldra na hare aankoinst te Weenen met haren noef, den hertog van Angoulême. 254 Nieuwe Geschiedenis. Ook andere staten volgden het voorbeeld van Pruisen en Spanje. Hessen- Kassel sloot in augustus vrede met de fransche republiek. Zwe-. den zond in april eenen gezant naar Parijs , om zich daar weder bij de regering te laten vertegenwoordigen. Venetie en Zwitserland deden haar insgelijks van hunne toegenegenheid blijken . Portugal en de paus beweer den, dat zij nooit met Frankrijk in oorlog geweest waren . Napels wilde, om de spaansche bemiddeling te ontgaan , onderhandelingen aanknoopen. Zelfs Sardinie was niet ongenegen om hetzelfde te doen. Maar Holland was, gelijk wij terstond berigten zullen, toen reeds door de Franschen ver overd. Een groot gedeelte van Europa scheen derhalve op het tijdstip , dat de nieuwe staatsregeling in Frankrijk ingevoerd werd , door de fran sche republiek vernederd . 2. Verovering van Holland en oorlog in Duitschland gedurende de jaren 1795 en 1796. Tegen het einde van het jaar 1794 bezaten de Franschen niet slechts den geheelen linker oever van den Rijn, behalve alleen Mentz en Luxem burg, maar zij hadden ook een gedeelte der hollandsche vestingen ver overd en de Engelschen en Hollanders tot achter de Waal en de Lek te rug gedreven. In het eigentlijke Holland door te dringen scheen zoo wel wegens het late jaargetijde, als ook vooral wegens den treurigen toestand der fransche troepen on inogelijk. Zij leden door de hebzucht van de com missarissen en leveranciers aan alles gebrek , zelfs aan de noodzakelijkste levensmiddelen en aan schoeisel. Aan de andere zijde hadden echter de Franschen, als zij in Holland doordrongen, krachtige bondgenooten aan de aldaar heerschende ontevredenheid over den erfstadhouder en zijne partij, zoo wel als aan de talrijke gevlugte hollandsche democraten , die geheele compagnien van het fransche leger uitmaakten en betrekkingen met hunne landgenooten onderhielden (z. bl. 29 vv. ). Gelukte het echter , om Hol land te veroveren , dan kon dit land niet alleen door vestiging der volks heerschappij op den duur aan de Engelschen ontrukt worden , maar men kreeg ook gelegenheid, om door de spaarpenningen der rijke Hollanders den nood van het fransche leger en het geldgebrek zijner regering te ver helpen. Toen derhalve in december de sterke opgekomen vorst de moge lijkheid aanbood, om over de toegevroren moerassen , rivieren en kanalen Holland binnen te dringen , stelde Pichegru, de bevelhebber der armee van het noorden , zich terstond in beweging en waagde op den 27 december de stoute poging , om met zijne door gebrek en nood uitgeputte troepen Holland te veroveren . Deze poging gelukte binnen weinige weken volkomen. De Franschen werden daarbij zeer geholpen door de radeloosheid der engelsche generaals. In het midden van januarij zagen zich reeds de engelsche en hannover sche troepen , waarbij slechts een klein inlandsch leger bestond , tot den terugtogt naar Westphalen en Oostfriesland genoodzaakt. Zij leden op dezen togt zoo veel door gebrek en koude , dat hun voorkomen geheel te vergelijken was met den ellendigen toestand van het napoleontische leger, dat in 1813 na den slag bij Leipzig op den Rijn toesnelde. Op den 20 januarij hield Pichegru zijnen intogt te Amsterdam , dat de erfstadhouder, Willem V, eerst twee dagen vroeger verlaten had >, om naar Engeland te Fransche republiek. Veldtogt van 179 5 . 255 vlugten. De fransche troepen werden terstond over al de zeven provin cien verdeeld en te haren koste gevoed, gekleed en bezoldigd. De Hol landers ondervonden toen derhalve , welk een onbeil het is , als een volk uit traagheid of winzucht weerloos wordt. Dezen werden bovendien in den eerstvolgenden tijd ook nog door hunne voormalige beschermers en vrien den , de Engelschen , beroofd . Zij maakten zich niet alleen meester van de oorlog- en koopvaardijschepen der Hollanders, die zich in de engelsche havens bevonden , en gaven die later niet terug, maar zij namen ook al de hollandsche colonien behalve het eiland Java in bezit. Zij droegen der halve ook nu al het voordeel van dien oorlog voor zich zelven weg , te meer, daar zij reeds vroeger ook een gedeelte der fransche vloot vernield en fransche colonien in Westindie veroverd hadden. Het veroverde land werd onder den vorm van eenen op zich zelven staanden vrijstaat, die den naam van bataafsche republiek bekwam , in af hankelijkheid van Frankrijk gebragt. Doch nog voor dat men de nieuwe instellingen invoeren liet, haastte men zich , om met de oude overheid, de algemeene staten, een verdrag tot stand te brengen, omdat men zeer goed wist, dat men met de democraten niet zoo gemakkelijk gereed kon komen , als met mannen van ondervinding in de behandeling der zaken. Dit ver drag , dat op den 16 mei 1795 reeds onderteekend werd , bezorgde aan de Franschen het bezit van Venlo, Staats -Limberg, Maastricht en Staats Vlaanderen , benevens het regt van bezetting in Vlissingen en de vrije scheepvaart op de Schelde , de Maas en den Rijn. Het verpligtte boven dien de Hollanders tot de betaling van honderd millioenen guldens krijgs kosten en bragt hen tevens daardoor in blijvende gehoorzaamheid jegens Frankrijk, dat voor de nieuwe republiek in tijd vanoorlog vijf en twintig duizend fransche soldaten voeden , bezoldigen en kleeden moest. Dit laatste punt werd voor de Hollanders vooral een drukkende last; want Frankrijk riep later de vijf en twintig duizend man gedurig na korten tijd weder terug en zond anderen, die dan insgelijks op kosten van Holland gekleed en uitgerust werden . De oorlog in Duitschland werd om verschillende redenen eerst in au gustus ernstig begonnen. Maar de Franschen waren in het voorjaar reeds aangevangen met de geregelde belegering van Mentz en hadden in junij Luxemburg tot de overgave gedwongen. De tegen hen over staande duit sche troepen waren door den rampzaligen vrede van Bazel tot de helft verminderd. Bovendien wachtten Wurtemberg, Baden, Paltz - Beijeren en andere zuid- duitsche staten reikbalzend naar het oogenblik, waarin zij zich insgelijks van de zaak des vaderlands zouden kunnen los maken. De ge heele last van den oorlog drukte derhalve op de Oostenrijkers. Zij stre den in het jaar 1795 met heldenmoed en geluk voor de duitsche eer, hoe wel alle hoop, om den linkeroever van den Rijn te kunnen behouden, reeds verdwenen was. Zij hadden gedurende den winter de verbazendste toerus tingen gemaakt, en tot hun geluk werd reeds in april de onbekwame her tog van Saksen - Teschen terug geroepen en Clairfait als veldmaarschalk belast met het opperbevel over de twee legers van den Boven- en Bene den -Rijn, waartoe ook het overschot van het rijksleger behoorde. In julij werd wel het leger van den Boven-Rijn weder van het hoofdleger aan den Middel- en Beneden -Rijn gescheiden ; maar men benoemde tot opperbevel hebber daarvan den ouden Wurmser, die zich sedert lang als een degelijk 256 Nieuwe Geschiedenis. veldheer had doen kennen. Aan de zijde der Franschen werd in augustus Pichegru als bevelhebber der in Holland staande armee van het noorden door Moreau vervangen, om het bevel over het leger van Rijn en Moezel op zich te nemen , terwijl Jourdan aan het hoofd bleef van het leger van Sambre en Maas. Onder deze drie generaals bevond zich , zonder dat men het vermoedde, een verrader. Pichegru had zich namelijk aan de Bourbons verkocht en was over verraad in schikking getreden met den prins van Condé , die als aanvoerder van het leger der uitgewekenen on der Wurmser diende , en tevens met den engelschen minister Wickham , die als gezant in Zwitserland door zijne gewetenlooze diplomatische stre ken berucht en zelfs in Engeland gehaat en veracht was. Pichegru hoopte zijne troepen voor het koningschap te winnen en vervolgens tegen Parijs aan te voeren. Eerst in september begonnen de meer belangrijke ondernemingen van den veldtogt van 1795. Zij werden geopend door het overgaan van Jour dan met zijn leger over den Rijn boven Dusseldorf. Dit was hem alleen daardoor mogelijk geworden, dat hij zich eensdeels, om de vijanden om te trekken, niet ontzien had , om de bij den vrede van Bazel bepaalde schei dingslijn te schenden , en dat ten andere de paltz - beijersche minister van Hompesch , niettegenstaande alle waarschuwingen van den keizerlijken ge neraal , de stad Dusseldorf met drie honderd vijftig stukken geschut en vele andere wapenen overgegeven had . Het vooruit rukken van Jourdan noodzaakte de Oostenrijkers tot over den Mein terug te trekken. Om streeks dezen tijd ( 20 september ) gaf ook de paltz - beijersche minister Oberndorf aan de troepen van Pichegru het sterke Manheim dadelijk bij de eerste opeisching over, ofschoon een gedeelte van het leger van Wurm ser in aantogt was. Vier dagen later werden echter twee afdeelingen van Pichegru, die Heidelberg bezetten zouden , bij Handschuchsheim geslagen ; en nu begon Wurmser zoo wel als Clairfait weder aanvallend te handelen, om eensdeels het belegerde Mentz te ontzetten, en anderendeels Manheim weder aan de Franschen te ontrukken. Clairfait trok op de Nidda - brug bij Höchst aan den Mein aan , en ging, zonder de lijn van afscheiding te ontzien, over den Mein, waartoehij volkomen geregtigd was, omdat Jour dan in het Bergsche het onzijdig gebied niet ontzien en de keizer den vrede van Bazel niet erkend had. De Franschen geraakten daardoor in zoo groote verlegenheid , dat zij op den 12 october haastig naar den lin ker oever van den Rijn terug weken en de belegering van Mentz in eene insluiting veranderden. Aan den Boven -Rijn had Wurmser het intusschen moeijelijk , daar Paltz - Beijeren volstrekt onzijdig blijven wilde en omdat hij de bij zijn leger aanwezige troepen van den hertog van Wurtemberg, die met de Franschen in onderhandeling was, niet vertrouwen kon. Daar entegen was het een geluk voor hem, dat Pichegru wegens zijn verrader lijk plan niet meer deed , dan volstrekt noodig was. Op den 18 october begon Wurmser de belegering van de stad Mannheim , en op den 22 no vember moest zich de uit nagenoeg tien duizend man bestaande bezetting krijgsgevangen geven , omdat Clairfait het fransche leger, dat Mentz bele gerde, op den 29 october volkomen overwonnen en verstrooid had. Na zulke tegenspoeden was Pichegru zoo wel als Jourdan genoodzaakt terug te trekken. Tegen het einde des jaars werd plotseling een wapenstilstand voor Fransche republiek. Veldtogt van 1795. 257 onbepaaldentijd gesloten, die gedeeltelijk zijnen grond had in het tusschen Condé enPichegru afgesproken plan. Terstond daarna begaf zich Clair fait naar Weenen , om de misbruiken der leveranciers en woekeraars te doen ophouden , die zich in verstandhouding met de ministers en met de officieren van zijn leger ten koste der soldaten verrijkten ; hij konde ech ter niets uitrigten tegen de magtige oostenrijksche aristocratie en leide der halve zijne betrekking neder. Men stelde hem later niet meer in de ge legenheid, om der natie nuttig te zijn , maar hij werd van nu tot zijnen in 1798 gevolgden dood als de redder der duitsche eer geroemd. In zijne plaats trad in het begin van het volgende jaar zijn waardige kweekeling, de toen eerst vier en twintigjarige aartshertog Karel. Ook de een van de twee opperbevelhebbers van de Franschen , Pichegru , werd op den 18 maart 1196 verwijderd , omdat het uitvoerend bewind zekere, hoewel niet geregtelijke bewijzen van zijn verraad bekomen had. Hij trok zich terug naareen landgoed en zette daar zijne geheime pogingen voor den terug keer der Bourbons voort. In zijne plaats verkreeg zijn vriend Moreau het bevel over het leger van den Rijn. In de lente van het volgende jaar ( 1796) begon Bonaparte zijne schit terende ondernemingen in Italie , en bevocht aldaar tot verbazing van de geheele wereld van het begin af de eene overwinning na de andere. De aartshertog Karel zeide daarom op den 21 mei den wapenstilstand op , om eene afwending te maken ter gunste van het leger in Italie. Tegen hem trok Jourdan, die Dusseldorf intusschen zeer versterkt had, aan den reg ter oever van den Rijn te veld ; hij werd echter op den 15 junij door den aartshertog bij Wetzlar geslagen en daardoor tot den terugtogt naar den linker oever genoodzaakt. Opdezen terugtogt leed zijn leger bij Kircheip (niet ver van Altenkirchen aan de zuidelijke grens van het Bergsche) nog maals eene nederlaag door den generaal Kray. De behaalde voordeelen baatten intusschen den Oostenrijkers volstrekt niets , omdat zij door de overwinningen van Bonaparte genoodzaakt werden , een gedeelte van hun Rijnleger, 200 wel als hunne beste generaals naar Italie te zenden. Jour dan kon derhalve reeds op den 28 junij weder overden Rijn gaan, en de linker oever werd tot aan Mentz op nieuw door de Franschen bezet. On der de oostenrijksche generaals, die toen naar Italie gezonden werden , be hoorde ook Wurmser. Hij was reeds op den 17 junij met vijf en twintig duizend man afgetrokken. In zijne plaats was Latour opgetreden , terwijl de aartshertog het bevel over het gezamentlijke keizerlijke leger in Duitsch land verkreeg De gelukkige wending van den oorlog aan den Rijn waren de Fran schen niet alleen aan de overwinningen van Bonaparte verschuldigd, maar ook aan de geheime onderhandelingen , die verschillende duitsche vorsten met hen aangeknoopt hadden , om naar het voorbeeld van Pruisen de zaak des vaderlands aan hun bijzonder belang tenoffer te brengen. Om deze reden had Jourdan, toen hij van Wetzlar aftrok , den aartshertog Karel 200 ver naar den Beneden - Rijn gelokt. Om dezelfde reden hield zich Moreau kort daarna , alsof hij Manheim aantasten wilde , maar ging in plaats daarvan op den 24 junij bij Straatsburg over den Rijn. Hij ver overde, daar de zwabische troepen geenen tegenstand boden, de vesting Kehl bij den eersten aanval, rukte daarop spoedig Zwaben binnen, drong den toesnellenden aartshertog terug en zocht hem van de gemeenschap XVII. > 17 258 Nieuwe Geschiedenis. met Oostenrijk af te snijden . Ter zelfder tijd verscheen ook het leger van Jourdan , nadat het de Oostenrijkers over den Mein terug gedreven had, in Zuid -Duitschland en drong door Frankenland naar den Donau op. Nu konden de zuid- duitsche staten hunnen lang voorgenomen afval van het rijk ten uitvoer brengen. Op den 17 julij sloot Wurtemberg het eerst eenen wapenstilstand met Frankrijk; daarop volgden Baden , de zwabische kreits en de rijksstanden in Frankenland. Allen kochten het regt, om tot het sluiten van eenen vrede gezanten naar Parijs te mogen zenden , met opbrengsten en leveringen, die veel grooter waren, dan alles , wat zij ge durende den geheelen oorlog voor het rijk gedaan hadden. In augustus riep Saksen ook zijne troepen van het rijksleger terug. Omstreeks den zelfden tijd maakte het pruisische kabinet van den benarden toestand van het keizerlijke leger gebruik, om het rijk door eene geheime overeenkomst met Frankrijk te berooven . In dit op den 5 augustus 1796 gesloten ver drag herhaalde de koning van Pruisen niet alleen zijne belofte, om de Franschen aan het duurzaam bezit van den linker oever des Rijns te hel pen, maar hij verbond zich ook, om aan het onder den naam van bataaf sche republiek nieuw geboren fransche wingewest een gedeelte van het bisdom Munster te bezorgen , waartegen hem zelven het overige daarvan toegezegd en aan zijnen zwager, den erfstadhouder Willem V , het bezit van Wurtzburg en Bamberg, benevens de keurvorstelijke waardigheid ver zekerd werd . Toen Jourdan aan de eene zijde door de Beneden - Paltz den Donau naderde, en Moreau aan de andere tegen Augsburg optrok, gaf de aarts hertog door eenen onverwachten marsch eene andere wending aan den oorlog. Hij was den generaal Moreau naar Beijeren vooruit gesneld, trok daar eene versterking van vijftien duizend voortreffelijke hongaarsche gre nadiers aan zich, en ging op den 21 augustus plotseling weder op den linker oever van den Donau over, om eene legerafdeeling van Jourdan aan !c tasten, die zich onder aanvoering van Bernadotte te ver vooruit gewaagd had. Het gelukte hem , deze afdeeling uiteen te jagen en daardoor Jour dan tot den terugtogt uit de Boven -Paltz te noodzaken. Hij vervolgde nu den vlugtenden vijand onophoudelijk , verzwakte hem , zonder eenen beslissenden slag te leveren, door gedurige kleine gevechten , sloeg hem op den 3 september bij Wurtzburg en dreef hem vervolgens op den Rijn De tegenspoed der Franschen had het gewone gevolg, dat zich bij hen voordoet, als zij op vreemden bodem geslagen worden : de troepen van Jourdan verloren den moed, alle orde ging verloren en de terugtogt ont aardde in eene wilde vlugt. Nu stonden ook de duitsche boeren op, die geheel anders gezind waren , dan de regeringen en hare ambtenaren; zij vatteden de wapenen op in den Spessart, in het Odenwald, aan den Rijn, den Mein en de Lahn , vormden eenen landstorm , en sloegen alle door trekkende Franschen dood, die zich afzonderlijk vertoonden. Het gedeelte van het leger van Jourdan, dat bijeen gebleven was, werd op den 16 september bij Limburg en op den 20 bij Altenkirchen geslagen en verstrooid. De overblijfselen haastten zich om over den Rijn te komen, en nu bleven op den regter oever alleen Dusseldorp en het bruggenhoofd van Neuwied in handen der Franschen . Jourdan nam kort daarna zijn afscheid ; doch het fransche uitvoerende bewind vormde spoedig een nieuw leger, en benoemde Beurnonville tot opperbevelhebber. aan . Fransche republiek. Veldtogt van 1796 259 . Intusschen was Moreau uit Zwaben in Beijeren gevallen, en de keur vorst Karel Theodoor, wiens adellijke gunstelingen reeds vroeger de veg tingen Mannheim en Dusseldorp aan de Franschen verraden hadden , en die altijd door verraders en lafaards omringd was, had op den 7 september eenen wapenstilstand met Moreau gesloten . De keurvorst schaamde zich te dier tijd niet, door den verraderlijken wapenstilstand aan zijne onderda nen ten behoeve der Franschen veel zwaardere lasten op te leggen , dan men ooit ter liefde van het rijk zou op zich genomen hebben. Daarentegen begonnen de door hunne landgenooten verradene dappere Oostenrijkers reeds op den 11 september de bevrijding van Beijeren en Zwaben , en tevens stonden in het laatste land de door vriend en vijand geplaagde boeren ter vernieling van den rijksvijand op. Van alle kanten drongende Oosten rijkers overwinnend tegen de troepen van Moreau voorwaarts. De aartsher tog liet de vervolging van Jourdan aan eenigen zijner generaals over, en snel de naar den Boven -Rijn, om den vijand den terugtogt naar Frankrijk af te snijden. Moreau , die reeds op den 21 september zijn hoofdkwartier naar Ulm had overgebragt, verkeerde in het grootste gevaar; maar hij redde zijn leger door eenen meesterlijken terugtogt, en bereikte zonder belangrijk verlies op het einde van october gelukkig Hunningen, zonder dat, gelijk bij het leger van Jourdan het geval was geweest , zijn leger ontbonden en vernield werd. Nadat de aartshertog Karel op deze wijze den geheelen regter oever van den Rijn behalvede stad Kehl aan de Fran schen ontrukt had , dwong hij in januarij 1797 ook de laatstgenoemde vesting, en in februarij het bruggenhoofd van Hunningen tot overgave bij verdrag. Hierna werd er een wapenstilstand gesloten. Maar terstond daarna snelde de aartshertog naar Oostenrijk, om het door Bonaparte be dreigde Weenen te redden. 3. De oorlog in Italie en de voorloopige vredes - artikelen te Leoben. De Franschen waren reeds in 1792 in Italie binnen gedrongen. Zij hadden in den herfst van dat jaar Savoye veroverd en dit weldra bij hun rijk ingelijfd (z. bl. 193 en bl . 195 ) . Toch waren zij noch toen, noch in de volgende jaren de Alpen overgetrokken Zij hadden ook daar , zoo als overal, door de bedriegerijen der leveranciers en commissarissen onuitspre kelijk te lijden. Niet te min sloegen ,zij, toen in het jaar 1795 de vrede vanBazel en het wapengeluk in Duitschland de toezending van belangrijke versterkingen mogelijk maakte , tegen het einde van dat jaar zoo wel de Oostenrijkers, als de Sardiniers. In februarij 1796 werd Bonaparte tot opperbevelhebber van de ita liaansche armee benoemd. Hij was toen wel slechts zeven en twintig jaren oud ; maar het uitvoerend bewind was hem dank verschuldigd, en had bovendien ook staat- en krijgskundige redenen , om hem aan het hoofd van het italiaansche leger te stellen . Bonaparte had zich namelijk reeds als een deugdelijk generaal doen kennen, die met de aangeborene scherpzinnig heid van den veldheer en staatsman van elken misslag zijner tegenstanders meesterlijk partij wist te trekken. Hij was voorts als half italiaan boven alle andere generaals geschikt tot het bestuur van den italiaanschen oorlog. Eindelijk moest echter ook het uitvoerend bewind de eergierige veldheeren in goede luim houden , omdat het geduchte tegenstanders had , waarmede binnen korter of langer tijd een gevaarlijke strijd te voorzien was. 17 . 260 Nieuwe Geschiedenis. eerste verkiezing voor het wetgevend ligchaam had daarin reeds stellige koningsgezinden gebragt , en het was ongetwijfeld te verwachten , dat de eerste aanvulling der beide raden aan deze partij de meerderheid zou be zorgen. In Italie zelf maakte Bonaparte zich voor het uitvoerend bewind, ofschoon hij door zijne willekeurige handelwijze bij de leden daarvan naijver en bezorgdheid wekte, geheel onmisbaar, omdat hij niet slechts zijn eigen leger onderhield, maar ook zelfs aanzienlijke sommen gelds naar Parijs en aan de in Duitschland strijdende legers zond. Hoe groot deze som men waren , kan men daaruit nagaan , dat Bonaparte reeds in 1797 aan zijne soldaten verklaren kon , dat hij elf maanden lang alle kosten voor hen bestreden en bovendien nog dertig millioen naar Frankrijk gezonden had. Overigens kwamen al de door hem afgeperste gelden geenszins aan de regering ; een groot gedeelte bleef veeleer in handen van het revolutionair gespuis, dat onder den titel van commissarissen naar Italie gezonden werd. Terwijl het uitvoerend bewind den bekwaamste zijner generaals naar Italie zond, begingen de oostenrijksche ministers den dubbelen misslag, dat zij tegenover de stoutmoedige nieuwe Franschen eenen een en zeventig jarigen man, den waal Beaulieu, als opperbevelhebber stelden , en dat zij tegen diens wil den onbekwamen en achteloozen generaal Argenteau aan het hoofd eener aanzienlijke afdeeling van hun leger lieten. Beaulieu zag zich daarenboven nog in alle ondernemingen door zijne bondgenooten be lemmerd , omdat het sardinische kabinet , dat andere staatkundige inzigten volgde dan het oostenrijksche, elke zijner bewegingen met wantrouwen gade sloeg. Op deze verdeeldheid zijner tegenstandersgrondde Bonaparte terstond na het eerste gelukkige gevecht zijne verdere staatkundige , zoo wel als krijgskundige maatregelen . Bonaparte kwam op den 27 maart in het hoofdkwartier van het fran sche leger aan , dat ten zuiden der Zee-Alpen en de Apennijnen van Nizza af tot aan de grenzen van Genua stond. Hij vond het leger in eenen waarlijk beklagenswaardigen toestand . De soldaten leden aan alles gebrek, zoo dat zelfs een gedeelte hunner op bloote voeten liep , en de officieren zich sedert lang met eene maandelijksche bezoldiging van slechts acht francs vergenoegen moesten. Bonaparte moest derhalve reedste dezer oorzaak met eenen beslissenden stap beginnen , on zijne troepen zoo spoedig mo gelijk van levensmiddelen, kleederen , geld en paarden te voorzien . Dit uitzigt opende hij voor zijne soldaten, toen hij den veldtogt begonmet de poging, om den kam der Apennijnen met storm te nemen, zoo de Oosten rijkers enSardiniers van elkander te scheiden en vervolgens de rijke vlak ten van Piemont en Sardinie binnen te dringen. Hij wekte de soldaten tevens op door de hem eigenaardige, aan pogcherij grenzende welsprekend heid , die, nog heden in boeken en van de spreekgestoelten herhaald , den krijgshaftigen zin en den volkstrots der Franschen treft , en die men zelfs in de academische volzinnen van eenen Villemain terugvindt. In dertien dagen bereikte Bonaparte zijn oogmerk reeds. Hij sloeg, nadat hij zijne troepen op den 10 april had doen opbreken, in de gevech ten bij Montenotte , Millesimo, Dego , Ceva en Mondovi de Oostenrijkers en Sardiniers, en scheidde hen van elkander. Hij bragt door zijne over winningen, zoo wel als door de dreigende uitbarsting van democratische za menzweringen, waarvan hij de draden zelf in handen had , koning Victor Amadeus III van Sardinie zoo zeer in angst, dat hij vredesonderhandelingen Frankrijk Bonaparte 261 in Italie ( 1 796 ) . aanbood. Reeds op den 28 april sloot Victor Amadeus eenen wapenstil stand met Bonaparte, die vervolgens te Parijs in mei onder nog veel hardere voorwaarden in eenen vrede veranderd werd. Het sluiten van dezen wa penstilstand is als het begin te beschouwen van die listige staatkunde, waardoor Bonaparte in al zijne oorlogen meer won , dan door de vooraf gegane schitterende overwinningen. De koning van Sardinie moest aan de Franschen Savoye en Nizza voor altijd , maar al zijne vestingen, behalve Turijn, voor onbepaalden tijd afstaan , en bovendien voor hunne troepen niet alleen altijd den doortogt door Piemont open houden, maar zelfs zijn land prijs geven tot opbrengsten en leveringen van levensmiddelen . Het met Sardinie gesloten vredesverdrag had in verband met het verder zegevierend voortrukken van Bonaparte ten gevolge, dat ook de hertogen van Parma en Modena zich voegden naar de bevelen van den franschen veldheer. Beiden sloten reeds in mei eenen wapenstilstand met Bonaparte. Bij deze gelegenheid begon de laatstgenoemde dien stelselmatig gepleegden roof van kunstwerken , welken hij later bij elk vredesverdrag volhield . Schilderijen , beelden , boeken en handschriften werden voor Parijs bijeen geroofd , om de ijdele Franschen door den aanblik dezer zegeteekenen en door den verhoogden luister hunner hoofdstad te bevredigen en met geest drift te vervullen voor Bonaparte; en hij werd daarvoor door fransche en italiaansche redenaars even uitbundig geprezen , als in ouden tijd de ro meinsche helden, die Griekenland uitplunderden (z. D. III, bl. 293), door de grieksche redenaars. Even eens werden voortaan overal de schatten van staten en kloosters geroofd, om het uitvoerend bewind, zoo wel als de fransche legers, uit den nood te helpen. Ten aanzien van hertog Ferdinand I van Parma, die een neef van den spaanschen koning was, nam Bonaparte den schijn aan, alsof die bijzonder zacht zou behandeld worden, omdat de Franschen de Spanjaarden tegen Engeland noodig hadden. Nogtans moest de hertog twee millioenen francs betalen , zeventien honderd paarden be nevens eene aanzienlijke hoeveelheid levensmiddelen geven, en twintig schil derijen naar de keus derFranschen afstaan. Veel erger ging men te werk metden hertog Hercules III Reinoud van Modena. Hem werden niet alleen insgelijks twintig schilderijen afgenomen , maar hij moest ook zeven een halfmillioen francs in geld en twee een half in koren leveren. Bo vendien bedroog men beide vorsten nog daarin , dat men hen betreffende den vrede aan et uitvoerend bewind verwees, of met andere woorden, dat men daaraan hunne verdere berooving voorbehield. Met den hertog van Parma kwam de vrede eerst op den 5november tot stand. Maar Hercules Reinoud werd zoo lang door ijdele verwachtingen opgehouden, tot dat Bo naparte het op den 5 october in het belang van Frankrijk goed vond, den wapenstilstand op te zeggen en het hertogdom Modena te bezetten. Bonaparte gaf aan den oorlog terstond na het sluiten van den wapen stilstand met Sardinie eene beslissende wending. Hij ging op den 7 mei niet daar, waar hij volgens een artikel van het verdrag had doen vermoe den, maar lager over de Po, en haalde de Oostenrijkers, die over de Adda terug weken , bij Lodi in . Hier dwong hij stormenderhand op den 10 mei dien overgang over de Adda- brug af, die volgens de romantische verhalen der Franschen eene der grootste krijgsdaden van de geschiedenis der wereld was , hoewel alles , wat zij daarvan vertellen, bewezen onwaar is . Een groot aantal oostenrijksche kanonnen braakte, naar men verhaalt, en 262 Nieuwe Geschiedenis. en dood en verderf, de fransche troepen waagden het niet voorwaarts te gaan , toen plaatsten zich Berthier en eenige andere generaals achter elkander aan hun hoofd en voerden de stormende troepen midden door het hevigste schrootvuur over de brug . Hoe weinig waars aan deze vertellingen is, blijkt reeds daaruit, dat Berthier zelf in zijn berigt zegt, dat de brug terstond bij den eersten storm veroverd werd. Toch blijft het volgens het oordeel van alle krijgskundigen opmerkelijk, dat eene drie honderd schre den lange, door kanonnen gedekte brugstormenderhand genomenkon wor den. Ook waren de onmiddellijke gevolgen van het gevecht bij Lodi zeer belangrijk. Milaan en Lombardije waren namelijk de vrucht daarvan, de oostenrijksche troepen moesten deels naar Mantua, deels naar Tyrol terug trekken. Zij werden bovendien tevens ontmoedigd, terwijl hetfransche leger met grooter vertrouwen op Bonaparte, en geheel Europa met bewon dering voor zijne daden vervuld werd. Op den 14 mei hield Bonaparte zijnen intogt te Milaan, welks kasteel zich daarna nog tot den 27 junij verdedigde. Hij werd daar met het ge juich der van republiek droomende voorname dweepers ontvangen , en be antwoordde hunne vleijerijen door holle woorden , maar dwong de stad niet te min tot de betaling van twintig millioen francs. Dergelijke afper singen werden ook tegen andere steden van Lombardije gebezigd. Bij de verdere vervolging der Oostenrijkers liet Bonaparte ook aan de venetiaan sche aristocraten zijne magt gevoelen . Hij legde, zonder acht te geven op de onzijdigheid der republiek Venetie, bezettingen in hare steden , verklaarde het vroegere verblijf van den graaf van Provence, die zich Lodewijk XVIII noemde, te Verona voor eene belecdiging Frankrijk aangedaan, bragt den venetiaanschen bevelhebber dezer stad door de ruwste bedreigingen in angst, en verkreeg zoo de overgave der forten van Verona. Van de vervolging van het oostenrijksche leger wendde Bonaparte zich weder tegen Middel-Italie, om ook daar den eenen staat na den andere omver tewerpen en voor het uitvoerend bewind nieuwe geldsommen bijeen te brengen. De door schrik bevangen koning van Napels haastte zich nu ook, den vrede aan te bieden. Hij verkreeg vooreerst eenen wapenstilstand onder dragelijke voorwaarden, omdat Bonaparte voorloopig slechts het oog tenrijksche leger van de goede napelsche ruiterij wilde berooven, die zich vier regimenten sterk daarbij bevond. De wapenstilstand werd onder be middeling van den spaanschen gezant op den 5 junij gesloten, en verpligtte Napels tot onzijdigheid. Het sluiten van den vrede zelven werd door het uitvoerend bewind tot october vertraagd. Ook paus Pius VI verzocht, toen de fransche troepen zijn land binnen rukten , om vrede. Zijne ge wone romeinsche kunstenarijen baatten hem toen niet, omdat hij met eenen corsikaan te doen had , die listiger en stouter was, dan hij en zijne kardi nalen. Bonaparte dwong hem bij den wapenstilstand , die op den 23 junij gesloten werd, tot de betaling van vijftien en een half millioen francs in geld, en tevens van vijf en een half millioen in benoodigdheden , tot de uitlevering van honderd kunstwerken, en vijf honderd handschriften en tot den afstand van eene streek lands. Ook het groothertogdom Toskanen moest, ofschoon sedert lang met Frankrijk bevriend, zijn deel tot de schat ten bijdragen , die het hebzuchtig uitvoerend bewind te dien tijde door Bo naparte in Italie liet afpersen . Het voorwendsel daartoe boden de engelsche Frankrijk. 263 Bonaparte in Italie ( 1796 ) . > koopwaren, die te Livorno lagen. Er werden in die stad voor tusschen de tien en twaalf millioen aan koopwaren weggenomen . Bonaparte was terstond na den terugtogt der Oostenrijkers uit Lombar dije begonnen met de belegering van de nog in hunne magt zijnde vesting Mantua. Op het einde van julij ontving hij echter het berigt, dat Wurmser, -die met aanzienlijke versterkingen van den Rijn gekomen was, in Tyrol een nieuw leger van zestig duizend man verzameld, en de aan de tyrolsche grenzen staande Franschen onder Massena terug gedrongen had. Op dit berigt hief Bonaparte terstond de belegering van Mantua op, om het lot der vesting door eenen veldslag te beslissen. Wurmser zelf maakte hem dit gemakkelijk, daar hij, even als voor hem Beaulieu , getrouw bleef aan de oude regelmatige wijze van oorlog voeren en zijn leger verdeelde, terwijl Bonaparte in tegendeel toen , zoo als altijd, de kern zijner magt bijeen hield, en daarmede het eene gedeelte van den vijand vóór en het andere na aantastte. De oostenrijksche veldheer trok namelijk met de eene helft van zijn leger, die hij weder in onderdeelen scheidde, door het dal van de Etsch , de andere liet hij onder Quosdanowich langs de westzijde van het Gardameer heentrekken , om bij Riva en Salo voor den dag te komen. Bonaparte wendde zich eerst tegen Quosdanowich. Hij sloeg hem binnen weinige dagen tweemaal , en dreef hem tot aan het noorder einde van het Gardameer terug. Wurmser was intusschen wel naar Mantua vooruit ge komen , en had eene versterking in de stad geworpen ; maar het was hem, toen hij die op den 2 augustus weder verlaten had , niet gelukt , om zich met Quosdanowich te vereenigen. Bonaparte trok hem terstond te gemoet, en sloeg hem op den 5 augustus in den beslissenden slag bij Castiglione, waarin Åugerau en Massena zich bijzonder verdienstelijk gedroegen. Warm ser moest , nadat hij in dezen slag niet minder dan twee duizend dooden en duizend gevangenen verloren had, onder gedurige verliezen naar Tyrol terug trekken ; maar Bonaparte liet Mantua op nieuw insluiten. Wurmser ontving in Tyrol wel versterkingen, die zijn leger bijna tot het gelijke getal manschappen met het fransche bragten , maar hij beging weer den misslag, om met verdeelde krachten te handelen. Hij zelf brak met een gedeelte van zijn leger naar het dal van de Brenta op, om over Bassano naar Mantua te trekken. Het andere voerde Davidowich door het Etschdal. Het laatste werd op den 5 september bij Roveredo geslagen en vervolgens door het Etschdal naar de Nieuwe Mark gedreven . Hierop wendde zich Bonaparte met geheel zijne magt naar het dal van de Brenta, om Wurmser van achteren aan te tasten . Mij haalde hem op den 8 sep tember bij Bassano in, ontnam hem , zonder eigentlijk slag te leveren, twee duizend gevangenen en dertig kanonnen en scheidde het oostenrijksche leger in twee deelen . Daarvan redde zich het eene onder Quosdanowich naar Friaul; met de overige zestien duizend man sloeg Wurmser zelf zich door naar Mantua. Voor de muren dezer vesting waagde de oostenrijksche op perbevelhebber nog eens een gevecht; maar hij werd ( op den 14 en 15 september) weder overwonnen , verloor meer dan twee duizend man , en kwam slechts met moeite in de stad terug. De Franschen vergenoegden. zich nu met eene bloote insluiting der vesting , omdat zij bij de groote binnen Mantua opeen gehoopte menigte menschen zeker konden zijn, dat nood en gebrek, vereenigd met de dampen van het moeras en het meer, dat de stad omringde, de bezetting weldra vernielen zouden. 264 Nieuwe Geschiedenis. In den eerstvolgenden tijd hield Bonaparte zich bezig met de oprigting eener zoogenoemde cispadaansche en transpadaansche republiek in Opper Italie. De eerste moest uit de door den paus afgestane streken en uit het hertogdom Modena zamen gevoegd worden. Bonaparte nam derhalve eene volksbeweging te Reggio tot voorwendsel, om den hertog van Modena van vredebreuk te beschuldigen en hem voor afgezet te verklaren. Te gelijker tijd zocht hij de te Genua heerschende aristocratie vooreerst te berooven, tot dat zij geheel omver geworpen kon worden. Het voorwendsel daartoe bood hem de omstandigheid, dat de Engelschen onder het geschut van de stad Genua een fransch fregat weggeroofd hadden . Genua moest ter vergoeding voor dit fregat twee millioen francs en onder den schijn van een rente loos voorschot nog twee andere millioenen betalen. Napels bragt nog juist in tijds ( 10 october) zijn vredesverdrag met het uitvoerend bewind tot stand . In october bragt Oostenrijk een nieuw leger tot redding van Mantua bijeen. Ook dit werd echter in twee deelen gescheiden, en moest zich in den omtrek van Verona weder vereenigen, om vervolgens, ondersteund door eenen uitval van Wurmser uit Mantua , de Franschen terug te drijven. Het eene gedeelte trok onder Alvinzy uit Friaul op Bassano aan, het andere onder Davidowich uit Tyrol langs de Etsch naar beneden . Beiden waren in den beginne gelukkig, en drongen den vijand door zegevierende gevech ten terug ; maar Davidowich bleef na dezen eersten voorspoed eenige dagen lang werkeloos staan, en gaf den Franschen daardoor gelegenheid, zich snel op Alvinzy te werpen. Hij werd door Bonaparte op den 15 november bij Arcole aangetast en na een driedaagsch gevecht volkomen overwonnen. Zijne nederlaag had onmiddellijk ten gevolge, dat hij zelf achter de Brenta en ook Davidowich naarTrente terug gedreven, enhet beoogde ontzet van Mantua geheel verijdeld werd. Met bewonderenswaardige inspanning bragt Oostenrijk, ten vierden male in den loop van een half jaar, een nieuw leger bijeen . Dit bestond uit nagenoeg vijf en veertig duizend man en werd , toen het zich in het begin van het jaar 1797 in beweging stelde, weder in twee afdeelingen ge scheiden. De eene trok onder Provera van Bassano en Padua af regtuit op Mantua aan ; de anderemeer talrijke marscheerde onder Alvinzy langs de Etsch. Bonaparte wendde zich terstond tegen het laatste leger en bevocht op den 14 januarij bij Rivoli eene zoo schitterende overwinning, dat hij niet minder dan tien duizend man gevangen nam. Terstond daarna trok hij tegen Provera op, die reeds op den 15 voor Mantua aangekomen was , en in vereeniging met de bezetting dezer vesting het fransche belegeringsleger aantasten wilde. Dit zou op den 16 geschieden ; Bonaparte was echter reeds in den voorgaanden nacht met Massena voor Mantua verschenen , en trof op den 16 zijne schikkingen zoo voortreffelijk , dat reeds ten tien ure des morgens Provera met zes duizend zeven honderd man de wapenen neder leggen moest. Het gevolg dezer bijna voorbeeldelooze, in weinige dagen bevochten overwinningen was de overgaaf van Mantua, welks bezetting door gebrek en ziekten zoo zeer geleden had , dat van acht en twintig duizend man zeven duizend gestorven waren , en zes duizend in de ziekenhuizen lagen. Bonaparte verleende aan generaal Wurmser eene eervolle capitulatie. Hij mogt namelijk met zeven honderd man en al zijne stafofficieren af trekken , terwijl de overige vijftien duizend man van zijn leger krijgsge Vangen bleven. Frankrijk . Bonaparte in Italie ( 1797 ) . 265 was , Toen Mantua eindelijk gevallen was, kwam de beurt aan paus Pius VI. Deze had reeds sedert de eerste verschijning van Wurmser toerustingen gemaakt en zijne troepen door oostenrijksche officieren op nieuw laten or ganiseren. Daaruit nam Bonaparte, zoo dra hij de handen vrij had, aan leiding , om den paus nog erger te brandschatten , dan vroeger geschied was. Hij bewees zich daarin een meester in bedrog en arglistigheid. Hij zeide, hoewel een nieuw leger onder den aartshertog Karel in -aantogt den paus reeds op den 1 februarij den wapenstilstand op , en nam, om hem schrik aan te jagen , de houding aan , alsof hij regtuit op Rome aantrekken wilde. Hij bereikte het daarmede beoogde doel zoo veel te ge makkelijker, daar de laffe huurlingen van den paus bij hoopen tot hem overliepen . Pius bad om den vrede , en betoonde zich zoo veel te meer tot alles bereidwillig , hoe meer Bonaparte zich hield , alsof hij van gee nen vrede hooren wilde. Daardoor gelukte het den laatstgenoemde, hem tot deaanneming van harde voorwaarden te brengen . De paus bewilligde namelijk in het op den 19 februarij 1797 te Tolentino gesloten vredes verdrag om Avignon , Venaissin , Bologna , Ferrara en Romagna af te staan, te Ancona eene fransche bezetting op te nemen , en niet alleen de van de vorige opbrengst achterstallige zestien millioenen francs, maar ook nog vijftien andere millioenen te betalen. Bij gelegenheid van den togt tegen den paus was ook de schat van Loretto geplunderd , waarop het uitvoerend bewind reeds sedert lang zijne inhalige blikken geworpen had. De listige priesters hadden echter reeds vroeger het goud en de edelge steenten , waarmede het wonderdoende beeld der madonna versierd was, door valsche steenen en klatergoud vervangen, hoewel altijd nog een rijke roof voor de Franschen overgebleven was. In maart begon Bonaparte den oorlog tegen den aartshertog Karel, die het opperbevel van het voor den italiaanschen oorlog bestemde nieuwe leger van den keizer aanvaard had. Bonaparte, die terstond bij den slag bij Rivoli den generaal Joubert ter vervolging van Alvinzy Tyrol had la ten binnen rukken, overtrof den aartshertog ver in getalsterkte; want hij had in februarij twee afdeelingen van het Rijnleger onder Delmas en Ber nadotte aan zich getrokken. Hij haastte zich om zijnen tegenstander, die met twintig duizend man aan de Tagliamento stond , aan te tasten, voor dat de van den Rijn vaderende versterkingen bij hem aangekomen waren . Op den 16 maart dwong hij het zwakke leger van den aartsher tog bij Valvassone tot den terugkeer. Dit trok naar Carinthie en Stier marken, en Bonaparte volgde hem met zulken spoed, dat hij reeds op den 30 maart in de stad Klagenfurt aankwam , die Karel eerst den vo rigen dag verlaten had . Hier bevond zich Bonaparte echter in eenen zeer gevaarlijken toestand. Hij had geene berigten van Joubert, maar vernam daarentegen ,dat geheel Tyrol in opstand was, dat ook de bewoners van Hongarije , Croatie , Carniole en Stiermarken algemeen dreigden op te staan en dat de stad Triëst, die kort te voren fransche troepen ingelaten had , weder ontruimd had moeten worden. Hij was derhalve in gevaar om van Italie afgesneden te worden, en moest bovendien nog vreezen, dat de Oostenrijkers elk oogenblik versterkingen van den Rijn zouden ont vangen. In dezen benarden toestand schreef hij op den 31 maart uit St. Veit aan den aartshertog, en opende hem het uitzigt op eenen dragelijken vrede, terwijl hij nog tot achttien mijlen van Weenen vooruit drong . De 266 Nieuwe Geschiedenis. > aartshertog nam de aangeboden onderhandeling aan , en op den 7 april 1797 werd een wapenstilstand gesloten. Elf dagen daarna volgde reeds de onderteekening van de voorloopige vredesvoorwaarden. Deze geheel onverwachte uitkomst van den oorlog was het gevolg eener kuiperij, die de vreeselijke, maar in hare soort geestrijke koningin Maria Carolina van Napels (z. D. XVI. bl . 153) door haren gezant te Weenen, den markies de Gallo, had doen aanvangen, om het haar rijk be dreigende gevaar af te weren . Elk was verrast , toen het sluiten van een voorloopig verdrag zoo spoedig volgde , en de algemeene verbazing werd nog grooter, toen men vernam, dat de onderhandelingen over een verdrag, dat voor het lot van Duitschland, Italie , Hongarije en Oostenrijk beslis send was , door eenen napolitaan , den markies de Gallo , gevoerd waren . De laatstgenoemde had den keizer door zijne gemalin , eene dochter der napelsche koningin , die hem geheel beheerschte, gunstig laten stemmen voor het spoedig sluiten van eenen vrede, en was toen in het geheim met Bonaparte in onderhandeling getreden. Ook eenen der ministers van den keizer, den verachtelijken Thugut, had men in de zaak betrokken. De te genstand van den aartshertog Karel was echter daardoor opgeheven, dat men graaf Bellegarde, die hem toen altijd ter zijde stond, gewonnen had, zon der hem echter in het eigentlijke geheim ingewijd te hebben. Op zulke wijze werd niet alleen de toestemming van den keizer tot het sluiten van den vrede verkregen , maar men bragt hem zelfs zoo ver , dat hij , waarover zelfs Bonaparte verbaasd was, de geheele zaak aan eenen vreemden gezant overliet . De markies de Gallo werd namelijk met het sluiten van het voorloopig verdrag belast. Men voegdehem wel graaf Meerfeld toe, maar dit geschiedde bloot voor den vorm . De onderhandelingen werden op een slot te Leoben gevoerd en na weinige dagen (op den 18 april 1797 ) werd het voorloopig verdrag van Leoben geteekend. Dit verdrag, dat voor het sluiten van eenen stelligen vrede eenen termijn tot 1 october bepaalde, was aan beide zijden niet ernstig gemeend. Het moest veeleer slechts een voorwendsel zijn , om de in het geheim beslotene verdeeling van de repu bliek Venetie voor de Engelschen te kunnen verbergen. Het werd der halve ook zeer geheim gehouden, en is eigentlijk nooit openbaar gemaakt. Daar alles louter bedrog was , kunnen wij hier de bijzondere punten van het verdrag geheel met stilzwijgen voorbij gaan. Juist op denzelfden dag , waarop de voorloopige vredesvoorwaarden van Leoben geteekend werden , begon de oorlog aan den Rijn op nieuw. Op den 18 april ging namelijk het leger van de Sambre en Maas, waar over Hoche tot opperbevelhebber benoemd was, over den Rijn. Het leger van den Rijn en den Moezel, aan welks hoofd Moreau geplaatst was, begon zijnen overtogt over den Rijn op den volgenden dag bij Straatsburg. Moreau nam de vesting Kehl bij den eersten aanval , en had reeds eenen alge meenen aanval op het oostenrijksche leger voorbereid, toen het berigt van den te Leoben gesloten wapenstilstand tot het staken der vijandelijkheden noodzaakte. Aan den Beneden - Rijn had Hoche intusschen den onbekwa men generaal Werneck verrast en verslagen. Hij was daarop onophou delijk tot in de nabijheid van Frankfort voortgerukt, en slechts een toeval had hem verhinderd deze stad te bezetten , vóór dat het berigt van den wapenstilstand bij hem aankwam . Beide fransche legers bleven op den reg Italie. Ondergang van Venetie. 267 ter oever van den Rijn en werden op den duur door de Duitschers ver pleegd en verrijkt. 11. DE BESCHIKKINGEN VAN BONAPARTE IN ITALIE. Bonaparte ging na het ten einde brengen van den oorlog voort , als oppermagtige te handelen , en het fransche uitvoerend bewind durfde hem niets in den weg leggen , omdat hij een onmisbaar man was. Zijne niets ontziende gewelddadigheid trof het eerst de republiek Venetie , door wier opoffering hij voornemens was den vrede van Oostenrijk te koopen. Reeds gedurende den oorlog had hij de laf hartige en eigenbatige aristocraten, die te Venetie bewind voerden , herhaaldelijk doen gevoelen , dat hij geen regt van den zwakke tegenover den sterke erkende. Hij had , hoezeer de Ve netianen met Frankrijk in vrede waren , hunne steden Verona , Brescia, Bergamo en Crema bezet. Later waren de inwoners dezer steden aange spoord, omzich eigendunkelijk van Venetie af te scheuren en de hereeni ging met Milaan te eischen , waartoe zij in vroegere tijden behoord had den. De venetiaansche senaat had zich deels uit vrees en zwakheid, deels omdat hij het oogmerk bevroedde om hem in de val te lokken , alles laten welgevallen , en zelfs de rooverijen en afpersingen , die van de zijde der Franschen op zijn gebied gepleegd werden, bedaard toegezien . Toen Bonaparte echter in maart en april 1797 tot in het hart van Oostenrijk doorgedrongen was, hadden de Venetianen te gelijk met italiaansche jaco bijnen en fransche zendelingen, die afval van Venetie predikten, de inwo. ners van geheel het land van Bergamo af tot aan Istria in opstand gebragt, en honderde Franschen waren door de verbitterde boeren dood geslagen. Deze opstanden hadden voor Bonaparte, die toen te ver vooruit gedrongen was, verderfelijk kunnen worden ; maar de ellendige venetiaansche senaat zond , in plaats van die te ondersteunen , een smeekend gezantschap aan Bonaparte. Het werd door hem , die kort te voren ( 7 april) den wapen stilstand van Leoben onderteekend had , met barsche, dreigende woorden ontvangen . Het streven van Bonaparte was, Venetie weerloos te maken en der stad eene fransche bezetting op te dringen, om haar eerst te kunnen uit plunderen en vervolgens als schadeloosstelling aan Oostenrijk over te geven . Hij veinsde de grootste verbittering wegens eene met de onderteekening van eenen venetiaanschen stadhouder voorziene afkondiging, waarin het vermoorden der Franschen aangemoedigd werd, hoczeer zoo wel die stad houder als de venetiaansche senaat de echtheid daarvan ontkende. Bona parte schreef nu eenen in den ruwsten toon gestelden brief aan den vene tiaanschen senaat , en zijn onderbevelhebber Junot, die hem overbragt en in den senaat voorlas , voegde er in denzelfden toon schampere beleedi gingen bij. Toen de laffe senaat ook dit verdragen had , werd de be straffing van eenen franschen kaper, die strijdig met de verordeningen tot in de binnenhaven van Venetie doorgedrongen was , tot voorwendsel ge nomen , om nieuwe kwellingen over de republiek te brengen , ofschoon de senaat zich tot het geven van elke voldoening bereid verklaarde. Op den 2 mei verklaarde Bonaparte regtstreeks den oorlog aan de Venetianen. Tevens liet hij niet slechts de geheele Terra firma bezetten , maar ook door eene in de Lagunen gezondene afdeeling de eilandstad van het vaste 268 Nieuwe Geschiedenis. land afsnijden. Slechts twee senatoren van Venetie rieden eene wanho pige verdediging aan , waardoor ten minste de eer van den senaat gered ware ; maar voor ware vrijheid en eer had de verdorvene venetiaansche aris tocratie geen gevoel. Bovendien bestond er te Venetie eene fransche partij, aan wier hoofd de twee senatoren Battaglia en Dona stonden, en de fran sche gezantschaps- secretaris Villetard , die ook na de oorlogsverklaring in de stad gebleven was, had op last van Bonaparte sedert lang allerlei kui perijen aangevangen. De senaat nam derhalve, toen de oorlogsverklaring verschenen was, het besluit, om zich aan alles te onderwerpen. Hij zond twee gezanten aan Bonaparte; doch deze verleende hun geen gehoor. Des niettemin kwamen de hoofden der vroeger zoo trotsche edelen van Venetie niet alleen zoo ver , om de voortreffelijke vloot der republiek te ontwape nen en de uit tien duizend man bestaande slavonische regimenten , die dapper en krijgslustig waren, te ontbinden, maar zij namen ook zelfs hun ontslag, om plaats te maken voor eene democratische regering, die de stad in de magt der Franschen brengen moest. De opheffing deroudc aristo cratische staatsregeling werd met niet minder dan zeven honderd en vijftig stemmen tegen vijf besloten. De aftredende voorname heeren schaamden zich niet , om bij deze gelegenheid eene soort van aalmoes te bedingen. Men legde namelijk der nieuwe regering de verpligting op, om de jaargel den en kapitalen, die de staat tot hiertoe tot ondersteuning van verarmde adellijke familien besteed had, ook in het vervolg uit te betalen . Op den 12 mei werd een nieuwe raad aangesteld , dien men uit alle standen en zelfs uit de verschillende volksstammen gekozen had. Deze verwijderde de Slavoniers , die oproerig geworden waren , uit de stad , en noodigde op den 14 mei den in de Lagunen liggenden franschen generaal Baraguay d'Hilliers uit, om een gedeelte zijner troepen heimelijk in de stad te zenden. Op den 16 mei rukten daarop vier duizend Franschen Vene tie binnen. Op denzelfden dag sloot eene nog door den ouden senaat be noemde commissie een vredesverdrag. Bonaparte weigerde dit verdrag te bekrachtigen , omdat, zoo als hij zelf in eenen brief erkent, de vredeson derhandeling hem alleen had moeten dienen, om een voorwendsel ter uit plundering van de stad te bekomen. Werkelijk werd ook de geheele tijd tot aan de overlevering der stad aan de Oostenrijkers gebruikt, om het rijke Venetie als eene spons uit te persen en zich meester te maken van de in de tuighuizen opgehoopte krijgsbehoeften. Toen dit geschied en de vrede tusschen Oostenrijk en Frankrijk gesloten was, werd Venetic zonder bedenking den Oostenrijkers overgeleverd. Tegen de republiek Genua ging Bonaparte op dezelfde wijze als tegen Venetie te werk." De fransche gezant te Genua, Faypoult, speelde daar de rol van Villetard. Eerst liet men door genuesche democraten , die zich met lombardische , fransche en sardinische omwentelingszuchtigen veree nigden, eene verandering der bestaande staatsregeling eischen. Vervolgens werd van eenen opstand der geringe volksklasse, die te Genua, even als te Venetie en te Bern, der aristocratie toegedaan waren, door den overweldi ger van Italie gebruik gemaakt, om ook aan de regering van Genua eenen lompen brief te schrijven. Dien las Lavalette, de adjudant van Bonaparte, aan den kleinen raad van Genua op even trotschen toon voor , als Junot te Venetie gedaan had. Terstond daarna werd den Genuezen een verdrag opgedrongen, dat hunne aristocratische republiek in eenen democratisch Frankrijk. Bonaparte in Italie ( 1797 ) . 269 ingerigten staat hervormde. De nieuwe republiek , die den naam van de ligurische ontving en op den 15 augustus bepaaldelijk ingesteld werd, bragt men daardoor in afhankelijkheid van Frankrijk , dat hare troepen onder fransche generaals gesteld werden , waaraan ook de regering gehoorzamen moest. Uit Lombardije, het hertogdom Modena en de van Venetie en den staat afgescheurde landstreken vormde Bonaparte zijne zoogenoemde cisal pijnsche republiek . Deze werd geheel naar het voorbeeld der fransche in gerigt en op den 9 julij plegtig afgekondigd. Toskanen , Parma, Sardinie, Napels en zelfs Spanje moesten weldra gezanten naar Milaan zenden, om geluk te wenschen met eene inrigting, die hen zelven met verderf be dreigde. Oostenrijk daarentegen erkende de cisalpijnsche republiek eerst bij het sluiten van den vrede. Met Sardinie , dat sedert den in october 1796 voorgevallen dood van koning Victor Amadeus door Karel Emanuel IV geregeerdwerd, had Bonaparte reeds op den 5 april 1797 een zoogenoemd aanvallend en verdedigend verbond gesloten. De koning van Sardinie nam daarin de verpligting op zich, om zijn voortreffelijk leger ter beschikking van Bonaparte te stellen , en de fransche troepen en ambtenaren, telkens als zij door zijn land trokken, van levensmiddelen te voorzien . 12. INWENDIGE TOESTAND VAN FRANKRIJK TOT AAN DEN 18 FRUCTIDOR 1797 . Bonaparte handelde, gelijk het voorgaande bewezen heeft, in Italie volkomen , alsof hij boven het hoogste uitvoerend gezag van het fransche rijk stond. Dezelfde plaats had Hoche aan het hoofd zijner troepen inge nomen. Een derde generaal, Pichegru , had reeds sedert 1795 aan de koningsgezinden zijnen arm ter herstelling der oude orde van zaken aan geboden. Een vierde eindelijk, Moreau,had in april 1797 bij het buit maken van eenen oostenrijkschen bagagewagen de verraderlijke briefwisse ling van Pichegru gevonden , maar gaf daarvan eerst in september berigt aan het uitvoerend bewind. Deze willekeurige handelwijze der eerste ge neraals van Frankrijk had zijne oorzaak in de jammerlijke wijze, waarop het uitvoerend bewind Frankrijk bestuurde. Even als de generaals hadden ook nagenoeg al de overige Franschen noch achting voor de regering, noch vertrouwen op haar , en elk was overtuigd, dat eene omwenteling voor de deur stond. Op dezen stand van zaken vestigde Bonaparte zijne verdere plannen. Aan de andere zijde hield ook Oostenrijk de vredeson derhandelingen slepende, omdat het hoopte, dat alles in Frankrijk veran deren zoude. Eer" wij derhalve tot die vredesonderhandelingen overgaan , is het noodig, eerst den inwendigen toestand van Frankrijk te schilderen . Van de vijf directeurs was Carnot, die het krijgswezen bestuurde, alleen een zeer achtenswaardig man . Twee anderen , Letourneur en La Reveillère -Lepeaux , waren en bleven zonder eenige beteekenis, en de laatste had zich nog daarenboven door zijnen haat tegen het christendom en door zijnen ijver, om eene nieuwe godsdienst, theophilanthropismus genoemd, te stichten, reeds lang belagchelijk gemaakt. Van de twee ove rige bewindhebbers was de een , Barras, een man vol van aristocratischen trots en een pronkend zwelger naar den ouden trant, die zijne zedeloos heid en weelderigheid opentlijk ten toon spreidde , en zich reeds in 1797 270 Nieuwe Geschiedenis. > heimelijk aan de Bourbons verkocht. De ander , Reubel , die de buiten landsche zaken bestuurde , was wel een zeer ijverig en voor burgerlijke zaken degelijk man ; maar hij bediende zich van zijne betrekking om zich te verrijken , en maakte gemeene zaak met de winstbejagers, en met roofzuchtige leveranciers en commissarissen. Eene uit zulke mannen za mengesteỉde regeringis wel in alle staten en van ouds gewoon en voor treffelijk ; maar zij kon eenen nieuwen staat niet grondvesten, daar zij noch krachtvol, noch regtvaardig en wijs was. Zij weifelde, om zich staande te kunnen houden, tusschen de beide partijen der rustige burgers en woeste jacobijnen heen en weder, nam hare toevlugt tot de ellendigste middelen, belemmerde de werking der staatsinstellingen , en maakte zich weldra al gemeen gehaat. Het meest werd in geheel Frankrijk over de verwarring der geldmiddelen geklaagd. Dit waseennatuurlijk gevolg van het mis bruik, dat men van het papieren geld gemaakt had, en werd door het roof zuchtige stelsel der bewindhebbers en door de middelen, die zij bezigden, welke altijd slechts voor de behoefte van het oogenblik berekend waren, nog erhoogd. Men had reeds vroeger door de ligtzinnige vermeerdering der assignaten ( z. bl. 246 v. ) hunne waarde bedorven en op die wijze niet alleen de geldmiddelen van den staat in de war gebragt, maar ook het vermogen van al de burgers verwoest. De assignaten stonden in october 1795 reeds zoo laag , dat men voor drie duizend francs assignaten slechts acht gulden in geld ontving. Dit dalen duurde zelfs nog voort, toen men in januarij 1796 de verdere vermeerdering van het papieren geld onmo gelijk gemaakt had, door de werktuigen en inrigtingen , die voor de ver vaardiging gediend hadden, te vernietigen. De regering zag zich genood zaakt, hare toevlugt te nemen tot een bedekt bankroet. Bij eene wet van den 18 maart 1796 werd namelijk onder den naam van mandaten een nieuw papieren geld met gedwongen koers ingevoerd, dat uit aanwijzingen op bepaalde nationale goederen bestond, en waarmede men een zeer klein gedeelte der assignaten wilde inwisselen om de overigen vervolgens zonder waarde te kunnen verklaren. Deze mandaten ondergingen echter het lot der assignaten ; reeds op den 9 augustus moest de staat verklaren, dat hij zelf die slechts tot beurskoers aannam . Men meende wel dezen koers door strafbepalingen te kunnen vast stellen, maar men zag weldra de onuitvoer baarheid van eenen zoodanigen maatregel in , en maakte derhalve op den 4 februarij 1797 eene nieuwe wet , waarbij de gedwongen koers der man daten opgeheven en alzoo ook het nieuwe papieren geld aan zijn lot over gelaten werd. De verwarring der geldmiddelen en de twisten, die daarover tusschen het uitvoerend bewind en de twee wetgevende raden ontstonden , maakten aan de eene zijde den generaal Bonaparte, die de bewindhebbers van tijd tot tijd door afgeperste millioenen uit den nood hielp , tot een onmisbaar man , die met zijne overheid op eenen willekeurigen en gebiedenden toon mogt spreken Aan de andere zijde veroorzaakte echter deze staat van zaken eene algemeene ontevredenheid in het rijk , die zelfs het leven gaf aan eenen afkeer tegen de wetten en instellingen der omwenteling. Men was inzonderheid verbitterd over de in stand houding der wet van den 3 brumaire (z. bl . 247 ) , waarbij juist dat gedeelte des volks , dat zijn vertrouwen bezat, van alle betrekkingen uitgesloten was. Overigens vatte men de tegenstanders van het uitvoerend bewind en der conventie zamen Frankrijk. - Eerste tijd van het directoire. 271 > onder den naam van koningsgezinden, ofschoon zeer velen daaronder geeng zins de leerstellingen der monarchie, maar het einde der regeringloosheid en van den altijd nog voortlevenden invloed der jacobijnen wenschten. Zelfs een der bewindhebbers, Carnot, had zich bij deze partij aangesloten, omdat hij overtuigd was , dat eene herstelling der oude bourbonsche ver keerdheid volstrekt onmogelijk was , en dat zelfs de heerschappij eener partij, die dit doel beoogde, minder verderfelijk voor het vaderland zijn zoude, dan eene regering zonder waardigheid en gezag. Niet eens de communistische en socialistische dweepers van de jaren 1793 en 1794 waren tevreden met de winstbejagende, woekerende en wille keurige bewindhebbers. De overblijfselen van het schrikbewind hadden zich toen rondom den woedenden democraat Drouet geschaard , die twee jaren lang in de oostenrijksche kerkers rondgesleurd en op het einde van 1795 uitgeleverd was ( z. bl. 253). Nevens hem gold de nog zeer jonge Babeuf, die volgens de gewoonte van de dagen des schrikbewinds de voor namen Cajus Gracchus aangenomen had, voor een hoofd der jacobijnsche partij. Deze onzinnige geestdrijver schreef een dagblad ,,de Volkstribuun ", en zocht de rol van Marat te spelen. Hij was echter niet, zoo als Ma rat, een woedend, maar een onzinnig mensch, en voerde niet als hij eene ophitsende, drieste en krachtvolle taal, maar zijn dagblad was veeleer in eenen weifelenden en zelfs bijna vervelenden toon gesteld. Gevaarlijk kon den menschen als Drouet en Babeuf niet worden ; maar achter de dolle dweepers verschool zich, om na de ontbinding van het bestaande in troe bel water te visschen , het overblijfsel der aanhangers van Danton en Ro bespierre, als Fouché, Tallien, Amar, Vadier en anderen, waaronder ook zestig leden der wetgeving waren . Ook trokken zich de twee bewindheb bers Reubel en Barras eenigen tijd lang de woeste dweepers aan , omdat zij hen bij hun heen en weer slingeren tegen de koningsgezinden noodig hadden. Zij lieten zelfs nog in februarij 1796 aan hun hoofd, Babeuf, het ministerie van financien aanbieden . Maar toen zij bang werden voor de onstuimigheid der jacobijnen , maakten zij zich daardoor verachtelijk , dat zij met het waanzinnige hoofd dier partij als met eene hun gelijk staande magt over eene verzoening onderhandelden . Eene bevrediging was echter onmogelijk. Het uitvoerend bewind besloot derhalve, om tegen zijne vrien den, de jacobijnen, ook eens eene daad van geweld te plegen . De bewindhebhers lieten zich op den 10 mei 1796 door de wetgeving volmagt geven , om alle verdachte lieden uit Parijs te verwijderen. Ver volgens werden de papieren van Drouet in beslag genomen , hij zelf be nevens Babeuf en andere democraten in hechtenis genomen en een bijzonder geregtshof, dat te Vendome zitting zou houden, omover de zaak uitspraak te doen, ingesteld. Daar echter de jacobijnen als bondgenooten tegen de koningsgezinden onmisbaar schenen, liet men Drouet weder ontsnappen en draalde men met het regtsgeding. Daardoor duurden de woelingen na tuurlijk voort. Toen die te erg werden , besloot men , om de partij der regeringloosheid doorde teregtstelling van eenigen harer mindere aanhangers af te schrikken, zonder haar geheel te vernietigen . Met dit oogmerk be werkte men , dat de vrienden der gevangene communisten de poging be proefden , om de gedeeltelijk democratisch gezinde soldaten , die in ver schillende legerplaatsen rondom Parijs verdeeld waren, tot afval te bewegen, om vervolgens met hunne hulp de gevangenen te bevrijden. De poging 272 Nieuwe Geschiedonis. . mislukte, gelijk te voorzien was; en nu werd een krijgsraad benoemd, die allen, welke men uit den weg wilde ruimen, ter doodveroordeelde. Het regtsgeding van Babeut werd tot in het voorjaar van 1797 gerekt. Toen het eindelijk in maart en april 1797 tot afdoening kwam , maakten niet slechts de jacobijnen, die bij hoopen naar Vendome gestroomd waren, maar ook de regters zelven het tot eene waarachtige satire op regt en regtspleging. De eersten vernieuwden het schouwspel der zittingen van de jacobijnen -club onder het schrikbewind. Men klapte in de handen, juichte, zong omwentelingsliederen , zelfs de wachthoudende soldaten namen deel aan het gewoel. Ook de aangeklaagden, vooral Babeuf, hoonden het geregtshof op allerlei wijze, terwijl zij tevens de schandelijke knoeijerijen der bewindhebbers aan het licht bragten. Doch het geregtshof gaf, om Amor, Rossignol, Vadier en andere mannen van het schrikbewind, die men toen juist tegen de koningsgezinden meende noodig te hebben , te kunnen vrijspreken, de verklaring, dat er geene zamenzwering bestaan had. Ten gevolge daarvan bleven de meeste aangeklaagden of geheel ongestraft, of werden naar de gewone regtbanken verwezen ; van de overigen veroordeelde het geregtshof eenigen tot wegvoering in ballingschap, en slechts twee, Babeuf en d’Arthé, ter dood. De twee laatsten stieten zich voor de oogen der regters zelven den dolk in de borst; de tot wegvoering veroordeelde werden evenwel weldra los gelaten. Veel gevaarlijker , dan de belagchelijk geëindigde zamenzwering van Babeuf, was voor het uitvoerend bewind de ontevredenheid van alle regt schapene lieden . De verbittering over de voortdurende heerschappij der gede puteerden was zoo groot, dat niet weinig Franschen zelfs de herstelling van het koningschap wenschten. Onder deze wezentlijke koningsgezinden behoorden ook twee generaals van aanzien, Pichegru en Willot, waarvan de laatste zich in de Vendée onderscheiden had. Ten gevolge der in het geheele land heerschende ontevredenheid vielen de verkiezingen , die in mei 1797 ter aanvulling der beide wetgevende raden plaats grepen, tegen het uitvoerend bewind uit, zoo dat voortaan de meerderheid der afgevaardigden uit ko ningsgezinden en tegenstanders der jacobijnen bestond. Onder de verko zenen behoorden ook Pichegru en Willot. Terstond na de vernieuwing der beide raden werd Pichegru niet slechts met groote meerderheid tot voorzitter der vijf honderd benoemd, maar men verving ook den bij loting uitgevallen bewindhebber Letourneur door den gezant in Zwitserland, Bar thelemy, die als voormalig markies een tegenstander van de bestaande orde van zaken geacht werd, en nu met Carnot eene tegenstrevende minder heid in het uitvoerend bewind vormde. Tevens werden zoo wel het op den 10 mei 1796 genomen besluit van verbanning (z. bl . 271 ) , als ook het gehate besluit van den 3 brumaire 1793 ( z. bl . 246) opgeheven. Het wetgevend gezag begon op deze wijze eenen openbaren strijd met de uit drie leden bestaande meerderheid van de regering , en aan hunne zijde stonden daarbij de twee andere leden der laatste. Beide partijen stichtten hunne bijzondere clubs. De meerderheid derraden en hunne aanhangers, de zoogenoemde koningsgezinden, maakten de club van Clichy tot hun vereenigingspunt; de partij van het uitvoerend bewind echter trachtte de jacobijnen te doen herleven, en opende cene club , die den naam van den constitutionelen kring verkreeg . De drie bewindhebbers stelden hunne hoop voornamelijk op de generaals Hoche en Bonaparte, waarvan de cerste Frankrijk. Eerste tijd van het directoire. 273

    •  !

2 Je toen het bevel voerde over het leger van de Sambre en Maas, doch de laatste kort te voren den oorlog met Oostenrijk ten einde gebragt had en in Italie als oppermagtig handelde. Deze twee mannen hadden van hunne zijde eene persoonlijke reden, om voor de drie bewindhebbers tegen de twee raden op te komen; want zij waren door de laatstgenoemden wegens hun willekeurig gebruik der gelden van den staat ten hevigste aangevallen en daardoor bitter beleedigd. De drie bewindhebbers wendden zich het eerst tot Hoche, wiens leger hun het digtst bij was. Zij boden hem ter zelfder tijd, toen zij ook den naar Frankrijkteruggekeerden Talleyrand tot minister van buitenlandsche zaken benoemden, het ministerie van oorlog aan. Hoche nam hun voorstel aan , en was als driftig jong mensch besloten, om de meerderheid der raden zonder omstandigheden door openbaar geweld te bedwingen . Hij liet onmiddellijk troepen naar Parijs oprukken , zonder te letten op eene bepaling der staatsregeling, waarbij het den troepen niet geoorloofd was, de hoofdstad digter dan op twaalf uren afstands te naderen. Hoche zag zich echter weldra bedrogen , omdat hij met drie mannen te doen had , die niet als hij open en krachtig handelden , maar als kuipende intriguanten gewoon waren te werk te gaan . Zij schroomden niet, de schuld op hem te schuiven , toen tegen zijnen marsch een algemeen geschreeuw aangeheven werd. Zij verloochenden bovendien den generaal, toen hij over zijn gebruik der staatsgelden opentlijk werd aangevallen, hoewel hij hierin slechts naar hunne voorschriften gehandeld had. Hoche was over deze laaghartigheid zoo verbitterd, dat hij terstond alle betrekking met de drie bewindhebbers afbrak , hen met de openbaarmaking hunner_logens en bedriegerijen bedreigde , en vol bitterheid naar het leger in Duitschland afreisde. Daar stierf hij reeds op den 18 september, en men schreef, wat wij echter ongegrond achten, zijnen plotselingen dood aan vergiftiging toe. Bonaparte , tot wien de drie bewindhebbers zich insgelijks wendden, ging met veel meer bedaardheid en list te werk, dan de driftige Hoche. Hij hield zich koel op eenen afstand van de drie onverlaten , om niet opentlijk hun werktuig te schijnen , maar leende hun zijne generaals en officieren , en liet al , wat te doen was , langs bedekte wegen volbrengen. Hij rigtte in julij 1797 ter zelfder tijd , toen een handlanger van Reubel, de generaal Scherer, tot minister van oorlog benoemd werd , in zijn leger vergaderingen op naar de wijze der clubs , en liet adressen besluiten , die gerigt waren tegen de ook hem vijandige koningsgezinden , en die als het eene ei op het andere geleken op die der sansculotten van 1793 . evens gaf hij aan vele officieren en soldaten van zijn leger verlof naar Parijs, en zond ook den generaal Angereau daarheen , om die onder zijn bevel te vereenigen. Hij had opzettelijk dezen generaal, eenen geboren parijzenaar, gekozen, omdat Angereau als een stoutmoedig man en goed soldaat voor de hem toegedachte rol volkomen geschikt was, en toch daarbij niet tevens van staatkundige beteekenis kon worden. Ook Berthier , die vroeger met Amerika en met de engelsche staatsinrigting gedweept had , maar later de dwingelandij van Bonaparte huldigde en daarvoor een vorstendom ontving, en voorts de democraten Kleber en Bernadotte werden naar Parijs gezonden. Hier hadden de drie bewindhebbers met Talleyrand, Sièges en anderen reeds hun plan ontworpen , en alles tot de uitvoeriag van eenen geweld digen staatsstreek voorbereid. Ook mevrouw van Staël, die toen aan de zijde der jacobijnen stond , was voor de drie mannen werkzaam geweest, 18 bun lei ati وزیر i XVII. 274 Nieuwe Geschiedenis. en had nieuwe aanhangers voor hen onder de afgevaardigden getracht aan te werven . Het gewelddadig voornemen tegen de beide wetgevende raden bestond daarin , dat Angereau, dien men reeds op den 8 augustus tot bevelhebber van Parijs benoemd had, met zijne soldaten geheel onverwacht de vergaderzaal der beide raden bezetten en een aantal afgevaardigden, benevens de bewindhebbers Carnot en Barthelemy, gevangen zou nemen. Zoo dra dit geschied was , moesten vervolgens alle zoogenoemde konings gezinden door wegvoering in ballingschap onschadelijk gemaakt worden. De raad der vijfhonderd trachtte zich , toen hij den storm zag opkomen, door magtelooze klagten bij den minister van oorlog, zoo wel als door even nuttelooze besluiten over beperkingen der vrijheid van drukpers enz. te helpen. Maar hij kon niet eens de beslotene herstelling der parijsche nationale garde tot stand brengen, en werd zelfs door de voor zijne eigene veiligheid gevormde garde beleedigd. Er bestond dan ook geen twijfel, of hij zou in den naderenden strijd het onderspit delven. Op den 18 fructidor ( 4 september) 1797 volbragt Angereau, die zich toen zelfs met Santerre, Rossignol en dergelijk volk had ingelaten, zonder de minste bedenking de hem opgedragene taak des gewelds. Hij bezette in den morgen van dien dag de toegangen van de vergaderplaats der beide raden, nam met eigene hand den voorzitter der vijfhonderd, Pichegru, zoo wel als den bevelhebber der garde van het wetgevend ligchaam , Ramel, gevangen , en liet Barthelemy en de meerderheid der afgevaardigden ge vangen nemen. Carnot wist zich aan de gevangenschap te onttrekken en ont kwam gelukkig over de grenzen . Terwijl de gevangenneming plaats greep, kwam de minderheid der afgevaardigden bijeen , om aan het gepleegd geweld den schijn des regts bij te zetten. Dit geschiedde door een aantal lang vooruit gereed gemaakte besluiten . Daarbij werden onder anderen de keuzen der meeste departementen nietig verklaard, de voornaamste bepalingen der opgehevene wet van den 3 brumaire weder van kracht verklaard, een nieuwe eed, die niet slechts tot getrouwheid aan de republiek, maar zelfs tot haat van het koningschap verpligtte, ingevoerd , de verbanning van vele terug gekeerde uitgewekenen uitgesproken, en eindelijk Carnot, Barthelemy en een groot aantal afgevaardigden willekeurig tot wegvoering naar het on gastvrije Guyana veroordeeld. Ook over de eigenaars , ondernemers , be stuurders, redacteurs en medewerkers van een en veertig dagbladen werd de straf der wegvoering in ballingschap uitgesproken. Bovendien stelde men niet slechts alle dagbladen, tijdschriften en drukkerijen voor den tijd van een jaar onder opzigt der politie, maar ook de twaalf maires van Parijs werden door mannen , zoo als men die noodig had, vervangen en overal zoogenoemde centrale politie- kantoren opgerigt. In de plaats der twee uitgesloten bewindhebbers werden Merlin van Douay en Neufchateau ge kozen, waarvan de eerste als de grootste regtsgeleerde van Frankrijk uit blonk, de laatste een zoogenoemd goed man was, doch die even min groot verstand als kennis van zaken bezat. De tot wegvoering veroordeelden werden op den overtogt naar de zee en gedurende de overvaart naar Guyana wreeder en ruwer behandeld , dan men gewoon is de gemeenste misdadigers te behandelen. Eenigen , zoo als Pichegru, Barthelemy, Ramel en Willot, waren zoo gelukkig, den langzamen dood, dien het moordend luchtsgestel van Guyana over hen brengenmoest, door de vlugt te ontgaan. Vraagt men naar de schuld dezer mannen, dan Frankrijk. Vrede van Campo Formio. 275 bewijzen zelfs de door Moreau ingezonden stukken ( z . bl. 269) niets anders, dan dat Pichegru geld van de Engelschen aangenomen had en door den prins Condé, den diplomaat Wickham en anderen, die gedeeltelijk dubbele spionnen waren, in ellendige kuiperijen gewikkeld was. 13. DE VREDE VAN CAMPO FORMIO. 9 De bij het verdrag van Leoben reeds uitgemaakte vredesonderhande lingen waren uitgesteld, omdat men aan beide kanten voordeel verwachtte van den staatsstreek, die sedert lang algemeen vooruit gezien was. In au gustus beproefde Bonaparte eindelijk, in de overtuiging , dat deze geweld dadige onderneming naar zijnen zin gelukken zoude, het oostenrijksche kabinet door bedreigingen en krijgstoerustingen schrik aan te jagen , en reeds op den 1 september, derhalve drie dagen voor den 18 fructidor, begaf hij zich naar het niet ver van Udine gelegene kasteel Passeriano, waar de onderhandelingen ten einde gebragt zouden worden. Derwaarts zond Oos tenrijk vervolgens zijnen gezant, die echter eerst drie weken na den 18 fructidor aankwam ; de uitkomst van dien dag was geheel anders, dan de hoven verwacht hadden. Gevolmagtigde van Oostenrijk was in naam graaf Lodewijk van Cobenzl, maar in de daad de napelsche markies de Gallo ; en deze handelde op last van eenen man als Thugut, wiens ziel nooit door eenig groot denkbeeld , en nog minder door eenig vaderlandsch gevoel ontgloeid was. Aan de zijde der Franschen bestuurde Bonaparte le onderhandelingen niet slechts geheel alleen , maar ook geheel onbeperkt, daar Clarke, dien Carnot vroeger, om hem gade te slaan , hem bijgevoegd had , bij diens val terug geroepen was. Men zal zich derhalve ook niet verwonderen , dat het vredesverdrag , dat eindelijk op den 17 october te Campo Formio, een dorp bij Udine, geteekend werd , geheel anders was, dan men na het voorloopige bij Leoben en zelfs na de opentlijke verkla ringen , die keizer Frans nog in julij gegeven had, zou verwacht hebben. Bij den vrede van Campo Formio werden de oostenrijksche bezittingen in Italie aan de cisalpijnsche republiek, en Belgie aan Frankrijk afgestaan, doch Venetie met geheel zijn gebied tusschen Frankrijk, Oostenrijk en de cisalpijnsche republiek verdeeld. Aan den hertog van Modena, wiens land Bonaparte met de cisalpijnsche republiek vereenigd had, werd daarvoor het bezit van de Breisgau, of met andere woorden, eene vergoeding ten koste van het duitsche rijk toegezegd. Ten aanzien van het duitsche rijk zelf werd overeen gekomen , dat daarmede weldra een afzonderlijke vrede ge sloten , en daartoe te Rastadt een congres gehouden zou worden . Maar men had in veertien geheime artikelen reeds alles vooruit afgesproken, en het congres zou alleen dienen , om die ten uitvoer te helpen brengen . In deze geheime artikelen kende de keizer van Duitschland aan de Franschen niet alleen het blijvend bezit van den linker oever van den Rijn toe, maar hij beloofde ook , twintig dagen na de bekrachtiging van het verdrag zijne troepen uit Mentz, Manheim en de overige grensvestingen te doen aftrek ken , of met andere woorden, hij verbond zich, om het duitsche rijk geheel weerloos aan zijnen erfvijand prijs te geven , nog voor het met hem eenige overeenkomst gesloten had. Wij gaan de overige geheime artikelen stil zwijgend voorbij, omdat zij ten deele onuitvoerlijk en alzoo , even als de voorloopige bepalingen van Leoben, bloot bedrog waren. 18 * 276 Nieuwe Geschiedenis. 17 Onmiddellijk na het sluiten van den vrede van Campo Formio werd aan Zwitserland het sein gegeven , dat ook daar eene door Frankrijk ondersteunde omwenteling voor de deur stond. De aanleiding daartoe gaf de ontevredenheid der bewoners van het Valtelin , dat de Graauwbunders drie eeuwen te voren van het hertogdom Milaan afgescheurd ( z . D. XI. III. 5. ) , en later steeds als een wingewest behandeld hadden. Door het vooruit dringen der Franschen tot Tyrol aangemoedigd, waren de Valteliners in junij 1797 opgestaan, en hadden de bemiddeling van Bonaparte inge roepen . Bonaparte had gehoor gegeven aan hun verzoek en in julij de Graauwbunders tot onderhandelingen uitgenoodigd, die ten oogmerk zouden hebben, om bij hunne uit drie verbonden bestaande republiek het Valtelin als een vierde verbond met gelijke regten te voegen. Maar de in Graauw bunderland gezag voerende voorname familien, die van oudsher het Valtelin als een ter verzorging en verrijking hunner aanhangers geschikt land be schouwd hadden, wilden dit voordeel niet opgeven . Zij hielden daarom de onderhandelingen slepende , tot dat het te laat was. Toen Bonaparte na melijk na het sluiten van den vrede van Campo Formio geene reden meer had, om de Graauwbunders te sparen , brak hij de onderhandelingen met hen af, en voegde het Valtelin willekeurig bij de cisalpijnsche republiek, hoewel in het verdrag van Campo Formio, dat al de bestanddeelen dezer republiek afzonderlijk optelde , volstrekt geene melding van het Valtelin gemaakt werd. Tegen het einde van het jaar 1797 keerde Bonaparte naar Parijs terug . Hij werd daar door de vijf jacobijnen, die Frankrijk sedert den 18 fructidor bestuurden, plegtig ontvangen, maar liet zich met hen niet nader in. Bij zijne ontvangst hield Talleyrand eene tamelijk belagchelijk luidende rede. Bonaparte daarentegen zeide het uitvoerend bewind in zijne aanspraak harde waarheden; hij verklaarde onder anderen ronduit , dat het geluk van het fransche volk op betere wetten gegrondvest moest worden . Barras beant woordde hem met laffe woordenpraal, zoo als b. v ., dat de natuur al hare schatten had uitgeput om Bonaparte voort te brengen. Deze verachtte toen als altijd alle schoone woorden. Hij ging rustig en bezonnen zijnen weg, en bewees zich tegenover de bekrompenheid en ellendigheid van al de anderen alleen als een groot man. wXVIII. LOOP DER GEBEURTENISSEN VAN DEN 18 FRUCTI DOR 1797 TOT AAN DE INSTELLING VAN HET CONSULAAT IN FRANKRIJK . 1 . ROOVERIJEN EN GEWELDDADIGHEDEN VAN HET UITVOEREND BEWIND VAN FRANKRIJK TEGEN ZWAKKERE STATEN. Sedert den 18 fructidor stond de fransche staat , waarin tot hiertoe het gemeen en de jacobijnen den boventoon gespeeld hadden , onder het geweld der bajonetten. Hebzuchtige verkwisters voerden onder den naam van directeuren het bewind. De geschiedenis van Frankrijk vertoont ons derhalve in de eerstvolgende jaren onbeschofte generaals en roofzuchtige bestuurders, die aan de eene zijde de regeringloosheid en wanorde in het Frankrijk - Het bewind en het buitenland. 277 land niet beteugelen konden en wilden , maar aan de andere zijde aan vreemdo volkende wet voorschreven en met hunne schatten hun eigen uitgeput land uit den nood hielpen. Dat dit mogelijk was, is gemakkelijk te verklaren uit den vermolmden toestand en het verkeerd bestuur der overige europische staten. Behalve de engelsche aristocratie bestond er in geheel Europa geene enkele regering, die stoffelijke en zedelijke kracht, met ijver voor de eer en het welzijn van haar volk bezat. Daarentegen hadden de Franschen niet alleen in alle andere landen vrienden , die hun de hand boden , maar zij werden in hunne ondernemingen ook daardoor nog geholpen, dat de regeringen zelven, in plaats van hare krachten tegen den gemeenschappelijken vijand te vereenigen , alleen bedacht waren , hoe zij elkander onderling verschalken konden . In Pruisen leidden Haugwitz , Lucchesini , Lombard en andere intri guanten den ligchamelijk en zedelijk verzwakten , persoonlijk moedigen, maar in de staatkunde vreesachtigen , door ellendige huichelaars bedrogen koning op verkeerde wegen , en hij zelf maakte hun dit gemakkelijker, daar hij zich en zijne bloedverwanten grooter zocht te maken , zonder iets op het spel te zetten. Deze menschen hadden den koning tot het rampzalige on zijdigheids-stelsel van den vrede van Bazel , en tot het even rampzalige verdrag van 1796 bewogen ( z. bl . 252 vv. en bl. 257 vv. ) . In Oostenrijk hadden mannen, die zonder eenig zedelijk gevoel en zelfs tot elke misdaad in staat waren, als Thugut, Lehrbach en anderen, dezelfde eigenbatige staat kunde in zwang gebragt. In Spanje heerschte een man zonder eer , be schaving, kennis en ondervinding , die voor elk een voorwerp van verachting was (z. bl. 253). Deze man had het durven wagen, alleen om zijn eigen belang den vrede van Bazel te sluiten , ofschoon juist in Spanje de oorlog met Frankrijk als een strijd met de vijanden van God en de koningen het volk welgevallig was. Godoy sloot zelfs, om zich staande te houden, een jaar later met Frankrijk een aanvallend en verdedigend verbond, dat be paaldelijk tegen Engeland gerigt was , en derhalve de vernietiging der spaansche zee- en landmagt ten gevolge moest hebben. Dit op den 19 augustus 1796 te Ildefonso onderteekend verdrag noodzaakte Spanje tot eene oorlogsverklaring tegen Engeland, die op den 8 october uitgevaardigd werd, en alle hulpmiddelen van Spanje dienstbaar maakte aan de plannen van Frankrijk Daar de betrekking tusschen Spanje en Frankrijk bij den portugeschen koning bezorgdheid wekte, zocht deze ook spoedig daarna vrede met Frank rijk te sluiten. In Portugal regeerde toen Johannes VI, die eerst in den naam zijner moeder Maria (2. D. XVI. bl. 245 ) en , nadat zij reeds in 1792 krankzinnig geworden was, van het jaar 1799 af als eigentlijk re gent aan het hoofd der regering stond. Hij had ten gevolge zijner geheel monnikachtige opvoeding alleen lust voor werktuigelijke godsdienstoefenin gen en plegtigheden , en werd even zoo door zijne biechtvaders bestuurd, als andere vorsten door bijzitten en gunstelingen . Toen hij het beproefde, om met de revolutionaire regering te Parijs vrede te sluiten , werd hem door haar veel geld afgezet, zonder dat hij zijn doel bereikte. Zijn ge volmagtigde, Aranjo de Azevedo , bragt namelijk in augustus 1797 met Barras en Talleyrand een zeer voordeelig verdrag tot stand, dat ook door Frankrijk bekrachtigd werd ; maar hij verbond zich tevens tot de oogen blikkelijke uitbetaling van zes millioenen. De Engelschen , van wie Por 278 Nieuwe Geschiedenis. tugal sedert de troonsbeklimming van het huis Braganza afhankelijk was, bewerkten later, dat de bekrachtiging te Lissabon over den bepaalden tijd vertraagd werd, en nu nainen ook de Franschen de hunne met blijdschap terug , zonder het betaalde geld terug te geven . Eene dergelijke afzetting beproefde het uitvoerend bewind met de Noord -Amerikanen. Zij hadden in 1794 , om gedurende den oorlog tus schen Engeland en Frankrijk de engelsche koopwaren op hunne schepen naar Frankrijk te kunnen brengen, aan de Engelschen dezelfde handels voordeelen toegestaan , die in 1778 aan de Franschen als uitsluitende er kentelijkheid voor hunne hulp in den bevrijdingsoorlog verleend waren. Het tusschen de twee staten gesloten verdrag was echter, omdat het eene bedriegerij tegen Frankrijk beoogde, zeer geheim gehouden. Toen het in 1796 aan de Franschen bekend werd, braken zij alle verkeer met Noord Amerika af. Een jaar later werden wel nieuwe onderhandelingen aange knoopt; maar die leidden tot geene uitkomst, omdat Barras en Talleyrand, die door hunne grenzenlooze verkwisting en hun grof spelen altijd om geld verlegen waren , van den twist met Noord -Amerika gebruik hadden willen maken, om zich zelven te bevoordeelen. Toen de onderhandelingen weder afgebroken waren , openbaarden de Noord - Amerikanen , door het uitgeven van het verslag hunner gezanten , de schande der fransche rege ring aan de geheele wereld. Uitdat verslag bleek namelijk , dat Barras en Talleyrand, hoewel trouwens niet persoonlijk, maar door hunne hand langers, van de noord-amerikaansche gevolmagtigden eene leening van twee en dertig millioenen voor de fransche republiek, en tevens een geschenk van twaalfmaal honderd duizend francs voor zich zelven geëischt hadden. Overigens namen de Noord -Amerikanen daarna verschillende vijandige be sluiten , zoo dat het in 1798 bijna tot eenen oorlog tusschen beide de re publieken gekomen was. Ook de Hanzesteden , die zich gedurende den oorlog zeer verrijkt hadden, wekten de begeerlijkheid van het uitvoerend bewind. Men eischte van haar onder het voorwendsel eener leening eene brandschatting. Zij wisten zich daaraan wel is waar te onttrekken , maar daarentegen nam Bo naparte in 1799 aanleiding uit de omstandigheid , dat Hamburg iersche vlugtelingen aan Engeland uitgeleverd had , om den Hamburgers vier en een half millioen af te persen. Op het congres te Rastadt, dat op den 6 november 1797 werkelijk geopend werd, voerden de drie gevolmagtigden van het uitvoerend bewind eenen onverdragelijk hoogen toon. Dit kan ons trouwens niet bevreemden, daar de groote mogendheden van Duitschland zelven het vaderland prijs gaven. Oostenrijk en Pruisen voerden te Rastadt eene dubbele taal, eene geheime en eene openbare , en de drie gezanten van Oostenrijk stemden zelfs opentlijk geheel verschillend. Pruisen liet toe, dat de Franschen ge durende de onderhandelingen te Rastadt het op den regter oever van den Rijn gelegene Ehrenbreitstein naauw ingesloten hadden, tot dat zijne be zetting in januarij 1799 tot overgave bij verdrag gedwongen was. Oosten rijk draalde eerst, om overeenkomstig zijne belofte de rijksvesting Mentz te ontruimen ; maar toen Bonaparte te Rastadt verscheen en op hoogen toon de onverwijlde overgave van Mentz eischte , ging Oostenrijk niet slechts daartoe over , maar het sloot ook eene geheime overeenkomst, waarbij bepaald was, dat de keizerlijke troepen achter de Lech en de Inn Frankrijk. - Bezetting van Malta. 279 zouden terug trekken. In den bepaalden afstand van den linker oever van den Rijn, dien Pruisen en Oostenrijk reeds vroeger heimelijk hadden toe gegeven , bewilligden de overige duitsche staten eerst in april 1798. Zij gaven tevens toe, dat de wereldlijke vorsten van den linker rijnoever door opheffing der geestelijke stiften in het overige van Duitschland schadeloos gesteld zouden worden. Maar nu eischten de fransche gezanten nog veel meer. Ehrenbreitstein en alle andere bruggenhoofden op den regter oever moesten geslecht en Castel aan Frankrijk overgegeven, de scheepvaart op den Rijn van alle tollen ontheven en alle eilanden in den Rijn aan de Franschen overgelaten worden. Deze eischen nam vervolgens Oostenrijk , dat nu de volledige vervulling der vredesvoorwaarden vanCampo Formio zocht uit te stellen, tot voorwendsel, om zijne troepen in Beijeren te laten, en Ulm , Ingolstadt en Philipsburg ook verder bezet te houden. Omstreeks dezen tijd viel het fransche uitvoerend bewind de Malteser orde, de Mamelukken in Egypte en Zwitserland geheel zonder aanleiding aan . Het denkbeeld van eenen rooftogt tegen Malta en Egypte ging van een groot man uit, wien alles mogelijk scheen, omdat hem veel, wat onmoge lijk scheen , gelukt was. Bonaparte had dit denkbeeid reeds in 1796 opgevat, en daarmede tevens het plan verbonden, om uit Egypte de Engelschen in Indie te beoorlogen. De vijf bewindhebbers bewilligden gaarne in den avon tuurlijken togt , omdat die hun de gewenschte gelegenheid aanbood , om een hun gevaarlijk man naar een ander werelddeel te zenden. Daarom spanden zij ook alle krachten des rijks voor de bedoelde onderneming in . Eene vloot werd te Toulon uitgerust, een talrijk leger bijeen gebragt en Bo naparte met onbeperkte volmagt aan het hoofd daarvangesteld. De zaak was en bleef een geheim van Bonaparte, Talleyrand en de bewindhebbers. Zelfs de minister van oorlog, Scherer, en de admiraal Brueys, die het bevel over de vloot voeren moest, vernamen eerst zeer laat het eigentlijke doel der toerustingen. Opentlijk heette het, dat men eene landing in Engeland op het oog had. De Engelschen lieten zich misleiden , omdat zij het voor onmogelijk hielden , dat een zoo practisch man als Bonaparte eene zoo avontuurlijke onderneming zou kunnen wagen. Zij versterkten derhalve wel hunne vloot bij Gibraltar, om die der Franschen , als zij van Toulon naar den Atlantischen Oceaan zeilde, aan te tasten , maar lieten slechts drie oorlogschepen onder Nelson in de wateren van Toulon kruisen. Toen Nelson door zeeschade genoodzaakt was, om zich voor korten tijd te ver wijderen , maakte Bonaparte daarvan gebruik om uit te loopen ( 19 mei 1198 ). De fransche vloot bereikte gelukkig het eiland Malta , waar de troepen op den 9 junij aan land gezet werden. Dit eiland hadde het, niettegenstaande het verraad, dat fransche ridders reeds in 1797 met Bonaparte aangesponnen hadden , tot de aankomst van de engelsche vloot kunnen uithouden, als niet de toenmalige grootmeester van de orde, zekere heer van Hompesch , zich op Malta even zoo gedra gen had , als een andere Hompesch in 1795 te Dusseldorp ( z . bl . 256) . Hij schikte zich namelijk terstond naar het verlangen der verraders , bewilligde zonder den minsten tegenstand in een verdrag , waardoor een goed versterkt eiland, dat eens de magt van den grooten Soliman gelukkig getrotseerd had ( z. D. XIII. bl. 2, 3) , zonder slag of stoot overgegeven werd. Hompesch liet zich daarbij door de belofte van een duitsch vorsten dom door de Franschen in de val lokken , maar werd later door hen, en > 280 Nieuwe Geschiedenis. gelijk hij het verdiende, bedrogen en uitgelagchen. Hij kreeg noch het vorstendom , noch ook het jaargeld , dat Bonaparte hem , even als vroeger Potemkin aan den khan der Tartaren (z. bl. 142), beloofd had, maar moest zich met vijftien duizend francs tevreden stellen .. Bonaparte maakte zich meester van al de schatten , schepen, krijgsbehoeften en kanonnen van die orde, en zeilde op den 19 junij naar Egypte , nadat hij den generaal Vaubois met vier duizend man als krijgsbevelhebber , en den commissaris van het uitvoerend bewind, Regnault de St. Jean d'Angely, en eenen der voornaamste verraders uit de ridders als burgerlijke bestuurders achter gelaten had. Hij werd op de vaart naar Egypte doorde geluk - ster begeleid, die hem tot op zijnen togt naar Rusland nooit verlaten heeft. Wij zullen echter de verdere geschiedenis der egyptische onderneming eerst later vermelden. Daarentegen moet hier vooraf nog verhaald worden, hoe ge welddadig de fransche bewindhebbers zelfs met de door hen zelven ge stichte verbondene republieken , de betaafsche, de cisalpijnsche, de helve tische en de romeinsche , te werk gingen. In de bataafsche republiek hadden de Franschen , nadat zij reeds het regt der afpersing bedongen hadden (z. bl. 255) , in den beginne alleen de personen veranderd. Eerst in 1796 lieten zij eene staatsregelende na tionale vergadering bijeen roepen , om eene nieuwe staatsregeling te ont werpen. Nu begon in Holland een hevige strijd van de jacobijnen met de gematigden, waarin de bevelhebber van het bataafsche leger, Daendels, en drie Franschen , de generaal Joubert, de gezant Delacroix en zijn se cretaris Ducange, de hoofdrol speelden. De door de nationale vergadering ontworpene staatsregeling werd, omdat zij te weinig democratisch was, ver worpen , en de voorloopige toestand duurde tot na den 18 fructidor 1797 voort. Vervolgens volbragten de fransche jacobijnen ook in Hollandeenen staatsstreek, om hunne vrienden aldaar aan het roer te brengen. De tot de tegenpartij behoorende afgevaardigden werden gevangen gezet, maar de overigen gedwongen tot het ontwerpen eener staatsregeling naar het voor beeld der fransche. Deze drong men het volk in april 1798 niet slechts met geweld op, maar dezelfde afgevaardigden, die de nieuwe staatsregeling gemaakt hadden , verkozen ook op eigen gezag de nieuwe volksvertegen woordigers, zoo wel als de uit vijf bewindhebbers zamen gestelde regering. Deze laatste geraakte weldra met den generaal Daendels en de boven genoemde drie Franschen in twist. Eindelijk begaf Daendels zich naar Parijs. Daar won hij de fransche bewindhebbers in zijn belang, en keerde nu naar Holland terug, om daar het uitvoerend bewind omver te werpen. Dit gelukte op den 12 junij 1798. De directeurs werden verwijderd , hunne ministers, die in het geheim met Daendels zamen gespannen hadden , in hunne plaats gesteld en , wat de magthebbers in Frankrijk geheel doet kennen , overeenkomstig de uit Parijs mede gebragte bevelen de fransche gezant door de troepen zijner eigene natie uit het land verdreven. Nu eindelijk vervingen ook wettig gekozene volksvertegenwoordigers de den Hollanders opgedrongene. Dergelijke lotgevallen, als de bataafsche republiek , had de cisalpijn sche van het parijsche uitvoerend bewind te lijden, toen Bonaparte , die het in dien tijd goed met de Italianen ineende, zijne beschermende hand hun niet meer boven het hoofd kon houden. Talleyrand en de bewind hebbers wilden in februarij 1798 der cisalpijnsche republiek een handels Holland , Italie , Zwitserland en het bewind. 281 20 ܐ ܕ 2 . en bondsverdrag opdringen , waarbij zij vijf en twintig duizend Franschen opnemen en voor hunne verpleging, jaarlijks achttien millioenen francs betalen zoude. Toen de cisalpijnsche raad der ouden de bekrachtiging van dit verdrag weigerde , werden op bevel der parijsche bewindhebbers een en twintig leden daarvan gevangen genomen , drie bewindhebbers af gezet en eene schatting geheven. Onmiddellijk daarna dwong de fransche gezant te Milaan , Trouvé, om aan het woelen der democraten een einde te maken, met hulp van fransche troepen de invoering eener nieuwe staats regeling op , nadat hij den bevelhebber dezer troepen , den dollen demo crant Brune, had doen terug roepen. Hij benoemde tevens op eigen gezag de nieuwe bewindhebbers en de wetgevende raden. Hij werd echter kort daarna door invloed van Brune naar Parijs terug geroepen , en men zond nu Brune als generaal , en Fouché als gezant naar Milaan. Zij beiden gingen even willekeurig te werk, en werden derhalve weldra door den ge neraal Joubert en door Rivaud vervangen . De eerste hield zich te Milaan lijdelijk ; maar de laatste maakte het even als zijne voorgangers, en ten vierden male werden in één en hetzelfde jaar de afgevaardigden en be stuurders der cisalpijnsche republiek met geweld verwisseld. Het scheen derhalve , alsof de parijsche bewindhebbers opzettelijk alle orde vernielen wilden, om hunnen handlangers gelegenheid te geven , in troebel water te visschen. De geschiedenis der helvetische en romeinsche republiek biedt dezelfde uitkomst aan. De dertien cantons van het eedgenootschap hadden , hoe herhaald ook gewaarschuwd om toe te geven aan de eischen van den tijd , hunne mid deleeuwsche staatsregelingen in stand gehouden. Daarin vond men bo venal de onnatuurlijke betrekking, dat de bewoners van geheele gewesten, zoo als b. v. die van Waadtland en Thurgau , bloot als onderdanen be schouwd en behandeld werden. In al de cantons, zelfs die met democra tische instellingen, was de regering in handen van zekere familien of toch van een slechts klein aantal van staatsburgers. Er heerschte derhalve al lerwegen in Zwitserland ontevredenheid, en vele aanzienlijke mannen , bij zonder uit Waadtland, waren verbannen of voortvlugtig . Zij hadden zich grootendeels naar Parijs begeven en zochten juist van daar hun vaderland tot eene omwenteling te brengen. De voornaamste onder hen was de waadtlan der Laharpe, die de opvoeding van den russischen grootvorst Alexander bestuurd had en , toen hij in 1794 van Petersburg terug keerde, niet we der in zijn vaderland toegelaten was. Sedert het jaar 1797 nam het uit voerend bewind eene vijandige houding tegen heteedgenootschap aan, om Jat het zich ten behoeve van den egyptischen krijgstogt meester wenschte te maken van de aanzienlijke schatten , die te Bern en in andere aristo cratische plaatsen bewaard lagen. Tot dit doel werd het geholpen door twee aanzienlijke Zwitsers, die, zonder het te weten of te willen , zijne werktuigen waren. De een was de zoo even genoemde vlugteling Laharpe, en de ander een der bewind voerende heeren te Bazel , de oppergilde nieester Peter Ochs. De laatste had, omdat hij inzag, dat het oude stel sel onhoudbaar was , te Bazel eene partij voor den vooruitgang gevormd en het plan ontworpen , om geheel Zwitserland volkomen één te maken. Hij begaf zich, onder het voorwendsel der invordering eener oude schuld, van Bazel naar Parijs. Daar ontwierp hij eene staatsregeling voor de ééne agg ܐܶܢ܂ sto

܀ , it ebe tarz 282 Nieuwe Geschiedenis. nemen en ondeelbare republiek , die Reubel en Barras besloten hadden uit Zwit serland te maken . In december 1797 beging het uitvoerend bewind eene daad van stel lig geweld tegen het eedgenootschap , door het geheel willekeurig in bezit van het tot Zwitserland behoorende Munster- en Ergueldal. In januarij 1798 scheurden de Franschen ook nog de stad Mühlhausen , in februarij de stad Biel van Zwitserland af en vereenigden beiden met hun rijk . In januarij had men ook reeds een fransch leger onder Menard naar de zwitsersche grenzen gezonden en bij het meer van Genève geplaatst Van al deze vijandelijke maatregelen werd door de aan het canton Bern onderworpen Waadtlanders en de landbewoners van het canton Bazel ge bruik gemaakt, om op te staan en gelijke regten af te dwingen. De ba zelsche burgers waren zoo wijs, om aan de billijke eischen der landlieden toe te geven. De Berners daarentegen beproefden, om den storm het hoofd te bieden. Zij zonden een leger onder den overste Weiss naar het Waadt land . De Franschen verklaarden echter niet alleen, dat zij den Waadtlan ders te hulp zouden komen , maar Menard trok ook reeds op den 21 ja nuarij over de grenzen en liet de onafhankelijkheid van Waadtland uit roepen. Nu verhief zich ook in andere cantons het volk , en de staatsre gelingen werden bijna overal deels met , deels tegen den wil der regerin gen gewijzigd. În februarij kwam het werkelijk tot eenen oorlog tusschen de Fran schen en de Berners. Generaal Menard was toen door Brune vervangen en men had nog een tweede fransch leger onder Schauenburg gezonden, dat uit het noord - oosten op Bern aantrok. De Berners ontvingen wel hulp van de meeste cantons, maar zij moesten zich aan twee kanten ver dedigen en derhalve hunne magt verdeelen. In twee gevechten, die nage noeg te gelijker tijd geleverd werden, behaalde het eene gedeelte van hun leger voordeelen, maar werd het andere geslagen ; en onmiddellijk daarna rukten de Franschen Bern binnen. Van dit oogenblik af werden de zwitsersche cantons op de schaamte looste wijze uitgeplunderd, en het rooven hield zelfs niet op , toen de Franschen op den 22 april 1798 Zwitserland in eene zoogenoemde helve tische republiek herschapen hadden. In Bern , waar Brune terstond na zijnen intogt twee en veertig millioenen francs weggenomen had , maakten de Franschen zich meester van alle openbare kassen en der welvoorziene magazijnen en tuighuizen , zoo wel als van de geheele schatkist, die vol gens de waarschijnlijkste opgave twaalf millioenen francs bevatte. Zelfs de gelden van familiestichtingen blevennietvanden roof verschoond. Even eens werden Freiburg, Solothurn , Zurich, Lucern en andere cantons uitge plunderd en gebrandschat. Daar Brune en de hem toegevoegde burgerlijke commissaris nog eenige matiging bewezen , riep men beiden terug en ver ving hen door Schauenburg, Roubière en Rapinat, een zwager van Reu bel , die vervolgens, in vereeniging met eene geheele bende fransche geluk zoekers, de teugellooste plunderingen en afpersingen pleegden , zonder zich in het geringste te bekommeren over de door Frankrijk zelf aangestelde nieuwe regering. De staatsregeling , die het fransche uitvoerend bewind aan de helvetische republiek gegeven had, hief de oude cantons op en stelde in hunne plaats eenen eenigen, ondeelbaren staat met eene centrale regering, die naar het voorbeeld van Frankrijk uit twee wetgevende raden > > Frankrijk. Zwitserland en het bewind . 283 en een bestuur van vijf mannen bestond. Maar Genève werd buiten de helvetische republiek gesloten en als het departement Leman met Frank rijk vereenigd. De kleine cantons verzetten zich in den beginne gewapen derhand tegen de opheffing hunner overoude instellingen ; maar zij werden weldra door fransche troepen gedwongen, voor de overmagt te bukken . Rapinat woedde in Zwitserland als de ergste dwingeland. Hij ver klaarde alles , wat hij of zijn uitvoerend bewind gebruiken kon, voor fransch eigendom ; hij ligtte, zoo dikwijls het hem lustte , gijzelaars, hij liet de aanzienlijkste personen gevangen nemen en buiten het land brengen, hij stelde de dagbladen onder censuur , hij verbood het volk aan zijne eigene overheden te gehoorzamen , als hare verordeningen het niet bevielen ; hij verwijderde geheel willekeurig twee leden uit het bewind en stelde eigen dunkelijk anderen in hunne plaats. Dit laatste was toch zelfs te erg in de oogen der vijf te Parijs gezag voerende jacobijnen. Zij gelastten den generaal Schauenberg, de openstaande plaatsen in het uitvoerend bewind door de wetgevende raden der helvetische republiek te doen vervullen . De zen verkozen de twee aanleggers hunner omwenteling , Laharpe en Ochs, doch waarvan de laatste zeer spoedig, de eerste een weinig later, inzag, dat de Franschen het alleen gemunt hadden op de vernietiging der zelf standigheid van Zwitserland. In augustus sloten de Franschen eindelijk een verdrag met de helvetische republiek , waarbij zij beloofden het land te zullen ontruimen, zoo dra al de cantons eenen nieuwen eed op de staats regeling zouden afgelegd hebben. Allen deden het , behalve Unterwalden. De bewoners van dit canton waagden het , twee duizend man sterk, een fransch leger van meer dan twaalf duizend man bij Stanz het hoofd te bie den ( 8 september ). Zij bezweken niettegenstaande hunne wanhopige dap perheid, en de Franschen wreekten vervolgens het zware verlies , dat zij daarbij geleden hadden , door vreeselijk moorden, branden en plunderen. Dezelfde gewelddadigheden en rooverijen , die de Franschen in Zwit serland pleegden, hadden kort te voren ook te Rome plaats gehad. Ook daar, waar het onder de priesterschap opgegroeide volk niets weten wilde van nieuwigheden , bestond eene omwentelingszuchtige partij, die den grooten hoop ergerde en door Lombardiers, Franschen en andere vreemdelingen versterkt werd. Paus Pius VI was reeds in het jaar 1793 , toen het ge meen het hotel van den franschen zaakgelastigde Basseville bestormd en den gezant zelven vermoord had, met de fransche republiek in vijandschap geraakt, en men liet hem nog vele jaren daarna , toen hij, door nood ge drongen, tot eene schikking moest komen, zwaar boeten voor deze gebeur tenis . Dit was geschied bij den in 1796 met Bonaparte gesloten wapen stilstand en bij den vrede van Tolentino ( z . bl . 262 en bl . 265 ). " De zware schattingen, die Bonaparte bij gelegenheid van dien vrede hief , had den de kerken van Rome , 200 wel als de paleizen van den paus en der grooten van al hunne schatten beroofd . Dit was echter niet genoeg voor het roofzuchtig uitvoerend bewind. Jozef Bonaparte , wien zijn broeder als gezant naar Rome gezonden had, moest derhalve tegen zijnen wil den paus onophoudelijk doen beleedigen , terwijl tevens jacobijnen en omwen telingszuchtige fransche generaals Rome en de andere steden van den Kerkelijken staat in gisting zochten te brengen, wat men weet, dat in Ita lie nietmoeijelijk valt. Te Rome, zelf was het hotel van den franschen gczant het middelpunt der beweging. Daar kwam het op den 23 decem 284 Nieuwe Geschiedenis. ber 1797 tot eene bloedige losbarsting van de volkswoede, die het uitvoe rend bewind voor zijne oogmerken zeer gewenscht was. Op dien dag ver volgde namelijk het gemeen, waaraan de paus de politiemaatregelen tegen de republikeinen overgelaten had , drie honderd romeinsche omwentelings gezinden tot in het hotel van den franschen gezant, en benaauwde de den Franschen vijandige pauselijke soldaten, die daarvoor geplaatst waren, zoo zeer , dat Jozef Bonaparte zelf en de fransche generaal Duphot buiten kwamen, om vrede te stichten of, zoo als hunne tegenstanders zeggen, om de Romeinen te trotseren. Duphot had de sabel in de hand en was om ringd door de republikeinsche vlugtelingen. De pauselijke soldaten gaven vuur en Duphot werd door een hunner kogels gedood. Dit ongelukkig schot werd voor opzettelijk verklaard en had het oogenblikkelijk vertrek van Jozef Bonaparte uit Rome ten gevolge. Hierop moest Berthier , aan wien Bonaparte het opperbevel van het fransche leger te Milaan opgedragen had , met troepen op Rome afgaan en deze stad bezetten (februarij 1798). Hij behandelde ' den paus met zachtheid, en er vertoonde zich in den beginne geene omwentelingszuch tige beweging in de stad. Maar te gelijk met hem waren twee commissa rissen van het uitvoerend bewind aangekomen, die den paus niet alleen als eenen gevangene behandelden , maar ook op den 15 februarij zijne wereldlijke heerschappij voor opgeheven verklaarden , en zij lieten door eene zoogenoemde volksvergadering de romeinsche republiek afkondigen. Daar de paus van zijne regten geen afstand wilde doen , werd hij op den 20 februarij naar Toskanen gebragt. Men liet daar den tachtigjarigen zieken man niet rustig sterven, maar sleepte hem in 1799 naar Frankrijk, waar hij spoedig zijn leven eindigde. Ook de romeinsche republiek ontving eene staatsregeling, die eene nabootsing der fransche was, alleen met het onderscheid, dat men de oud romeinsche benamingen van consul , senaat en tribunaat in de plaats der in Frankrijk gebruikelijke stelde. Met de nieuwe inrigting van den Ker kelijken staat hield ook daar alle orde en regel op , inzonderheid sedert Berthier terug geroepen en door Massena vervangen was. Deze voerde met de commissarissen van het uitvoerend bewind te Rome een geregeld roofstelsel in en zijne hoofdofficieren volgden het door hem gegeven voor beeld. Dit ging zoo ver , dat zelfs de ondergeschikte officieren verbitterd werden, omdat het der fransche natie tot schande strekte. In denzelfden liet men de soldaten , terwijl de generaals en leveranciers zwelgden, bitter gebrek lijden. Deze verwaarloozing der soldaten had te Mantua reeds eenen opstand onder hen doen uitbarsten. Te Rome hielden de of ficieren op den 24 februarij, kort voor het vertrek van Berthier, eene ver gadering en stelden eene aanklagt tegen de generaals en commissarissen. Toen Massena met militaire gestrengheid wilde tusschen beide komen, lachte men hem uit en weigerde te gehoorzamen. Hierop verliet hij Rome en de generaal Dallemagne nam tijdelijk het opperbevel op zich ( 27 fe bruarij) . Ook de Romeinen stonden toen tegen hunne verdrukkers op. Maar zij konden niets uitrigten tegen geregelde troepen en moesten zwaar voor hunnen opstand boeten. Op de gruwelijke tooneelen van moord en plun dering volgde nu een republikeinsch kluchtspel. Er werd namelijk, nadat men de kardinalen uit het land gejaagd had , op den 20 maart de vesti Rusland. Paul I. 285 ging der nieuwe republiek en haar verbond met Frankrijk door sierlijke redevoeringen , door zingen , spelen en dansen gevierd. De opstand van het leger eindigde daarmede, dat het uitvoerend bewind, waarbij vier offi cieren eene hevige klagt ingediend hadden , toegaf, en in plaats van Mas sena den generaal Gouvion St. Cyr tot opperbevelhebber van Rome be noemde. 2. RUSLAND, ENGELAND , OOSTENRIJK , PRUISEN , NAPELS EN HUNNE BE TREKKING TOT DE FRANSCHE REPUBLIEK. Het russische rijk , waarin sedert den dood van Potemkin Plato Su boff diens schandelijk hofambt ( z. bl . 141 ) bekleedde en tevens de zaken bestuurde, had tot hiertoe geen deel genomen aan den oorlog tegen Frank rijk . Catharina II had veeleer van dezen oorlog gebruik gemaakt, om, terwijl de overige groote mogendheden in het westen bezig gehouden werden , de handen vrij te hebben tot de volkomene onderwerping van Polen. Eerst toen zij hare oogmerken in Polen bereikt had, nam zij het besluit, om de fransche omwenteling , die zij eenen doodelijken haat toe droeg, met geweld van wapenen te bestrijden. Zij sloot met dit doel een verdrag met Engeland, Oostenrijk en Pruisen, maar stierf op den 17 no vember 1796, nog vóór dat het bekrachtigd was. Paul I , de zoon en opvolger van Catharina , verwierp niet slechts dit verdrag , maar hij sloeg ook over het algemeen eenen weg in , die geheel in strijd was met de handelwijze zijner moeder. Zij had hare opmerkzaam heid vooral gevestigd op de buitenlandsche aangelegenheden ; Paul daaren tegen wilde zich van het begin af alleen met de binnenlandsche bemoeijen. Daarenboven was hij eensdeels tegen alles , wat zijne moeder gedaan had, ingenomen , en had anderendeels eenen hevigen afkeer van de Franschen en hunne omwenteling. Paul was niet boosaardig van karakter en ook niet zonder gevoel voor het ware en goede ; hij gaf veeleer sommige be wijzen van een edel hart en van aandoenlijke goedheid. Hij ontsloeg b. v. reeds in den beginne Kosciusko en zijne wapenbroeders grootmoedig uit de gevangenschap, en bewees den Polen in het algemeen deelneming met hun lot. Hij was echter ongelukkig verward in het hoofd, tot in het dolle willekeurig , en in zoo hooge mate van zijne luimen afhankelijk , dat hij dikwerf zelf de regelen van het gewone verstand ter zijde stelde. Zijne dolle invallen , zijne tallooze verordeningen, die dikwerf onderling in strijd waren , de wreede gestrengheid , waarmede hij elke overtreding zijner ge boden strafte en elke door hem gehate meening vervolgde, herinnerden aan de ongelukkige tijden van het latere romeinsche keizerschap. Geheel Rusland en zelfs de keizerlijke familie sidderde voor zijne dwingelandij. Daarenboven maakte Paul zich , niettegenstaande menige door hem inge voerde verbeteringen , nog daardoor gehaat en tevens belagchelijk , dat hij met vreeselijke gestrengheid in alles , zelfs in de kleeding, de oude vormen trachtte te herstellen. Zulk eene regering kon onmogelijk lang staande blijven, te meer, nadat het russische hof onder Catharina een geheel nieuw karakter had aangenomen . Wij willen ons hier echter niet bezig houden met de inwendige geschiedenis van Rusland , maar met de betrekking der europische belangen tot de russische regering, en gevolgelijk alleen met de staatkundige rigting van keizer Paul. Deze hing niet blootelijk zamen met 286 Nieuwe Geschiedenis. de aangestipte trekken van zijn karakter, maar zij werd ook door de rusic looze bemoeijingen der Engelschen bepaald. In Engeland had Pitt verschillende pogingen beproefd , om vrede te sluiten met de fransche republiek. Doch dit was alleen geschied om het engelsche volk te misleiden, dat bij onderscheidene gelegenheden luid morde. De ontevredenheid der Engelschen had hare oorzaak deels in de stemming van den handel, die de oorlog na zich sleepte, deels in de omstandigheid, dat de ministers, niettegenstaande den gedrukten toestand des lands, verba zende sommen als toelagen of voor het omkoopen van vreemde kabinetten, of voor giften en jaargelden van hunne bloedverwanten en handlangers ver kwistten. Het misbruik , dat men van de inwilligingen van het parlement maakte, ging zoo ver , dat de ministers in 1797 aan de eene zijde zells het vertrouwen van de bank schokten , en aan de andere de dappere ver dedigers van het land gebrek lieten lijden . Het laatste had een oproer van de matrozen op de koninklijke vloot ten gevolge. In februarij 1797 weigerden eerst de matrozen der kanaalvloot de gehoorzaamheid. Vergeefs poogde de regering dit door de gewone gestrengheid te verhelpen ; de op roerlingen lieten zich niet afschrikken , en Pitt moest hun vergiffenis schen ken. Zij kregen zelfs, wat tegen alle regelen eener goede regering in druischt, de uitbetaling eener som gelds. Daardoor werden nu ook de matrozen der Noordzee- vloot tot opstand aangeprikkeld. Dezen deden zelfs nog grootere eischen . De regering nam derhalve tegen hen tot geweld hare toevlugt. Alle havens werden voor de oproerlingen gesloten en alle toevoeren afgesneden , zoo dat zij eindelijk om genade smeeken moesten. Men gaf hun daarop wel vergiffenis, maar sloot de grootste belhamels daarvan uit . Dezen werden ter dood gebragt. De oproeren op de vloot verzwakten de magt van Engeland naar bui ten even weinig, als de gelijktijdige burgeroorlog in Ierland ( z . bl . 250 vv .). Juist in het jaar 1797 bewezen de Engelschen aan de wereld , dat geen hunner vijanden ter zee tegen hen opgewassen was. In februarij bevocht de admiraal Jervis bij kaap St. Vincent met slechts vijftien schepen eene schitterende overwinning op de zeven en twintig zeilen sterke vloot der vijanden. In october vernietigden de Engelschen door de reeds boven ver melde (z. bl . 251 ) overwinning van lord Duncan al de verwachtingen, die Frankrijk op den burgeroorlog in Ierland gebouwd had . In het volgende jaar maakten zij aan dezen oorlog zelven een einde. In hetzelfde jaar (1798) gelukte het aan de Engelschen , een nieuw verbond tegen Frankrijk tot stand te brengen. Dit werd hun gemakkelijk gemaakt door de schandelijke wijze, waarop de fransche democraten aller wegen het bestaande regt met voeten traden . Het uitvoerend bewind bragt daardoor zelfs keizer Paul , die toch zoo geheel afkeerig was van cenige bemoeijing in hunne zaken, tegen zich in het harnas. De vijf bewind hebbers deden hem namelijk eene persoonlijke beleediging aan, daar zij te Rasta lt den russischen gevolmagtigde lieten afwijzen. Reeds vroeger hadden zij daardoor, dat zij bij denvrede van Campo Formio de Ionische eilanden aan zich getrokken hadden, Rusland in gevaar gebragt om zijnen invloed op de Grieken en Turken te verliezen. Onder deze omstandig heden viel het den Engelschen niet moeijelijk , om keizer Paul , die bui tendien slechts een op goddelijke regten rustend volstrekt monarchaal re ille Frankrijk. Ontstaan van de tweede coalitie. 287 geringsgezag erkende, tot het blinde werktuig hunner eigenbatige staat kunde te maken. Ook in Oostenrijk werkten de Franschen den engelschen eersten mi nister in de handen. Het uitvoerend bewind had in februarij 1793 den generaal Bernadotte als gezant naar Weenen gezonden. Deze moest daar voornamelijk beproeven , om den minister Thugut, die het weder met de Engelschen had aangelegd, uit zijne betrekking te verdringen , wat niet moeijelijk scheen , omdat Bernadotte den keizer schriftelijke bewijzen kon voorleggen , dat Thugut vroeger eene ongeoorloofde betrekking met de Franschen had onderhouden . Verschillende omstandigheden vertraagden echter de eerste toelating van Bernadotte bij den keizer tot in april. Dit gaf aan de bonapartisten, die Bernadotte haatten , gelegenheid , om hem in de parijsche dagbladen te honen en verdacht te maken. Bernadotte poogde nu de berisping zijner vijanden door een zeer stout gedrag te ontzenuwen. Hij eischte het verbieden van een feest , dat de jeugd van Weenen op den verjaardag van het uittrekken hunner vrijwilligers tegen de Franschen vieren wilde. Toen de regering aan zijn verlangen geen gehoor gaf , liet wij op den feestdag ( 11 april) de fransche vlag met het opschrift: Vrijheid en Gelijkheid ! op het balcon van zijn hotel plaatsen. Hij verbitterde daardoor het volk zoo zeer, dat hetgemeen zich tierend voor zijn hotel verzamelde en de glazen insmeet. De politie zag het rustig aan en de gewapende magt werd , niettegenstaande herhaalde aanvragen van Bernadotte, eerst gezonden , toen het gemeen het huis bestormd , het daarin aanwezig huisraad vernield, de fransche vlag naar beneden gesleurd en op de markt verbrand had . Bernadotte eischte onmiddellijk zijne pas poorten , en liet zich door geene bedenkingen van zijn vertrek terug hou den. Intusschen werd zijn gedrag noch door het uitvoerend bewind, noch door Bonaparte goedgekeurd. Engeland had toen reeds de draden eener nieuwe coalitie begonnen te spinnen, en spande op denzelfden tijd te Weenen , Napels, Petersburg en Berlijn alles in, om zijne oogmerken door te zetten. Dit gelukte door de koningin van Napels en den keizer van Rusland eer , dan men verwacht zou hebben. Te Napels was de regering geheel in handen der bemoei zieke koningin Maria Carolina. Zij was den Franschen bij de verdragen van Leoben en Campo Formio wel zeer nuttig geweest; maar zij had het rijk aan den engelschen invloed prijs gegeven, en was daarom door de pa rijsche dagbladen, zelfs in de officiele, bitter aangevallen, waartoe trouwens haar aanstootelijk bijzonder leven stof genoeg bood. Te Napels zelf was niet slechts een der invloedrijkste ministers, Acton , geheel engelsch gezind, maar Maria Carolina liet zich ook door de gemalin van den engelschen gezant lord Hamilton, vroeger eene tooneelspeelster, die later daarenboven de beminde van Nelson was, geheel en al besturen . De koningin werd derhalve gemakkelijk voor het verbond tegen Frankrijk gewonnen. Dit be woog dan den franschen generaal Berthier, om terstond na de bezetting van Rome het ontslag van Acton, zoo wel als de verwijdering van den engel schen gezant te eischen en nog andere harde vorderingen te doen. Maria Carolina wendde zich in den nood om hulp tot Oostenrijk , en Thugut sloot in mei 1798 met haar een geheim verdrag, waarin Oostenrijk en Napels zich tot gemeenschappelijke afwering van elken mogelijken aanval onderling naauw verbonden. Terstond daarna voerden Maria Carolina 288 Nieuwe Geschiedenis. en hare werktuigen te Napels een stelsel van het ergste schrikbewind in . Elke vrije uitdrukking werd met ongehoorde woede vervolgd, elk beschaafd man als verdacht, elke soort van fransche kleeding of manier als teeken van oniwentelingszucht beschouwd. Alle kerkers werden met gevangenen opgevuld , en allerlei kwellingen gebezigd , om bekentenissen af te persen. Gedurende den zomer verscheen Nelson tweemaal met zijne vloot te Napels, en zette het hof aldaar door lady Hamilton tot onvoorzigtigheden aan , die de Franschen geheel en al verbitterden. Nelson had de vloot, die Bonaparte naar Egypte bragt, eenigen tijd vergeefs overal opgezocht, die intusschen gelukkig de reede van Aboukir bereikt had. Daar trof hij die aan , toen hij van de syrische kust naar den Nijl terug keerde. Zij was , nadat Bonaparte zich toen met zijn leger op den 1 julij ontscheept had, tegen diens bevel op de opene reede van Aboukir voor anker blijven liggen , omdat haar admiraal, Brueys, ter bescherming van het fransche leger zoo lang aan de egyptische kust meende te moeten vertoeven , tot dat hij van den gelukkigen voortgang der onderneming berigt bekomen had. Ook meende Brueys , dat zijne vloot in de haven bij Aboukir niet dan van ééne zijde kon aangetast worden. Nelson was echter naauwelijks aangekomen , of hij begreep, dat hij een gedeelte zijner schepen tusschen de kust en de fransche vloot inschuiven en die zoo tusschen twee vuren brengen kon . Dit deed hij en bragt den Franschen op den 1 augustus in den slag bij Aboukir eene vreeselijke nederlaag toe. Al hunne oorlog schepen werden op vier na , waarmede de admiraal Villeneuve zich naar Malta redde, vernield of veroverd , de admiraal Brueys zelf gedood. Bo naparte schreef de schuld van dit ongeluk toe aan den admiraal Villeneuve, die, zoo het heette, met zijn smaldeel geen schot gedaan had . Overigens had ook de engelsche vloot veel in den slag geleden. Nelson moest veertien dagen lang bij Aboukir vertoeven, om zijne vloot in zoo ver te herstellen , dat hij den gemaakten buit naar Napels brengen kon . Toen hij hier aan kwam , had Maria Carolina de onvoorzigtigheid , hem de schitterendste zegepraal te bereiden . Dit gedrag was dubbel onvoorzigtig, omdat de koningin had moeten beseffen , dat het haar volstrekt noodig was, zoo lang den vrede met Frankrijk te bewaren , tot dat hare bondgenooten slag vaardig waren. Wat den Engelschen in Napels, Rusland en Oostenrijk gelukt was, beproefden zij te vergeefs ook in Pruisen te bereiken . Daar regeerde sedert den dood van Frederik Willem II ( 16 november 1797) zijn zoon Frederik Willem III. De nieuwe koning was zedelijk onbesproken , afkeerig van alle praal en als een goed huisvader op orde en tucht gesteld , maar hij was daarbij tevens angstvallig en bezorgd, vermeed elken beslissenden stap en poogde onder de hevige schokken van eenen sterk bewogen tijd zijnen staat onzijdig te houden. Hij zelf was als allen , die hem omringden, middelmatig , schuwde elke uitstekende bekwaamheid , en liet zich door menschen besturen , die diep beneden hem stonden . Desniettemin werd door zijne komst tot den troon ten minste aan het hof en in het bijzondere leven der koninklijke familie eene weldadige verandering te weeg gebragt. Onverwijld moesten Bischofswerder en de gravin Lichtenau met den lie derlijken of huichelachtig vromen pasleep hunner aanhangers Berlijn ver laten; in februarij 1798 werd ook Wöllner verbannen. Maar daarentegen bleven juist de verdorfelijkste lieden uit den kring van den vorigen koning, Frankrijk Ontstaan van de tweede coalitie 289 Lucchesini 9 9 , Haugwitz en Lombard , achter, en bij hen voegde zich nog als waardig medgezel Lecoq. Terwijl derhalve in het bestuur, de geld middelen , de kerkelijke zaken en het onderwijs alles beter werd, bleef de buitenlandsche staatkunde in de handen van dezelfde intriguanten , die den vorigen koning op den dwaalweg geleid hadden. Ook het krijgswezen werd, niettegenstaande de in den oorlog verkregene ondervinding, in zijnen ouden toestand gelaten. Onder de mannen , die eerst bij de aanvaarding der regering door den nieuwen koning invloed verkregen , waren Kökeritz, Menken en Schulenburg de achtenswaardigsten. De eerste was adjudant generaal en vriend des konings, en geleek zeer veel op hem , maar was toch nog veel trager. Menkenwerd door zijne ingenomenheid met de begin selen der eerste fransche nationale vergadering den pruisischen staat zeer nuttig, want aan hem moet eene reeks van verordeningen toegeschreven worden, die aan den geest des tijds beantwoordden en den koning bij het volk bemind maakten . Schulenburg verwierf zich de verdienste, dat hij orde in de verwarde geldmiddelen bragt, en in de plaats der bestaande veelzijdige heerschappij der ambtenaren deoudheid des bestuurs stelde. Ten aanzien der buitenlandsche staatkunde liet de koning zich , niet tegenstaande alle pogingen van Engeland , niet van zijne onzijdigheid af brengen. Daarentegen zetten Haugwitz en zijne medgezellen , hoewel meest buiten weten des konings, hunne kuiperijen voort. Oostenrijk en Pruisen werkten elkander steeds tegen. In Rastadt moest de pruisische gevolmag tigde even zeer de trouwelooze artikelenvan den bazelschen vrede verde digen , als de oostenrijksche_de tegen Pruisen gerigte geheime artikelen van den vrede van Campo Formio . Tevens had de eerste in last, om niet alleen de belangen voor te staan van den keurvorst Karel Theodoor van Beijeren en zijnen erfgenaam , den hertog van Tweebruggen , van wiens land Oostenrijk zich bij den vrede van Campo Formio een gedeelte had doen beloven , maar ook om te zorgen, dat , niettegenstaande den te genstand der Oostenrijkers, de verdreven erfgtadhouder van Holland in Duitschland schadeloos gesteld wierde. Intusschen had de engelsche gezant te Petersburgden russischen kei zer reeds voor den oorlog met Frankrijk gewonnen. Dit was door een in maart 1797 goedgekeurd handelsverdrag met Engeland voorbereid. Hierna had dezelfde gezant de bemoeijing van Paul voor de bij den vrede van Teschen (z. D. XVI. bl . 285) gewaarborgde onschendbaarheid van Beije ren ingeroepen. De Franschen hadden later onverstandig den russischen gezant te Rastadt afgewezen , en tevens door de eischen , die zij daar aan het duitsche volk deden, eenen vorst verbitterd, die zich geroepen gevoelde ter bescherming der zwakken tegen de sterken . Maar toen nu Bonaparte zijnen togt naar Egypte ondernam , werd de autocratische gezindheid van Paul geheel in beweging gebragt. Nu viel het niet moeijelijk meer , om den keizer de buitenlandsche staatkunde van zijne moeder weder te doen opvatten. Zoo dra hij deze rigting ingeslagen had, bragt hij ook de twee mannen , waarvan zijne moeder zich bediend had , maar die bij hem in ongenade gevallen waren , door tusschenkomst der Engelschen weder op den voorgrond. De een , Suwarow , werd op nieuw aan het hoofd des legers gesteld, den ander, Repnin (z. D. XVI. bl . 295 en D. XVII. bl. 154), zond Paul als gezant naar Berlijn , om den koning van Pruisen te bewegen tot het verbond met Engeland, Oostenrijk en Rusland. Dit kon XVII. 19 9 290 Nieuwe Geschiedenis. echter niet tot stand gebragt worden. Repnin , die te Berlijn met den grootsten luister optrad, nam wel als een der aanzienlijkste russische groo ten het pruisische hof en den hoogen adel voor zich en zijne bedoeling in; maar de koning liet zich volstrekt niet van het denkbeeld zijner onzijdig heid afbrengen . Overigens werkten ook de lieden , die nog uit den tijd van den vorigen koning invloed bezaten , het verbond met Engeland, Oos tenrijk en Rusland tegen , omdat dit de gevolgen verijdeld zoude hebben van den door hen tot stand gebragten vrede van Bazel. Op dezelfde wijze, als die van Repnin, mislukten te Berlijn de pogingen van den oostenrijk schen gezant, den in diplomatische streken zoo bijzonder bekwamen Lodewijk Cobenzl. Deze halve franschman , die te Straatsburg zijne op leiding genoten had en eveneens dacht en handelde, als zijn academievriend Talleyrand, had onmiddellijk te voren te Rastadt weten te bewerken , dat de onderhandelingen met Frankrijk in de war geraakten. Hij was vervol gens door Thugut naar Petersburg gezonden , om daar voor de beoogde coalitie te werken, en spande op zijne doorreize te Berlijn vergeefs al zijne krachten in , om den koning van Pruisen tot andere gedachten te bren gen. Ook de Franschen hadden eenen gezant naar Berlijn gezonden , die deEngelschen en Russen tegenwerken en den koning zoo mogelijk tot de zijde van Frankrijk overhalen moest. Voor deze zending was Sièges gekozen, omdat hij niet alleen voor mannen als Haugwitz en Lombard de geschikte man scheen te zijn, maar ook, omdat hij met den wakkeren Men ken en andere van het oude pruisische stelsel afkeerige mannen in be trekking stond. Sièyes kon zich als bespiegelend droomer en voormalig vriend van Mirabeau bij den pruisischen koning en den berlijnschen adel geenen invloed verwerven ; maar hij werd daarentegen op eene andere wijze nuttig voor zijn land. Hij wist namelijk door de listige wijze, waarop hij den koning de geheime artikelen van Campo Formio mededeelde, al de pogingen van Rusland en Engeland te verijdelen, en knoopte met Aubert, een geboren franschman , die secretaris van Repnin was, eene betrekking aan, waardoor hij alle geheime papieren van den russischen gezant verkreeg . Terwijl de diplomaten op deze wijze hun spel dreven, hadden de Fran schen door het bezetten van Malta aan keizer Paul eene nieuwe aanleiding en eenen schijnbaren regtsgrond gegeven , en tevens door hunnen aanval op Egypte den turkschen sultan gedwongen, om zich in de armen zijner erfvijanden , de Russen , te werpen. Paul stond met de maltezer orde, waarvoor hij reeds als grootvorst levendige belangstelling betoond had , in eene bijzondere persoonlijke betrekking. Hij had namelijk na zijne troons beklimming, om eenen russischen tak der orde te herstellen , het groot priorschap in Polen weder doen oprigten , de inkomsten van de orde in Rusland aanzienlijk vermeerderd en in november 1797 zich tot haren be schermer verklaard. Na de bezetting van Malta door de Franschen riepen de in Rusland wonende ridders de bescherming van den keizer in, en deze stond hun die niet slechts toe, maar hij liet zich ook in october 1798 tot grootmeester der orde verkiezen . De turksche sultan, Selim III, was tegen de Franschen reeds om twee redenen ingenomen , omdat zij de venetiaan sche eilanden aan de kusten van zijn rijk bezet hadden , en omdat Bona parte, om de Turken gedurende zijnen egyptischen togt in hun eigen rijk bezig te houden, had beproefd, betrekkingen aan te knoopen met den op roerigen Ali pacha van Janina. Maar de landing van Bonaparte in Egypte Frankrijk. Ontstaan der tweede coalitie. 291 was eene daad van openbare vijandelijkheid tegen den sultan. Deze ver klaarde derhalve op den 5 september 1798 den oorlog aan de Franschen, nadat hij zich reeds vroeger met Engeland en Rusland in betrekking ge steld had , en eene russische vloot met vier duizend soldaten in de haven van Konstantinopel binnen geloopen was. De werkelijke verdragen met den sultan werden eerst later gesloten , namelijk op den 23 december met Rusland en op den 2 januarij 1799 met Engeland. Tusschen Oostenrijk en Rusland was reeds vroeger een verbond tot stand gekomen, ten gevolge waarvan keizer Paul tegen het einde van het jaar 1799 een leger van vijf en veertig duizend man naar den Donau liet oprukken, om de Oostenrijkers in Italie te versterken. Met Napels verbond Paul zich op den 29 november, met de Engelschen eerst op den 29 december. 3 . DE TWEEDE COALITIE - OORLOG TOT OP DEN TERUGKEER VAN BONA PARTE LIT EGYPTE . 1. De oorlog in de lente van het jaar 1799 en het ontstaan en de vernieti ging der parthenopeische republiek. De blinde woede der koningin van Napels en van hare vrienden veroorzaakte het vroegere uitbarsten van den oorlog, dan door de bond genooten bedoeld was. Men had in het Napelsche gedurende september en october 1798 met geweld boeren geligt en door oostenrijksche officieren doen oefenen. Dit leger, aan welks hoofd de als plannenmaker en dril meester beruchte overste Mack (z. bl. 200) geplaatst werd , was tot niets minder , dan tot het bevechten der Franschen geschikt. Maar Maria Carolina en hare ministers waren zoo zeer door valschen waan bevangen , dat zij zelfs zonder de medewerking hunner bondgenooten veroveringen meenden te kunnen maken. Op den 25 november drongen alzoo de Na politanen op vijf punten onverhoeds de romeinsche republiek binnen. Championnet, die daar het bevel over het fransche leger voerde , ont ruimde terstond Rome en Ancona , om zijne troepen in het noorden te vereenigen. Toen de Franschen den Kerkelijken staat schenen op te geven , trok koning Ferdinand IV aan het hoofd van dertig duizend man te Rome binnen (29 november ). Zoo dra echter Championnet zich weder omwendde , stoof het leger der Napolitanen met zijnen verwaanden opper bevelhebber en zijnen laffen koning in een oogwenk uiteen . De laatst genoemde vlugtte reeds op den 10 december in den grootsten angst naar Napels terug. Maar zijn leger bood bijna nergens tegenstand, en zelfs de zeer sterke stelling, die Mack eindelijk tusschen Capua en Napels in genomen had, werd eenige weken daarna verlaten, ofschoon de Franschen niet eens de noodige hulpmiddelen voor eene belegering bij zich hadden. Het ellendig gedrag van koning Ferdinand was de oorzaak van de in januarij gebeurde spoedige overgave van het sterke Capua , dat de in neming van Napels tot onmiddellijk gevolg had. In zijnen angst scheepte hij zich reeds op den 21 december naar Sicilie in , en benoemde niet al leen eenen der ellendigste handlangers zijner gemalin , prins Pignatelli, tot onderkoning , maar hij liet ook de napelsche vloot in brand steken, of met andere woorden , zijne onderdanen van elk middel tot tegenweer op zee berooven. Dit veroorzaakte , in vereeniging met eenige andere om standigheden , bij de lagere, maar krachtige volksklasse der stad Napels, 19 # 292 Nieuwe Geschiedenis. de lazzaroni, de overtuiging, dat zij en hun koning door de republikeinsch gezinde voorname klassen en door de vreemdelingen in het leger verraden werden. Zij besloten derhalve tot eenen wanhopigen strijd met de Fran schen, en bedreigden tevens allen met dood en verderf , die zij voor aan hangers der Franschen hielden. Een gedeelte van de edelen en generaals vatte daarentegen het besluit, ten einde zich tegen de woedende menigte te beschermen, om de stad terstond aan den naderenden vijand over te geven . Toen echter de onderkoning , zonder de stedelijke overheden te raadplegen , onderhandelingen met Championnet aanknoopte, rigtten zij een omwentelingsbestuur op, en vormden uit lazzaroni en burgers een le ger voor den opstand. De verwarring klom te Napels ten top , toen Pignatelli en Mack op den 10 januarij 1799 van de Franschen eenen wapenstilstand afgebedeld hadden, ten gevolge waarvan Capua met al zijnen krijgsvoorraad en meer andere plaatsen aan de Franschen overgeleverd werden en de stad Napels eene schatting van tien millioenen francs opbrengen moest. Op het be rigt van dit verdrag bestormden de lazzaroni het tuighuis en verschillende sterkten van de stad , trokken plunderend en moordend door de straten, doodden elk , die geen lazzaroni of geestelijke was, en bragten den prins Pignatelli zoo zeer in angst , dat bij even als zijn koning stad en land aan zijn lot overliet en naar Sicilie ontvlugtte. De opperbevelhebber Mack, die door zijne eigene soldaten bedreigd en beleedigd was , had zich reeds vroeger in de legerplaats van Championnet gered.. De lazzaroni riepen door middel van de stormklok de landlieden bij duizenden naar de stad , en trokken vervolgens daarmede in blinde woede de aanrukkende Fran schen te gemoet. Maar daarentegen namen ook de republikeinen de wa penen op en ontrukten aan het volk de ingenomene sterkten weder. Op den 20 januarij drong Championnet in vier kolonnen, die zich in het mid den der stad vereenigen moesten , te Napels binnen . De lazzaroni en de landlieden boden den wanhopigsten tegenstand; zij bezweken echter voor de krijgskunde en de betere wapenen der Franschen , hoewel zij elken stap voorwaarts met zware verliezen koopen moesten. De strijd duurde ook des nachts. Op den volgenden dag zocht Championnet, om aan het moorden een einde te maken , naar eenige overheid , waarmede hij onder handelen kon ; maar alle overheden waren verdwenen en de stedelijke re gering ontbonden . Het moorden begon op den 23 met vermeerderde woede, tot dat eindelijk de lazzaroni, die zonder aanvoerder en zonder orde stre den en tevens door hunne republikeinsche landgenooten uit de sterkten beschoten werden , aan de overwinning wanhoopten en uiteen gingen. Nu eindelijk werd Championnet meester van de stad. Doch de na pelsche republikeinen riepen de republiek uit. Wij houden ons bij de staatsregeling en inrigting van dezen nieuwen vrijstaat, dien men naar den ouden naam van de stad Napels de parthenopeische republiek noemde, niet op, omdat die elken grondslag miste en derhalve ook niet kon voort bestaan. Het ging der parthenopeische republiek van het eerste oogenblik harer stichting even alsaande bataafsche en helvetische. Een leger van bloed zuigers verscheen uit Parijs, om voor zich en voor de roofgierige bewind hebbers het meeste voordeel uit de gemaakte verovering te bejagen. Naast hen veroorloofden zich de fransche officieren en soldaten alle mogelijke genietingen , en Napels moest niet alleen de kosten hunner brasserijen Frankrijk. – Begin van den tweeden coalitie - oorlog. 293 eenen en

dragen , maar daarenboven ook nog eene schatting van vijf en zeventig millioen opbrengen . Championnet bewees zich wel is waar minder eigen batig, dan anders de generaals uit den tijd der omwenteling waren , maar hij liet zich door dollen democraat uit Parijs besturen verwaarloosde de tucht in het leger. Toch jaagde hij den van Parijs ge zonden commissaris Faypoult en de overige handlangers van het uitvoerend bewind weg.. Daarvoor werd hij afgezet, van Rome geboeid naar Milaan gebragt en voor eenen krijgsraad gesteld, die hem echter vrijsprak. Mac donald kreeg het opperbevel te Napels. Omstreeks denzelfden tijd, dat Championnet het napelsche rijk binnen gedrongen was , had het uitvoerend bewind ook Piemont laten bezetten , om Karel Emanuel IV van Sardinie voor den aanstaanden oorlog onscha delijk te maken. De aanleiding en het voorwendsel daartoe gaven ver schillende pogingen tot opstand , die de democraten in Piemont met fran sche , cisalpijnsche en ligurische republikeinen beproefd hadden . Deze po gingen waren mislukt en met bloedige gestrengheid gestraft. Maar later ( junij 1798 ) trokken zich de fransche gezant aan het sardinische hof, Guinguenée, en de in Lombardije bevelvoerende generaal Brune de op roerlingen aan , en noodzaakten Karel Emanuel, om niet slechts vergiffe nis te verleenen, maar ook de citadel van Turijn door fransche troepen te doen bezetten. Sedert dien tijd leefde de koning in zijne eigene hoofd stad als een gevangene , en werd door Guinguenée en Brune gedurig be leedigd, door de democraten gehoond. Toen de Napolitanen in den Ker kelijken staat gevallen waren , liet Joubert , de opvolger van Brune , ook het piemontescheleger nog ontwapenen. Later kwelden drie generaals, die later als ijverige bonapartisten beroemd geworden zijn , maar zich in dien tijd door hetuitvoerend bewind tot elke geweldenarij lieten gebruiken, Alix, Grouchy en Clausel , den vreesachtigen koning door mishandelingen en bedreigingen zoo lang , tot dat hij bij eene door Clausel voorgeschreven acte van afstand Piemont aan Frankrijk afstond ( 9 december 1798). Karel Ema nuel vertrok hierop onmiddellijk naar Sardinie . Hij bereikte dat gelukkig, nog voor het bevel van het uitvoerend bewind, om hem als gevangene naar Frank rijk te brengen , aangekomen was. Uit Sardinie maakte hij een protest openbaar tegen den hem afgedwongen afstand. Nog minder omstandig heden, dan met hem, maakten de Franschen met Ferdinand III van Tos kanen , een broeder van keizer Frans. Hem werd op denzelfden dag, toen de oorlogsverklaring aan den keizer geschiedde (12 maart 1799), de oor log insgelijks verklaard , omdat hij eene napelsche afdeeling, die in december te Livorno ontscheept was, vriendelijk had ontvangen, en om dat men eenen broeder van den keizer niet in den rug van het fransche leger kon dulden. Den oorlog zelven begonnen de Franschen op den 1 maart 1799, derhalve nog vóór de oorlogsverklaring , waarschijnlijk omdat zij uit de door Aubert ( z . bl . 290) verkregen stukken het geheele plan der werk zaamheden van de vijanden hadden leeren kennen. Op den 1 maart ging Jourdan, wiens leger, als bij voorzegging, den naam van Donauleger ont vangen had , bij Bazel en Kehl over den Rijn . Ter zelfder tijd bezette Bernadotte, die onder zijn bevel stond, Manheim en Heidelberg, en sloot Philipsburg in . Het uitvoerend bewind hadin dientijd het leger aanzien lijk vermeerderd door middel van de op den 5 september 1798 ingevoerde 294 Nieuwe Geschiedenis. conscriptie, waarbij alle Franschen van het twintigste tot het vijf en twin tigste jaar dienstpligtig waren gesteld. Een gedeelte van dit leger was onder het opperbevel van Jourdan op den linker oever van den Rijn tot Dusseldorp, een ander onder zijnen onderbevelhebber Massena in Zwitser land geplaatst. De zoogenoemde italiaansche armee had als opperbevel hebber den onlangs uit het ministerie verwijderden Scherer. Een derde leger stond onder Brune in de bataafsche republiek, die door de Engelschen bedreigd werd. Een vierde eindelijk bevond zich onder de leiding van Macdonald te Napels. Aan de zijde der coalitie voerde de aartshertog Karel het bevel over een sterk leger in Zuid-Duitschland. Hij deed dat , op het berigt van het oprukken van Jourdan tot Offenburg , den Donau overtrekken . Een ander oostenrijksch leger was reeds tegen het einde van het vorige jaar, toen Frankrijk van de helvetische republiek twee wegen voor zijne legers had afgedwongen, Graauwbunderland binnen gerukt. Dit had den generaal Hotze, eenen geboren Zwitser, tot aanvoerder. In Italie was aan de Etsch een derde leger geplaatst. Melas voerde daarover het bevel ; doch daar hij ziek was , en derhalve eerst op den 4 april aankomen kon , had Kray intusschen het bevel. Aan het hoofd der Russen, die zeer langzaam van den Donau door Carinthie naderden en eerst in het midden van april te Verona opdaagden, stond Suwarow . Onder hem was ook het oostenrijksche leger in Italie gesteld. Hij had het opperbevel alleen aan genemen onder voorwaarde, dat hij zijne bevelen niet van den hofkrijgs raad , die geheel in de magt van Thugut en der napelsche koningin was, maar van den keizer zelven ontvangen zoude. Maar de intriguanten te Weenen verijdelden deze voorzorg , daar zij den keizer al de bevelen , die aan Suwarow gezonden werden , in den mond gaven . Nog vóór dat de aartshertog Karel tegen Jourdan opgebroken was, ging het helvetische leger op marsch naar Graauwbunderland en drong de Oostenrijkers tot achter Cħur terug. Vervolgens poogde Massena door het Vorarlbergsche naar Zwaben te dringen, om zich met Jourdan te ver eenigen ; maar hij werd op den 22 maart bij Feldkirch met groot verlies terug geslagen. Ook Jourdan en de aartshertog Karel hadden toen reeds bij Ostrach in het Siegmaringsche een gevecht geleverd , dat onbeslist ge bleven was ( 21 maart) . Op den 25 maart kwam het tusschen hen bij Stock ach reeds tot eenen tweeden slag. Ook hier wasde zege twijfelachtig ; doch de Oostenrijkers hadden hun doel bereikt, Jourdan het zijne gemist , omdat hij zijn leger over den Rijn moest doen terug gaan. De aartshertog ver volgde echter het behaalde voordeel niet , en bleef zelfs tot het einde van april werkeloos. Daarvan waren, zoo als hij zelf verzekert, Thugut en de hofkrijgsraad de schuld, die hem niet slechts, omdat zij alleen aan Tyrol en Italie dachten , een gedeelte van zijn leger onttrokken, maar ook door hunne valsche staatkunde zoo groot wantrouwen bij de Zwitsers opwekten, dat dezen geene hulp verleenden . Toen Jourdan derhalve na den slag bij Stockach van het leger verwijderd en een groot gedeelte daarvan met de helvetische armee vereenigd was , kreeg Massena tijd , om zich door toe snellende versche troepen te versterken en bij Zurich eene uitmuntende stelling in te nemen. Eerst op het einde van april kon de aartshertog beproeven, om naar de hooge Alpen door te dringen en zich met Suwarow te vereenigen. Dit had in